Tagarchief: duinen

Liggende asperge : Asparagus officinalis subsp. prostratus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

liggende-asperge-15521987

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, licht geelgroene, klokvormige, hangende bloemetjes en
– de lijnvormige “bladeren” aan
– een sterk vertakte, struikvormige plant

 

 

asparagus_postratus_cantabria_berry_ph2004_i_legarra

 

 

 

Algemeen

 

In de Lage Landen komen twee soorten asperge voor : asperge en liggende asperge. De eerste soort wordt ook als groente gekweekt. Asperge en liggende asperge behoren tot de oorspronkelijke flora van de Lage Landen. Omdat asperge al eeuwen lang verbouwd wordt als groente is het niet altijd vast te stellen of een in de natuur voorkomende aspergeplant oorspronkelijk wild dan wel een ontsnapte cultuurplant is. Men neemt aan dat de exemplaren langs de rivieren en in de duinen wilde planten zijn.

Asperge is algemeen voorkomend en groeit op droge tot vochtige, vaak geroerde zandgrond in duinstruikgewas, rivier begeleidende ruigten, grindbanken en aan oevers. Liggende asperge groeit op open plaatsen met droge, kalkrijke, grazige zandgrond in de duinen, vooral nabij bebouwing.

 

 

gewone asperge

gewone asperge

 

 

 

gewone asperge

gewone asperge

 

 

 

gewone asperge

gewone asperge

 

 

 

Bloem

 

Beide asperge-soorten zijn overblijvende, sterk vertakte, struikvormige planten, die tot 2 meter hoog kunnen worden en bloeien van mei tot en met juli met kleine, klokvormige, licht geelgroene, hangende bloemetjes.
Asperge is tweehuizig. Dat betekent dat een bloem mannelijk of vrouwelijk is en er aan een plant maar 1 soort bloem zit; er zijn mannelijke en vrouwelijke aspergeplanten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De naaldvormige “blaadjes” zijn geen blaadjes maar takjes. De eigenlijke bladeren zijn de kleine, schubvormige, driehoekige vliezen, die onderaan de stengel wat groter zijn en daar duidelijker zichtbaar. In de herfst wordt de plant strokleurig en kleuren de bessen mooi oranjerood.

 

 

 

 

 

Insecten

 

De kleurrijke aspergehaantjes of aspergekevertjes (Crioceris asparagi) kunnen grote schade aanrichten. Zowel de volwassen kevers als de larven eten de groene delen van asperge en kunnen zo een hele plant kaal eten. Aspergetelers zijn daar uiteraard niet blij mee en bestrijden de kevers direct. De kevers zetten zwarte eitjes af loodrecht op de verschillende delen van de plant. Binnen een week komen de eitjes uit en zit de plant vol met grijze larven.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer  zeldzaam
– 0,2 tot 2 meter

Bloem
– licht geelgroen
– vanaf mei t/m juli
– alleenstaand
– klokvormig
– 4 tot 6,5 mm
– 6 bloemdekbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– schubvormig
– top spits
– rand gaaf
– vliezig

Stengel
– rechtop of liggend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

asperge1liggende

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Zachte ooievaarsbek : Geranium molle

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

ooievaarzacht-100523-136

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze, in paren staande bloemetjes met
– de van binnen eveneens helder roze stempels en
– de in omtrek ronde, tot de helft gespleten bladeren en
– stengels met lange en korte haren

 

 

zachte_ooievaarsbek_1

 

 

 

Algemeen

 

