Tagarchief: stad

Het stof van de voeten schudden

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

Na Jezus’ ervaring in Nazareth meegemaakt te hebben, wisten zijn discipelen dat niet iedereen graag hun Meester zou verwelkomen, nog minder zijn leer. Ze hadden geen illusies.

Als ze enige twijfel hadden of ze weerstand en afwijzing zouden ervaren, maakten zijn instructies aan hun duidelijk dat dit met hun zou gebeuren. Hij vertelde hen wat ze mee moesten nemen op hun missie, hoe ze zich zouden moeten gedragen en wat ze zouden moeten doen als hun boodschap niet ontvangen werd.

Echter, hun boodschap was een noodzakelijke boodschap. Zij waarschuwden de mensen over de consequentie wanneer ze hun rug naar hun zonden keren. Ze toonden Jezus’ macht over de demonische wereld. Ze zegenden velen met genezing. Met andere woorden, zij verspreidden de boodschap van hun Meester naar veel meer mensen dan Jezus zelf kon doen.

.

Echter, wanneer ze werden afgewezen, moesten ze verder gaan en Gods werk doen waar het meer hartelijk ontvangen werd, niet hun tijd verspillen proberen mensen te overtuigen die niet zouden geloven.

.

 

 

.

.

 

Matteüs 10: 11 – 15

 

Als je een stad of een dorp binnenkomt, bekijk dan wie het daar waard is dat je bij hem logeert. Blijf bij hem tot je weer uit die stad vertrekt. 12 Als je zijn huis binnengaat, wens de mensen die er wonen dan vrede toe. 13 Als die mensen het waard zijn, zal je vrede over hen komen. Maar als ze die vrede niet waard zijn, zal je vrede bij je terugkomen. 14 Als mensen niet naar je willen luisteren, ga dan weg uit dat huis of die stad. Klop het stof van je voeten af om hen te waarschuwen15 Luister goed! Ik zeg jullie dat het voor de streek van Sodom en Gomorra  minder erg zal zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.

.

.

Lucas 9: 4 – 5

 

  1. En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.
  2. En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken.
  3. En Hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben.
  4. En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.
  5. En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.

.

.

Marcus 6: 7 – 13

 

  1. En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.
  2. En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;
  3. Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn.
  4. En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.
  5. En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.
  6. En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.
  7. En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.

.

.

Handelingen 13: 47 – 52

 

  1. Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.
  2. Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.
  3. En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.
  4. Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hun landpalen.
  5. Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikonium.
  6. En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heiligen Geest.

 

.

.

..

.

 

.

 

.

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

 

 

 

Advertenties

De betekenis van Babylon

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Wat waren Babylon en Babel?

 

Babylon of Babel was de beroemdste, door Nimrod gebouwde stad van het oude Mesopotamië, de hoofdstad van het oude Babylonische rijk ( ca. 1800 tot 539 v.C ). Door Babel stroomde de rivier Eufraat, die de stad in twee helften deelde. Tegenwoordig heet de plaats Hillah. Onder leiding van de koning Nebukadnezar onderwierp het Juda.

 

 

 

1

 

 

 

 

2uDxA2I

 

 

 

 

Belangrijke goden van het Babylonische rijk

 

De opperste god van de Babyloniërs was Merodach . Hij droeg de titel ‘Bel’ (=’heer’). De Babyloniërs vereerden hem als de koning van hemel en aarde. Hij was de beschermgod van de stad Babel. De naam ‘Babel’ betekent ‘poort van Bel’.

 

 

 

Merodach

Merodach

 

 

 

Door de dienst van de profeet Jeremia kondigde God het strafgericht over Bel aan:

Jeremia 50:2 Verkondig onder de heidenvolken, laat het horen, hef een banier omhoog, laat het horen, verberg het niet, zeg: Babel is ingenomen, Bel staat beschaamd, Merodach is verpletterd. Zijn afgoden staan beschaamd, zijn stinkgoden zijn verpletterd.
Jeremia 51:44 Ik zal Bel in Babel straffen, Ik zal wat hij verzwolgen heeft, uit zijn muil halen. De heidenvolken zullen niet meer naar hem toestromen. Zelfs de muur van Babel is gevallen!

Een andere Babylonische god was Nebo, de zoon van de god Merodach. Nebo is de god van de wetenschap en de schrijfkunst. Ook wordt hem het wereldbestuur toegedicht. Veel namen van Babylonische koningen zijn samengesteld met de naam Nebo, zoals Nabonassar, Nabopolassar, Nebukadnezar en Nabunit.

 

 

 

Nebo

Nebo

 

 

 

De profeet Jesaja profeteerde over Nebo:

Jesaja 46:1 Bel is gekromd, Nebo neergebogen, hun afgodsbeelden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide dieren

 

 

 

 

De droom van koning Nebukadnezar

 

Koning Nebukadnezar kreeg eens een door God ingegeven droom (zie Dan. 2), waarin het rijk van Babel wordt geschilderd als het eerste van vier wereldrijken.

 

 

 

beeld

 

 

 

1 Babylonische rijk,

2 Medisch – Perzische rijk,

3 Grieks – Macedonische rijk,

4 Romeinse rijk.

Het Babylonische rijk wordt voorgesteld als het gouden hoofd van het statenbeeld dat Nebukadnezar in zijn droom zag. Het rijk van Babel is het hoofd, het is van zuiver goud.

In Dan.7 wordt het rijk voorgesteld als een leeuw. Ook Gods woord door de dienst van Jeremia noemt het rijk een leeuw.

Jer 4:7 De leeuw is opgekomen uit zijn haag, en de verderver der heidenen is opgetrokken, hij is uitgegaan uit zijn plaats, om uw land te stellen in verwoesting; uw steden zullen verstoord worden, dat er niemand in wone.

 

 

Babylonische leeuw

Babylonische leeuw

 

 

 

 

Het lijden van Israël onder het Babylonische rijk

 

Jeremia 50:17 Israël is een opgedreven schaap, leeuwen hebben het opgejaagd. Eerst heeft de koning van Assyrië het verslonden, en ten slotte heeft deze, Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn beenderen verbrijzeld.

Het koninkrijk van Babel zou worden vernietigd in het oordeel dat God over alle vier bovengenoemde rijken (Dan. 2 en 7). Babel is gevallen en gebroken; het was niet te genezen (Jes.21:9; Jer.51:7-10).

Als onderdeel van het samenstel van vier wereldrijken zal het in de toekomst geheel en al vernietigd worden als Jezus Christus zijn rijk opricht (Dan.2 en 7).

 

 

 

 

Babel, de verwarring

 

‘Babylon’ is de Griekse vorm van het Hebreeuwse ‘Babel’. De naam Babel betekent in het Hebreeuws ‘verwarring’. De naam is ontleend aan de spraakverwarring die God teweegbracht toen de mensheid – nog één volk en één van spraak – een stad en een hoge toren bouwde en zich een naam wilde maken, om te voorkomen dat men over de hele aarde verstrooid zou raken, hoewel God Noach en de zijnen bevolen had de aarde te vervullen.

Ge 11:4 En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!
Ge 11:5 Toen daalde de Heere neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren,
Ge 11:6 en de Heere zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn.
Ge 11:7 Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen.
Ge 11:8 Zo verspreidde de Heere hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad.
Ge 11:9 Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de Heere de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de Heere hen over heel de aarde.

 

 

 

Babel-1024x575

 

 

 

 

Petrus over Babylon

 

De apostel Petrus noemt Babylon in zijn eerste brief:

1Pe 5:12 Door Silvanus, die naar ik meen voor u een trouwe broeder is, heb ik in het kort geschreven om u te vermanen en te betuigen, dat dit de ware genade van God is waarin u moet staan.
1Pe 5:13 U groet de medeuitverkorene in Babylon, en mijn zoon Markus.

