Category / categorie ; video
Jesus speaks to a muslim woman / Jezus spreekt met een moslima

preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget




Bij de vrouwen is het verschil tussen de late middeleeuwen en de vroege middeleeuwen duidelijk te merken. De jurken zijn door de tijd heen wel altijd lang gebleven. De jurken hadden verschillende lagen over elkaar heen. Zo had je een onderhemd, onderjurk en een bovenjurk. Adellijke vrouwen droegen vaak ook nog een mantel. Het silhouet van de jurken was van boven smal en onder wijd uitlopend.
Door de tijd heen bleven de rokken wijd uitlopend en was er dus weinig verandering in. De mouwen waren anders dan dat je ze tegenwoordig ziet. Het overkleed van de vrouw had meestal geen mouwen, zodat het ook niet warm was in de zomer. Zodra het wat kouder werd, werd er een kort linnen mouwtje vastgespeld aan het overkleed.
Zodra het kouder werd in de winter hadden de vrouwen ook nog lange, warme, wollen mouwen die ze dan weer vastmaakten aan het korte mouwtje met een paar steken. Tussen 1000-1200 waren de mouwen lang en heel wijd. Wat later in de middeleeuwen (1200-1350) waren de mouwen nog steeds lang, maar ze waren nauwsluitend aan de arm.
Vijftig jaar later werden deze mouwen sierlijk afgezet met knopen of sierlijk gekleurde stoffen, net zoals bij de mannen. De mouwen tussen 1400 en 1440 leken veel op de mouwen van de mannen. Deze waren namelijk lang en sierlijk wijd en afgezet met bont. Zo lieten de adellijken zien dat ze rijk en machtig waren. Bont was namelijk niet te betalen voor de boeren.
De mouwen van de vrouwen waren in deze tijd wel minder gepoft dan die van de mannen. Je kon dus nog duidelijk verschil zien. Tussen 1440 en 1490 gingen de mouwen van de vrouwen weer deels terug naar 1000-1200. Ze liepen weer wijd uit, alleen niet zo wijd als in de vroege middeleeuwen.
De kleur werd gemaakt met natuurlijke producten zoals: uien (geel), gras (groen), bessen (rood). De kleuren van adellijken waren fleuriger, Oosterse stoffen. Dit konen adellijken zich veroorloven, omdat zij meer bezittingen hadden. Dat onderscheidde de adellijken van de boeren. De oosterse landen hadden betere kleurtechnieken, waardoor de kleuren van de adellijke kleding langer houdbaar bleef.
De kleding van de burgerlijke vrouw bestond uit een lang onderhemd, een onderkleed en vaak een iets korter overkleed. De hals van het onderkleed was meestal rond. Het accent kwam op de taille en de buste te liggen. Er werden koorden kruiselings gedragen over de taille, zodat de vrouwelijke vormen beter uitkwamen. De mouwen werden na de 11e eeuw steeds wijder.
Soms kregen deze mouwen een strook tot op de grond waarin een knoop werd gelegd. De mantel had de vorm van een rechthoek of een halve cirkel dat met een sierspeld werd vastgemaakt. De mantel werd vaak voor de sier afgezet met bont of geborduurde randen.
De stoffen die in deze tijd veel werden gebruikt waren wol, linnen en bont. Zijde was heel zeldzaam, dus dat droegen de adellijke vrouwen veel. Na de 11e eeuw werd linnen ruimer verkrijgbaar, maar het was nog steeds heel erg kostbaar. De kleuren die veel werden gebruikt waren voornamelijk; felle kleuren met een betekenis, net als bij de mannen:
De patronen die in deze tijd werden gebruikt waren ingeweven of geborduurde cirkels of vierkantjes. Ze hadden veel geborduurde randen en gebruikten veel motieven uit de klassieke oudheid.
De kleding van de adellijke vrouw bestond uit een lang onderhemd, een onderjurk en een overkleed. Vaak droegen de vrouwen ook een mantel. Het silhouet was van boven smal en de rok was wijd uitlopend. De onderjurk had lange mouwen en een ronde hals. Het overkleed had geen mouwen. Als dit overkleed wel mouwen had, waren deze rond 1250 aangezet met een aantal steken en niet aangeknipt. De mantel bestond uit een cape dat werd vastgehouden door een kettinkje, of deze werd vastgespeld.