Zachte ooievaarsbek is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige plant van 5 tot 40 cm hoog, die bloeit vanaf mei tot de herfst. Ze groeit op open plaatsen met vochtige tot droge, meer of minder voedselrijke, grazige grond, vooral in zandige bermen, op dijken, in gazons en in de duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze van zachte ooievaarsbek is 2-bloemig. De bloemen zijn helder roze. Ze hebben 5 omgekeerd hartvormige, ingesneden kroonblaadjes. De stempels hebben aan de binnenkant dezelfde kleur als de kroonbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels, bladstelen, bloemstelen en kelkbladen zijn behaard met lange en korte afstaande witte haren en korte klierharen. De bladeren zijn in omtrek rond en tot het midden ingesneden. In de herfst kleuren ze rood. De onderste bladeren zijn lang gesteeld en 7- tot 9-delig, de bovenste zijn korter gesteeld en 5-delig.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 5 tot 40 cm

Bloem
– helder roze
– vanaf mei tot de herfst
– gesteeld, met 2 bij elkaar
– stervormig
– tot 1 cm
– 5 ingesneden kroonbladen
– kroon niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– 10 meeldraden
– 1 stijl met 5 stempels

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– 5- tot 9-delig
– in omtrek rond
– top stomp
– rand getand
– handnervig
– behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– behaard, bovenin ook met klierharen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

zachte-ooievaarsbek1

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

mijne kop a4

Wilde akelei : Aquilegia vulgaris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

2541480761_61680fe101-wilde

 

 

Goed te herkennen aan
de grote (3 – 5 cm), knikkende, paarsblauwe bloemen, met 5 uitstaande bloemdekbladen en 5 gespoorde nectariën in dezelfde kleur

 

 

60

 

 

 

Algemeen

 

Wilde akelei is een overblijvende plant van 45 tot 60 cm hoog. Ze groeit op vochtige, kalkrijke grond op lichte plekken in loofbossen, in beschaduwd grasland en in de duinen. Ze is vrij zeldzaam en wordt ook aangeboden als tuinplant. Als de kleur paarsblauw is, is het niet meer mogelijk om te bepalen of het gaat om wilde of door verwildering ontstane exemplaren. Andere kleuren, zoals wit, roze, rozerood of roodpaars, planten met gevulde bloemen of met bloemen met gereduceerd spoor zijn altijd exemplaren, die verwilderd zijn.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wilde akelei bloeit vanaf mei tot en met juli met grote, paarsblauwe, knikkende bloemen, die in losse, armbloemige trossen aan het einde van de gebogen stengel en zijstengels staan. Na de bloei strekken de stengels zich en staan de vruchten rechtop. De bloemen hebben 5 uitstaande bloemdekbladen. De nectariën staan rechtop tussen de bloemdekbladen in, hebben dezelfde kleuren en aan de bovenkant een naar binnen gekromde spoor.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn gesteeld, bovenkant groen en kaal, onderkant blauwgroen en behaard. De wortelbladen zijn het langst gesteeld, dubbel 3-tallig met gelobde blaadjes, de bovenste zijn 3-tallig tot 3-spletig, de hoogste bijna zittend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam tot zeldzaam
– ook als tuinplant
– 45 tot 60 cm

Bloem
– paarsblauw
– vanaf mei t/m juli
– armbloemige losse tros
– gespoord
– 3 tot 5 cm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– (dubbel) 3-tallig tot 3-spletig
– top stomp
– rand gelobd of gaaf
– veernervig
– onderkant blauwgroen en behaard
– bovenkant groen en kaal

Stengel
– rechtop
– kort behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4

 

Wilde reseda : Reseda lutea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_1527-gr-wilde-reseda

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige volle bloeiwijze met licht geelgroene 6
(soms 7)-tallige bloemetjes en
– de gedeelde bladeren

 

 

32f5bcb7dcc74c75a5eb58b19ed308f2

 

 

 

Algemeen

 

Wilde reseda is een overblijvende plant van 20 tot 60 cm hoog. De soort komt in België en Nederland vrij algemeen voor op open, zonnige, droge plaatsen met omgewerkte grond, in bermen, duinen en graslanden, maar vooral langs spoorlijnen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf mei tot en met september. Ze bloeit met aarvormige bloemtrossen, die tijdens de bloei langer worden. De niet geurende licht geelgroene bloemetjes komen wat rommelig over. Ze zijn duidelijk gesteeld en hebben meestal 6 (soms 7) gedeelde kroonbladen, waarvan de bovenste twee langer zijn.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn diep veervormig ingesneden, vlak maar ook vaak gekroesd. De stengel is rechtop en vanaf de grond vertakt, waardoor wilde reseda vaak breed uitgroeit.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

resedafamilie (Resedaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeldzaam
– 20 tot 60 cm

