Tagarchief: zandgrond

Kartuizer anjer : Dianthus carthusianorum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze bloemen met gekartelde kroonbladen
– in een bundeltje aan het einde van een ijle bloeistengel met
– vliezige, bruine schubben onder de kelk

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kartuizer anjer is een zeer zeldzame, overblijvende, polvormende plant van 30 tot 45 cm hoog, die groeit op grazige zandgrond. Ze is wettelijk beschermd en staat op de rode lijst als ernstig bedreigd. Ze wordt ook ingezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kartuizer anjer bloeit vanaf juni tot en met augustus met helder roze (zelden witte) bloemen van 18 tot 20 mm in doorsnede. De kort gesteelde bloemen staan met 4 tot 15 in een bundeltje bij elkaar aan het einde van de ijle bloeistengel. Ze hebben 5 getande kroonbladen. De vliezige schubben onder de kelk zijn bruin, korter dan de kelk, plotseling in een spitsje van 2 tot 4 mm uitlopend.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

steenanjer : alleenstaande bloemen, behaarde stengel.

 

 

 

 

 

kartuizer anjer : bloemen in dichte trossen en onder de bloemen bruine vliezige kelkschubben, kale stengel.

 

 

 

 

 

ruige anjer : bloemen in dichte trossen (maar iets losser dan kartuizer anjer), zonder bruinvliezige kelkschubben, maar met nagenoeg rechtopstaande, groene schutbladen, stengel, bladeren en kelk dicht behaard.

 

 

 

 

 

 

duizendschoon : tuinplant, bloemen in dichte trossen, kelkschubben groen, bladeren aan de voet gewimperd.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Carophyllaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam, op de rode lijst
– 30 tot 45 cm
– verspreiding

Bloem
– helder roze, zelden wit
– juni t/m augustus
– bundel of krans
– stervormig
– 18 tot 20 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet doorgroeid
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bleekgele droogbloem : Gnaphalium luteo-album

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de witte viltige beharing van bladeren en stengels en
– de gele tot oranje bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bleekgele droogbloem is een een- of tweejarige plant van 5 tot 30 (50) cm hoog die vrij algemeen voorkomend is.  Ze groeit op open, vochtige tot natte, kalk- en/of voedselrijke zandgrond, vooral in duinvalleien, op zandplaten en in afgravingen, ook op stenige plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bleekgele droogbloem bloeit vanaf juli tot en met oktober met bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan aan het einde van de hoofd- en zijstengels. De hoofdjes bestaan enkel uit gele tot oranje buisbloemen, ze hebben geen straalbloemen. Het omwindsel bestaat uit witte of gelige, droogvliezige, glanzende omwindselbladen. Dat maakt de plant aantrekkelijk in gedroogde vorm.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bladeren en stengels zijn wit viltig behaard, wat de plant beschermd tegen uitdroging door de zon. De onderste bladeren staan dicht op elkaar (het lijkt daardoor een rozet), zijn spatelvormig en hebben een stompe top. De bovenste bladeren staan verder uit elkaar, zijn lancetvormig en hebben een spitse top. Ze hebben allemaal een iets omgerolde rand.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

bosdroogbloem : kluwens in alle bladoksels, stengel en onderkant bladeren wit viltig.

 

 

 

 

 

moerasdroogbloem : minder viltig dan bleekgele droogbloem, omwindsel bruin of geelachtig, kluwens omgeven door bladeren, die minstens 4x langer zijn dan de kluwens.

 

 

 

 

 

 

bleekgele droogbloem : dicht witte viltige beharing, ook bovenkant van de bladeren, omwindsel wit tot gelig, kluwens van volledig uitgegroeide bloeistengels omgeven door hooguit 2 kleine blaadjes.

 

dwergviltkruid : en andere viltkruiden zijn evenals de droogbloemen viltig behaard, alleen hebben ze veel kleinere bladeren.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig of tweejarig
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 5 tot 30 (50) cm

Bloem
– geel, oranjeachtig
– juli t/m oktober
– hoofdjes in kluwens
– buisvormig
– 5 mm
– omwindsel droogvliezig

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– spatelvormig
– top stomp
– bovenste :
– lancetvormigvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet half stengelomvattend
– 1 nervig
– viltig behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– viltig behaard
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wilgenroosje : Chamerion angustifolium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige bloeiwijze met grote 4-tallige helder roze
(zelden witte) bloemen en
– de donker bruinrode kelkbladen, die tussen de kroonbladen
naar voren buigen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilgenroosje is een overblijvende plant van 30 tot 150 cm hoog. Ze komt zeer algemeen en groeit op zonnige tot half beschaduwde plaatsen met vochtige tot droge, omgewerkte zandgrond op kapvlakten, brandplekken en aan bos- en struikgewasranden. Op kap-, brand- en door storm geteisterde plaatsen kan wilgenroosje plotseling massaal voorkomen.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wilgenroosje bloeit vanaf juni tot en met september met lange aarvormige trossen. De helder roze bloemen zijn 4-tallig en hebben donker bruinrode kelkbladen. De meeldraden en de stijl steken duidelijk buiten de bloem en gaan later hangen.