De rokken die in deze tijd veel werden gebruikt waren voornamelijk wol, linnen, bont en het fluweel werd nu ook meer gebruikt. Bont was heel kenmerkend voor de adellijke stand, omdat alleen zij mochten jagen. En als ze het konden kopen van westerse landen maakte de adellijke stand de handen nog niet een vuil. Veel gebruikte kleuren van de adellijke stand waren; rood, blauw, groen en roze.
Hoe meer kleur je jurk bezat, hoe hoger je stand was. Adellijke vrouwen konden zich namelijk veroorloven stoffen te kopen van de oosterse landen. Deze stoffen werden beter gekleurd dan in de westerse landen. In de westerse landen werden de stoffen gekleurd met natuurlijke producten, die als je ze wasten, snel vaal werden. Veel gebruikte patronen in deze tijd waren heraldische motieven. Alleen de randen van de jurken werden afgezet met deze motieven.
De kleding van de adellijke vrouw was strakker dan 100 jaar geleden, lang en laag uitgesneden. Het onderkleed was nu strak aangetrokken met veters of knopen. Over het onderkleed dat vaak liripipes, dit waren stukjes stof die sierlijk vielen, aan de onderkant van de mouw. De mouwen waren erg wijd uitgesneden. Deze gaven namelijk de nadruk op de lichaamsvormen van de vrouw. Het overkleed werd vaak afgezet met bont, dat stond voor klasse en elegantie.
De stoffen die in deze tijd veel werden gebruikt door adel waren voornamelijk wel, linnen, bont, katoen, zijde en nu ook geverfd bont. Het onderkleed werd maastal gemaakt van linnen en de mouwen van de jurken werden vaak afgezet met (geverfd) bont. Veel gebruikte kleuren door adel in deze tijd waren; rood, blauw, groen, roze en nu werd goudskleurig ook gebruikt.
Veel gebruikte patronen in deze tijd waren; bloemen en wijnranken. De patronen werden nu niet meer alleen gebruikt voor de randen, maar nu ook voor de gehele stof. Als er effen stoffen werden gebruikt, werden deze jurken vaak afgezet met sierlijke randen. Ook horizontale en diagonale strepen waren veel gebruikte patronen in deze tijd.
De kleding van de adellijke vrouw was in deze tijd vooral gericht op voortplanting. De jurken hadden nog steeds een onderkleed en een bovenkleed, maar het was allemaal ruimer. Bij het wijde bovenkleed werd het accent net onder de buste gemaakt. Dit werd gedaan door middel van een band. Deze overkleden hadden een hoge taille, zodat de bolle buik van de vrouw extra opviel. Het onderkleed werd aan de achterkant vastgemaakt met touwen.
Dit was een voorloper van de korset. Het enige wat nog overeenkomt met de korset tegenwoordig is dat het beide strak werd aangetrokken. Een gewone vrouw, die niet zwanger was, droeg een korset over het onderkleed met mouwen.
De stoffen die in deze tijd veel werden gebruikt waren; kleurenen zijde. Zijde was in deze tijd een zeer zeldzame stof en was dus moeilijk verkrijgbaar. Alleen adellijken konden zich dit soort stoffen veroorloven. Deze stoffen werden voor de adellijken (westen) in de oosterse landen geweven en gemaakt. De kleuren die werden gebruikt in deze tijd, waren hetzelfde als 50 jaar daarvoor.
Alleen het goud werd minder gebruikt. De patronen die veel gebruikt werden in deze tijd waren meer bedrukt. Deze werden voornamelijk bedrukt met kleine bloempatronen over de gehele stof. De jurken werden ook aan de randen afgezet met een soort van kant.
Na de door van Karel de Stoute viel het Bourgondische rijk. Hierdoor kregen de jurken meer Italiaanse invloeden. De kleding van de adellijke vrouw bestond nu uit een onderjurk of een korset en een overkleed of een robe. Door de lage hals van het overkleed was een deel van het korset zichtbaar. Dit was vaak anders van kleur en vaak ook geborduurd met mooie patronen.