Bloem
– licht geelgroen
– vanaf mei t/m september
– aarvormige tros
– stervormig
– 6 mm
– 6 (soms 7) kroonbladen, niet   vergroeid
– 6 (soms 7) kelkbladen
– meer dan 12 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet gevleugeld
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

mijne kop a4

 Melkkruid : Glaux maritima

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

3f7d6b66b1

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze/rode/witte, ongesteelde, klokvormige bloemetjes,
– bloeiend in de oksels van kleine, vlezige blaadjes, en
– groeiend op brakke plaatsen

 

 

img_4528-gr-melkkruid

 

 

 

Algemeen

 

Melkkruid is een vaste plant die voorkomt in de Nederlandse – en Vlaamse duinen en in slufters. Melkkruid komt ook in de kustgebieden van Europa en Noord-Amerika voor, de plant is een halofyt en wordt ingedeeld in de sleutelbloemfamilie. Melkkruid is een overblijvende, meestal lage, bodembedekkende plant, die groeit op hoge schorren en kwelders, op groene stranden, aan zeedijken, in brakke rietlanden, weilanden en in duinvalleien.

Ze heeft een duidelijke voorkeur voor brakke standplaatsen, maar wil niet regelmatig overspoeld worden met zeewater. Ze kan zich soms ook goed standhouden in een verzoetend milieu. Melkkruid komt algemeen voor in het maritiem gebied en ze is plaatselijk algemeen op de Waddeneilanden; zeldzaam in de duingebieden langs de gehele kust (incl. de Waddeneilanden) en eveneens zeldzaam in de rest van Zeeland, Zuid- en Noord-Holland, het noorden van Friesland en Groningen en langs het IJsselmeer.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Melkkruid bloeit vanaf mei tot en met augustus. De ongesteelde bloemen hebben een bloemdek van 5 tot de helft klokvormig vergroeide, roze/rode/witte kelkbladen. De kroonbladen ontbreken. De bloemen staan in de oksels van de bladeren in het middelste gedeelte van de stengels. Wat verder in de bloeiperiode is dat goed zichtbaar. Hoe minder zout de bodem, hoe uitbundiger de bloei.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan min of meer tegenover elkaar of aan het einde van de stengel verspreid. De stengels staan rechtop of liggen en zijn dan alleen aan het einde opstijgend. Ze wortelen en hebben melksap, al is dat laatste niet altijd duidelijk te zien.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– 2 tot 30 cm

Bloem
– roze, rood, wit
– vanaf mei t/m augustus
– ongesteeld alleenstaand
– klokvormig
– 3 tot 6 mm
– 5 bloemdekbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid of tegenoverstaand
– enkelvoudig
– elliptisch tot lijnvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– 1-nervig
– vlezig

Stengel
– rechtop of liggend en opstijgend
– kaal
– rolrond of vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

 

Kromhals : Anchusa arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-kromhals_bloem_anchusa_arvensis

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine (4-10 mm), lichtblauwe bloemen en
– de ruwe beharing van de hele plant

 

 

kromhals-westkapelle-zuiderduin-pe191

 

 

 

Algemeen

 

Kromhals is een eenjarige plant van 15 tot 60 cm hoog. De plant groeit voornamelijk op droge, zonnige standplaatsen. In Nederland vinden we de plant dan ook in de duinen, in Noord-Brabant en in Gelderland op leemhoudende grond. Ze is hier redelijk algemeen.

Ook in België wordt de soort als inheems beschouwd. Het verspreidingsgebied beslaat grote delen van Europa. In Noord-Amerika is de soort geïntroduceerd. Ze groeit op open, droge, voedselrijke, omgewerkte grond; ook op zandige vloedmerken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kromhals bloeit vanaf mei tot de herfst met kleine, 5-tallige, lichtblauwe bloemen. Zoals bij alle soorten van de ruwbladigenfamilie staan de bloemetjes in een schicht bijeen. De vijf kroonbladen zijn trechtervormig vergroeid. De hals van de bloem heeft een s-vormige bocht. Dat is alleen te zien als je de bloem uit de kelk trekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn lang en smal (lancetvormig) en evenals de rest van de plant ruw behaard met op knobbels staande stijve haren.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 60 cm

Bloem
– lichtblauw
– vanaf mei tot de herfst
– schicht
– trechtervormig
– 4 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top stomp
– rand golvend getand
– voet (half) stengelomvattend
– 1-nervig
– ruw behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4

Asperge / Liggende asperge : Asparagus officinalis

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de kleine, licht geelgroene, klokvormige, hangende bloemetjes en
– de lijnvormige “bladeren” aan
– een sterk vertakte, struikvormige plant

 

 

gewone asperge

gewone asperge

 

 

 

liggende asperge

liggende asperge

 

 

 

Algemeen

 

Er komen twee soorten asperge voor : asperge en liggende asperge. De eerste soort wordt ook als groente gekweekt. De beide soorten lijken veel op elkaar. De foto met de groene vruchten is van liggende asperge, de andere van asperge.

Asperge en liggende asperge behoren tot de oorspronkelijke flora van de lage landen. Omdat asperge al eeuwen lang verbouwd wordt als groente, is het niet altijd vast te stellen of een in de natuur voorkomende aspergeplant oorspronkelijk wild dan wel een ontsnapte cultuurplant is. Men neemt aan dat de exemplaren langs de rivieren en in de duinen wilde planten zijn.

Asperge is algemeen voorkomend in de duingebieden en in Limburg. Elders is ze plaatselijk vrij algemeen. Ze groeit op droge tot vochtige, vaak geroerde zandgrond in duinstruikgewas, grindbanken en aan oevers.
Liggende asperge groeit op open plaatsen met droge, kalkrijke, grazige zandgrond in de duinen, vooral nabij bebouwing.

 

 

liggende asperge met bessen

 

.

 

Bloem

 

Beide asperge-soorten zijn overblijvende, sterk vertakte, struikvormige planten, die tot 2 meter hoog kunnen worden. Ze bloeien van mei tot en met juli met kleine, klokvormige, licht geelgroene, hangende bloemetjes.
Asperge is tweehuizig. Dat betekent dat een bloem mannelijk of vrouwelijk is en er aan een plant maar 1 soort bloem zit; er zijn mannelijke en vrouwelijke aspergeplanten.

 

 

asperge

 

 

 

liggende asperge

 

 

 

asperge

 

 

 

Blad en stengel

 

De naaldvormige “blaadjes” zijn geen blaadjes maar takjes. De eigenlijke bladeren zijn de kleine, schubvormige, driehoekige vliezen, die onderaan de stengel wat groter en daar duidelijker zichtbaar zijn.
In de herfst wordt de plant strokleurig en kleuren de bessen mooi oranjerood.

 

 

 

 

 

Insecten

 

De kleurrijke aspergehaantjes of aspergekevertjes (Crioceris asparagi) kunnen grote schade aanrichten. Zowel de volwassen kevers als de larven eten de groene delen van asperge en kunnen zo een hele plant kaal eten. Aspergetelers zijn daar uiteraard niet blij mee en bestrijden de kevers direct. De kevers zetten zwarte eitjes af loodrecht op de verschillende delen van de plant. Binnen een week komen de eitjes uit en zit de plant vol met grijze larven.

 

 

aspergekevertje

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Zoals gezegd lijken asperge en liggende asperge erg op elkaar. De verschillen zitten in de stengel en de kleur en de lengte van de takjes. De stengel van liggende asperge is aan de voet geknikt, de takjes zijn grijsgroen en 5 tot 10 mm lang. Asperge heeft een rechtop staande stengel en de groene takjes zijn 5 tot 25 mm lang.

 

 

Algemeen

 

aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer  zeldzaam
– 0,2 tot 2 meter

Bloem
– licht geelgroen
– vanaf mei t/m juli
– alleenstaand
– klokvormig
– 4 tot 6,5 mm
– 6 bloemdekbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– schubvormig
– top spits
– rand gaaf
– vliezig

Stengel
– rechtop of liggend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-asperge

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

Brem.

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-cytisus_scoparius1

 

 

 

Goed te herkennen aan

de altijd groene takken, kleine blaadjes (2 cm), grote gele bloemen en de bezemvorm van de plant

 

 

 

geheel1-g

 

 

 

Algemeen

 

Brem is een zeer decoratieve, struikvormige plant van 0,6 tot 2 meter hoog die bloeit in mei en juni. Brem komt zeer algemeen voor, vooral op zandgrond, heidevelden, in duinen en langs spoordijken. Elders is ze aangevoerd met zand of aangeplant. Ze groeit op allerlei droge, kalkarme, vaak omgewerkte grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

In de oksels van de bladeren groeien de grote gele vlinderbloemen, meestal 1 soms 2. De geurende bloemen hebben 5 kroonbladen waarvan de bovenste de vlag wordt genoemd, de twee zijdelingse heten zwaarden. De kiel wordt gevormd door de twee onderste kroonbladen die aan de rand vergroeid zijn.

Op de vlag van de bloem zit een honingmerk, oranjebruine lijntjes die de bezoekende insecten de weg naar de nectar wijzen. Het is een manier om te zorgen voor bestuiving, want de bloemen bevatten geen nectar.
Van de 10 meeldraden zijn er vier langer, de stijl is opgerold.

De bloem ontploft bij bezoek van de juiste insecten. Dat houdt in dat het insect door zijn gewicht een proces op gang brengt, waarbij de kiel aan de bovenkant open gaat. Zodra die opening tot de helft is gekomen springen de kortere meeldraden uit de kiel en slingeren hun stuifmeel tegen de buik van het insect.

Gaat de kiel nog verder open, dan komt ook de stijl, die als een veer opgeborgen zit in de kiel, naar buiten en slingert zich op de rug van het insect, waar reeds stuifmeel zou kunnen zitten van de langere meeldraden van een vorige bloem. Tegelijkertijd geven ook de langere meeldraden hun stuifmeel af aan het insect.

 

 

 

 

 

Blad en takken

 

De bladeren van brem zijn klein (2 cm) en vallen ook spoedig af. De onderste zijn samengesteld uit drie deelblaadjes en gesteeld. De bovenste zijn enkelvoudig en zittend. Ze zijn aan de onderkant zacht behaard. De beharing loopt iets door over de rand op de bovenkant. De takken zijn groenblijvend en vijfkantig. De oudere takken van de plant zijn rond en met een grijsbruine schors bedekt.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

In de kruidengeneeskunde worden de gedroogde takken, bladeren en bloemen van brem gebruikt in preparaten tegen hartritmestoornissen, te lage bloeddruk en aandoeningen van het bloedvatenstelsel.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 60 tot 200 cm

Bloem
– goudgeel
– mei en juni
– vlinderbloem
– vlag 1,5 tot 2 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 opgerolde stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig of samengesteld
– smal eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– 1-nervig
– onderkant zacht behaard

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– vijfkantig
– groen blijvend

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-brem

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

John Astria

Fulgeriet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

.

.