De vier kroonbladen zijn niet gelijk. De bovenste twee zijn iets groter dan de onderste, waardoor de kroonbladen wat weg lijken te hebben van de vleugels van een vlinder.

De bloemen lijken op lange stengels te staan, maar die “stengel” is het vruchtbeginsel, dat zich na de bloei ontwikkelt tot een doosvrucht met talrijke pluizige zaden, die door de wind makkelijk verspreid worden.

Naast uitbreiding door middel van zaden, breidt wilgenroosje zich ook uit door middel van de kruipende wortelstok. Op die manier kan de plant grote bestanden vormen, waarin andere planten geen kans krijgen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Wilgenroosje draagt smalle lancetvormige bladeren, die verspreid langs de stengel staan. De bladeren lijken op de bladeren van de wilg, vandaar de naam.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bladeren van wilgenroosje kunnen gedroogd worden in de zon om er daarna thee van te trekken. Werkt goed bij darmproblemen. Jonge bladeren en jonge scheuten kunnen als groente gegeten worden of in soep gebruikt worden.

 

 

harig wilgenroosje

 

 

 

Algemeen

 

– teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 0,3 tot 1,5 m

Bloem
– helder roze (zelden wit)
– vanaf juni t/m september
– aarvormige, zeer lange tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 4 kroonbladen, iets uitgerand
– niet vergroeid
– 4 donker bruinrode kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- lancetvormig
– zittend
– top spits
– rand gaaf of iets getand
– voet afgerond of wigvormig
– onderkant blauw/groen

Stengel
– rechtop
– niet vertakt
– kaal
– rolrond
– vaak roodachtig aangelopen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Viltganzerik : Potentilla argentea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– een wijd, rijkbloemig bijscherm
– met gele, 5-tallige, 1 tot 1,5 cm grote bloemen en
– de handvormige samengestelde bladeren, onderkant wit viltig

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Viltganzerik is een overblijvende plant van 15 tot 30 cm hoog. Ze is vrij algemeen voorkomend in de Lage Landen. Ze groeit op min of meer open, droge, meestal kalkarme, vaak omgewerkte zandgrond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Viltganzerik bloeit in juni en juli met gele, 5-tallige bloemen, die een wijd vertakt, rijkbloemig scherm vormen aan het einde van de stengel en in de oksels van de bladeren. De kroonbladen zijn iets uitgerand, langer dan de kelkbladen en bij een volledig geopende bloem raken ze elkaar niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn handvormig samengesteld, meestal 5-tallig. Aan de bovenkant zijn ze groen, de onderkant is wit viltig. De deelblaadjes zijn gelobd met hooguit 9 lobjes. Evenals de bladeren zijn ook de kelk- en bijkelkbladen, de bloemstelen en de stengel wit viltig. De wit viltige beharing kan na verloop van tijd wat slijten. De stengel is opstijgend, op betreden terrein liggend.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In de Lage Landen komen 12 soorten voor, om ze van elkaar te kunnen onderscheiden zie “Sleutel ganzerik“.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 15 tot 30 cm hoog

Bloem
– geel
– juni en juli
– wijd vertakt eindelings bijscherm
– 1 tot 1,5 cm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– handvormig samengesteld
– meestal 5-tallig
– top spits
– rand getand of gelobd
– voet wigvormig
– handnervig
– onderkant wit viltig behaard
– bovenkant groen
– bladrand soms iets omlaag gebogen

Stengel
– opstijgend of liggend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tripmadam : Sedum rupestre

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele bloemen in een vrij dichte tuil aan het einde van de stengel en
– de (bijna) ronde, grijs- of blauwgroene, dicht bij elkaar staande, spitse bladeren aan niet bloeiende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Tripmadam is een overblijvende plant van 15 tot 30 cm hoog. Ze is een zeldzame plant in de Lage Landen. Ze wordt ook aangeboden als tuinplant en verwilderd vanuit tuinen naar plaatsen waar je haar niet zou verwachten. Ze staat op de rode lijst als zeldzaam en sterk afgenomen. Ze groeit op open, droge, kalkarme zandgrond, voornamelijk op rivierduinen en zandige dijken, ook op stenige plaatsen, zoals in de spleten van basaltglooiingen.