De mouwen van de jurk waren strak en liepen door tot op de hand. Het overkleed had nog steeds een hoge gordel. Deze werd vaak aam de achterkant van de jurk vast gegespt. Vrouwen van adel hadden ook nog een sleep aan het overkleed.
De stoffen die in deze tijd werden gebruikt waren; linnen, katoen, wol. Zijde, fluweel, brokaat en bont. Doordat de handel langzamerhand opkwam in deze tijd ontstond er concurrentie. In het geval van de stoffen kwam er concurrentie tussen Engeland en Vlaanderen met het bont.
De kleuren die werden gebruikt waren hetzelfde als een eeuw daarvoor, alleen bleef de kleur langer mooi, vanwege de betere kleurtechnieken van het buitenland. Veel gebruikte patronen in deze tijd waren; wijnranken en granaatappels. Deze patronen werden over de gehele stof bedrukt.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.
Wees eensgezind; wees niet hoogmoedig, maar zet uzelf aan tot bescheidenheid. Ga niet af op uw eigen inzicht.
Uw schoonheid moet niet gelegen zijn in uiterlijkheden, zoals kunstig gevlochten haar, gouden sieraden of elegante kleding, maar in wat verborgen ligt in uw hart, in een zacht en stil gemoed. Dat is een onvergankelijk sieraad dat God kostbaar acht.
Omdat God u heeft uitgekozen, omdat u zijn heiligen bent en hij u liefheeft, moet u zich kleden in innig medeleven, in goedheid, bescheidenheid, zachtmoedigheid en geduld.
Onderwerp u dus nederig aan Gods hoge gezag, dan zal hij u op de bestemde tijd een eervolle plaats geven.
Wie van u kan wijs en verstandig genoemd worden? Laat hij het daadwerkelijk bewijzen door een onberispelijk leven en door wijze zachtmoedigheid.
En wanneer dan mijn volk, het volk dat mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen.
Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.
Tot slot vraag ik u: Wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn.
Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’
Wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen.
Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen.
Vrouwen, erken het gezag van uw man, zoals past bij uw verbondenheid met de Heer. Mannen, heb uw vrouw lief en wees niet bitter tegen haar.
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde.
Hij zei tegen hen: ‘Wie dit kind in mijn naam bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt hem op die mij gezonden heeft. Want wie de kleinste onder jullie allen is, die is werkelijk groot.’
Aan onze God en Vader komt de eer toe tot in alle eeuwigheid. Amen.
Ik, Nebukadnessar, roem, verhef en verheerlijk nu de koning van de hemel. Al zijn daden zijn juist en zijn paden recht. Wie hoogmoedig zijn, kan hij vernederen.
Aan hem die door de kracht die in ons werkt bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij vragen of denken, aan hem komt de eer toe, in de kerk en in Christus Jezus, tot in alle generaties, tot in alle eeuwigheid. Amen.
Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.
Want er staat geschreven: ‘Zo waar ik leef – zegt de Heer -, voor mij zal elke knie zich buigen, en elke tong zal God loven.’
Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen.
Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.
.
.

Volgens een recent onderzoek van het Nederlandse Voedingscentrum staat bijna 1 op 4 koelkasten thuis te warm afgesteld. Volgens het Voedingscentrum (en andere voedingsexperts) is de ideale temperatuur voor een koelkast 4°C. Bij die temperatuur wordt de groei van ziekmakende bacteriën en schimmels het meest geremd. Bij 4 °C vermenigvuldigt listeria zich bijvoorbeeld half zo snel als bij 7 °C. Salmonellabacteriën vermenigvuldigen zich bij 4°C niet meer.
Bij een kwart van de koelkasten bij consumenten staat de koelkast echter ingesteld op warmer dan 7°C. Op de website van de Federale Dienst Klimaatverandering (www.climat.be) wordt zelfs gezegd dat de ideale temperatuur in de koelkast 6 à 7 °C is. Een lagere temperatuur zou onnodig energie kosten…
Temperatuurtips
• Om uw etenswaren vers te houden moet de thermostaat van uw koelkast ingesteld staan op minstens 5 graden en moet u erop toezien dat de temperatuur binnenin tussen 0 en 4°C blijft, en in ieder geval lager dan 7°C.
