“… een grote, vierkante stad, omgeven door een muur, met zowel luister als duisternis, een stad ook voorzien van heuvels en gestalten. Naast de stad rees een grote, hoge berg op van wit en hard gesteente die op een vulkaan leek. Op de top straalde een spiegel waarvan de helderheid en zuiverheid zelfs die van de zon leek te overtreffen. In de spiegel verscheen een duif met gespreide vleugels, gereed om weg te vliegen.
De spiegel, de plek van de geheime wonderwerken, zond een licht uit dat zowel naar boven als in de breedte straalde en waarin talrijke mysteriën en meerdere vormen en gestalten zichtbaar waren. In deze schittering, in de richting van het zuiden, verscheen een wolk waarvan de bovenzijde wit en de onderzijde zwart was. Boven deze wolk schitterde een engelenschare. Sommige engelen straalden als vuur, anderen waren een en al helderheid, weer anderen fonkelden als sterren.”
Deze stad treedt nu in alle visioenen op. Zij heeft binnen haar vier muren verscheidene gebouwen: kerken, paleizen, zuilen en gewone huizen, die van beeld tot beeld anders staan opgesteld. Zoals gezegd is het zesde visioen voornamelijk aan de rol van de engelen gewijd.
“De engelenschare naast God is in de hemel een geheim dat geheel van het goddelijke licht wordt doordrongen. Een geheim dat verborgen blijft voor het schepsel dat de mens is, tenzij er lichtende tekens zijn waardoor hij er kennis van kan nemen. Deze schare heeft een bestaansreden die meer verband houdt met God dan met de mens. Ze verschijnt de mensen slechts zelden. Toch openbaren bepaalde engelen die in dienst staan van de mensen zich met Gods wil in de vorm van tekens: God heeft hun allerlei taken toevertrouwd en hen in dienst van de schepselen gesteld.”
Onder deze engelen bevinden zich Satan, “die slechts uit zichzelf wilde bestaan”, en de engelen die hij in zijn val heeft meegesleurd.
Maar er is vooral :
“de grote schare van engelen, sommigen als vuur, anderen een en al helderheid, weer anderen als sterren. De engelen van vuur verbergen in zich de grootste energie, niets kan hen tot wankelen brengen. God heeft inderdaad gewild dat zij zonder ophouden zijn aangezicht aanschouwden.
De engelen die een en al helderheid zijn, worden in beweging gebracht door hun dienst aan de menselijke werken, die ook Gods werken zijn; deze vrome werken worden aan de engelen voor Gods aangezicht aangeboden. De engelen kijken onophoudelijk naar hen, zij bieden God hun zoete geur aan door te kiezen wat nuttig is en weg te werpen wat ondienstig is.
De op sterren gelijkende engelen lijden samen met de menselijke natuur, zij bieden deze God aan als een boek, zij zijn de gezellen van de mens, zij spreken hem volgens Gods wil woorden van redelijkheid toe, door de goede werken kunnen zij God prijzen, van de boze werken keren zij zich af.”
In een ander visioen, het zevende, komt Hildegard terug op
“de twee orden, de engelen en de mensen”,
waarbij zij aangeeft dat
“God een ware vreugde put uit de lofprijzingen der engelen, net als uit de heilige werken der mensen. Zeker, de engel staat permanent voor Gods aangezicht, terwijl de mens wisselvallig is; mensenwerk is dan ook vaak gebrekkig, terwijl de lofprijzingen der engelen dat nooit zijn”.
.