Sommige uitlegger menen dat in dit vers sprake is van de letterlijke stad Babylon, waar ten tijde van Petrus veel joden woonden. Andere uitleggers zien er een codewoord of figuurlijke aanduiding voor Rome in, de hoofdstad van het Romeinse rijk.

De Iraakse dictator Saddam Hussein (1937-2006) startte de bouw van een moderne stadBabylon, ongeveer 80 km ten zuiden van Bagdad.

 

 

 

 

Het Apocalyptische Babylon

 

In het laatste Bijbelboek komt een stad voor genaamd Babylon. Het is een grote stad.

Opb 14:8 En een andere, een tweede engel volgde en zei: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de grimmigheid van haar hoererij alle naties heeft laten drinken.
Opb 17:5 En op haar voorhoofd was een naam geschreven: Verborgenheid, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde.
Opb 18:2 En hij riep met krachtige stem de woorden: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, en het is een woonplaats van demonen en een bewaarplaats van elke onreine geest en een bewaarplaats van elke onreine en gehate vogel geworden.
Opb 18:10 terwijl zij uit vrees voor haar pijniging in de verte blijven staan en zeggen: Wee, wee de grote stad, Babylon, de sterke stad; want in een uur is uw oordeel gekomen.
Opb 18:21 En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen en wierp die in de zee en zei: Zo zal de grote stad Babylon met geweld neergeworpen worden en zij zal geenszins meer gevonden worden.

 

 

hoofdstuk 17 ; Babylon wordt geoordeeld

hoofdstuk 17 ; Babylon wordt geoordeeld

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

De vernietiging van Babylon

De vernietiging van Babylon

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Vergelijk

Da 4:30 Sprak de koning, en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid! 

Sommige Bijbeluitleggers menen dat de stad Babylon in de Openbaring het herbouwde Babylon is, dat weer rijk en machtig zal worden. Volgens de meeste uitleggers echter heeft het apocalyptische Babylon een symbolische betekenis en verwijst het naar de stad Rome en de valse kerk van de eindtijd.

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

De hoofdgedachten van Hidegard van Bingen

Standaard

categorie : Hildegard van Bingen

 

 

 

.

 

hildegard

 

.

 

 

De hoofdgedachten zijn:

.

Kosmos, geboorte, levensloop en sterven van de mens;

zondeval en verlossing door Christus (niet door de engelen);

de H. Drievuldigheid;

Doopsel en de Kerk als lichaam van Christus;

de Kerk als Stad Gods in de loop der geschiedenis, waarin de mysteries van Christus en der gelovigen centraal staan;

de Wederkomst en het Oordeel;

 

.

 

Eigenlijk als in de Bijbel

 

a) Oude Testament,

b) Nieuwe Testament

c) Apocalyps.

.

 

Dit kader waarbinnen het geheel van Scivias is opgebouwd kunnen we ook leren kennen door uit de tekst van de visioenen die passages te lichten waar sprake is van de Stem uit de Hoge. Als we dan uit de toespraak bij ieder visioen de kernboodschap nemen, en we schrijven al deze boodschappen achter elkaar op, dan hebben we de mooiste samenvatting van de boodschap en de getuigenis van Hildegard, die dan ongeveer als volgt luidt:

.

 

 

Eerste Boek:

 

scivias-ken-de-wegen-set-deel-1-en-2

.

 

 

De boodschap is: God die alles geschapen heeft en regeert, zal degenen die Hem in ootmoed dienen, met hemels licht doorstralen om hen die er mee instemmen tot ware aanschouwing te voeren.

.

“Hildegardis, roep, ja schreeuw het uit, wat je existentieel in één lichtflits, in één mystieke ervaring hebt mogen beleven. Ik, God, dwing je daartoe. Immers, zij die eigenlijk de blijde boodschap, het evangelie moesten verkondigen, laten door zelfzucht verstek gaan.”

“Dit zijn de wegen des Heren. Wie instemt met God zal nooit uit het hemels evenwicht losgerukt worden wees dus niet bang. Immers, in de geschapen, zichtbare dingen openbaart God de onzichtbare geestelijke dingen.”

De grootste openbaring is, dat de tweede Persoon van de H. Drieëenheid voor ons zichtbaar is geworden door de Menswording uit de Maagd Maria. Omdat eens Adam en na hem ieder mens in schuld verstrikt is geraakt, wil Gods Woord zelf, door ook mens te worden, ons hulp bieden en ons terug voeren op de wegen des Heren.

Vóór de Menswording van Christus hield God het uitverkoren volk wel de wet voor. Het bleek dat deze te zwaar was voor hen. Christus heeft die gestrengheid in de mildheid der genade veranderd en zalfde zó de mens die door de wet gewond was geraakt.

Vóór Christus, in Christus’ dagen en na Christus’ helpen de engelen ieder van ons, door Gods boodschappen over de juiste wegen door te geven.

 

.

 

 

Tweede Boek:

 

 

scivias-deel-2-198x300

.

.

 

 

Verlossingswerk gezien van God uit.

.

“Ondanks de tegenwerking van de geestelijkheid die je, om je vrouw-zijn, het spreken wil beletten: Roep toch, zoals Ik het je geopenbaard heb”.

De levende God schiep alles door Zijn Woord en door ditzelfde Woord verlost Hij de mens en brengt hij hem in het hemelse Jeruzalem. Deze verlossingswil ligt in het hart van de H. Drievuldigheid. Daar ligt de bron van alle natuurlijk en geestelijk leven. De hemelse stad Jeruzalem, welke hier op aarde reeds in de Kerk een aanvang neemt, wordt gevormd door levende stenen.

Dat zijn zowel de grote als de kleine gelovigen, gelijk ook een net grote en kleine vissen ophaalt. Iedere gelovige, groot en klein, wordt herboren in het doopsel en ontvangt zijn volwassenheid door de zalving van de H. Geest. Maar de uitgroei naar volwassenheid wordt hevig tegengewerkt door de gevallen engel en zijn trawanten. Christus echter overwint hen.

 

.

 

 

Derde Boek:

 

 

deel 3

 

.

 

 

Verlossingswerk gezien vanuit de mens.

.

Nu volgt onder het dynamisch beeld van de opbouw van een stad, weer de verkondiging van dezelfde mystieke verlichting. Justitia, de Gerechtigheid Gods, eist dat de Schepper, die ook de Verlosser is, alle eer toekomt en in trouw geloof aanbeden wordt.

Op het fundament van dit geloof wordt het gebouw van de Gerechtigheid opgetrokken. Vóór het Oude Verbond was alleen de aanleg te zien, denken we slechts aan de aartsvaders. Maar onder de joodse wet en met Christus’ komst ging het gebouw de hoogte in. Omwille van Gods Zoon toont God zich in het Nieuwe Verbond wel mild, maar Hij straft in een scherp oordeel elk verhard gemoed dat de Geest versmaadt.

Het Oude Verbond liet duidelijk zien, wat de eerste voorwaarde is voor de geestelijke opbouw, n.l. in deemoed gehoorzaamheid betuigen aan wie door de Geest in gezag gesteld zijn. Door Christus is het mysterie van de Drieëenheid openbaar geworden, maar net als met het mysterie van de Menswording van de tweede Persoon kan men deze geheimen alleen doorgronden in zover de H. Geest ze wil openbaren.

De Zoon Gods roept alle deugdzamen op om samen de verdedigingsmuur te vormen tegen de vijand, opdat geen gelovige door duivelse list geroofd kan worden. Ieder die zichzelf weet te verloochenen, ontdekt dat de Zoon Gods, die zetelt op hoeksteen in het Oosten, degene is uit wie alles voortkomt en tot wie alles terugkeert.

Wel gaat al het geschapene te gronde, maar de bruid van de Zoon Gods zal in groter heerlijkheid opstaan en in de armen van haar geliefde vallen. Al het geschapene zal overgaan in een nooit eindigend lichtvisioen waar een nieuw lied weerklinkt:

“Lofzang komt de hoogste Schepper toe, door Wie niet alleen de volmaakte gelovigen als engelen en heiligen, maar ook de steeds struikelende gelovigen met de hulp van Zijn genade tot de hemelse glorie worden gevoerd. Amen”.