• De temperatuur in de koelkast is regelbaar met de daarvoor bestemde knop. Meestal is een schaalverdeling op de knop aangebracht van 1 tot 3, 5, 7 of 10. Hierbij geldt: hoe hoger de waarde, hoe hoger de koelstand, dus hoe lager de temperatuur. Voor de meeste koelkasten is een stand van circa 60% voldoende (3 op een schaal van 5 of 6 op een schaal van 10).
• Controleer de temperatuur in de koelkast regelmatig op verschillende plaatsen. Gebruik daarvoor een speciale koelkastthermometer (te koop bij de huishoudwinkel). Plaats de thermometer in een glas water en bekijk de temperatuur na enkele uren, als de koelkast een tijd dicht is geweest. Is de temperatuur te hoog, pas dan de thermostaatstand aan.
• Koelkasten met een *** of ****-vriesvak hebben een koeling in de achterwand. Deze koelkasten zijn het koudst achterin en onderin (boven de groentela). Koelkasten met * of ** hebben bovenin een vriesvak met daaronder de koeling. Deze koelkasten zijn boven achterin het koudst.
• In een vriesvak met 1 ster kunt u etenswaren gedurende een paar dagen bewaren.
Een vak met 2 sterren houdt diepvriesproducten gedurende 3 à 4 weken bevroren, maar bevriest geen verse producten.
In een vak met 3 sterren kunt u diepgevroren producten ongeveer 3 maanden bewaren, maar geen verse producten invriezen.
Indien uw vriesvak 4 sterren heeft, daalt de temperatuur onder -18°C en kunt u verse of diepgevroren producten invriezen en bewaren tot de datum die staat aangegeven onder “ten minste houdbaar tot”.
.
.
• In een koelkast wordt de koude niet homogeen geproduceerd. Wanneer uw koelkast niet uitgerust is met een systeem voor luchtcirculatie of luchtventilatie, verschilt de temperatuur bovenaan, in het midden en onderaan het toestel.
Als u weet dat warme lucht stijgt en koude lucht daalt, is het makkelijk de verschillende koudezones in uw koelkast te herkennen. In functie van de ideale bewaartemperatuur van uw producten kiest u het meest geschikte legplateau.
• Koudste zone (tussen 0° en 4° C): De koudste plek in je koelkast bevindt zich direct boven de groentela achterin. Op deze plek moet je dus je meest bederfelijke producten bewaren. Hier plaatst u rauw vlees en rauwe vis, zuivelproducten (verse kaas of kaas van rauwe melk), vers fruitsap, charcuterie, producten die u ontdooit, bereide gerechten, zeevruchten…
• Koele zone (rond 4°): dit is het middelste deel van de koelkast. Hier plaatst u best gebakken vlees en vis, gekookte groenten en fruit, gebak, sausen, harde of halfzachte kazen, yoghurt, slagroom…
• Groentenbak (tussen 4° en 6° C): dit is de bak die zich helemaal onderaan de koelkast bevindt. Hier komen verse groenten en fruit.
• De deur van de koelkast – de gematigde zone (rond 6°) deze zone is het warmst. Hier plaatst u best voedsel dat licht gekoeld moet worden, zoals eieren, boter, confituur, mosterd, koffie, dranken, sausen…
• Onder de 4°C kan bij sommige fruit- en groentesoorten lage-temperatuurbederf optreden. In tegenstelling tot wat veel mensen denken, hoeft u groenten en fruit niet altijd in de koelkast te bewaren. Vruchtgroenten zoals tomaat, komkommer en paprika, en bepaalde vruchten als banaan, meloen, ananas, avocado, citroen en mango kunnen beter ongekoeld worden bewaard.
• Voor verse vis geldt een bewaartemperatuur die lager ligt dan 4°C. Deze kan volgens het Voedingscentrum dan ook het best in folie in een schaal met ijsklontjes bewaard worden, en dan hooguit 2 dagen.
• Stapel niet te veel producten op elkaar in de koelkast. De lucht moet immers tussen de voedingswaren kunnen circuleren.
• Wanneer veel boodschappen in de koelkast moeten, kan de koelkast tijdelijk een standje hoger gezet worden. Naarmate de koelkast voller staat, kost het meer tijd om alles op de juiste temperatuur te krijgen en te houden.