 

 

Tripmadam

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in juni en juli met helder gele bloemen, die aan het einde van de stengel een vrij dichte tuil vormen. De bloemen hebben 5-8 (meestel 6) duidelijk gekielde kroonbladen, die 2 tot 2½ keer zo lang zijn als de vlezige kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De lijnvormige, (bijna) ronde bladeren zijn grijs- of blauwgroen en staan dicht bij elkaar aan niet bloeiende stengels. Aan de bloeiende stengels staan ze verwijderd. Tripmadam is zoden-vormend. Uit de wortelende, liggende stengels groeien korte, niet bloeiende, liggende tot opstijgende stengels en langere, verticale, bloeiende stengels.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

zacht vetkruid : bloemen kleiner dan 10 mm, de blaadjes hebben geen peperachtige smaak en zijn lijnvormig.

 

 

 

zacht vetkruid

 

 

 

muurpeper : bloemen 10 – 14 mm, alle bloemen 5-tallig, plat driehoekig, schubachtig blad, peperachtige smaak.

 

 

muurpeper

 

 

 

tripmadam : bloemen 14 of 15 mm, schermen met 5- tot 8-tallige bloemen met gekielde kroonbladeren en grijs- of blauwgroene, lijnlancetvormige, halfronde, spitse bladeren.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– vetplantenfamilie (Crassulaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– ook als tuinplant
– 15 tot 30 cm

Bloem
– geel
– juni en juli
– tuil
– stervormig
– 14 tot 15 mm
– 5-8 kroonbladen, niet vergroeid
– 5-8 kelkbladen
– 10-16 meeldraden
– 5-8 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnlancetvormig, (bijna) rond
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– zonder nerven
– vlezig

Stengel
– liggend of rechtop
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Steenanjer : Dianthus deltoides

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
alleenstaande helder roze bloemen met witte vlekjes en een donkerrode smalle ring aan de basis van de kroonbladen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Steenanjer is een overblijvende plant van 20 tot 45 cm hoog en groeit op droge, matig voedselarme zandgrond in lage graslanden. Ze is plaatselijk vrij algemeen voor komend in de Lage Landen. Ze is wettelijk beschermd en staat op de rode lijst als kwetsbaar.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Steenanjer bloeit vanaf juni tot en met oktober met niet geurende bloemen van 1,5 tot 2 cm in doorsnede. Ze staan aan het einde van de stengel en zijstengels. Ze zijn helder roze (zelden wit) en hebben 5 getande kroon- bladen, die witte vlekjes hebben en een donkerrode, smalle rand. Die rand op de kroonbladen vormt in het midden van de bloem een ring.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Steenanjer heeft rechtopstaande bloeiende stengels en half liggende, korte, niet bloeiende stengels. De bladeren van de niet bloeiende stengels en de onderste bladeren van de bloeiende stengels hebben een stompe punt, de overige bladeren hebben een spitse punt. Stengels en bladeren zijn ze kort afstaand behaard en voelen daardoor ruw aan.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

:
:
::
steenanjer : alleenstaande bloemen, behaarde stengel.

 

kartuizer anjer : bloemen in dichte trossen en onder de bloemen bruine vliezige kelkschubben, kale stengel.

 

 

kartuizer anjer

 

 

 

ruige anjer : bloemen in dichte trossen (maar iets losser dan kartuizer anjer), zonder bruinvliezige kelkschubben, maar met nagenoeg rechtopstaande, groene schutbladen, stengel, bladeren en kelk dicht behaard.

 

 

ruige anjer

 

 

 

duizendschoon : tuinplant, bloemen in dichte trossen, kelkschubben groen, bladeren aan de voet gewimperd.

 

 

duizendschoon

 

 

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Carophyllaceae)
– overblijvend
– plaatselijk vrij algemeen tot vrij   zeldzaam
– 20 tot 45 cm
– verspreiding

Bloem
– helder roze, soms wit
– juni t/m oktober
– alleenstaand
– stervormig
– 1,5 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top stomp of spits
– rand gaaf
– voet doorgroeid
– parallelnervig
– blauwgroen
– kort ruw behaard

Stengel
– liggend en opstijgend
– kort ruw behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Muurpeper : Sedum acre

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele, stervormige, 5-tallige bloemen en
– de platte, driehoekige, schubachtige blaadjes

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Muurpeper is een overblijvend algemeen voorkomend plantje van 5 tot 10 cm hoog. Ze groeit op open, droge, matig voedselarme tot voedselrijke zandgrond in plantsoenen, langs wegen en op muren en daken en kan daar in korte tijd grote kussens vormen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Muurpeper bloeit in juni en juli met helder gele bloemen van 10 tot 14 mm.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn sterk vertakt en liggend, alleen het uiteinde richt zich omhoog. De bladeren zijn wintergroen, kaal, plat driehoekig, schubachtig en zitten dakpansgewijs dicht bij elkaar langs de stengel. De bladeren van niet bloeiende stengels vormen vaak een bolletje en kunnen soms enigszins rood gekleurd zijn. De bladeren hebben een peperachtige smaak.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Muurpeper is een ideale bodembedekker, ze wordt ook gekweekt als tuinplant. Van de vetplanten is muurpeper de meest bekende soort.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

zacht vetkruid : bloemen kleiner dan 10 mm, de blaadjes hebben geen peperachtige smaak en zijn lijnvormig.

muurpeper : bloemen 10 – 14 mm, alle bloemen 5-tallig, plat driehoekig, schubachtig blad, peperachtige smaak.

tripmadam : bloemen 14 of 15 mm, schermen met 5- tot 8-tallige bloemen met gekielde kroonbladeren en grijs- of blauwgroene, lijnlancetvormige, halfronde, spitse bladeren.

 

 

zacht vetkruid

 

 

 

tripmadam

 

 

Algemeen

 

vetplantenfamilie (Crassulaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– ook als tuinplant
– 5 tot 10 cm

Bloem
– geel
– juni en juli
– tros
– stervormig
– 10 tot 14 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– afgeplat driehoekig
– top stomp
– rand gaaf
– voet afgerond
– zonder nerven
– vlezig
– peperachtige smaak

Stengel
– liggend, aan het einde rechtop
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Korenbloem : Centaurea cyanus

Standaard

categorie ; kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder blauwe, eindstandige bloemhoofdjes met
– trompetvormige, stralende buitenste bloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Korenbloem is een eenjarige plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze komt vrij zeldzaam voor in de Lage landen en komt op de rode lijst voor als gevoelig. Ze groeit op open plaatsen met droge, voedselrijke zandgrond in graanakkers en bermen. Ook wordt ze uitgezaaid, dan vaak in afwijkende kleuren (roze en wit) of met dubbele randbloemen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Korenbloem bloeit vanaf juni tot en met augustus met helder blauwe (soms roze of witte) bloemhoofdjes, die bestaan uit een aantal grote, wijd trompetvormige, onregelmatig 5-9 spletige randbloemen en in het hart violette buisbloemen met een 5-tandige zoom.

De randbloemen zijn onvruchtbaar en dienen alleen om het bloemhoofdje aantrekkelijker te maken voor insecten. De bloemen in het hart zijn rijk gevuld met nectar en hebben tot een kokertje vergroeide meeldraden, waaruit de stijl omhoog komt. De bloemhoofdjes staan alleen aan het einde van de stengels en zijstengels.

De blaadjes van het onder het bloemhoofdje zittende eironde omwindsel hebben een vliezige bruin of witachtige rand, die franje-achtig is ingesneden. De binnenste omwindselblaadjes zijn vaak paars aangelopen. Het omwindsel blijft door de verdroogde bloemenhoofdjes geheel gesloten tot de vruchten rijp zijn en als er dan droog weer komt, opent het zich om de vruchten vrij te laten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn veerspletig, de bovenste lancetvormig, maximaal 5 mm breed. Stengels en bladeren zijn spinnenwebachtig behaard.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

In de volksgeneeskunde wordt ze gebruikt voor haar urine drijvende werking, tegen maag- en darmstoornissen en als compres voor brandende rode ogen.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Korenbloem was een karakteristieke bloem van graanakkers, waar ze samen met klaprozen in de voorzomer bloeide. Door zaad-opschoning en intensieve onkruidbestrijding is ze daar zo goed als verdwenen. Je komt korenbloem nog het meest tegen in bermen, vaak uitgezaaid in “wilde-plantenmengsels”.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– vrij zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– blauw (soms wit of roze), in het hart   violet
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje, alleenstaand
– buisbloemen
– tot 3 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste veervormig ingesneden
– bovenste lancetvormig, max. 5 mm   breed
– top spits
– rand gezaagd
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– gegroefd