Als we nu deze samenvatting overlezen, komen twee blijde boodschappen op ons af. In de eerste gaat het over God en het mensgeworden Woord, Christus, en daarna over de Kerk als stad, als een bolwerk met verdedigingsmuren, waarvan alles steunt op één hoeksteen. Die hoeksteen is weer de Christus en zo wordt er een nauw verband gelegd tussen God, Christus en de stad Jeruzalem ofwel de Kerk.

En deze verhouding tussen Christus en de Kerk wordt op het einde bij de wederkomst des Heren geformuleerd in termen van de bruid die in de armen van haar Geliefde zal vallen. Dit is de eerste boodschap door onze profetes verkondigd.

Maar de tweede is wellicht nog belangrijker. Aan de absolute eis van de Justitia, dat aan de Schepper, die tevens de Verlosser is, alle eer moet toekomen, is uiteindelijk volledig voldaan. De wegen des Heren leiden hoe dan ook alle naar God zelf. Daarom hoort Hildegard aan het slot een nieuw lied:

“Lofzang komt de hoogste Schepper toe door Wie niet alleen de volmaakte gelovigen, als engelen en heiligen, maar ook de steeds struikelende gelovigen met de hulp van Zijn genade tot de hemelse glorie worden gevoerd”.

Wat is het nieuwe in dit lied? Dat dank zij het verlossende lijden van Christus ook de zwakke broeders in het geloof het einddoel zullen bereiken. De blijde boodschap, het ware Evangelie, is dat Christus in het hart van de Drieëenheid zich ontfermt over de arme massa.

God kan aanvullen wat er bij ons kleingelovigen ontbreekt en Hij heeft dit ook gedaan. De grootheid van God is dat Hij, toen de hoogste geesten weigerden Hem te aanbidden en in de afgrond vielen, de minste der geesten, de mens, in hun plaats koos. En God heeft kans gezien om de onvolmaakte mens binnen te dragen in Zijn Rijk om de opengevallen plaatsen in te nemen.

Terecht zou iemand kunnen opmerken: Wat Hildegard ons als profetes meent te moeten meedelen, is toch eigenlijk geen nieuws! Wat de leer betreft inderdaad niet, maar wat de beleving en verkondiging ervan betreft wel.

Hier treedt een vrouw naar voren, die ons verzekert geroepen te zijn, om de door God aangewezen bisschoppen en priesters terecht te wijzen. De hele Scivias is gericht tot de geestelijkheid, die volgens de hemelse stem haar plicht verwaarloost.

Maar Hildegard aarzelde lang om deze opdracht te vervullen, wat helemaal niet moeilijk te begrijpen is. Zij was immers een vrouw en vrouwen hadden zeker in háár tijd geen enkele stem in de kerkelijke hiërarchie. Toen zij desondanks begon te spreken, voelde zij het als een bijna onoverkomelijk bezwaar, dat zij geen onderricht had gehad in welsprekendheid.

Het nauwelijks Latijn dat zij kende had ze zich eigen gemaakt door het veelvuldig lezen en zingen van de H. Schrift. En toch moest zij spreken, maar hoe? Terwijl zij over de korte maar hevige ervaring van de Godsontmoeting en verlichting begon na te denken, waaierde het licht uit als een regenboog, of beter als een reeks kerkramen van gebrandschilderd glas in een kathedraal.

Het licht werd haar duidelijk in beelden maar altijd in beelden die in haar geheugen reeds aanwezig waren. Als zij deze dan ook beschrijft, herkennen we veel motieven uit de kerkelijke iconografie van de eerste eeuwen van het christendom.

Evenwel, de bekende beelden waren voor haar niet toereikend om haar strikt persoonlijke ervaring tot uitdrukking te brengen. Voor die momenten ontwerpt Hildegard nieuwe composities van vorm en kleur. Daarom dienen we attent te zijn zodra we, bij het bestuderen van de vijfendertig miniaturen, nieuwe iconografische gegevens tegenkomen.

Bij die nieuwe voorstellingen en kleurencombinaties kunnen we er op rekenen, dat in de tekst hele persoonlijke ontboezemingen onder woorden zijn gebracht en wel zo persoonlijk, dat we van unieke ervaringen van zuiver mystiek gehalte kunnen spreken.

.

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

 

JOHN ASTRIA

 

Liber Divinorum Operum : visioen 7

Standaard

categorie : Hildegard Von Bingen

 

 

 

 

.

Liber Divinorum Operum

 

Het boek van de goddelijke werken

met visioenen van

Hildegard van Bingen

 

 

.

Hildegard

 

 

 

.

“Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn.”

 

.

Liber divinorum operum (Boek van goddelijke werken) is een werk uit de tweede helft van de 12e eeuw van de Duitse Benedictijner Abdis en mystica Hildegard von Bingen. Het is haar laatste visionaire werk en het werd geschreven tussen 1163 en 1174. Het bevat tien visioenen waarin de liefde van God tot uitdrukking komt in de mensen en in de relatie van de mensen tot God.

 

 

.

Liber Divinorum Operum 7

 

.

 

 

De mensen zullen tot hun bestemming verzameld worden.

 

Dezelfde stad verschijnt met de lichte berg aan de oosthoek ervan. In de berg is nu een poort uitgehouwen. Van daar naar het zuiden toe trekt een stoet mensen, kinderen, jongelingen en grijsaards. Hun stemmen klinken door tot in het westen. Zij stellen al degenen voor die sinds Adam in de Heilige Geest geschouwd hebben en verkondigden dat God Zijn Woord in de wereld zou zenden.

Daar waar de oost- en de zuidmuur elkaar raken, staan twee wonderlijke gestalten. Die beelden de mensheid uit, voor en na de zondvloed. De ene verschijnt met kop en borst als van een luipaard. Haar gewaad is hard als steen. Zij heeft armen als van een mens en handen als berenklauwen. Zij kijkt naar het noorden. Deze gestalte verzinnebeeldt de wildheid van de mensennatuur vóór Noach. De mensen waren toen nog niet onderworpen aan een geordende leefwijze.

De andere gestalte verschijnt met gezicht en handen als van een mens, de handen gevouwen. Maar zij heeft voeten als haviksklauwen en haar gewaad is als van hout. Overdwars draagt zij een zwaard. Zij kijkt naar het westen. Deze gestalte verzinnebeeldt de mensheid onder de Wet en de profeten. Toen werden veel mensen bekeerd tot geestelijk inzicht en onderwerping van het vlees (in de besnijdenis).

In de streek van het zuiden zag Hildegard in een wolk een menigte mensen. Velen van hen droegen muziekinstrumenten. Zij zijn de zaligen, die de Godszoon hebben gevolgd. Ze hebben uit liefde tot hem de marteldood doorstaan en volhardden in nederigheid en kuisheid. Zij zullen de koren van de engelen aanvullen met eeuwige lofprijzing van God. Zij hebben weet van de verborgenheid Gods, die aan de mensen geopenbaard is in het levende Woord. Door het reinigende water van de doop hebben zij in de Heilige Geest deel gekregen aan het heil en hebben daarin stand gehouden.

 

 

 

.

ldo28

 

 

 

 

 

 

 

.

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

.

voorpagina openbaring a4

 

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

.

 

JOHN ASTRIA

Liber Divinorum Operum : visioen 6

Standaard

categorie : Hildegard Von Bingen

 

 

 

 

Liber Divinorum Operum

 

Het boek van de goddelijke werken

met visioenen van

Hildegard van Bingen

 

.

Hildegard

 

 

 

.

“Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn.”

 

 

Liber divinorum operum (Boek van goddelijke werken) is een werk uit de tweede helft van de 12e eeuw van de Duitse Benedictijner Abdis en mystica Hildegard von Bingen. Het is haar laatste visionaire werk en het werd geschreven tussen 1163 en 1174. Het bevat tien visioenen waarin de liefde van God tot uitdrukking komt in de mensen en in de relatie van de mensen tot God.