• Plaats nooit rauwe producten boven bereide producten. Vermijd zo overdracht van ziekteverwekkende bacteriën van rauwe op bereide producten door in de koelkast bv. vers vlees in een doosje te bewaren, zodat de ‘drip’ (vocht) niet op andere producten kan terechtkomen.
• Laat bereide gerechten afkoelen voordat u ze in de koelkast plaatst. Zorg dat het binnen twee uur afkoelt, bijvoorbeeld door het te verdelen in kleine porties of de pan af te laten koelen in een bak met ijskoud water. In een bereid product kunnen bepaalde bacteriën sneller groeien. Bewaar deze producten daarom afgedekt, in een bakje met een deksel of met cellofaan eromheen. Bovendien is zo uitdroging te voorkomen. Bewaar bereide gerechten niet langer dan 2 dagen in de koelkast (of 3 maanden in de diepvries).
• Zet producten na gebruik meteen weer in de koelkast. Schenk bijvoorbeeld melk in een beker, in plaats van het pak op tafel te laten staan. Dan hoeft het niet weer helemaal opnieuw af te koelen. Bovendien verkort 1 uur buiten de koelkast de houdbaarheid van de melk al met 1 dag.
• Respecteer de bewaarvoorschriften die op de verpakking staan.
• Respecteer de vervaldatum. Zodra de verpakking open is, is de houdbaarheidsdatum niet meer geldig en mag een koel te bewaren product niet langer dan 2 à 3 dagen in de koelkast bewaard worden.
• Wanneer bederfelijke waren warmer zijn geworden dan circa 7 °C, is het verstandig ze meteen te gebruiken. Boven een temperatuur van ongeveer 10 °C is het veiligheidshalve beter om alles uit de koelkast weg te gooien, met uitzondering van ongeopende flessen en pakken sap.
• Maak de koelkast geregeld schoon met een vaatdoekje en een sopje, in elk geval eens per maand. De koelkast kan na reinigen het best met een schone doek worden gedroogd.
.
.
.
.
.
Bomen komen veelvuldig in de Bijbel voor en de ceders van de Libanon nemen daarin een voorname plaats in. Niet minder dan 72 keer wordt er in het Oude Testament van deze statige coniferen melding gemaakt. De ceder groeit langzaam en wordt zeer hoog, tot wel 40 meter. Hij is inheems in de landen rondom de Middellandse Zee, maar wordt overal in de wereld als sierboom geplant.
Een ceder is ook makkelijk te herkennen aan zijn dikke, rechte stam en zijn enorme kroon van horizontale takken. Cederhout is zacht, aromatisch en duurzaam. Het wordt in de wijde omgeving als bouwmateriaal gebruikt en verwerkt.
In de Bijbel lezen wij voor het eerst over ceders in verband met de reinigingsrituelen van de Israëlieten: de reiniging van een melaatse (Leviticus 14) en in het voorbereiden van het reinigingswater (Numeri 19). De combinatie met hysop, een zeer algemene plant, doet vermoeden dat hier wordt bedoeld dat iedereen, rijk of arm, reiniging nodig heeft (zie 1 Koningen 4:33).
.
Leviticus 14
.
1 De Heer zei tegen Mozes: 2 “Als iemand genezen is van een besmettelijke huidziekte en hij wil weer rein verklaard worden, dan moet hij naar de priester gaan. 3 De priester moet naar hem toe gaan, buiten het tentenkamp. Als hij ziet dat de besmettelijke huidziekte genezen is en helemaal verdwenen, zal de priester hem zeggen dat hij weer gezond is. 4 De priester moet de man twee levende, reine vogels laten brengen, voor een offer. Verder ook cederhout, rode wol en een bosje van de hysop-plant. 5 De ene vogel moet worden geslacht boven een pot van gebakken klei waar vers bronwater in zit. 6 Daarna moet de priester de levende vogel nemen, met het cederhout, de rode wol en het bosje hysop. Hij moet die alle drie, samen met de levende vogel, indopen in het bloed van de vogel die boven het verse bronwater is geslacht. 7 Dan moet hij de man die van de besmettelijke huidziekte gereinigd moet worden, zeven keer met dat bloed besprenkelen. Daarna zal de man rein zijn. De levende vogel moet hij vrij laten wegvliegen. 8 En de man die gereinigd moet worden, moet zijn kleren wassen, zijn haar en baard afscheren en zich in water wassen. Dan zal hij rein zijn. Daarna mag hij weer in het tentenkamp komen. Maar hij moet nog zeven dagen buiten zijn tent blijven. 9 Op de zevende dag moet hij al zijn haar afscheren: zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen. Hij moet zijn kleren wassen en zich helemaal in water wassen. Dan zal hij rein zijn.
