Tagarchief: zandgrond

Akkerhoornbloem : Cerastium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

.

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de grote witte bloemen met 5 ingesneden kroonbladen
– met 5 stijlen en
– de behaarde stengels en behaarde bladeren

 

.

 

 

.

 

Algemeen

 

Akkerhoornbloem is een overblijvende plant van 5 tot 25 cm hoog, die algemeen voorkomt in de Lage Landen. Ze groeit op vrij open of grazige plaatsen met droge, al of niet kalkrijke zandgrond, zoals (rivier)duinen, bermen en braakliggende grond en niet op akkers, zoals haar naam doet vermoeden.

 

 

 

 

.

Bloem

 

Ze bloeit vanaf april tot en met juli met zuiver witte bloemen van 1 tot 2 cm groot. Ze hebben 5 kroonbladen, die voor 1/3 ingesneden zijn. De kroonbladen zijn 2x zo lang als de behaarde kelkbladen.

 

 

.

 

 

Blad en stengel

 

Akkerhoornbloem heeft twee soorten stengels, opstijgende bloeiende stengels en liggende op de knopen worte-lende stengels. Door middel van die liggende stengels kan de plant zich over een grote oppervlakte uitbreiden.

.

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten 

 

akkerhoornbloem : 5 kroonbladen voor 1/3 ingesneden en 5 stijlen.

gewone hoornbloem : de bloemen van gewone hoornbloem vallen veel minder op, de kroonbladen zijn ongeveer even lang als de kelkbladen.

 

.

akkerhoornbloem

 

.

 

akkerhoornbloem

 

.

 

gewone hoornbloem

.

 

 

gewone hoornbloem

.

 

Akkerhoornbloem lijkt veel op viltige hoornbloem. Viltige hoornbloem is geen inheemse plant, maar een uit tuinen verwilderde cultuurplant, die in het wild lang stand kan houden.

.

 

viltige hoornbloem

 

.

Algemeen

.

– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 5 tot 25 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juli
– bijscherm
– stervormig
– 1 tot 2 cm
– 5 ingesneden kroonbladen
– kroonbladen niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet vergroeid
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– opstijgend of bovengronds kruipend
– behaard met klierharen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zeepkruid : Saponaria officinalis

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– roze (soms witte), grote, 5-tallige, iets geurende bloemen in eindelingse trossen en
– de groepsgewijze groei

.

 

 

.

 

Algemeen

 

Zeepkruid is een overblijvende plant van 40 tot 70 cm hoog. Ze komt vrij algemeen voor in de Lage Landen. Ook wordt ze aangeboden als tuinplant, dan vaak met gevulde bloemen. Je vindt zeepkruid op open, vochtige tot droge, veelal kalkrijke, omgewerkte zandgrond in de duinen, langs de rivieren en op spoordijken. Door kruipende wortels met ondergrondse uitlopers groeit zeepkruid in groepen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Zeepkruid bloeit vanaf juli tot en met september met zachte roze (soms witte), iets zoet geurende bloemen, die in eindelingse, 5-10 bloemige trossen staan. De kroonbladen zijn niet of iets uitgerand en elk kroonblad heeft 2 witte keelschubben. De kelkbladen zijn vergroeid tot een groen, soms rood aangelopen kelkbuis. Bestuiving vindt voornamelijk plaats door nachtvlinders. De nectar ligt namelijk heel diep in de bloem, waardoor alleen insecten met een lange tong die kunnen bereiken. Hommels plegen vaak inbraak door een gat in de kelkbuis te bijten.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Wanneer men de groene delen of de wortelstok kneust en in water kookt, ontstaat een schuimende vloeistof, die vroeger veel voor het wassen van wol of wollen kleding werd gebruikt. Voor dit doel werd de plant zelfs in de buurt van wol verwerkende bedrijven aangeplant. De plant werd medicinaal gebruikt voor het oplossen van slijm, het opwekken van braken en het reinigen van de huid.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen in het duingebied,
elders zeldzamer
– 40 tot 70 cm

Bloem
– roze, soms wit
– vanaf juli t/m september
– dichtbloemige tros
– stervormig
– 2,5 tot 4 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet doorgegroeid
– 3- tot 5-nervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

.