 

 

 

.

Liber Divinorum Operum 6

 

 

.

Binnen dit heelal is de engelen een ruime plaats toegekend. Het zesde visioen dat een duidelijk andere vorm heeft dan de voorgaande, is bijna in zijn geheel aan hen gewijd. Hildegard ziet deze keer:

 

“… een grote, vierkante stad, omgeven door een muur, met zowel luister als duisternis, een stad ook voorzien van heuvels en gestalten. Naast de stad rees een grote, hoge berg op van wit en hard gesteente die op een vulkaan leek. Op de top straalde een spiegel waarvan de helderheid en zuiverheid zelfs die van de zon leek te overtreffen. In de spiegel verscheen een duif met gespreide vleugels, gereed om weg te vliegen.

De spiegel, de plek van de geheime wonderwerken, zond een licht uit dat zowel naar boven als in de breedte straalde en waarin talrijke mysteriën en meerdere vormen en gestalten zichtbaar waren. In deze schittering, in de richting van het zuiden, verscheen een wolk waarvan de bovenzijde wit en de onderzijde zwart was. Boven deze wolk schitterde een engelenschare. Sommige engelen straalden als vuur, anderen waren een en al helderheid, weer anderen fonkelden als sterren.”

 

Deze stad treedt nu in alle visioenen op. Zij heeft binnen haar vier muren verscheidene gebouwen: kerken, paleizen, zuilen en gewone huizen, die van beeld tot beeld anders staan opgesteld. Zoals gezegd is het zesde visioen voornamelijk aan de rol van de engelen gewijd.

 

“De engelenschare naast God is in de hemel een geheim dat geheel van het goddelijke licht wordt doordrongen. Een geheim dat verborgen blijft voor het schepsel dat de mens is, tenzij er lichtende tekens zijn waardoor hij er kennis van kan nemen. Deze schare heeft een bestaansreden die meer verband houdt met God dan met de mens. Ze verschijnt de mensen slechts zelden. Toch openbaren bepaalde engelen die in dienst staan van de mensen zich met Gods wil in de vorm van tekens: God heeft hun allerlei taken toevertrouwd en hen in dienst van de schepselen gesteld.”

 

Onder deze engelen bevinden zich Satan, “die slechts uit zichzelf wilde bestaan”, en de engelen die hij in zijn val heeft meegesleurd.

Maar er is vooral :

 

“de grote schare van engelen, sommigen als vuur, anderen een en al helderheid, weer anderen als sterren. De engelen van vuur verbergen in zich de grootste energie, niets kan hen tot wankelen brengen. God heeft inderdaad gewild dat zij zonder ophouden zijn aangezicht aanschouwden.

De engelen die een en al helderheid zijn, worden in beweging gebracht door hun dienst aan de menselijke werken, die ook Gods werken zijn; deze vrome werken worden aan de engelen voor Gods aangezicht aangeboden. De engelen kijken onophoudelijk naar hen, zij bieden God hun zoete geur aan door te kiezen wat nuttig is en weg te werpen wat ondienstig is.

De op sterren gelijkende engelen lijden samen met de menselijke natuur, zij bieden deze God aan als een boek, zij zijn de gezellen van de mens, zij spreken hem volgens Gods wil woorden van redelijkheid toe, door de goede werken kunnen zij God prijzen, van de boze werken keren zij zich af.”

 

In een ander visioen, het zevende, komt Hildegard terug op

 

“de twee orden, de engelen en de mensen”,

 

waarbij zij aangeeft dat

 

“God een ware vreugde put uit de lofprijzingen der engelen, net als uit de heilige werken der mensen. Zeker, de engel staat permanent voor Gods aangezicht, terwijl de mens wisselvallig is; mensenwerk is dan ook vaak gebrekkig, terwijl de lofprijzingen der engelen dat nooit zijn”.

 

 

.

Gods Raadsbesluit is een vast Werk

 

“En weer zag ik: een geweldige stad. Zij was vierhoekig aangelegd en deels van een bijzondere lichtglans, deels van duisternissen als door een muur omgeven. Ook was zij opgesierd met een aantal bergen en figuren. Midden in het oostelijke gebied zag ik een geweldig hoog opstijgende berg van harde heldere steen, in de vorm van een vuurspuwende berg. Van de top ervan straalde licht als een spiegel van zulk een heerlijkheid en zuiverheid, dat deze de glans van de zon leek te overstralen.

In die spiegel verhief zich een duif met uitgespreide vleugels, als wilde zij omhoog vliegen. Deze spiegel verborg tal van geheimenissen in zich. Hij zond een glans van grote breedte en hoogte uit, waarin tal van mysteriën en vele gestalten van zeer verschillende figuren verschenen.

In dezelfde glans, naar het zuiden toe, verscheen een wolk, van boven stralend wit en van onderen zwart. Boven haar glansde een grote schare engelen op, van wie sommige als vuur gloeiden, andere helder straalden en nog andere als sterren schitterden. Zij werden door een windadem bewogen als brandende lichten. Ook waren zij vol stemmen, die klonken als het ruisen van de zee.

En elke windadem liet zijn stem met toornige kracht schallen en maakte daardoor een vuur los tegen de zwarte kant van de wolk. Hierdoor ontbrandde die wolk zonder vlam naar de zwartheid toe. Maar weldra blies de wind de zwartheid weg en liet haar als dichte rook verwaaien en vergaan. Aldus joeg hij het zwarte deel van de wolk van het zuiden over de berg heen, naar het noorden toe in een onmetelijke afgrond. De zwartheid kon zich nu niet meer verheffen; zij liet nog wel een nevellaag over de aarde heen trekken.

En ik hoorde bazuinen uit de hemel schallen en klinken: “Wat is dat toch, wat bij alle sterkte van eigen kracht ten val kwam?” En nu straalde het witte deel van de wolk nog heerlijker dan voordien. Maar de wind, die met zijn drievoudige stem de zwartheid van deze wolk verjaagd had, kon nu niemand meer weerstaan.”

 

De stem uit de hemel legde Hildegard uit, wat dit geheimzinnige schouwspel betekent. De rechthoekige stad duidt op het vaste werk van Gods Raadsbesluit. Licht en duisternis van de muren verwijzen naar de gelovigen en de ongelovigen. De harde lichte berg verwijst naar de kracht van Gods gerechtigheid. De duif verzinnebeeldt de goddelijke scheppingsordening.

In de spiegel zien de engelen die God dienen, hoe de afvallige Lucifer en zijn volgelingen uit de hemel gestoten zijn en dat de uitverkoren mensen de opengevallen plaats zullen innemen, wanneer de geschiedenis voltooid zal zijn. ‘In jubel daarover, dat zij het getal der gevallenen op die wijze hersteld wisten, vergaten zij de val zelf als was die er nooit geweest.’

De uitlegging bij dit visioenbeeld gaat in het bijzonder over de ordening van de engelen en hun verhouding ten opzichte van God en de mensen. Het volgende visioenbeeld gaat over de mensengeschiedenis.

 

 

 

.

ldo27

 

 

 

 

 

 

 

.

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

.

voorpagina openbaring a4

 

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

De zeven gemeenten in Openbaring

Standaard

categorie : religie

 

 

 

250px-Seven_churches_of_asia.svg

 

 

 

 

De zeven gemeenten in Openbaring zijn werkelijke locaties in Klein-Azië

 

De zeven gemeenten in het boek Openbaring zijn zeven  werkelijk bestaande gemeenten. Ze worden beschreven in hoofdstukken 2 en 3 van het boek. Deze vroege christelijke gemeenten bevonden zich in de tijd van het Romeinse Rijk in Klein-Azië. Hoewel de bloei van deze gemeenten een halt werd toegeroepen door de overheersing van de moslims, in de eeuwen na het Romeinse Rijk, toch zijn de archeologische resten van alle zeven locaties tegenwoordig nog terug te vinden in het hedendaagse Turkije.