.
Numeri 19 : 1-7
1 De Heer zei tegen Mozes en Aäron: 2 “Dit is de wet die Ik geef: Laat de Israëlieten een gezonde, roodbruine koe naar de priester Eleazar brengen. Het dier mag nog nooit een juk gedragen hebben. 3 Eleazar moet het dier buiten het tentenkamp laten slachten en daar zelf bij zijn. 4 Daarna moet Eleazar zijn vinger in het bloed dopen en zeven keer bloed sprenkelen in de richting van de tent van ontmoeting. 5 Daarna moet een priester de hele koe verbranden tot er alleen nog as van over is: de huid, het vlees, het bloed, de darmen en de mest moeten worden verbrand. Eleazar moet daar bij zijn. 6 Hij moet cederhout, een bosje van de hysop-plant en wat rode wol op de brandende koe gooien. 7 Daarna moet hij zijn kleren wassen en zich helemaal in water wassen. Pas daarna mag hij het tentenkamp weer in komen. Maar hij is tot de avond onrein.
.
1 Koningen 4 : 33
.
33 Over alles wist hij wel een wijze spreuk: over de bomen, van de grote cederboom op de Libanon tot en met de kleine hysop-plant die op de muren groeit, over het vee, de vogels, de kruipende dieren en de vissen.
Cederhout was toen zeer gewild voor bouwwerken; het werd gebruikt voor de paleizen van de koningen David en Salomo, en voor de tempel, die Salomo voor de Heer bouwde. Dit was mogelijk omdat Hiram, de koning van Tyrus, bevriend was met Israël (1 Koningen 5:1-12).
.
.
1 koningen 5 : 1-12
1 Koning Hiram van Tyrus hoorde dat Salomo de nieuwe koning was. Hij stuurde dienaren naar hem toe om hem te feliciteren. Want Hiram was altijd goed bevriend geweest met David. 2 Daarna stuurde Salomo hem een boodschap: 3 “U weet wel dat mijn vader David geen tempel voor zijn Heer God kon bouwen, omdat hij aldoor oorlog voerde. Uiteindelijk heeft de Heer al Davids vijanden overwonnen. 4 Nu heeft mijn Heer God mij aan alle kanten vrede gegeven. Er is geen enkele vijand en geen enkel gevaar. 5 Nu zou ik voor mijn Heer God een tempel willen bouwen. Want de Heer heeft tegen mijn vader David gezegd: ‘Jouw zoon die Ik na jou koning zal maken, zal een tempel voor Mij bouwen.’ 6 Wilt u alstublieft uw dienaren opdracht geven om voor mij op de Libanon cederbomen te kappen. Mijn dienaren zullen hen helpen. Ik zal uw dienaren betalen wat u wil. Want niemand heeft zoveel verstand van het kappen van bomen als de Sidoniërs.”
7 Toen Hiram deze boodschap van Salomo kreeg, was hij erg blij. Hij zei: “Prijs de Heer! Hij heeft David een wijze zoon gegeven om over dit grote volk te regeren!” 8 En hij liet tegen Salomo zeggen: “Ik heb uw boodschap ontvangen. Ik zal alles doen wat u wenst wat betreft het cederhout en het cipressenhout. 9 Mijn dienaren zullen het van de Libanon naar de zee brengen en er daar vlotten van maken. Laat mij weten waar ik die vlotten naar toe moet laten brengen. Daar zal ik de vlotten weer uit elkaar laten halen, zodat u het hout kan ophalen. Als betaling levert u het eten voor mijn paleis.” 10Zo leverde Hiram aan Salomo zoveel cederhout en cipressenhout als Salomo wenste. 11 En Salomo betaalde Hiram hiervoor elk jaar 20.000 kor (5 miljoen liter) tarwe en 20 kor (500 liter) olijf-olie voor zijn paleis.12 De Heer deed wat Hij had beloofd en maakte Salomo heel erg wijs. En er was vrede tussen Hiram en Salomo. Ze sloten een verbond met elkaar.
.
.
Hier hebben wij een voorbeeld van een goede samenwerking tussen Israëlieten en niet-Israëlieten. Later, na de ballingschap, haalden de teruggekeerde Israëlieten ook cederhout van de Libanon om de verwoeste tempel te herbouwen (Ezra 3:7).
Ezra 3 : 7
7 Voor de herbouw van de tempel huurden ze steenhouwers en timmermannen. Ze betaalden hen met geld. Uit Sidon en Tyrus bestelden ze cederhout van bomen van de Libanon. De boomstammen werden naar zee gebracht en dreven van daar naar Jafo. Ze betaalden voor het hout met voedsel, drank en olijf-olie. Voor dit alles hadden ze de toestemming van koning Kores.
Wij komen ceders ook tegen als beeld van iets anders. In positieve zin, als beschrijving van welvaart (Numeri 24:5-6), van de rechtvaardigen (Psalm 92:13), of van de bruidegom in het boek Hooglied (5:15). Daartegenover gebruiken de profeten ceders ook als beeld van menselijke trots tegenover God (Jesaja 2:12-13), of van één van de grootmachten uit die tijd (Ezechiël 31:3).
.
Numeri 24 : 5-6
.
5 Wat zijn jullie tenten gezegend, volk van Jakob,
en de plaatsen waar jullie wonen ook, volk van Israël!
6 Jullie dorpen en steden zullen de dalen vullen.
Ze zullen zo mooi zijn als tuinen langs een rivier.
De Heer heeft ze geplant,
zoals sandelbomen en cederbomen die langs het water staan.
Pslam 92 : 13
13 Als je leeft zoals God het wil, zal het goed met je gaan.
Je zal groeien als een palmboom,
hoog worden als een cederboom op de Libanon.
Hooglied 5 : 15
15 Zijn benen zijn als pilaren van wit marmer
die op voetstukken van zuiver goud staan.
Hij is zo groot en sterk als een grote cederboom van de Libanon.
jesaja 2 : 12-18
12 Op de dag van de Heer zal iedereen die trots en eigenwijs is, moeten buigen voor de Heer van de hemelse legers. 13 Alles zal moeten buigen: ook de trotse en hoge cederbomen van de Libanon, de eikenbomen van Basan, 14 de trotse bergen en de hoge heuvels, 15 de hoge torens en de sterke muren, 16 de schepen van Tarsis en de prachtige versieringen. 17 Alles waar de mensen trots op zijn, zal moeten buigen. En alle trotse mensen zullen moeten buigen. Op die dag zullen ze toegeven dat God de hoogste Heer is. 18 Er zal geen enkele afgod overblijven.
Ezechiel 31:3
3 U bent te vergelijken met Assur. Assur was een cederboom op de Libanon. Hij had prachtige takken, veel bla-deren en een hoge stam. Zijn top kwam tot aan de wolken.
.
In een veelzeggende gelijkenis wordt het beeld op de laatste koning van Juda toegepast, nu maar als een twijg die door de koning van Babel werd geplukt (Ezechiël 17:1-4). Toch zal God die situatie keren, zodat Zijn volk niet meer zal worden geplunderd maar als een prachtige ceder in het land Israël gedijen (Ezechiël 17: 22-24).
Ezechiël 17:1-4
1 De Heer zei tegen mij: 2 “Mensenzoon, geef het volk Israël een raadsel op. Vertel hun het volgende verhaal: 3 De Heer zegt: De grote adelaar vloog naar de berg Libanon. Hij had machtige vleugels, prachtig gekleurde veren en een sterke vleugelslag. Hij vloog naar de Libanon en rukte daar de top van een cederboom af. 4 Hij brak het hoogste topje af en bracht dat naar een land waar veel handel is. Daar plantte hij het in een drukke handelsstad.
.
Ezechiël 17 : 22-24
22 Dit zegt de Heer: Dan zal Ik Zelf uit de top van de hoge cederboom een jong takje afplukken. Dat zal Ik planten op een hoge berg. 23 Ik zal het op de hoogste berg van Israël planten. Er zullen takken en vruchten aan groeien. Het zal een prachtige cederboom worden. Er zullen allerlei soorten vogels in de schaduw tussen zijn takken wonen. 24 Alle bomen zullen beseffen dat Ik, de Heer, de hoge cederboom heb omgekapt, de kleine boom heb laten verdrogen en de kleine tak tot een machtige boom heb gemaakt. Ik, de Heer, zal doen wat Ik heb gezegd.”
.
Vuursteen of keisteen, ook silex of flint (“flinterdun”), is een gesteente dat vaak in klompen in kalksteen wordt aangetroffen en meestal bruin of grijs van kleur is. Dergelijke ‘klompen’ worden in de geologie concreties genoemd. De in het tijdperk van het Laat-Krijt afgezette vuursteenconcreties zijn zeer vormrijk en variëren van langwerpige platen tot gewei- en botvormige stenen.
Het gesteente wordt vuursteen genoemd omdat een slag met een stuk vuursteen op een stuk ijzer of pyriet kan resulteren in vonken, waarmee, met de nodige ervaring, een droog, brandbaar materiaal (zoals een plukje los katoen of gedroogd mos, of tondelzwam) aangestoken kan worden. De vonken ontstaan door kleine ijzerdeeltjes die spontaan in de lucht oxideren waarbij veel warmte vrij komt zodat de deeltjes gaan gloeien.
In prehistorische tijden (de steentijd) maakten mensen zoals de neanderthalers en de vroege moderne mens stenen gebruiksvoorwerpen, zoals schrapers, pijlpunten, bijlen en klingen, bij voorkeur van dit materiaal.
Aan de mate van verfijning van het product en de gebruikte technieken kan vrij nauwkeurig worden geschat hoe oud het voorwerp is. Omdat dergelijke gebruiksvoorwerpen in tegenstelling tot menselijk en dierlijk weefsel, hout en textiel niet vergaan, zijn ze, naast al dan niet bewerkte botten en potscherven, vrijwel de enige sporen die we hebben van de prehistorische mens.




.
Ook in België en Nederland kunnen op vele plaatsen vuurstenen werktuigen worden aangetroffen, en plaatsen waar mensen in de steentijd vuurstenen werktuigen maakten.


krabber








Goed te herkennen aan – de gele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen en
– de stekelige, vaak gekroesde, van boven sterk glanzende bladeren met ronde platte oortjes
Algemeen
Gekroesde melkdistel is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige, stevige, iets blauwgroene plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke grond in akkers, (moes)tuinen, braakliggende terreinen, tussen straatstenen en op omgewerkte grond.

Bloem
De bloeitijd is vanaf juni tot in de herfst. De bloemhoofdjes bestaan uit uitsluitend uit gele lintbloemen en staan in losse trossen bij elkaar. De onderkant van de buitenste lintbloemen is roodachtig. De hoofdjes zijn donkerder geel dan de hoofdjes van gewone melkdistel.

Blad
De langwerpige bladeren zijn donkergroen, van boven sterk glanzend, steviger en stekeliger dan van gewone melkdistel. Ze zijn niet ingesneden of ondiep gelobd, zelden veerdelig. Zijn de bladeren wel veerdelig dan is de eindslip nauwelijks groter dan de overige slippen, in tegenstelling tot gewone melkdistel, waarbij dat wel het geval is. De rand van de bladeren is stekelig getand, vaak iets gekroesd en de bladeren hebben ronde oortjes, die plat tegen de stengel aangedrukt zijn.

Vergelijkbare soorten
| akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes. moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes. gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bovenste bladeren met spitse, afstaande oortjes. gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes. |
De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.
Algemeen
– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 60 cm
Bloem
– geel
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdjes in losse tros
– alleen lintbloemen
– 1 tot 2,5 cm
Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– ongedeeld langwerpig of gelobd
– top spits
– rand getand of gegolfd
– voet (half) stengelomvattend
– veer- of netnervig
Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– soms bovenaan behaard
– kantig tot rolrond
zie wilde bloemen






























































