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein tasjeskruid ; Teesdalia nudicaulis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-teesdalia_nudicaulis1_ef

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het trosje witte bloemen met ongelijke kroonbladen
– aan de einde van de stengel en
– de vorm van de vruchtjes

 

 

klein_tasjeskruid_01

 

 

 

Algemeen

 

Klein tasjeskruid is een klein eenjarig plantje van 3 tot 20 cm hoog. Ze groeit op open, droge zandgrond en komt algemeen voor op de hoge zandgronden in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Klein tasjeskruid bloeit vanaf april tot en met juni, soms weer in augustus/september. De bloemetjes zijn wit en staan in een tros aan het einde van de stengel. Ze hebben vier kroonblaadjes, waarvan de buitenste twee groter zijn dan de binnenste. Door de buitenste stralende bloemen valt het plantje meer op en trekt daardoor beter insecten aan. Alle bloemen in de bloeiwijze zijn stralend, want elk bloemetje komt op een gegeven moment aan de buitenkant van de bloeiwijze te staan doordat de bloeistengel zich tijdens de bloei verlengt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De plant kiemt in de winter. Daarna vormt ze een platte rozet van enkelvoudige, veervormig ingesneden bladeren. De middelste stengel is bladloos, eventuele andere stengels uit hetzelfde rozet kunnen één of meer kleinere blaadjes hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Klein tasjeskruid lijkt op afstand wat op herderstasje, maar is tengerder en de vruchtjes zijn niet driehoekig, maar uitgerand ei-rond.

 

Naast herderstasje zijn er nog 5 andere (zeer) algemeen voorkomende, vroege voorjaarsbloeiers met 4-tallige, kleine witte bloemetjes en een bladrozet.

 

 

 

herderstasje : driehoekige vruchten.

 

 

 

 

 

 

vroegeling : gespleten kroonbladen en brede, platte vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

zandraket : lange, smalle, schuin afstaande vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

 

kleine veldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

bosveldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die niet of nauwelijks boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

klein tasjeskruid : ongelijke kroonbladen, eironde, platte, haaks afstaande vruchten, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Cruciferae)
– eenjarig
– algemeen voorkomend op   zandgronden
– 3 tot 20 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– hoofdje
– stervormig
– 3 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig

Stengel
– rechtop
– niet behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Boekweit : Fagopyrum esculentum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote pijl- of hartvormige bladeren en
– de losse aarvormige trossen witte bloemetjes en
– de donkere vruchtjes, die qua vorm op beukennootjes lijken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Boekweit is geen inheemse wilde plant, maar een eenjarig landbouwgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Oost-Azië. Vroeger werd boekweit verbouwd op schrale zandgrond. Ten opzichte van de huidige gewassen is de opbrengst te laag om verbouw lonend te maken en wordt ze alleen nog gebruikt als nectarplant voor honingbijen, zit ze in zaaimengsels en in vogelvoer.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Boekweit bloeit vanaf juni tot en met augustus met kleine witte of roze bloemetjes, die gegroepeerd zitten in losse pluimen in de bladoksels en aan het einde van de stengel. De bloemetjes hebben 5 bloemdekbladen, geen aparte kroon- en kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn groot, pijl- of hartvormig, meestal iets langer dan breed. De stengel is roodachtig.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

Voordat de bloei ten einde is zijn er al rijpe vruchtjes. Ze zijn driehoeking en lijken sterk op kleine beukennootjes. Elk vlak heeft scherpe randen, in tegenstelling tot Franse boekweit, waarvan de vruchtjes getande randen hebben. De vruchtjes zijn 2x zo lang als het (nog niet verdroogde) bloemdek. De vruchtjes van Franse boekweit zijn 3x zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

boekweit : wit of roze bloemdek, vruchtjes scherp driehoekig en twee maal zo lang als het bloemdek.

 

Franse boekweit : groen bloemdek, vruchtjes getand driehoekig en drie maal zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

duizendknoopfamilie (Polygonaceae)
– eenjarig
– schaars landbouwgewas
– 15 tot 60 cm

Bloem
– wit of roze
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– stervormig
– 5 tot 7 mm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 8 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– pijl- of hartvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet pijl- of hartvormig
– hand-/netnervig

Stengel
– rechtop
– aan 1 kant behaard
– roodachtig
– rolrond

zie wilde bloemen