 

 

 

 

Openbaring hoofdstuk 1,2 en 3 : Christus wandelt tussen 7 kandelaren die staan voor de 7 gemeenten in Turkije

Openbaring hoofdstuk 1,2 en 3 : Christus wandelt tussen 7 kandelaren die staan voor de 7 gemeenten in Turkije

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De zeven gemeenten toen en nu

 

De zeven gemeenten van het boek Openbaring bevinden zich in het westen van Klein-Azië, het hedendaagse Turkije,  Ze kunnen bereikt worden via de Egeïsche Zee en de oude handelsroutes tussen het Westen en het Oosten.

Om verschillende redenen (handel, militaire strategie of puur hedonisme), werden deze steden belangrijke culturele centra. In de eerste eeuwen na Jezus Christus werden deze steden door de Romeinen bestuurd.

Ze waren ook belangrijk in het vroege christendom. De zeven gemeenten werden aan het einde van de eerste eeuw beschreven door de apostel Johannes :

 

 

1 : EfezeDe begeerlijke gemeente die de liefde van weleer had opgegeven (Openbaring 2:1-7). Efeze was de invloedrijke hoofdstad van Klein-Azië aan de Egeïsche Zee. Efeze staat nu bekend vanwege haar immense metropool van oude straten, bogen en ruïnes.

 

2 : Smyrna – De vervolgde gemeente die onder armoede en martelaarschap leed (Openbaring 2:8-11). Smyrna was ten noorden van Efeze gelegen op een machtige handelslocatie aan de Egeïsche Zee en stond bekend om haar havens, handel en marktplaatsen. De belangrijkste ruïnes van Smyrna bevinden zich nu in de moderne Turkse stad Izmir.

 

3 : Pergamum – De wereldse gemeente die de christelijke leer verwaterde en tot inkeer moest komen (Openbaring 2:12-17). Pergamum bevindt zich op de vlakten en de lager gelegen heuvels langs de rivier de Caïcus in Westelijk Turkije. Het werd in Klein-Azië sinds de 3e eeuw voor Christus als een belangrijke stad beschouwd en werd later een Grieks en Romeins centrum voor tempelverering.

 

4 : Tyatira – De valse gemeente die een verleidelijke profetes volgde (Openbaring 2:18-29). Tyatira is gelegen in westelijk Klein-Azië, ongeveer 65 kilometer landinwaarts van de Egeïsche Zee. Deze stad uit de oudheid stond bekend om haar handel in textiel en kleurstoffen, en staat tegenwoordig bekend als de Turkse stad Akhisar.

 

5 : Sardes – De “dode” gemeente die in slaap was gevallen (Openbaring 3:1-6). Sardes bevindt zich op oevers van de rivier de Pactolus in het westen van Klein-Azië, een kleine 100 kilometer landinwaarts van Efeze en Smyrna. Onder de populaire ruïnes zijn onder meer de decadente tempels en de badhuizen.

 

6 : Filadelfia – De gemeente van broederlijke liefde die geduldig volhardt (Openbaring 3:7-13). Filadelfia ligt aan de rivier de Cogamis in westelijk Klein-Azië, ongeveer 130 kilometer ten oosten van Smyrna. Filadelfia stond bekend om haar verscheidenheid aan tempels en aanbiddingscentra.

 

7 : Laodicea – De “lauwe” gemeente met een lauw geloof (Openbaring 3:14-22). Laodicea is gelegen in de vallei van de rivier de Lycus in het westen van Klein-Azië, een belangrijke handelsroute tussen de culturen van het Westen en het Oosten. Laodicea stond bekend als een belangrijk centrum voor het Romeinse systeem van aquaducten.

 

 

 

De 7 gemeentelijke tijdperken

De 7 gemeentelijke tijdperken

 

 

 

 

De zeven gemeenten hun uiteindelijke belang

 

De zeven gemeenten in het boek Openbaring zijn letterlijke gemeenten uit de eerste eeuw na Christus. Maar de zeven gemeenten in Openbaring hebben ook een geestelijke betekenis voor de gemeenten en gelovigen van tegenwoordig. Het hoofddoel van de brieven van Johannes aan de zeven gemeenten was om een “rapportkaart” van Jezus over hun geestelijke welzijn af te leveren.

Maar een tweede doel van de door God ingegeven brieven was om zeven soorten gemeenten (en gelovigen) te beschrijven die door de geschiedenis heen steeds weer zouden opduiken. Deze korte brieven aan de zeven gemeenten in het boek Openbaring dienen als snelle en soms pijnlijke geheugensteuntjes voor mensen die zichzelf “volgelingen van Christus” noemen.

 

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

Eenendertigste Miniatuur : tiende Visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegar Von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenendertigste Miniatuur: Tiende Visioen van het Derde Boek

 

 

 

Scivias%20T%2031_Boek%20III,10

 

 

 

Hier gaat het om de voltooiing van de Stad Gods en van het geestelijke leven in de mystieke beschouwing. Als alle heiligheid verwezenlijkt zal zijn op aarde en de wereld tot voltooiing is gekomen in het zuiden, waar God in het paradijs de eerste mens schiep, neemt de Mensenzoon (dezelfde als die van de eenentwintigste miniatuur) het woord. Hij zegt:

“De Zoon van de levende God, geboren uit de Maagd, regeert zonder tegenspraak in die harten, die ontstoken door de H. Geest streven naar de volle geheimen van de ongeschapen diepten.”

De tekst van het tiende visioen luidt:

“Voor de troon van de Mensenzoon, die zich nog steeds niet ten volle heeft geopenbaard, staan drie deugden en wel de Stadigheid (Constantia), het Hemelsverlangen, (Caelestis desiderium) en de Rouwmoedigheid des Harten (Compunctio Cordis).”

Onder deze drie, die feitelijk een drieëenheid vormen, verschijnt van ons uit gezien links, de Verachting der Wereld (Contemptus mundi) en rechts de Eendracht (Concordia) tussen God en mensen. Rustig de beelden en kleuren bestuderend en luisterend naar wat Hildegard over deze deugden zegt, kunnen we ontdekken wat voor onze mystica de hoogste toppen van het geestelijk leven betekenen.

De figuur die we bovenaan in een rood gewaad (de tekst zegt: in purperen tunika) op een troon gezeten zien, is het Mensgeworden Woord. Achter Hem op een hoge zuil en voor ons onzichtbaar zit de Lucidens Sedens (vgl. miniatuur 19).

De wederkerende Christus op de Oosthoek van het gebouw zagen we op miniatuur 21 en evenals daar is de onderste helft van Christus nog niet geheel geopenbaard: het einde der tijden is nog niet gekomen. Christus zit in een zetel boven op zeven witmarmeren treden, hier weergegeven door blauw met wit geaccentueerd.

Het kleed van de middelste der drie Godskrachten vóór de Troon, de stadigheid, is evenals de marmeren treden blauw met wit. In beide gevallen wijst dit blauw op helder glanzend wit. Volgens de tekst draagt zij ook een witte mantel. Deze is hier bij wijze van tegenstelling groen.

Dezelfde kleur vertoont het gewaad van de deugd aan haar rechterhand ‘het hemelse verlangen’. Van de derde deugd de Rouwmoedigheid des harten wordt gezegd dat zij witte haren heeft en deze worden door gewoon wit aangeduid.

Het was voor de miniaturist een moeilijke opgave om al die van blankheid stralende deugden toch duidelijk aan te geven omdat de nuances in het wit voor Hildegard wijzen op de karakterverschillen van deze drie deugden. Zo zegt Hildegard dat al deze gestalten in witte tunieken zijn gekleed, daar zij allen in de verblindende witheid van goede werken wandelen.