Algemene info

 

Een fulguriet of bliksembuis is een holle buis van gesmolten gesteente of zand en bestaat vaak voor een groot deel uit lechatelieriet. Deze ontstaat door de intense hitte die ontstaat bij inslag van een bliksem in kwartsrijke gronden. Strikt genomen kan het worden beschouwd als voorbeeld van een metamorf gesteente ontstaan door contactmetamorfologie.

Fulguriet dankt zijn naam aan het Latijnse woord fulgur, fulguris “bliksem, weerlicht”, wat zou kunnen worden vertaald met ‘bliksemsteen’ of ‘dondersteen’. In vroegere tijden dacht men dat fulguriet de bliksem zelf was die was neergedaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

Voorkomen

 

De buitenkant van een fulguriet is meestal ruw en kan bedekt zijn met zandkorrels, terwijl de binnenzijde vaak glad is. Fulgurieten ontstaan vooral in zandrijke bodems in gebieden met veel onweersactiviteit. In principe kan een fulguriet ontstaan in elke minerale bodemsoort. Ondanks dat fulgurieten veel voorkomen worden ze maar zelden gevonden.

Ze zijn namelijk vaak moeilijk op te sporen en bovendien zeer breekbaar, waardoor een fulguriet vaak in stukken breekt tijdens het opgraven. Fulgurieten worden in woestijngebieden nooit op duintoppen gevonden maar altijd in de kommen tussen de duinen, dat komt omdat de bliksem daar inslaat op plaatsen waar het grondwater het dichtst aan de oppervlakte ligt.

 

 

 

 

 

 

 

Bekende vondsten

 

Fulgurieten hebben een doorsnede tot enkele centimeters en kunnen een lengte van vele meters bereiken. In 1942 is in de buurt van Hulshorst op de Veluwe een fulguriet van drie meter lang gevonden. Te Zonhoven werd in 1952 een bliksembuis gevonden van ca. tien meter.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Akkervergeet-me-nietje : Myosotis arvensis

Standaard

categorie :  Kamerplanten en bloemen

 

 

 

myoar-adultw-42_1344772939

 

 

Goed te herkennen aan
– trosjes kleine lichtblauwe, iets klokvormig verdiepte bloemetjes en
– de met afstaande haren bedekte kelkbladen en
– de vruchtstelen, die ongeveer 2x zo lang zijn als de vruchtkelk

 

 

myosotis_victoria_dsc00894

 

 

 

Algemeen

 

Akkervergeet-me-nietje is een zeer algemeen voorkomende, vrij dicht behaarde, eenjarige plant van 10 tot 60 cm hoog. Ze groeit op open, droge tot matig vochtige, voedselrijke grond in akkers, bermen, op dijken, aan bosranden en in de duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Akkervergeet-me-nietje bloeit vanaf mei tot in de herfst met kleine lichtblauwe bloemetjes, die in de knop roze zijn. In het begin van de bloei staan de bloemetjes in een opgerolde schichtvormige bloeiwijze aan het einde van de stengels en zijstengels.

In de loop van de bloeitijd ontrolt de schicht zich en verlengt de bloeistengel, zodat er uiteindelijk een langgerekte bloeiwijze ontstaat met aan de top bloeiende bloemen en lager aan de stengel vruchten, die verborgen zitten in de kelk.

De vruchtstelen zijn ongeveer 2 tot 3x zo lang als de vruchtkelk en staan in het midden van de bloeiwijze in een hoek van 45 tot 60 graden met de stengel.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn ongesteeld en zacht behaard. Vooral op zonnige plaatsen kunnen de bladeren wat gewelfd zijn en zijn de randen omgerold.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

De medicinale werking van akkervergeet-mij-nietje tegen tuberculose is wetenschappelijk bewezen. Tuberculose komt gelukkig bijna niet meer voor.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 10 tot 60 cm

Bloem
– lichtblauw
– vanaf mei tot in de herfst
– schicht
– stervormig
– 2 tot 4(5) mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid en rozet
– enkelvoudig
– lancetvormig of langwerpig
– top spits of stomp
– rand gaaf
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond tot kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

John Astria