 

 

 

 

 

 

Zandhoornbloem : Cerastium semidecandrum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

artikel45014-3_gewone_hoornbloem

 

 

Goed te herkennen aan

– de kleine, witte, 5-tallige bloemetjes, waarvan
– de kroonbladen onregelmatig getand zijn of ondiep gespleten en
– de vaak teruggeslagen vruchtstelen

 

.

zandhoorn

 

 

 

Algemeen 

 

Zandhoornbloem is een eenjarig, kleverig (door klierharen), klein plantje, dat 2 tot 15 cm hoog wordt en groeit op open, droge, voedselarme tot matig voedselrijke, al of niet kalkrijke zandgrond. Ze komt zeer algemeen voor in de Lage Landen, vooral in de duinen. Elders is ze aangevoerd met duinzand.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloemen

 

Zandhoornbloem bloeit vanaf maart tot en met mei met zeer kleine, witte, 5-tallige bloemetjes. De kroonbladen zijn meestal onregelmatig 2-tandig of tot hoogstens voor 1/8 van de lengte ingesneden. Kelkbladen en schutbladen hebben een vliezige rand.

 

.

 

.

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 2 tot 15 cm

Bloem
– wit
– vanaf maart t/m mei
– bijscherm
– stervormig
– 5 tot 7 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen

– 5, soms 4 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top meestal stomp, soms spits
– rand gaaf
– voet gevleugeld
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard en beklierd
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

.

.

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 

John Astria

Schermhavikskruid : Hieracium umbellatum

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloem-achtige bloemenhoofdjes, die
– vaak schermvormig gegroepeerd staan en
– de stengels met veel, zeer smalle, weinig getande bladeren en
– de aan de top naar buiten gebogen omwindselblaadjes

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Schermhavikskruid is overblijvende plant van 10 tot 120 cm hoog, die groeit op min of meer voedselrijke zandgrond in lichte bossen, (licht beschaduwde) bermen en in de duinen. Ze komt algemeen voor in de Lage Landen en in de duinen langs de gehele kust. Elders is ze aangevoerd met duinzand.

 

 

 

 

Bloem

 

Schermhavikskruid bloeit vanaf juli tot in de herfst. Ze bloeit met paardenbloem-achtige bloemhoofdjes, die vaak schermvormig of in 2 boven elkaar staande kransen aan het einde van de stengel gegroepeerd staan. Ken- merkend voor schermhavikskruid zijn de naar buiten omgebogen toppen van de onderste en middelste omwindselblaadjes.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De kort behaarde stengels zijn rijk bebladerd met zeer smalle, weinig getande, kort behaarde bladeren. De rozetbladeren zijn in de bloeitijd verdord.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn een aantal havikskruiden, die je op het eerste gezicht zou kunnen verwarren met schermhavikskruid. De uitstaande top van de onderste en middelste omwindselblaadjes is kenmerkend voor schermhavikskruid.

Schermhavikskruid behoort tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

.

In totaal bestaat de groep uit 39 soorten. Ze zijn te verdelen in twee groepen :

 

– de groep met minimaal 2 volwaardige bladeren aan de bloeistengel; hiertoe behoort schermhavikskruid.
Zie de pagina “Sleutel gele composieten met blad“.

– de groep met een kale bloeistengel of met hooguit 1 blad of een aantal schubvormige bladeren.
Zie de pagina “Sleutel gele composieten zonder blad“.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juli tot in de herfst
– hoofdje
– alleen lintbloemen
– 2 tot 3 cm
– schermvormige pluim of 2 kransen
– stijlen geel

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnlancetvormig
– top spits
– rand gaaf of verwijderd getand
– voet wigvormig
– veernervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– kort, zacht behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Kartuizer anjer : Dianthus carthusianorum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze bloemen met gekartelde kroonbladen
– in een bundeltje aan het einde van een ijle bloeistengel met
– vliezige, bruine schubben onder de kelk

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kartuizer anjer is een zeer zeldzame, overblijvende, polvormende plant van 30 tot 45 cm hoog, die groeit op grazige zandgrond. Ze is wettelijk beschermd en staat op de rode lijst als ernstig bedreigd. Ze wordt ook ingezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kartuizer anjer bloeit vanaf juni tot en met augustus met helder roze (zelden witte) bloemen van 18 tot 20 mm in doorsnede. De kort gesteelde bloemen staan met 4 tot 15 in een bundeltje bij elkaar aan het einde van de ijle bloeistengel. Ze hebben 5 getande kroonbladen. De vliezige schubben onder de kelk zijn bruin, korter dan de kelk, plotseling in een spitsje van 2 tot 4 mm uitlopend.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

steenanjer : alleenstaande bloemen, behaarde stengel.

 

 

 

 

 

kartuizer anjer : bloemen in dichte trossen en onder de bloemen bruine vliezige kelkschubben, kale stengel.

 

 

 

 

 

ruige anjer : bloemen in dichte trossen (maar iets losser dan kartuizer anjer), zonder bruinvliezige kelkschubben, maar met nagenoeg rechtopstaande, groene schutbladen, stengel, bladeren en kelk dicht behaard.

 

 

 

 

 

 

duizendschoon : tuinplant, bloemen in dichte trossen, kelkschubben groen, bladeren aan de voet gewimperd.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Carophyllaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam, op de rode lijst
– 30 tot 45 cm
– verspreiding

Bloem
– helder roze, zelden wit
– juni t/m augustus
– bundel of krans
– stervormig
– 18 tot 20 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet doorgroeid
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bleekgele droogbloem : Gnaphalium luteo-album

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de witte viltige beharing van bladeren en stengels en
– de gele tot oranje bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bleekgele droogbloem is een een- of tweejarige plant van 5 tot 30 (50) cm hoog die vrij algemeen voorkomend is.  Ze groeit op open, vochtige tot natte, kalk- en/of voedselrijke zandgrond, vooral in duinvalleien, op zandplaten en in afgravingen, ook op stenige plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bleekgele droogbloem bloeit vanaf juli tot en met oktober met bloemhoofdjes, die in dichte kluwens staan aan het einde van de hoofd- en zijstengels. De hoofdjes bestaan enkel uit gele tot oranje buisbloemen, ze hebben geen straalbloemen. Het omwindsel bestaat uit witte of gelige, droogvliezige, glanzende omwindselbladen. Dat maakt de plant aantrekkelijk in gedroogde vorm.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bladeren en stengels zijn wit viltig behaard, wat de plant beschermd tegen uitdroging door de zon. De onderste bladeren staan dicht op elkaar (het lijkt daardoor een rozet), zijn spatelvormig en hebben een stompe top. De bovenste bladeren staan verder uit elkaar, zijn lancetvormig en hebben een spitse top. Ze hebben allemaal een iets omgerolde rand.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

bosdroogbloem : kluwens in alle bladoksels, stengel en onderkant bladeren wit viltig.

 

 

 

 

 

moerasdroogbloem : minder viltig dan bleekgele droogbloem, omwindsel bruin of geelachtig, kluwens omgeven door bladeren, die minstens 4x langer zijn dan de kluwens.

 

 

 

 

 

 

bleekgele droogbloem : dicht witte viltige beharing, ook bovenkant van de bladeren, omwindsel wit tot gelig, kluwens van volledig uitgegroeide bloeistengels omgeven door hooguit 2 kleine blaadjes.

 

dwergviltkruid : en andere viltkruiden zijn evenals de droogbloemen viltig behaard, alleen hebben ze veel kleinere bladeren.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig of tweejarig
– vrij algemeen tot ontbrekend
– 5 tot 30 (50) cm

Bloem
– geel, oranjeachtig
– juli t/m oktober
– hoofdjes in kluwens
– buisvormig
– 5 mm
– omwindsel droogvliezig

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– spatelvormig
– top stomp
– bovenste :
– lancetvormigvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet half stengelomvattend
– 1 nervig
– viltig behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– viltig behaard
– rolrond

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wilgenroosje : Chamerion angustifolium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige bloeiwijze met grote 4-tallige helder roze
(zelden witte) bloemen en
– de donker bruinrode kelkbladen, die tussen de kroonbladen
naar voren buigen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wilgenroosje is een overblijvende plant van 30 tot 150 cm hoog. Ze komt zeer algemeen en groeit op zonnige tot half beschaduwde plaatsen met vochtige tot droge, omgewerkte zandgrond op kapvlakten, brandplekken en aan bos- en struikgewasranden. Op kap-, brand- en door storm geteisterde plaatsen kan wilgenroosje plotseling massaal voorkomen.

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wilgenroosje bloeit vanaf juni tot en met september met lange aarvormige trossen. De helder roze bloemen zijn 4-tallig en hebben donker bruinrode kelkbladen. De meeldraden en de stijl steken duidelijk buiten de bloem en gaan later hangen.

De vier kroonbladen zijn niet gelijk. De bovenste twee zijn iets groter dan de onderste, waardoor de kroonbladen wat weg lijken te hebben van de vleugels van een vlinder.

De bloemen lijken op lange stengels te staan, maar die “stengel” is het vruchtbeginsel, dat zich na de bloei ontwikkelt tot een doosvrucht met talrijke pluizige zaden, die door de wind makkelijk verspreid worden.

Naast uitbreiding door middel van zaden, breidt wilgenroosje zich ook uit door middel van de kruipende wortelstok. Op die manier kan de plant grote bestanden vormen, waarin andere planten geen kans krijgen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Wilgenroosje draagt smalle lancetvormige bladeren, die verspreid langs de stengel staan. De bladeren lijken op de bladeren van de wilg, vandaar de naam.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bladeren van wilgenroosje kunnen gedroogd worden in de zon om er daarna thee van te trekken. Werkt goed bij darmproblemen. Jonge bladeren en jonge scheuten kunnen als groente gegeten worden of in soep gebruikt worden.

 

 

harig wilgenroosje

 

 

 

Algemeen

 

– teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 0,3 tot 1,5 m

Bloem
– helder roze (zelden wit)
– vanaf juni t/m september
– aarvormige, zeer lange tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 4 kroonbladen, iets uitgerand
– niet vergroeid
– 4 donker bruinrode kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- lancetvormig
– zittend
– top spits
– rand gaaf of iets getand
– voet afgerond of wigvormig
– onderkant blauw/groen

Stengel
– rechtop
– niet vertakt
– kaal
– rolrond
– vaak roodachtig aangelopen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Viltganzerik : Potentilla argentea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– een wijd, rijkbloemig bijscherm
– met gele, 5-tallige, 1 tot 1,5 cm grote bloemen en
– de handvormige samengestelde bladeren, onderkant wit viltig

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Viltganzerik is een overblijvende plant van 15 tot 30 cm hoog. Ze is vrij algemeen voorkomend in de Lage Landen. Ze groeit op min of meer open, droge, meestal kalkarme, vaak omgewerkte zandgrond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Viltganzerik bloeit in juni en juli met gele, 5-tallige bloemen, die een wijd vertakt, rijkbloemig scherm vormen aan het einde van de stengel en in de oksels van de bladeren. De kroonbladen zijn iets uitgerand, langer dan de kelkbladen en bij een volledig geopende bloem raken ze elkaar niet.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn handvormig samengesteld, meestal 5-tallig. Aan de bovenkant zijn ze groen, de onderkant is wit viltig. De deelblaadjes zijn gelobd met hooguit 9 lobjes. Evenals de bladeren zijn ook de kelk- en bijkelkbladen, de bloemstelen en de stengel wit viltig. De wit viltige beharing kan na verloop van tijd wat slijten. De stengel is opstijgend, op betreden terrein liggend.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In de Lage Landen komen 12 soorten voor, om ze van elkaar te kunnen onderscheiden zie “Sleutel ganzerik“.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 15 tot 30 cm hoog

Bloem
– geel
– juni en juli
– wijd vertakt eindelings bijscherm
– 1 tot 1,5 cm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– handvormig samengesteld
– meestal 5-tallig
– top spits
– rand getand of gelobd
– voet wigvormig
– handnervig
– onderkant wit viltig behaard
– bovenkant groen
– bladrand soms iets omlaag gebogen

Stengel
– opstijgend of liggend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tripmadam : Sedum rupestre

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele bloemen in een vrij dichte tuil aan het einde van de stengel en
– de (bijna) ronde, grijs- of blauwgroene, dicht bij elkaar staande, spitse bladeren aan niet bloeiende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Tripmadam is een overblijvende plant van 15 tot 30 cm hoog. Ze is een zeldzame plant in de Lage Landen. Ze wordt ook aangeboden als tuinplant en verwilderd vanuit tuinen naar plaatsen waar je haar niet zou verwachten. Ze staat op de rode lijst als zeldzaam en sterk afgenomen. Ze groeit op open, droge, kalkarme zandgrond, voornamelijk op rivierduinen en zandige dijken, ook op stenige plaatsen, zoals in de spleten van basaltglooiingen.

 

 

Tripmadam

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in juni en juli met helder gele bloemen, die aan het einde van de stengel een vrij dichte tuil vormen. De bloemen hebben 5-8 (meestel 6) duidelijk gekielde kroonbladen, die 2 tot 2½ keer zo lang zijn als de vlezige kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De lijnvormige, (bijna) ronde bladeren zijn grijs- of blauwgroen en staan dicht bij elkaar aan niet bloeiende stengels. Aan de bloeiende stengels staan ze verwijderd. Tripmadam is zoden-vormend. Uit de wortelende, liggende stengels groeien korte, niet bloeiende, liggende tot opstijgende stengels en langere, verticale, bloeiende stengels.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

zacht vetkruid : bloemen kleiner dan 10 mm, de blaadjes hebben geen peperachtige smaak en zijn lijnvormig.

 

 

 

zacht vetkruid

 

 

 

muurpeper : bloemen 10 – 14 mm, alle bloemen 5-tallig, plat driehoekig, schubachtig blad, peperachtige smaak.

 

 

muurpeper

 

 

 

tripmadam : bloemen 14 of 15 mm, schermen met 5- tot 8-tallige bloemen met gekielde kroonbladeren en grijs- of blauwgroene, lijnlancetvormige, halfronde, spitse bladeren.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– vetplantenfamilie (Crassulaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– ook als tuinplant
– 15 tot 30 cm

Bloem
– geel
– juni en juli
– tuil
– stervormig
– 14 tot 15 mm
– 5-8 kroonbladen, niet vergroeid
– 5-8 kelkbladen
– 10-16 meeldraden
– 5-8 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnlancetvormig, (bijna) rond
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– zonder nerven
– vlezig

Stengel
– liggend of rechtop
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Steenanjer : Dianthus deltoides

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
alleenstaande helder roze bloemen met witte vlekjes en een donkerrode smalle ring aan de basis van de kroonbladen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Steenanjer is een overblijvende plant van 20 tot 45 cm hoog en groeit op droge, matig voedselarme zandgrond in lage graslanden. Ze is plaatselijk vrij algemeen voor komend in de Lage Landen. Ze is wettelijk beschermd en staat op de rode lijst als kwetsbaar.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Steenanjer bloeit vanaf juni tot en met oktober met niet geurende bloemen van 1,5 tot 2 cm in doorsnede. Ze staan aan het einde van de stengel en zijstengels. Ze zijn helder roze (zelden wit) en hebben 5 getande kroon- bladen, die witte vlekjes hebben en een donkerrode, smalle rand. Die rand op de kroonbladen vormt in het midden van de bloem een ring.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Steenanjer heeft rechtopstaande bloeiende stengels en half liggende, korte, niet bloeiende stengels. De bladeren van de niet bloeiende stengels en de onderste bladeren van de bloeiende stengels hebben een stompe punt, de overige bladeren hebben een spitse punt. Stengels en bladeren zijn ze kort afstaand behaard en voelen daardoor ruw aan.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

:
:
::
steenanjer : alleenstaande bloemen, behaarde stengel.

 

kartuizer anjer : bloemen in dichte trossen en onder de bloemen bruine vliezige kelkschubben, kale stengel.

 

 

kartuizer anjer

 

 

 

ruige anjer : bloemen in dichte trossen (maar iets losser dan kartuizer anjer), zonder bruinvliezige kelkschubben, maar met nagenoeg rechtopstaande, groene schutbladen, stengel, bladeren en kelk dicht behaard.

 

 

ruige anjer

 

 

 

duizendschoon : tuinplant, bloemen in dichte trossen, kelkschubben groen, bladeren aan de voet gewimperd.

 

 

duizendschoon

 

 

 

 

Algemeen

 

– anjerfamilie (Carophyllaceae)
– overblijvend
– plaatselijk vrij algemeen tot vrij   zeldzaam
– 20 tot 45 cm
– verspreiding

Bloem
– helder roze, soms wit
– juni t/m oktober
– alleenstaand
– stervormig
– 1,5 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top stomp of spits
– rand gaaf
– voet doorgroeid
– parallelnervig
– blauwgroen
– kort ruw behaard

Stengel
– liggend en opstijgend
– kort ruw behaard
– rolrond

zie wilde bloemen