Maar dan beschrijft zij het onderscheid in goede werken en verklaart zij dat de Rouwmoedigheid geen witte maar een wat matkleurige tuniek draagt. Wenend en klagend schermt zij zich af tegen alle verkeerde invloeden. Het komt er op aan dat de juiste houding is standvastig en met grote rouwmoed in ons hart naar de komst van de Heer te verlangen.

Merken we wel op dat deze deugden overeenkomen met de deugden die God ons voorgehouden heeft in de toren van Gods raadsbesluit. Daar (miniatuur 22) zagen we als eerste de Liefde tot het hemelse, hier het hemelse begeren. Op de tweede plaats de Bescheidenheid, hier de Rouwmoedigheid des harten en tenslotte de Victoria, die hier terugkeert in de Stadigheid of Constantia: de volhouder wint.

Verder zagen we in miniatuur 22 nog de Disciplina en de Misericordia. Ook deze twee door God voorziene deugden komen hier in de voltooiing terug. Het zijn onderaan de Contemptus Mundi (de verachting der wereld) wat hetzelfde is als de Disciplina en de Concordia (de eendracht tussen God en mensen) wat men de voltooide vorm van de Misericordia mag noemen.

We willen nog even aandacht schenken aan de wijze waarop de Contemptus mundi en de Concordia door Hildegard zijn aangevoeld en uitgebeeld. In een zilver rad zien we de buste van een deugd in een donker kleed met een bloeiend takje in de hand. Dit illustreert de uitleg van het tiende visioen.

Aan de noordkant van de Gezetelde verscheen in een rad een deugd die in haar rechterhand een groen takje droeg. Dit rad draaide voortdurend rond, maar het beeld bleef onbeweeglijk staan (zij maakt immers deel uit van de deugd Constantia). En in de omtrek van dit rad stond geschreven:

“Indien iemand Mij dient, dat hij Mij volge en waar Ik ben daar zal ook mijn dienaar zijn” (Joh. 12).

Daarop wijst het zilver in het rad. Het is de macht Gods die de mens uitnodigt Zijn Zoon te volgen.

Dit rad van de goddelijk macht is precies hetzelfde lichtende rad, dat we in de visioenen één en twee van het derde boek over de opbouw van de Stad Gods, van Gods voeten hebben zien uitgaan. Daarin bevindt zich de berg waar de stad van de Zoon Gods opgebouwd wordt.

In miniatuur 21 zien we dat stralende rad rondom de hele plattegrond van de Stad Gods draaien. De contemptus mundi beantwoordt dan ook de uitnodiging van God zijn Zoon te volgen in het opbouwen van de stad. De Heer heeft in de Apocalyps gezegd:

“Wie overwint, hem zal ik van de boom des levens te eten geven, die in het paradijs van mijn God staat.”

Daarom draagt de Contemptus mundi een vruchtdragend takje in de hand.

Zo komen we bij de Concordia, hier voorgesteld in een blauwwit gewaad met aan weerszijden een grote vleugel. Als de ziel op de hoogste top van het geestelijk leven in volmaakte standvastigheid leeft, wendt zij zich naar het Zuiden, symbool voor heel de verloste mensheid. Zij is vrij van alle haat en nijd en brengt verlichting en helderheid in alle gelovige harten.

De vleugels wijzen erop dat de ziel, ondanks het feit dat zij in volmaakte rust leeft, toch haar vleugels uitstrekt over alle wederwaardigheden die de gelovigen moeten ervaren en dat de reikwijdte van haar liefde groter is dan de duur van al de nog komende geslachten.

 

Nu de laatste deugd de Concordia zich met vleugels vertoont, willen we terug kijkend zien welke deugden nog meer met vleugels zijn afgebeeld.

 

Miniatuur 27 toont ons de Pax met twee vleugels.

Op miniatuur 2 staat de Albeheerser met twee grote vleugels, wat volgens de uitleg wijst op de onuitsprekelijke Gerechtigheid in de uiteindelijke zegepraal van de onuitgesproken Wijsheid.

Miniatuur 5 toont ons de mens die ontsnapt aan alle moeilijkheden hem door de duivels berokkend en die gedragen door twee vleugels, op de top van het geestelijk leven komt.

Miniatuur 9 beeldt alle engelen met vleugelen af.

Ook op de 16de miniatuur zien we de engelen met vleugels boven de Eucharistie.

De Zelus dei staat op de 2lste miniatuur met drie vleugels afgebeeld.

Tenslotte tonen de 33e en 35e miniatuur engelen met vleugels.

 

 

 

Vleugels wijzen op zorg voor anderen.

 

God is bezorgd voor ons. De Zelus Dei tracht met de vleugels het gevaar weg te jagen. Men kan alleen vrede met anderen hebben, als men zorg heeft voor zijn naaste. De Concordia, zegt de tekst, draagt vleugels omdat zij evenals de Schepper aan alle mensen denkt.

Zo ontdekt men de gedachtenwereld van Hildegard door alle beelden die in feite begrippen zijn, naast elkaar te leggen. Hier kunnen we het slot aanhalen van het tiende visioen, omdat daar de samenvatting gegeven wordt van heel de bouw van het kasteel.

“Aldus, gelijk in beelden getoond is, werkt God van het Oosten naar het Noorden en van het Westen naar het Zuiden, waar Hij door Zijn Zoon uit liefde voor de Kerk, alles wat voor de schepping van de wereld voorbestemd was, tot zijn verwezenlijking leidt, en de nieuwe dag laat stralen. God immers heeft dit werk van Hemzelf met de voornoemde torens en deugden in mystieke betekenis bevestigd en versierd, om dan dit werk in de grootste volmaaktheid volledig naar zich terug te voeren.”

In Noach is na de val van Adam de rechtvaardigheid van het juiste handelen aangeduid. Deze rechtvaardigheid streeft naar de nieuwe dag, omgeven als zij is door de vele wonderdaden welke God in de verschillende opeenvolgende tijdperken heeft getoond. In Noach openbaarde God de voorbereiding, in Abraham en Mozes de eerste openbaring en in Zijn Zoon de verwezenlijking.

Het stond vóór alle tijden in het hart van de hemelse Vader vast, dat Hij Zijn Zoon op het einde der tijden tot heil en verlossing van de gevallen mens in de wereld zou zenden. Deze Zoon is geboren uit de Maagd en Hij heeft alles wat de Ouden, vervuld van de H. Geest, voorzegd hebben op volkomen wijze volbracht.

Dit lijkt op de beweging van een mensenarm, die zich eerst tot een werk buigt en dan de hand kan laten werken. Volgens een rechtvaardig oordeel van God werd de Rechtvaardigheid samen met Adam uit het land van Eden gezet. Maar de Rechtvaardigheid begon zich in Noach opnieuw te bewegen, gelijk de eerste beweging in het schoudergewricht.

Vervolgens ontwikkelde de Rechtvaardigheid zich in Abraham en Mozes gelijk de arm zich meer gaat bewegen door middel van de elleboog.

Toen ging de Rechtvaardigheid verder naar het volmaakte werk in de Zoon Gods, door Wie alle tekenen en openbaringen van de Oude Wet tot een duidelijk werk voltooid zijn. In Hem zijn ook alle godskrachten of deugden openbaar gemaakt. Dit lijkt op de hand met zijn vingers, die het werkstuk waarmee ze bezig is tot volmaakte afwerking voert.

“Op deze wijze volbreng Ik mijn werk tot mijn glorie en tot jouw beschaming, o duivel. Tegen jou is mijn krachtige arm gericht om datgene wat in het Noordoosten, in het Noorden en in het Westen staat opgesteld te overwinnen. Bovendien biedt mijn bouwwerk jou ook weerstand volgens de loop van de zon, dat is van het Oosten naar het Zuiden, om jou dan in het Westen neer te stoten. Zo zie je jezelf naar alle kanten in verlegenheid gebracht, want in mijn Kerk volbreng Ik tot je ondergang, misvormde verleider, het werk der gerechtigheid en heiligheid en wel zodanig, dat jij, die eigenlijk getracht hebt mijn volk verloren te laten gaan, geheel overwonnen ten onder gaat.”

Deze slottekst bevestigt volledig de zin van het gehele kasteel, zoals we die in de onderdelen ontdekt hebben.

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Vijfentwintigste Miniatuur : vierde Visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vijfentwintigste Miniatuur: Vierde Visioen van het Derde Boek

 

 

Scivias%20T%2025_Boek%20III,4

.

.

.

.

Een lieflijke, vergulde vrouwenfiguur staat hier omgeven door zes engelen. Rechts van haar naderen zes welwil-lende gelovigen terwijl zich links van haar drie personen vijandig gedragen. Deze mensen over wie we reeds spra-ken, komen vanuit het noordrijk van de duivel en het ongeloof de Stad Gods binnen door de poort die zich be-vindt tussen de toren van Gods raadsbesluiten en de zuil van Gods Woord. Hier gebeurt eigenlijk iets heel be-langrijks in de geschiedenis van de Verlossing. Hildegard geeft deze Godskracht of deugd de naam Scientia Dei wat betekent het ‘Weten of kennen van God’. Maar dit begrip van kennen wordt in dubbele zin gebruikt.

In de eerste zin heeft men het over de mens die aan Zijn uitnodiging gehoor geeft en geloof schenkt aan de openbaring. In de tweede zin heeft men het over diegene die kennis wil vergaren over God. Hier komt de schei-ding der geesten.  Zij die goed willen, ontvangen als bij het bruiloftsmaal het feestkleed. Zij die zonder kleed wil-len binnen dringen worden teruggedreven. Het is waar dat de Heer de armen van de straat door zijn dienaars liet ophalen opdat zijn feestzaal vol zou raken. Van ieder wordt echter geëist dat hij zich presenteert in een feest-kleed. De uitnodiging is een genadegeschenk, maar men moet er gevolg aan willen geven.

Nog een ander belangrijk aspect van de roeping tot het koninkrijk Gods komt hier naar voren. Velen zijn geroe-pen maar weinigen uitverkoren, om deel te nemen aan de uitvoering van Gods plannen. God heeft enkelen uit-verkoren om zijn medewerkers te worden in de verwerkelijking van het grote bouwplan. Als God, in zijn godde-lijke ijver om de vijand te verslaan, gaat beginnen samen met de gelovigen de drie gemetselde muren op te trek-ken, dan heeft Hij bijzondere medewerkers nodig. Aanvankelijk roept hij het joodse volk en oefent het in strenge discipline.

Met de gegevens van de vorige miniaturen is de kleurencombinatie hier gemakkelijk te ontleden. Dat zilveren driehoekje is een gedeelte van de lichtgevende muur, welke we opgetrokken weten van het oosten naar het noorden. De overeenkomst tussen de vergulde vrouwenfiguur en een Maria-voorstelling is zeker niet toevallig.

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

Eenentwintigste Miniatuur : tweede visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenentwintigste Miniatuur: Tweede visioen van het Derde Boek

.

.

 

Scivias%20T%2021_Boek%20III,2

.

.

Deze miniatuur biedt ons het algemeen overzicht van de Stad Gods. Vóór de tweede Persoon van God, de Lichtende Gezetelde van wie al het licht uitgaat, strekt zich de plattegrond uit van een stad. De stad heeft een vestingwerk, is viervoudig ommuurd en verstevigd met torens.Trouw aan de tekst van Hildegard heeft de miniaturist gepoogd een overzicht te geven van zijn geheel en zijn onderdelen.

De figuur in het rood is Christus, de Lucidens Sedens of de lichtende gezetelde in het Oosten. Rechts van de Lucidens Sedens begint een muur die de meest lichtgevende van de vier is. Hij wordt dan ook in het zilver weergegeven. Deze muur, die de lucida pars genoemd wordt (het deel dat licht uitstraalt), loopt van het oosten naar het noorden.

Ongeveer in het midden ervan staat een brede toren met kantelen, die Hildegard de toren van het plan van het werk Gods ( de Turris praecursus voluntatis Dei ) noemt. Verderop verheft zich de kolom van het Woord Gods, een soort boom waarvan op iedere tak een menselijk hoofd is afgebeeld. Tussen deze twee torens zullen we straks een poort, die toegang geeft tot de stad zelf, zien open gaan.

Waar de lichtgevende muur in het noorden de driedelige muur welke naar het westen loopt raakt, zien we een hoogst merkwaardige kop omgeven door drie blauwwitte vleugels. Een zeer opvallend symbool van de Zelus Dei, de vurige ijver Gods, die met haar brandende ogen de duivel in het noorden bedreigt.

Op de plattegrond zien we, vanaf de Zelus Dei aan de noordzijde, in westelijke richting een schans opgeworpen van drie evenwijdige muren. Het gaat om muren die door de gelovige mensen opgetrokken worden. In de westhoek zien we een rode kolom uitgebeeld. Deze rode zuil is een zinnebeeldige weergave van de openbaring van het mysterie van de H. Drievuldigheid op het einde der tijden.

Immers toen de zon in het westen reeds onderging en de avond aanbrak, is dit grote geheim door het mensgeworden Woord geopenbaard. Tussen het westen en het zuiden zien we twee torens in aanbouw. De eerste is de toren van de Mensheid van het Woord en is bijna voltooid. Verderop in de zuidhoek wordt de grote toren van de Kerk van het Godsvolk opgetrokken door de gelovigen zelf, die langs ladders stenen naar boven brengen.

Zo vinden we in het zuiden, pal tegenover het noorden waar de duivel woont, de plaats waar de Kerk wordt opgetrokken. De torens worden in het zuiden gebouwd omdat daar de plaats gedacht werd van het oorspronkelijke aardse paradijs.

De laatste muur, nog in aanbouw,  is die van het zuiden terug naar het oosten, waar de Lichtende zetelt. Als deze voltooid is, zal de volledige openbaring van de wederkomst van de verrezen Heer plaats vinden. In de tien volgende visioenen en miniaturen wordt de symboliek van al die onderdelen van de Stad Gods verder uitgewerkt. We zien dat héél het bouwwerk gaat om een verdedigingswerk in de strijd tussen God en de duivel.

God wil de mensheid, door de duivel uit het paradijs geroofd en weggevoerd naar diens rijk der duisternis in het noorden, terugleiden naar het zuiden. Daar wil God samen met de mensen van goede wil het nieuwe paradijs, n.l. de Kerk, opbouwen. De gelovigen die vanuit het noorden naar het zuiden komen om de slottoren van de Kerk te bouwen, moeten evenwel verdedigd worden tegen de aanvallen van de vorst der duisternis, die in het noorden heerst.

 

 

 

 

De voorstelling van de miniatuur

 

God woont in het oosten, rechts van Hem in het noorden zetelt de duivel en links in het zuiden is het nieuwe paradijs gedacht. Het eerste wat God doet is een zware verdedigingsmuur bouwen in noordelijke richting om de eerste aanvallen van de duivel daaruit op te vangen.

Dan dreigt een dubbel groot gevaar vanuit de open westkant. Op dat ogenblik nodigt God de mens uit Hem te helpen en een driedubbele muur op te trekken van het noorden naar het westen.

In het westen komt de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid zelf als mens ons te hulp. Hij voltooit, samen met hen die hiertoe geroepen zijn, de muur van het westen naar het zuiden. Daartussen rijst de hoge toren van Zijn Mensheid op.

Zo komen we in het zuiden, waar door alle gelovigen steentje voor steentje de grote slottoren van de Kerk wordt opgetrokken. Daar kunnen de gelovigen van het Nieuwe Testament, grotendeels beschermd tegen de aanvallen uit het noorden, doorwerken.

Maar het einddoel, de afronding en voltooiing van het bouwwerk liggen in het oosten. Deze nieuwe muur van het zuiden naar dat eindpunt wordt even als de noordwest muur door de gelovigen zelf opgetrokken. Het Rijk Gods is tenslotte als een bouwwerk tot stand gekomen in een samenwerking van God met de vrije wil van de mens.

Deze hoofdgedachte van een samenspel tussen God en mens tegen duivel en zonde is eigenlijk de leidraad van heel het betoog van Hildegard over de wegen des Heren. Maar zij wil, in dit samengaan van God en mens tegen de duivel, graag de alles overtreffende grootheid van God naar voren brengen.Daarom zullen we bij de uitwerking van de vierkante plattegrond een grote afwijking ontdekken.

De eerste muur, die door God de almachtige Vader en de derde die door Gods Zoon in Zijn Mensheid worden opgetrokken, zijn beide twee maal zo lang als de tweede en vierde muur die de gelovigen mogen op metselen.

 

 

 

De dynamiek in de symboliek van het bouwwerk

 

Nog andere grondgedachten spelen mee in de symboliek van dit bouwwerk. De dynamiek van de uitvoering komt helemaal overeen met de dynamische beweging van de Bijbelse geschiedenis.Eerst de openbaring aan Abraham en de profeten van oost naar noord. Dan de hiërarchie en de ascese van de joodse wet van noord naar west, welke uiteindelijk verwijzen naar de grote openbaring van Christus over het mysterie van de H. Drievuldigheid.

Het is de bekering tot het geloof in het geheim van Gods Zoon dat dan verder de drijfveer uitmaakt van de bouw van de Kerk in het zuiden. En het is het verlangen naar de wederkomst van de Heer, dat de gelovigen de wilskracht geeft om de laatste muur te voltooien van het zuiden naar het oosten.

Deze drijfveer naar de voltooiing is toch weer een werk van God en mens samen. God geeft hiertoe de genade en de mens ontleent er zijn kracht, zijn deugd aan. Dit laatste begrip van deugdbeoefening vormt één van de grondideeën van de hele verhandeling van Scivias, speciaal van het derde Boek.

 

 

Verband tussen de macro- en de micro-ecclesia

 

Door dit thema van de dynamische beweging van de Bijbelse geschiedenis krijgen we te maken met een merkwaardig parallellisme tussen wat we zouden kunnen noemen de macro- en micro-ecclesia. De geschiedenis van de kerkopbouw, gezien vanuit het Oude Testament over het Nieuwe Testament naar de parousia (de wederkomst des Heren), herhaalt zich in het klein voor iedere mensenziel.

Dezelfde ontwikkeling, welke Hildegard ons schildert van de krachten Gods in de macro-ecclesia, kan elke gelovige ontdekken in zijn eigen geloofs- en deugdenleven. Het is omwille van deze les dat Hildegard zo uitvoerig ingaat op de deugdenleer. Zij ziet bij die opbouw van de grote Kerk, waarin God en mens samenwerken, zes groepen van deugden die de mens tot steeds grotere rijpheid helpen brengen.

 

 

 

De deugden in Scivias

 

In de volgende miniaturen 22 tot en met 31 trekt een stoet van gepersonifieerde deugden aan ons voorbij, die samen een moraliteit in beelden vormen.In de tekst van de visioenen worden we overstelpt met lange allegorische verklaringen van de kleding en de gebaren van deze personificaties. Hildegard zelf moet deze uitleg als onbevredigend ervaren hebben.

Na de voltooiing van Scivias heeft zij immers een echte moraliteit (toneelstuk) geschreven en muziek ervoor gecomponeerd. Deze draagt als titel ‘Ordo Virtutum’, wat men zou kunnen vertalen met ” De ontwikkeling van het deugdenleven”. Deze moraliteit liet Hildegard bij bijzondere gelegenheden door haar monialen op het plein voor haar kerk spelen, waarschijnlijk voor de toegestroomde pelgrims.

Bij de verdere uitleg van de miniaturen gaan we nog dieper in op deze deugdengroepen, waarbij men zal merken dat de beeldspraak erg gecompliceerd is. Daarmee hebben de miniaturisten zeker moeite gehad wat waarschijnlijk de reden is waarom de miniaturen van het derde boek, artistiek gesproken, niet de kwaliteit hebben van de voorafgaande.

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

JOHN ASTRIA

Vierde hoofdstuk van Scivias

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

hildegard

 

 

 

 

 

OVER HET DERDE DEEL VAN HET BOEK SCIVIAS

 

In het derde deel van Scivias worden twee onderwerpen behandeld. In de eerste tien visioenen wordt de bouw beschreven van de Stad Gods in de loop van heel de heilsgeschiedenis, vanaf de zondeval tot en met de wederkomst van de Heer. In de laatste drie visioenen wordt de gruwel van de antichrist verhaald, het laatste oordeel en tenslotte de gelukzaligheid in de hemel.

 

Deze dertien visioenen worden geïllustreerd met 16 miniaturen. Daarvan zijn er vier bestemd voor de laatste drie visioenen. Zo resten ons dus 12 miniaturen te bespreken die bedoeld zijn als illustratie van de bouw van de Stad Gods. Die Stad Gods heeft een enorme betekenis in de beeldspraak van onze visionaire.

Terwijl Hildegard in het tweede boek van Scivias uitvoerig gesproken heeft over het aandeel van God in onze verlossing, wil zij nu het aandeel van de mens in dit werk laten zien. Zij doet dit onder het beeld van een stadsbouw, een middeleeuwse stad. Het is een stad die vanaf een hooggelegen punt geheel te overzien is, en die volgens een eeuwenoud eenvoudig schema is uitgevoerd.

In Italië treft men nog dergelijke stadjes aan zoals bijvoorbeeld San Gimignano in de buurt van Siëna. Als men daar op de hoge stadhuistoren staat, kan men bijna de hele plattegrond in één blik vangen. Om de betekenis van een stadsbouw te begrijpen zou men zelf in het bouwvak gewerkt moeten hebben in een tijd waarin alles nog handwerk was zonder de moderne hulpmiddelen.

Toen waren samenwerking van velen en een groot geduld de voornaamste vereisten om tot resultaten te komen. Of Hildegard zelf gemetseld heeft is niet bekend maar gezien haar zwakke gestel waarschijnlijk niet. Het is zeker dat zij er wel veel bij betrokken is geweest.

De eerste betrokkenheid van Hildegards bouwwerken was op de Disiboodsberg. Daar heeft zij ongeveer dertig jaar gewoond naast een abdij van benediktijnermonniken die juist in die jaren een grote abdijkerk bouwden. Dan heeft zij de leiding gehad bij de bouw van haar nieuwe klooster op de Rupertusberg bij Bingen, en op het einde van haar leven bij de verbouwing van haar tweede klooster in Eibingen.

De sterkste ervaring welke men opdoet bij de uitvoering van een groot bouwwerk is het scheppen van ruimten door muren langzaamaan hoger op te trekken. Men neemt bezit van ruimten die aangepast zijn aan menselijke maat en die uiteindelijk te verdedigen zijn tegen vijanden en waar men zich meester voelt. Alle leven is strijd, ook het leven van de Kerk. Zelfs God vecht tegen Zijn vijand, de duivel, het kwaad.

Het derde boek van Scivias laat ons de strategie zien van deze strijd, maar dan in middeleeuwse symbolentaal. God houdt Zijn verblijf in het Oosten, de duivel legert steeds in het Noorden. Deze plaatsbepaling in windstreken is een oeroud gegeven dat we uitvoerig terugvinden in de symboliek van de Bijbel.

Dit houdt verband met de geografische ligging van het H. Land. Oostelijk lagen de woestijnen, oneindig groots. Daar ligt de Sinaï waar God woont. Noordelijk lag de weg naar Babylon en vandaar kwamen steeds de vijandige legers. In het zuiden ligt Jeruzalem, de stad van vrede. In het westelijk ligt de zee, de blauwe bron van verkoeling en vruchtbaarheid. Uit deze symbolenwereld put Hildegard haar beelden om de situatie en het grondplan van de te bouwen Stad Gods te beschrijven.

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA