Tagarchief: tempel

Meester Hilarion, beheerder van de vijfde straal

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

Meester en Chohan van de vijfde straal – Groene straal – is verbonden aan het Derde oog Chakra en aan de Tempel van waarheid. Vorige incarnaties: De apostel Paulus in de tijd van Christus. Hij helpt om bewustzijn, spiritualiteit en ontvankelijkheid te brengen in alle gebieden van wetenschappelijke ontwikkeling. Hij is de grondlegger van het Anchoorse leven in Palestina.


Hilarion werd geboren in Tabatha, ten zuiden van Gaza, Palestina, rond het jaar 291 en stierf op het eiland Cypres in het jaar 371. Hij helpt ons onze vibratie te verhogen door ruimte te maken op het innerlijk vlak zodat we onszelf beter leren kennen. Hij helpt ons ook te herinneren wie onze ziel is en wat er opgeslagen ligt in de Akasha records.


Als jongen stuurde zijn ouders hem naar Alexandria om daar naar school te gaan. Daar bekeerde hij zich tot het christendom. Voordat hij stierf op gaf hij zijn enige bezit aan zijn trouwe leerling Hesychius. Zijn lichaam werd begraven dicht bij de stad Paphos, maar Hesychius haalde in het geheim zijn meester daar weg en bracht hem naar Majuma waar de heilige voor lange tijd had geleefd.

 


Goddelijke kwaliteiten

 

Waarheid, genezing, constantheid, verlangen om de overvloed van God te verwezenlijken door de ongerepte visie van de kosmische maagd.

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

        

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Waarover gaat Psalm 78?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Psalm 78

 

 

Inleiding

 

Net als psalm 105 en psalm 106 is psalm 78 een historische psalm. De dichter spreekt over de wonderen in Egypte en in de woestijn tot aan Israëls verlossing. Doel van de psalm is op te wekken tot vertrouwen op God en het bewaren van zijn geboden. De dichter wil met zijn lied niet alleen een onderwijzing meegeven, maar ook hoop geven voor de toekomst, op grond van het nieuwe begin, waarmee de psalm eindigt.

 

 

 

 

 

 

 

Literaire kenmerken

 

De psalmdichter maakt gebruik van oude tradities binnen het volk Israël die met name in verhalende vorm bekend zijn. In de weergave van deze oude tradities lijkt de dichter de werkwoordsvormen van het proza toe te passen. Tegelijk voorziet hij deze tradities van zijn eigen commentaar, waarbij hij meer dichterlijke vormen gebruikt. Niet altijd is duidelijk wanneer de dichter tradities doorgeeft en wanneer hij zijn eigen commentaar naar voren brengt.

De psalm bestaat uit een korte inleiding ( deel 1) gevolgd door zes delen, waarvan er drie ( deel 2,3 en 7) inzetten met een ‘positief’ handelen van de Here God ten opzichte van Israël en drie met een ‘ negatieve’ reactie van de mensen die daarbij betrokken zijn (deel 4, 5 en 6). Vanwege de lengte van deze psalm zal hij per deel worden besproken in plaats van per vers.

 

 

 

Datering

 

De psalm kan worden gedateerd na de bouw van de tempel, op grond van vers 69. Over de precieze datering van deze psalm wordt verschillend gedacht. Sommige uitleggers gaan ervan uit dat de psalm inderdaad door Asaf is geschreven. In dat geval is de psalm kort na de tempelbouw ontstaan. Anderen menen dat de psalm van later datum is, uit de tijd na de ballingschap.

 

 

 

Commentaar

 

[1-4] 

De dichter richt zich tot een breed publiek, hij spreekt tot het hele volk. Men moet de berichten over het handelen van de Here God doorgeven aan het nageslacht, zodat de kennis daarover blijft bestaan. Dit doet denken aan de opdracht die God geeft in Exodus 10:2 en Exodus 13:14. De dichter noemt zijn psalm een ‘spreuk’, een ‘leerdicht’. Het belangrijkste onderwerp zijn de wonderen die de Heer verricht heeft. De dichter bezingt zijn grootheid.

 

 

 

[ 5-11]

De dichter verwijst naar het initiatief van God om een relatie aan te gaan met het volk waaraan de namen ‘Jakob’ en ‘Israël’ verbonden zijn. Het is belangrijk dat Gods betrokkenheid met het volk wordt doorgegeven aan de volgende generatie, zodat zij niet worden zoals hun vaders: opstandig, weerspannig, onbetrouwbaar. In vers 9-11 noemt de dichter hier een voorbeeld van: de Efraïmieten bleven in gebreke ten dage van de strijd. Dit is ontrouw jegens de Here en Zijn verbond. De verwerping van Efraïm komt later in deze psalm nog ter sprake (vs. 60,67).

 

 

 

[12-29]

De dichter onderstreept dat de ‘ vaderen’ Gods wonderen wel moesten zien, het kon ze niet ontgaan. De plaats Soan ligt in Egypte, in het uiterste Noordoosten van de delta van de Nijl. Opvallend is dat de Here God enerzijds het water in bedwang hield (vers 13) en anderzijds het water juist deed stromen, in de woestijn. (vers 15-16). Vervolgens beschrijft de dichter de reactie van de Israëlieten: ze vragen om nog meer voedsel: brood en vlees. Ze vertrouwen God niet en stellen Hem op de proef. Ze vragen zich af of God wel in staat zou zijn om hen ‘brood en vlees te kunnen geven’. (vs. 20) Deze vragen roepen Gods boosheid op. Eerst komt Hij aan hun wensen tegemoet, maar daarna straft Hij hen. Duidelijk is dat de dichter zich in deze psalm niet houdt aan de chronologische volgorde. Het zenden van de kwakkels en het manna (Exodus 16) gaat vooraf aan het waterwonder van Exodus 17. Het manna wordt ‘engelenbrood’ genoemd. Met deze uitdrukking wil de dichter het wonderlijke karakter van het manna accentueren. Het is brood dat bedoeld is voor hemelbewoners.

 

 

 

[30-41]

In dit deel van de psalm staat de relatie tussen God en Zijn volk centraal. In vers 30 en 31 wordt verteld dat de Here een slachting onder het volk aanrichtte. De meeste uitleggers denken dat de dichter hier verwijst naar Numeri 11:33-35. Het volk bekeert zich, maar valt opnieuw in zonde. Hun bekering is niet echt: hun hart was niet aan God gehecht. (vs. 37) Tegenover de ontrouw van het volk, staat de barmhartigheid en vergevingsgezindheid van God.

 

 

 

[42-55]

De dichter geeft een opsomming van de tekenen die God in Egypte deed. In tegenstelling tot wat in vers 38 staat, brengt God nu Zijn toorn tot uitdrukking, wat leidt tot dood en vernietiging. Zijn volk blijft Hij echter leiden en brengt hen tot Zijn ‘heilig gebied’, het land rondom de tempel te Jeruzalem. De dichter veroorlooft zich een grote mate van vrijheid: van de tien plagen uit Egypte laat hij er vier weg. Bij de door hem genoemde zes volgt hij een eigen orde. Met de ‘tenten van Cham’ worden de Egyptenaren bedoeld, die van Cham afstammen. (zie Gen. 10:6)

 

 

 

[56-64]

Het volk volhardt echter in de ontrouw van hun vaders. Ze dienen andere goden en vergeten de Here God. De ‘hoogten’ zijn de in het land verspreide offerplaatsen, vaak van Kanäanitische oorsprong. Daarom straft God hen, het heiligdom te Silo gaat ten onder. In 1 Samuel 5 wordt dit heiligdom uitgebreid beschreven. Het lijkt erop dat er een einde is gekomen aan de relatie tussen God en Zijn volk. (vs. 62 e.v.) Over de verwerping van Silo wordt ook gesproken in Jeremia 7: 12, 14.

 

 

 

 

[65-72]

In dit laatste deel beschrijft de dichter dat dit niet het geval is. God komt opnieuw in actie en verslaat zijn tegenstanders. God verwerpt de stammen Jozef en Efraïm. Waarschijnlijk speelt hier op de achtergrond de spanning tussen het Zuiden (Juda) en het Noorden van Israël (waarvan de stam Efraïm de belangrijkste is) een rol.
De dichter beschouwt het optreden van David als een nieuw initiatief van de kant van de Here God, dat perspectieven opent voor de toekomst van heel het volk Israël.

 

 

 

 

 

 

Psalm 78

1 Een lied van Asaf, om iets van te leren.

Luister, mijn volk, naar wat ik jullie leer.
Luister naar mijn woorden.
2 Ik wil jullie vertellen over het verleden.
Ik wil jullie laten weten welke wijsheid daarin verborgen is.
3 We hebben de verhalen gehoord van onze vaders.
Zij hebben ons alles verteld.
4 Nu moeten wij het ook aan onze kinderen vertellen.
We moeten hun laten weten
welke geweldige dingen de Heer heeft gedaan.
We zullen hun vertellen over zijn kracht en zijn wonderen.

5 Hij sloot een verbond met het volk van Jakob.
Hij gaf het volk Israël een wet.
Onze voorvaders moesten die wet aan hun kinderen leren
en hun vertellen wat God had gedaan.
6 Zo zouden ook zij zijn wet kennen
en weten wat Hij heeft gedaan.
En ook zij moesten het weer vertellen aan hún kinderen.
7 Zo zouden ze leren om op de Heer te vertrouwen.
Zo zouden ze niet vergeten wat God had gedaan
en ze zouden zich aan zijn wetten houden.
8 Zo zouden ze niet hetzelfde doen als hun voorouders,
die aldoor koppig en ongehoorzaam waren.
Zij waren nooit lang trouw aan God.
9 Want toen er oorlog kwam,
kwam Israël niet opdagen,
ook al waren ze goed bewapend.
10 Ze hielden zich niet aan Gods verbond.
Ze weigerden zich aan zijn wetten te houden.
11 Ze vergaten wat Hij had gedaan,
vergaten de wonderen die Hij hun had laten zien.

12 Want Hij had wonderen gedaan
voor hun voorouders in Egypte.
13 Hij spleet de zee in tweeën en leidde hen er doorheen.
Hij hield het water tegen zodat het als een muur bleef staan.
14 Overdag leidde Hij hen met een wolk,
’s nachts met grote vuurvlam.
15 Hij spleet rotsen in de woestijn
zodat er water uit stroomde en ze konden drinken.
16 Hij liet een beek ontstaan uit de rots:
water stroomde als een rivier.

17 Toch werden ze Hem weer ongehoorzaam.
Daar in de woestijn waren ze koppig tegen de Allerhoogste God.
Ze maakten Hem boos.
18 Ze daagden Hem uit
door om eten te vragen.
19 Ze zeiden:
“Kan God soms eten geven in de woestijn?
20 Toen Hij op de rots sloeg, stroomde er water uit.
Maar kan Hij ook zorgen voor brood en vlees voor zijn volk?”
21 Toen de Heer dat hoorde, werd Hij vreselijk boos.
Hij werd woedend op het volk van Jakob.
22 Want ze geloofden Hem niet.
Ze vertrouwden er niet op dat Hij hen wilde redden.
23 Toch gaf Hij de wolken een bevel.
Hij opende de deuren van de hemel.
24 Toen regende het manna! ‘Manna’ betekent: ‘Wat is dat nou toch?’ Lees Exodus 16.
Hij gaf hun hemels graan.
25 Zo aten ze engelenbrood.
Ze konden eten zoveel als ze wilden.
26 Hij zorgde ervoor dat er een oostenwind ging waaien.
Ook zorgde Hij voor een sterke zuidenwind.
27 De wind bracht vogels mee,
zo ontelbaar als het zand langs de zee.
28 Het regende vogels in het kamp,
rondom hun tenten.
29 Ze aten zoveel ze wilden.
Hij gaf hun waar ze om hadden gevraagd.
30 Nog tijdens het eten
– ze hadden het eten nog in hun mond –
31 werd God vreselijke boos op hen
omdat ze zich vol zaten te schrokken.
Hij doodde veel van de jonge mannen.

32 Toch bleven ze Hem ongehoorzaam.
Ze vertrouwden niet op zijn wonderen.
33 Toen maakte Hij hun leven zinloos.
Hun leven werd één en al ellende, jarenlang.
34 Steeds als Hij een aantal van hen doodde,
kwam het volk weer bij Hem terug
en wilden ze God weer dienen.
35 Dan wisten ze weer
dat God de rots onder hun voeten was,
dat Hij de Allerhoogste God was,
de enige die hen kon redden.
36 Maar ze bedrogen Hem.
Ze beloofden Hem dingen die ze niet meenden.
37 Ze hielden niet echt van Hem.
Ze waren niet trouw aan zijn verbond.
38 Maar omdat Hij medelijden met hen had,
vergaf Hij hun steeds hun ongehoorzaamheid
en vernietigde Hij hen niet.
Elke keer hield Hij zich in.
39 Hij dacht er aan dat ze maar mensen waren,
een zuchtje wind dat langswaait en nooit meer terugkomt.

40 Wat waren ze Hem toch vaak ongehoorzaam!
Steeds weer deden ze Hem verdriet daar in de woestijn.
41 Steeds weer daagden ze God uit.
Steeds weer dachten ze dat Hij hen niet zou kunnen redden.
42 Ze vergaten zijn macht.
Ze vergaten hoe Hij hen had gered van hun vijand Egypte.
43 Ze vergaten de wonderen
die Hij in Egypte had gedaan.
44 Daar had Hij het Nijlwater veranderd in bloed.
En niet alleen de Nijl, maar ook de andere rivieren.
Niemand kon het water nog drinken.
45 Hij had allerlei ongedierte laten komen dat hen verslond.
Daarna kikkers die hun het leven onmogelijk maakten.
46 Hij liet sprinkhanen komen
die de planten en de oogst op-aten.
47 Met hagel en ijzel
vernielde Hij de wijnstruiken en vijgenbomen.
48 Hij doodde hun vee door de hagel,
hun kudden door de bliksem.
49 Woedend was Hij.
Hij strafte Egypte met een leger doods-engelen.
50 Hij strafte hen zwaar. Hij ontzag niets en niemand.
Hij liet hun dieren door de pest doden.
51 Ook doodde Hij alle oudste zonen in Egypte,
alle eerstgeboren mannen in de huizen van Cham. Cham was één van de zonen van Noach. Hij was de voorvader van het volk van Egypte.
52 Maar zijn eigen volk nam Hij mee,
zoals een herder zijn schapen meeneemt.
Hij leidde zijn kudde door de woestijn.
53 Bij Hem waren ze veilig.
Ze hoefden nergens bang voor te zijn.
Want hun vijanden waren verdronken in de zee.
54 Hij bracht hen naar zijn eigen gebied,
naar de berg die zijn eigendom was.
55 Hij joeg de volken voor hen weg.
Hij gaf het gebied van die volken aan zijn eigen volk.
Het werd hun eigendom, hun eigen land.

56 Maar ze daagden God weer uit.
Ze waren koppig tegen de Allerhoogste God.
Ze hielden zich niet aan zijn bevelen.
57 Net als hun voorouders waren ze ontrouw aan Hem.
Ze gingen de verkeerde kant op,
zoals kromme pijlen uit een slechte boog.
58 Ze maakten Hem kwaad met hun altaren voor de afgoden.
Ze maakten Hem jaloers met hun godenbeelden.
59 God zag hoe ontrouw ze waren.
In zijn woede liet Hij Israël in de steek.
60 Hij verliet zijn heiligdom in Silo, De kist van het verbond van God was als buit meegenomen door de Filistijnen. Lees 1 Samuel 4.
de plaats waar Hij bij de mensen woonde.
61 Hij liet de kist van zijn verbond
– de plaats waar Hij woonde –
door de vijanden meenemen als buit.
62 Hij liet zijn volk door de vijand doden,
omdat Hij vreselijk boos op hen was.
63 De jonge mannen werden gedood.
De meisjes hadden niemand meer om mee te trouwen.
64 De priesters werden vermoord.
De weduwen hadden geen tranen meer over.

65 Toen werd de Heer wakker,
zoals iemand die diep heeft geslapen,
zoals een held die overmoedig roept door de wijn.
66 En Hij doodde zijn vijanden terwijl ze vluchtten.
Hij versloeg hen volkomen.

67 Hij koos niet voor de stam van Jozef.
Hij wilde niet meer wonen bij de stam van Efraïm. Vóórdat de kist van het verbond door de Filistijnen werd veroverd, stond hij in Silo, in het gebied van de stam van Efraïm.
68 Maar Hij koos de berg Sion uit
in het gebied van de stam van Juda,
de berg Sion waar Hij zoveel van houdt.
69 Daar bouwde Hij zijn heiligdom,
indrukwekkend als de hoogste bergen,
stevig en vast als de aarde.
70 En Hij koos zijn dienaar David uit.
Hij haalde hem weg bij de schapen.
71 David zou niet langer voor de schapen zorgen,
maar voor Gods eigen volk, het volk van Jakob.
72 David was een goede herder.
Hij leidde het volk rechtvaardig en wijs.

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

Groeien in de duisternis

Standaard

categorie : religie

 

 

 

In Genesis zweeft God in de duisternis en Jezus bad vaak ’s nachts in alle eenzaamheid.  In de duisternis kan iets moois ontstaan. In de donkere momenten van je leven, als je somber bent, als het tegenzit, juist dan kun je groeien. God heeft de dag gemaakt, maar ook de nacht, en die is er niet voor niets. In de duisternis zoekt God je op.

 

 

 

 

 

Bijbelteksten: 

 

‘God maakte de nacht’ – Genesis 1:1-5

 

1 In de beginne schiep God de hemel en de aarde. 
2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. 
3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht. 
4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. 
5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.
.
.
.
.

– ‘Moeder Maria zwanger’ – Lucas 1:39-56

 

39 Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda,
40 waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette.
41 Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld van de heilige Geest
42 en riep luid: De meest gezegende ben je van alle vrouwen», en gezegend is de vrucht van je schoot! 
43 Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?
44 Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot.
45 Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’
46 Maria zei:‘Mijn ziel prijst en looft de Heer,
47 mijn hart juicht om God, mijn redder:
48 hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen,
49 ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam.
50 Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert.
51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen,
52 heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien.
53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen.
54-55 Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd:
hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht, tot in eeuwigheid.
56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.
.
.
.
.

– ‘Zaadkorrels in het duister’ – Marcus 4:26-29; Johannes 12:24-25

 

Marcus 4:26-29

26 In die tijd zei Jezus tot de menigte: “Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait;

27 hij slaapt en staat op, ’s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe.

28 Uit eigen kracht brengt de aarde vruchten voort, eerst de groene halm, dan de aar, dan het volgroeide graan in de aar.

29 Zodra de vrucht het toelaat slaat hij er de sikkel in, want het is tijd voor de oogst.”

 

Johannes 12:24-25

24 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort. 
25 Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.
.
.

 

 

 

– ‘Jezus bidt ’s nachts’ – Lucas 6:12-16; Lucas 21:37-38; Lucas 22:39-46

 

Lucas 6:12-16

12 En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg, om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God. 
13 En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde: 
14 Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus; 
15 Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes; 
16 Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.

 

Lucas 21:37-38

  1. Overdag gaf Hij onderricht in de tempel, maar ’s nachts vertrok Hij om de nacht door te brengen op de Olijfberg.

38. Iedere ochtend kwam al vroeg het hele volk naar de tempel om naar Hem te luisteren.

 

Lucas 22:39-46

  1. En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar de Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.
  2. En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.
  3. En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,
  4. Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.
  5. En van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte.
  6. En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.
  7. En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.
  8. En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.

 

 

– ‘Zonsverduistering’ – Lucas 23:44-45

 

  1. En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
  2. En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door.
  3. En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
  4. Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.
  5. En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.

 

 

– ‘Opstaan uit de nacht’ – Romeinen 6:8-9

 

  1. Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;
  2. Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.

 

 

 

 

 

 

Krachtige aanroepingen tot Maria ; deel 1

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Van John Astria

 Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Maria, machtige Meesteres van de zielen,

ik geef U mijn liefde tot

losprijs voor zielen.

 

.

.

Maria, machtige Meesteres van de zielen,

vervul mij totaal met Uzelf.

.

.

 

Maria, machtige Meesteres van de zielen,

ik smeek U om de genade

van Uw heerschappij over alle zielen.

.

.

 

Maria, machtige Meesteres van de zielen,

bedwing onze geest en open ons hart.

.

.

 

Maria, machtige Meesteres van de zielen,

ik lever mij totaal over aan

Uw macht, want in U is de volheid der Liefde.

.

.

 

Maria, mijn machtige Meesteres,

stort vrede in de harten.

.

.

.

Maria, Fontein van vreugde en vrede,

vervul mij met Uzelf. Was van mij af,

alle sporen van de wereld, die onrustig maakt.

.

.

 

O Maria, Tempel van zaligheden, sluit mij in U op,

opdat ik mijzelf kan vergeten.

.

.

.

Maria, onbevlekte Meesteres van de zielen,

bevrijd mij van alles wat

mijn ziel bedreigt, want ik wil U toebehoren.

Schenk Mij het ware Leven.

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

 

God prijzen!

Standaard

categorie : religie

 

 

 

God prijzen

 

 

 

 

De eerste stap

 

Ben jij je ervan bewust dat het altijd het beste is om het prijzen van God de eerste stap te maken? Heb jij wel eens in een situatie verkeerd waarin jij je helemaal alleen voelde? Of heb je wel eens met een moeilijke situatie in je leven te maken gehad waarin je niet wist wat te doen. Als we God prijzen, dan wordt elke omstandigheid in ons leven compleet, wezenlijk, voortreffelijk en de moeite waard.

Het woordenboek definieert prijzen als iemands lof zingen of bewondering uiten voor iemand. Het is een synoniem voor woorden als bewonderen, loven, eren en aanbidden. Een definitie van christelijke lofprijzing is het vreugdevol danken en loven van God, de viering van Zijn goedheid en genade. Dit impliceert dat lofprijzing alleen aan God toekomt.

 

 

Waarom God prijzen?

 

Op de eerste plaats verdient God het om geprezen te worden. Hij is onze lofprijzing waardig:

  • “Groot is de Heer, hem komt alle lof toe, geducht is hij, meer dan alle goden” (Psalm 96:4).
  • “Groot is de Heer, hem komt alle lof toe, zijn grootheid is niet te doorgronden” (Psalm 145:3).
  • “Geloofd zij de Heer, want ik ben van mijn vijanden verlost” (2 Samuël 22:4).
  • “U komen alle lof, eer en macht toe, Heer, onze God, want u hebt alles geschapen: uw wil is de oorsprong van alles wat er is” (Openbaring 4:11).

Op de tweede plaats is het prijzen van God nuttig en voordelig voor ons. Door God te prijzen worden wij herinnerd aan de grootheid van God. Zijn macht en aanwezigheid in onze levens wordt in ons begrip versterkt.

  • “Loof de Heer, want hij is goed, bezing zijn naam, zo lieflijk van klank” (Psalm 135:3).

Op de derde plaats wordt door lofprijzing kracht in jouw geloof ontladen, wat er toe leidt dat God voor jou in actie komt.

  • “Met de stemmen van kinderen en zuigelingen bouwt u een macht op tegen uw vijanden om hun wraak en verzet te breken” (Psalm 8:).

Het prijzen van God transformeert ook de geestelijke omgeving waarin we ons bevinden. 2 Kronieken 5:13-14 illustreert duidelijk de wijziging die plaatsvond toen de Levieten Hem eerden en dankten en de tempel gevuld werd met een wolk die de glorie van God uitdrukte.

  • “Op dat moment moesten de blazers en zangers samen muziek ten gehore brengen ter ere van de Heer. Zodra het geluid van de trompetten, cimbalen en andere instrumenten opklonk en de zangers de lofzang aanhieven: ‘De Heer is goed, eeuwig duurt zijn trouw’, vulde de tempel, het huis van de Heer, zich met een wolk. De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van God vulde de hele tempel.”

Op de vierde plaats huist God in de atmosfeer van de lofprijzing. Psalm 22:3 zegt:

  • “Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls”.

Als we een duidelijke manifestatie van Gods zegeningen en genade willen zien, dan hoeven we Hem alleen maar te prijzen, met heel ons hart, verstand en ziel.

 

 

 

 

 

Wie en wanneer?

 

Wie hoort God te prijzen? “Alles wat adem heeft, loof de Heer” zegt Psalm 150:6.

  • “De Heer wil ik prijzen, elk uur van de dag, mijn mond is altijd vol van zijn lof” (Psalm 34:2).
  • “Uw liefde is meer dan het leven, mijn lippen zingen uw lof. U wil ik prijzen, mijn leven lang, roepend uw naam, de handen geheven” (Psalm 63:4-5).
  • “Zegen de Heer, u allen die de dienst van de Heer verricht en in het huis van de Heer staat, nacht aan nacht. Hef uw handen op naar het heiligdom en zegen de Heer” (Psalm 134:1-2).

We kunnen de ware vreugde en de voordelen van het prijzen van God niet ontvangen, tenzij we Jezus Christus als onze Heer en Redder hebben ontvangen. Dan zijn we kinderen van God en leeft Hij in onze lichamen door middel van de Heilige Geest. Dit betekent dat God geprezen moet worden, waar we ons ook bevinden. 1 Korintiërs 6:19-20 stelt:

  • “Of weet u niet dat uw lichaam een tempel is van de heilige Geest, die in u woont en die u ontvangen hebt van God, en weet u niet dat u niet van uzelf bent? U bent gekocht en betaald, dus bewijs God eer met uw lichaam.”

 

 

 Matth. 22:36-37.

 

 

 

Hoe God prijzen en aanbidden?

 

Door liedjes en hymnes te zingen, door te klappen, zelfs door uit vreugde te springen… de lijst van mogelijkheden is eindeloos. We kunnen God eren en prijzen met onze lichamen, met onze harten en gedachten of met de dingen die we doen. Er zijn vele manieren waarop we God kunnen prijzen! Ongeacht hoe je God prijst en aanbidt, het zou altijd moeten leiden tot een ontzag voor Gods macht, liefde en genade voor ons allemaal.

 

 

 

 WAT DENK JIJ? 

 

Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: “Jezus is Heer“, dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.
.
.
.
.
.
.
.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 

Waarom geneest Jezus niet iedereen?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Johannes 5: 1 – 18

 

 

De genezing van een man bij de vijver van Betesda

 

1 Daarna ging Jezus naar Jeruzalem voor één van de Joodse feesten. 2 In Jeruzalem is bij de Schaapspoort een vijver om te baden. Die plek wordt in het Hebreeuws ‘Betesda’ (= ‘huis van medelijden’) genoemd. Er zijn vijf zuilengangen omheen gebouwd. 3 In die gangen lagen allerlei zieke, blinde, kreupele en verlamde mensen. Ze lagen daar te wachten tot het water zou gaan bewegen. 4 Want af en toe daalde er een engel in de vijver neer. Dan bewoog het water. Wie daarna het eerst in het water kwam, werd genezen. Het maakte niet uit wat voor ziekte hij had.

5 Er was daar een man die al 38 jaar lang ziek was. 6 Jezus zag hem liggen. Hij wist dat hij daar al heel lang was. Hij vroeg hem: “Wil je gezond worden?” 7 De zieke man antwoordde Hem: “Heer, ik heb niemand om me in de vijver te gooien als het water beweegt. En als ik probeer om bij de vijver te komen, is iemand anders er altijd eerder dan ik.” 8 Jezus zei tegen hem: “Sta op, pak je matras op en loop.” 9 Onmiddellijk werd de man gezond. Hij pakte zijn matras op en liep.

Nu was het die dag de heilige rustdag. 10 Daarom zeiden de Joden tegen de man die net genezen was: “Het is vandaag de heilige rustdag. Dus je mag je matras niet dragen.” 11 Maar hij zei tegen hen: “Maar de Man die mij heeft genezen, zei tegen me: ‘Pak je matras op en loop.’ ” 12 Toen vroegen ze: “Wie heeft dat dan tegen je gezegd?” 13 Maar de man wist niet wie Hij was. Want Jezus was weer weggegaan, omdat er daar heel veel mensen waren.

14 Maar later zocht Jezus hem op in de tempel. Hij zei tegen hem: “Kijk, je bent nu gezond geworden. Wees vanaf nu niet meer ongehoorzaam aan God, want anders kan je nog iets veel ergers overkomen.” 15 De man ging weg en zei tegen de Joden dat het Jezus was geweest die hem genezen had. 16 Toen wilden de Joden Jezus gevangen nemen en doden. Dat wilden ze omdat Hij deze dingen op de heilige rustdag had gedaan. 17 Maar Hij antwoordde hun: “Mijn Vader werkt altijd, en Ik dus ook.” 18 Toen hadden de Joden nog méér reden om Hem te willen doden. Want Hij hield Zich dus niet aan de heilige rustdag, en beweerde óók nog dat God zijn eigen Vader was. Daarmee zei Hij eigenlijk dat Hij gelijk was aan God.

 

 

 

 

 

Waarom geneest Jezus niet iedereen?

 

De laatste tijd is er in diverse kerken een stroming ontstaan die zich in navolging van de evangelische- en pinkstergemeenten ook richt op wonderen. Wonderen van genezing, van spreken in tongen en nog veel meer. Vroeger werd er vaak gezegd: die wonderen horen in de jonge kerk thuis. Wonderen waren bestemd voor lang geleden, de beginjaren. Dat klonk logisch en we slikten dat allemaal als zoete koek.

Maar is dat zo logisch? Kijk eens naar wat Paulus zegt in 1 Korintiërs 12: daar heeft hij het over de gaven van de Geest die royaal aan de kerk worden uitgedeeld. In dat hoofdstuk wordt nergens gezegd dat die gaven alleen maar voor de begintijd van de kerk bedoeld zijn. Er wordt alleen maar gezegd dat niet iedereen dezelfde gaven krijgt en dat niet iedereen alle gaven ontvangt, maar dat er juist een mooie eenheid ontstaat als iedereen een eigen gave krijgt. Paulus gebruikt daarvoor het beeld van het ene lichaam dat vele verschillende ledematen heeft. En alleen zo kan functioneren.

Je kunt toch niet zeggen dat de Heer Jezus nu minder macht heeft dan vroeger? Wonderen kunnen gebeuren. Ook in onze eigen tijd. En ze gebeuren inderdaad en niet eens ver weg. Maar waar gaat het Jezus nu om, als hij zieken geneest? Uiteindelijk zal iedereen sterven, of je nu wonderlijk genezen bent of dat je tot je dood gehandicapt blijft.

Ja en dat is nu precies waarover het in onze tekst gaat. Er is feest in Jeruzalem en Jezus is ter plaatse. Het is sabbat en dan moet je goed uitkijken wat je doet, of liever wat je niet doet. Want er zijn farizeeën die een heleboel sabbatswetten gemaakt hebben om de sabbat naar hun idee te heiligen. Je mocht geen eten kopen of klaarmaken, je mocht geen huisraad bij je hebben op je sabbatswandeling en zo was er nog veel meer, een loodzware last voor het volk van God. Een last die God nooit opgelegd had, maar die zogenaamd ‘vrome’ voorgangers hadden verzonnen om God welgevallig te zijn.

Jezus loopt bij de Schaapspoort met zijn leerlingen. Hij gaat een heel groot gebouw binnen, laten we zeggen een groot zwembad, met wel vijf zuilengangen erom heen. In die gangen ligt een groot aantal zieken, gehandicapten, blinden, kreupelen en misvormden. Eén grote hoop ellende. Maar er is een heel kleine hoop om beter te worden. Want op ongezette tijden komt er uit de hemel een engel bij dat water en dan raakte hij dat aan. En, o wonder, dan was er voor één zieke genezing, degene die het eerst in het water wist te komen. Het was dus maar niet gewoon een verzamelplaats van zieken en gehandicapten, maar het was een plaats waar van tijd tot tijd genezing was, dat was het.

Wat doet Jezus? Gaat hij in één klap in dat grote bad Bethesda iedereen gezond maken? Dat kan hij toch? Maar nee, na even zoeken gaat hij op één man af en hij stelt hem de vraag: wilt u gezond worden? Jezus weet wat hij doet. Hij kent die man die al 38 jaar lang ziek is, zijn benen niet gebruiken kan en dus nooit bij het water kan komen als de engel daar verschijnt.  Een hopeloos geval… geen wonder voor hem, altijd is er wel iemand eerder dan hij. En hij, hij heeft ook niemand om hem in het water te gooien als het weer eens beweegt.

Dan zegt Jezus tegen hem: Sta op, pak je mat op en loop. Wat een kracht heeft zijn woord. Net als bij de schepping in Genesis 1. Zijn Vader sprak – en het gebeurde. Hier is de Zoon. Hij spreekt en het gebeurt! De patiënt is beter, niet maar een beetje, maar helemaal. Daar staat hij, daar gaat hij, daar draagt hij zijn slaapmat op zijn rug. De mensen om hem heen, ook de zieken, ze staan allemaal verstomd. Maar een paar farizeeën weten alleen maar te zeggen: man, het is vandaag sabbat. Dan is het niet toegestaan om met een slaapmat over de straat te lopen.

Later komt hij in de tempel Jezus weer tegen. Dan begrijpt hij wie hem beter gemaakt heeft en kan hij dat aan de farizeeën gaan vertellen. Jezus, het is Jezus die mij gezond gemaakt heeft! Maar de farizeeën kunnen alleen maar zeggen: Jezus moet dood, want hij geneest mensen op sabbat, vreselijk, wat een minachting van Gods heilige dag.

Ja, dan ontdekken we opeens dat het niet zozeer om een wonderlijke genezing gaat, maar om de vraag wat Jezus mag doen, ook op sabbat. En dat is dan ook de spits van deze historie. Jezus zegt: Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook. Dat is een veelzeggend woord. Want in Genesis staat dat God op de sabbat rust en geniet van zijn schepping. Dat was voor de zondeval. Maar nu, nu heel de wereld in zonde is gevallen, en zeker wanneer Jezus hier op aarde zijn werk doet, is er voor zijn Vader geen rust meer. En ook voor Jezus niet.

God neemt geen rust meer totdat hij heel zijn schepping heeft bevrijd van zonde en dood. Daarom geneest Jezus deze man, juist op sabbat. Tegelijk laat Jezus duidelijk zien, dat hij dus niet gekomen is om zoveel mogelijk mensen van hun aardse ziekten en ongemakken af te helpen. Hij heeft een veel grotere taak. Hij komt ten diepste om ons te verlossen van onze zonden.

Want, waar zonde is, is schuld. En voor zondige mensen is er op geen enkele manier een weg naar God de Vader. Dat is de grote narigheid voor ieder in deze wereld. Niet maar dat je allerlei ziekten en rampen kunnen treffen, maar dat je het eeuwige leven misloopt. Het leven zoals God dat in het begin heeft bedoeld.

Jezus geneest. Nou en of. Maar het is maar de vraag of je ziet met welke genezing de Heer naar ons toekomt. Blijven we stilstaan bij de tekenen die hij doet, of worden we daardoor juist nieuwsgierig naar de grote verlossing die hij geeft aan ieder die in hem gelooft.

Kijk, het is prachtig als onze Heer Jezus tekenen doet, ook in onze tijd. Er zijn kerken die dat heel erg vergeten zijn. Er zijn kerkleden die het gewoonweg ontkennen: er zijn geen wonderen van Jezus meer, zoals die er vroeger waren. Maar Jezus is machtig en hij blijft machtig. Ook in onze tijd. Als hij tekenen geeft van zijn majesteit, van zijn priesterlijke ontferming in deze wereld, dan is dat geweldig. Maar we moeten niet bij die tekenen blijven staan.

Hij geeft ze om ons door die tekens te laten zien dat hij een veel grotere verlossing op het oog heeft. Wie een wonder heeft ervaren in zijn of haar leven weet toch zeker dat hij eens zal sterven, een wondergenezing helpt daar echt niet tegen. Maar iedereen weet hoeveel macht hij heeft en iedereen in de omgeving te Bethesda was daar getuige van. Ze hebben Jezus gezien in dat wonder.

En dan is de vraag: hoeveel van die mensen in Bethesda hebben zich door dat wonder laten overtuigen van die grote verlossing die bij Jezus te vinden is? Dat geldt net zo goed voor ons. Als je van zo’n wondergenezing getuige mag zijn, zeg dan niet: waarom worden er niet meer mensen genezen, waarom mijn gehandicapte moeder niet, waarom mijn verlamde vader niet, waarom mijn blinde kind niet?

Maar prijs luidkeels en met vreugde de Heer dat hij ook in onze tijd nog zichtbare tekenen en wonderen bij enkelingen doet om ons allemaal te overtuigen van het onzichtbare wonder van het eeuwige leven dat hij geven wil aan ieder die gelooft en daarom van harte Jezus eert en hem dankbaar als zijn Verlosser aanneemt.

 

Prijs Jezus hartelijk nu en tot in eeuwigheid om zijn grote en onvoorstelbare genade

Amen.

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Waar was Jozef toen Jezus stierf aan het kruis?

Standaard

Categorie : religie

 

.

Waar was Jozef toen Jezus stierf aan het kruis?

 

 

 

 

In de Bijbel lezen we dat Maria (de moeder van Christus), Maria Magdalena en Maria (de vrouw van Kleopas) aanwezig waren aan het kruis. Ook Johannes was  aanwezig, als enige van de apostelen. In ieder geval is Jozef er niet. Over het algemeen wordt aangenomen dat Jozef op dat moment al lang overleden was. We lezen immers enkel over Jozef in de Bijbel in de evangelies over de geboorte en jeugd van Jezus. Zo kunnen we lezen dat hij afstamt van Koning David. Onder zijn bescherming komt de zwangere Maria in Bethlehem terecht, waar ze in een stal bevalt van het kind Jezus.

Jozef zorgt er ook voor dat Jezus niet wordt vermoord door de soldaten van Herodes door met het gezin naar Egypte te vluchten. Hij neemt de beslissing om te vluchten na een droom te hebben ontvangen van een engel. De familie keert pas terug nadat Herodes gestorven is. Jozef wordt in de teksten een laatste keer vermeld in het verhaal over de Heilige familie die Jezus uit het oog verliest en Hem na enkele dagen terugvindt in de tempel van Jeruzalem.

Daarna is het niet alleen stil rond de jeugd van Jezus, maar verdwijnt ook Jozef uit de teksten. Op de bruiloft van Kana, het eerste verhaal in de Bijbel over Jezus als volwassene, lezen we wel dat Jezus op dit feest aanwezig is met Maria, maar Jozef wordt vanaf dan niet meer vermeld. Waarschijnlijk is Jozef dus overleden in de periode hiertussen. Daarbij was hij volgens de traditie omringd door zijn liefdevolle vrouw en Jezus. Omdat de Kerk het als een groot geluk beschouwt te kunnen sterven in hun nabije aanwezigheid, is Jozef dan ook de beschermheilige van de gelukzalige dood geworden.

Het is dan ook voor de Heilige Jozef dat sommige katholieken in het verleden zouden gebeden hebben wanneer ze een slechte paus hadden. Buiten bidden voor een snelle, gelukzalige dood konden ze immers niet anders doen om van een slechte paus af te geraken. Gelukkig is de periode van slechte pausen al lang verleden tijd en hebben we dit soort gebed voor een paus niet meer nodig. Verder is Sint-Jozef ook de beschermheilige van de vaders, het gezin, houtbewerkers, België, de Kerk,… en het lijstje kan zo nog wel even doorgaan. Ondanks zijn schijnbaar kleine rol in de Bijbel is hij dus een heel grote heilige.

Tip: De eerste homilie (preek) van paus Franciscus handelde eveneens over Sint-Jozef en is zeker de moeite om te lezen. Je vindt de Nederlandse versie hier.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

Waardevolle lessen uit Ezechiël

Standaard

Categorie: religie

 

 

Drie waardevolle lessen uit Ezechiël

 

Het Bijbelboek met de profetieën van Ezechiël is redelijk omvangrijk, 48 hoofdstukken. Sommige gedeelten uit Ezechiël zijn behoorlijk bekend, denk maar eens aan de profetie over het dal van de doodsbeenderen (37:1-14) en aan het beeld van de tempelbeek (47:1-12). Toch is een groot deel van het Bijbelboek nogal onbekend bij christenen. Belangrijke redenen daarvoor zijn dat oordeel een grote rol speelt bij Ezechiël en dat zijn toekomst profetieën lastig te begrijpen zijn. Toch valt er heel wat te leren van deze profeet. Hij toont ons aspecten van wie God is die soms wat ondergesneeuwd dreigen te raken.

 

 

 

.
.
.

1. De heerlijkheid van God

 

De heerlijkheid van God, omschreven als ‘stralende verschijning’, speelt door het hele Bijbelboek heen een belangrijke rol. Dat begint al bij de roeping van Ezechiël als profeet in hoofdstuk 1. In een machtig visioen ziet hij eerst de cherubs die God dienen (hij beschrijft hen in 1:5-25), hoewel hij pas in 10:20 begrijpt dat het cherubs zijn. Daarna ziet hij boven hun hoofden God in Zijn heerlijkheid, gezeten op de troon (1:26-28). De beschrijving van de cherubs is uitgebreider dan die van God, en we zouden ons af kunnen vragen waarom. Mogelijk kan Ezechiël door alle glans niet veel zien, maar vermoedelijk wil hij uit ontzag geen overbodige woorden gebruiken ten aanzien van de heilige verschijning van God. Ook op andere plaatsen in de Bijbel wordt de verschijning van God terughoudend beschreven, zie met name Exodus 33:18-23. Juist in het minimale legt de beschrijving dus de nadruk op Gods onmetelijke grootheid.

De heerlijkheid van God staat in schrille tegenstelling tot het kwaad en confronteert mensen met hun zondigheid. In het visioen van hoofdstuk 8-11 ziet Ezechiël opnieuw de heerlijkheid van God. Ezechiël wordt meegenomen naar de tempel in Jeruzalem en ziet de verschrikkelijke zonden die daar begaan worden. Dit kan en mag God niet tolereren. Hoofdstuk 9 is een beschrijving van de straf, maar hoofdstuk 10 laat iets zien dat nog verbijsterender en ingrijpender is: Gods heerlijkheid gaat vertrekken uit de tempel en Jeruzalem. Het verdwijnen van Gods heerlijkheid uit Israël toont aan dat God het volk verlaat. God zegt als het ware: “Dit is Mijn volk niet meer.” In 11:22-25 verdwijnt Gods heerlijkheid definitief uit Jeruzalem, maar gelukkig is er toch nog hoop. God gaat verder met degenen die al in ballingschap zijn, nadat Hij hen gereinigd zal hebben (11:16-21).

Tegen het einde van het boek, in hoofdstuk 43, keert Gods heerlijkheid naar de tempel terug. Dit laat zien dat er herstel komt en dat de nieuwe situatie beter zal zijn dan de oude. Schrikbarend is dat het herstel niets te maken heeft met een verbetering van de kant van mensen, het is God die het herstel voor honderd procent bewerkt. Motieven hiervoor die bij andere profeten naar voren komen zijn Gods trouw aan de belofte die Hij Abraham heeft gedaan (Micha 7:20) en zijn liefde (Hosea 11:7-9). In Ezechiël wordt een andere beweegreden van God benadrukt: de heiliging van Zijn naam. Daarom ook zien we bij Ezechiël regelmatig de uitdrukking ‘weten dat Ik de Here ben’ (zie bijvoorbeeld 36:23 en 36:38).

 

 

.
.
.
.
.

2. Innerlijke vernieuwing bij de mens

 

We zagen al dat de goede toekomst die God wil geven niets te maken heeft met wat voor menselijke inspanning of prestatie ook. Alleen de Geest van God geeft innerlijke vernieuwing: Ik zal zuiver water over jullie uitgieten om jullie te reinigen van alles wat onrein is, van al jullie afgoden. Ik zal jullie een nieuw hart en een nieuwe geest geven, Ik zal je versteende hart uit je lichaam halen en je er een levend hart voor in de plaats geven. Ik zal jullie mijn Geest geven en zorgen dat jullie volgens mijn wetten leven en mijn regels in acht nemen. (36:25-27)

De profetie ontwikkelt zich heel mooi tot juist een heilsprofetie voor Gods volk: God zelf zal voor de Israëlieten zorgen als een herder voor zijn schapen.

Dit principe is niet alleen belangrijk voor de volksgenoten van Ezechiël die hem hoorden profeteren, het is ook belangrijk voor ons. Paulus past het in 2 Korintiërs 3:1-6 toe op zichzelf, zijn medewerkers en de lezers van zijn brief. Als we ons bewust zijn dat elke positieve verandering in ons het werk is van de Geest van God, bewaart ons dat voor trots.

 

 

3. Het herderschap van God

 

Ezechiël 34 is een onheilsprofetie tegen de leiders van Israël, die met herders worden vergeleken. Ze hebben zichzelf bevoordeeld ten koste van de gewone en zwakke mensen. De profetie ontwikkelt zich heel mooi tot juist een heilsprofetie voor Gods volk: God zelf zal voor de Israëlieten zorgen als een herder voor zijn schapen. Nadat God beschreven heeft hoe Hij zijn schapen liefdevol zal verzorgen, kondigt Hij aan dat Hij zijn volk een nieuwe herder zal geven: David, zijn dienaar (34:23). Samen met Psalm 23 is deze profetie een prachtige achtergrond voor Christus, die zichzelf openbaart als de goede herder (Johannes 10).

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Ezechiël 1 – 24 / met video

Standaard

Categorie: religie

 

 

Ezechiël 1 – 24 en 25-48

 

 

Ezechiël 1 – 24:  ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

De profetie van Ezechiël is een bijzonder boek met indrukwekkende visioenen, symbolische handelingen en boodschappen.

 

 

 ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 1
– Een stormwind uit het noorden
– Een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven voor een glans
– Midden in het vuur iets als blinkend metaal
– Midden in het blinkend metaal vier wezens
– Gedaante van een mens
– Vier aangezichten
– Vier vleugels
– Rechte benen
– Voetzolen als van en kalf fonkelend als gepolijst koper
– Onder de vleugels mensenhanden aan vier zijden
– Vleugels met elkaar verbonden
– Ieder ging recht voor zich uit
– Aangezicht ter rechterzijde leek op dat van een mens en dat van een leeuw
– Aangezicht ter linkerzijde leek op dat van een rund- Alle vier hadden ook het aangezicht van een arend
– Vleugels naar boven uitgespreid
– Twee vleugels waren met elkaar verbonden
– Twee vleugels bedekten hun lichaam, één van voren en één van achteren
– Het aanblik van de gedaante van de wezens was als brandende vuurkolen, als fakkels
die zich bewogen tussen de wezens
– Het vuur glansde en bliksemen schoten daaruit
– De wezens schoten heen en weer als bliksemschichten
– Op de grond voor de wezens was een rad
– De aanblik en het maaksel van de raderen was als de schittering van turkoois
– Alle vier de raderen hadden dezelfde vorm
– De aanblik en het maaksel van de raderen was alsof er een rad was midden in het rad
– Als de raderen gingen konden naar alle vier zijden gaan zonder zich om te keren
– De velgen waren hoog en ontzagwekkend en vol ogen
– Als de wezens gingen, gingen de raderen mee
– Boven het hoofd van de wezens was iets dat leek op een uitspansel, een
ontzagwekkend ijskristal
– Onder het uitspansel stonden de vleugels recht naar elkaar uitgestrekt
– Het geruis van de vleugelen als de wezens gingen was als het gebruis van vele
wateren, als de stem des Almachtige, een dreunend geluid als van een leger
– Als de wezens stilstonden lieten ze hun vleugels hangen
– Een stem klonk van boven het uitspansel (1:25; het lijkt erop dat Ezechiël wil zeggen
dat de stem opdracht geeft tot het gaan of stilstaan)
– Boven het uitspansel was iets als lazuursteen dat de vorm had van een troon
– Boven op datgene wat een troon leek was een gedaante die eruit zag als een mens
– Iets schitterde als metaal vanaf zijn lendenen naar boven omvat als vuur door een
omhulsel
– Vanaf zijn lendenen naar beneden was iets als vuur omgeven door een glans
– De aanblik van de omhullende glans was als de regenboog

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 10
– Wezens worden aangeduid als cherubs
– Het gehele lichaam van de wezens (rug, handen, vleugels) waren vol ogen
– De raderen werden ‘Werveling’ genoemd
– Ieder van de wezens had vier aangezichten: het eerste van een cherub, het tweede van
een mens, het derde van een leeuw, het vierde van een arend

 

 

 

 

 

 

 

Het visioen van de troonwagen

 

Direct bij aanvang van het boek wordt je gegrepen door het indrukwekkende en verbijsterende (3:15) visioen van de troonwagen of gloriewagen. Het staat niet voor niets aan het begin van het boek. De toon voor de profetie is gezet door de verschijning die Ezechiël een week lang verbijsterd of verdoofd achterlaat. Wat Ezechiël ziet in het eerste hoofdstuk komt ook op meerdere plaatsen in zijn profetie terug. Zo zien wij het een hele belangrijke rol spelen in de hoofdstukken 8 tot en met 11 en ook helemaal aan het einde van het boek in hoofdstuk 43.

Het visioen begint met een stormwind die Ezechiël uit het noorden ziet komen. Deze stormwind bestaat uit een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans. Midden in deze wolk is iets wat er uitziet als blinkend metaal en in het midden daarvan is een verschijning te zien die Ezechiël tot in detail schetst. Een stormwind, een wolk, iets blinkends, en dan de hele verschijning. Wat Ezechiël ziet, is opgebouwd uit verschillende lagen en dit bij elkaar wordt door Ezechiël ‘het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren’ (1:28) of ‘de heerlijkheid van de God van Israël’ (8:4) genoemd. De lagen zijn van onder naar boven:

– Werveling
Vier raderen van schitterend turkoois met velgen vol ogen, die in het midden allen nog een rad bezaten, zodat het voertuig naar alle kanten kon gaan. De raderen stonden ieder voor een cherub.

– Cherubs
Vier cherubs met vier vleugels en vier aangezichten. Twee vleugels waren uitgespreid naar boven en droegen het uitspansel en twee vleugels bedekten hun lichaam van voren en achteren. Hun aangezichten waren van rechts dat van een mens en een leeuw, van links dat van een rund en daarnaast ook nog het aangezicht van een arend.
De cherubs hadden rechte benen die uitliepen op koper gepolijste voetzolen als van een kalf. Tussen de cherubs was vuur als brandende kolen en fakkels. De cherubs zelfs schoten heen en weer als bliksemschichten. Wanneer de cherubs gingen, maakten hun vleugels een geruis als het bruisende water, de stem van de Almachtige, het dreunende geluid van een leger. De cherubs gehoorzaamden de stem die van boven het uitspansel klonk.

– Uitspansel
Een ontzagwekkend ijskristal gedragen door de vleugels van de cherubs.

– Troon
Op het uitspansel stond een lazuurstenen troon.

– Menselijke gedaante
Een gedaante als van een mens zat op de troon. Vanaf zijn lendenen schitterde iets als metaal naar boven, omvat als vuur door een omhulsel en naar beneden iets als vuur omgeven door een glans dat de aanblik had van een regenboog.

 

Wat zag Ezechiël? Als we het letterlijk willen nemen is het heel duidelijk. Alles staat tot in details beschreven. Zo gedetailleerd zelfs dat er door de lezer heel goed een voorstelling van te maken is. 

 

 

De hemelwezens

 

– Chayos/Chayah (wezens)
Voor de Chayah is de engelorde ook in overeenstemming met latere passages van Ezechiël waarin de wezens als cherubs worden aangeduid.

– Chasmal/Chasmalim (blinkend metaal)
Het woord voor blinkend metaal, Chasmal, is een moeilijk woord. Waarschijnlijk wordt er een legering van koper en zink bedoeld. De Griekse vertaling van deze verzen heeft “electron”, de naam van een mengsel van goud en zilver. Er kan sprake zijn van een verwijzing naar een hemels wezen. Er wordt dan echter alleen gedoeld op de vurige uitstraling van dit wezen. In Ezechiël 1:4 en 27 worden in ieder geval hetzelfde woord gebruikt. Dat ondersteunt het idee dat het om een hemelse aanblik gaat.

– Ofan/Ofanim (raderen)
De raderen, Ofan of Ofanim, zou mogelijk kunnen duiden op hemelwezens. De ontzagwekkende hoogte van de raderen en de ogen (1:18) doen inderdaad denken aan een wezen.

Galgal/Galgalim (werveling)
De laatste groep, Galgal of Galgalim, is onwaarschijnlijk als aanduiding voor hemelwezens, omdat het verwijst naar het geluid dat de raderen maakten (werveling).

 

Het is goed om op dit punt even stil te staan bij wat de Bijbel zegt over de hemelwezens. Er wordt eigenlijk onderscheid gemaakt tussen vier soorten hemelwezens:

(1) Engelen (mal’ak = bode)
In de Oude Testament worden deze wezens zonen Gods, goddelijken of heiligen genoemd.
Enkele eigenschappen die voor engelen gelden:
– Het zijn geesten (1 Kn 22:21)
– Ze zijn geschapen (Nh 9:6, Ps 33:6)
– Het zijn er veel (Dn 7:10)
– Ze kunnen verschijnen in mensengedaanten (Gn 18:2, 19:5)
– Ze worden geïdentificeerd als het ‘heer des hemels’ oftewel als de sterren (1Kn 22:19, Dt 4:19)

(2) Cherubs
Cherubs komen we in de Bijbel op meerdere plaatsen tegen:
– Als bewakers van de hof van Eden (Gn 3:24)
– Op het verzoendeksel van de ark van het verbond (Ex 25:19, 37:8)
– Als vervoerder van God (2 Sm 22:11 = Ps 18:10)
– Als troon van God (Ps 80:1, 99:1, Js 37:16)
– Opgesteld in de tempel (1 Kn 6:24)

(3) Serafs
Van serafs weten we heel weinig. Het enige wat we weten is gebaseerd op twee teksten uit Jesaja. Het zijn vliegende wezens met zes vleugels (Js 6:2,6). Zowel de cherubs als de serafs worden in de joodse traditie onder de engelen gerekend.

(4) Aartsengelen
Dit zijn hooggeplaatste engelen die ook wel vorsten worden genoemd. De Bijbel noemt er maar twee: Michäel en Gabriël (Lk 1:19, 26, Dn 8:26, 9:21). Maar op basis van Openbaring 8:3 kunnen we mogelijk concluderen dat het er zeven zijn. Binnen de joodse traditie worden de andere aartsengelen ook benoemd. Raphaël is daar één van. Nogmaals, de Bijbel zwijgt dus over de overige vijf naast Michaël en Gabriël.

 

 

 

 

 

De troon en de wagen

 

Een ander opmerkelijk punt is dat de verschijning eigenlijk uit twee delen bestaat: (1) de troon en (2) de wagen.
Het is waarschijnlijk dat de troon pas later in het visioen neerdaalt op de wagen. Enkele argumenten hiervoor zijn:
– Tot vers 21 wordt er namelijk helemaal niet gesproken over het ontzagwekkende uitspansel en de troon.
– In vers 9 wordt er gezegd dat de wezens ieder afzonderlijk recht vooruit gaan. Dat betekent dat het oppervlak dat ze beslaan groter en groter wordt. Alsof ze ruimte willen maken voor het ontzagwekkende uitspansel dat neerdaalt op hun vleugels.
– Verder vinden we in Ezechiël 10:18,19 ook nog een argument. Daar wordt beschreven hoe de heerlijkheid des Heren vanuit de tempel gaat staan boven de cherubs. Dat wil dus zeggen dat de heerlijkheid daarvoor niet boven de wagen stond.

 

 

De aangezichten

 

Ezechiël zag wezens met vier aangezichten: één van een mens, één van een leeuw, één van een arend en één van een rund die in tegenstelling tot 1:10 in 10:14 als het gezicht van een cherub wordt aangeduid. Er zijn meerdere soorten uitleggingen over de betekenis van de aangezichten.

De eerste groep ziet in de wezens duidelijke dienaars van God en stelt dat de aangezichten symbool staan voor bepaalde eigenschappen in die dienst.
– Het menselijk gezicht: zachtheid of begrip
– Het aangezicht van de leeuw: kracht
– Het aangezicht van de rund: geduld of volharding
– Het aangezicht van de arend: snelheid en alertheid

De tweede groep ziet in de aangezichten van de wezens representanten van de verschillende soorten op aarde. Ieder is binnen zijn soort de grootste.
– De mens als allergrootste
– De leeuw als de grootste van de wilde dieren
– De rund als grootste van het vee
– De arend als grootste van de vogels
Hiermee zouden de wezens dus Gods almachtige heerschappij in de schepping uitdrukken.Dit is natuurlijk een mooi beeld. Het is dan echter vreemd dat de zeedieren volledig in het beeld ontbreken.

Een derde groep ziet in de vier aangezichten een heenwijzing naar de vier evangelisten, die de ‘vier zuilen van de wereld’ genoemd werden:
– Mens: Mattheüs, omdat zijn evangelie begint met de menselijke afstamming van Christus
– Leeuw: Markus, omdat zijn evangelie begint met de boetepreken van Johannes die brulde als een leeuw
– Rund: Lukas, omdat zijn evangelie begint met het offer van Zacharias
– Arend: Johannes, omdat zijn evangelie begint met de hemelse afkomst van Christus

Een vierde groep wijst op de opmerkelijke overeenkomsten tussen de aangezichten en de Babylonische hoofdgodheden.

– Het menselijke gezicht: Nabu, de god van de openbaring
– Het gezicht van de leeuw: Nergal, de god van de onderwereld en de plaag
– Het gezicht van de rund: Marduk, de hoofdgod, die werd voorgesteld als een kolossale gevleugelde os
– Het gezicht van de arend: Ninib, de god van de jacht en oorlog

Heidense godheden waren in wezen niets anders dan personificaties van de krachten van de natuur. In de Babylonische godsdienst werden deze goden ook geassocieerd met vier sterrenbeelden die ook de eigenschappen van de aangezichten in zich droegen:
– Waterman
– Stier
– Leeuw
– Schorpioen; dit ongunstige teken werd vervangen door zijn vijand, het niet veraf gelegen sterrenbeeld van de Arend.

Wij moeten ons goed beseffen dat de Heer God zelf in Deuteronomium 4:15-19 al waarschuwt voor de verafgoding van afbeeldingen van menselijke en dierlijke wezens en de verafgoding van de hemellichamen.Het kan nooit zo zijn dat er in de heilige troonwagen van God daadwerkelijk afgoden te zien zijn.

Het is heel moeilijk om vast te stellen wat er nou voor betekenis achter de wezens in het visioen van Ezechiël schuilgaat. Uiteindelijk dragen de getoonde wezens bij aan de glorierijke majesteit van Hem die daar bovenop troont. Hem, de Heer God, komt alle eer toe!

 

We komen de opmerkelijke combinatie van dieren overigens op twee andere plaatsen in de
Bijbel tegen:

In 1 Koningen 7:29 worden ze vermeld als versierselen in de tempel die door koning Salomo gebouwd is en in Openbaringen 4:6-8 staan de wezens afzonderlijk (dus niet één wezen met vier aangezichten, maar vier afzonderlijke wezens gelijkend op een leeuw, een rund, een mens en een vliegende arend) voor Gods troon. Opmerkelijk is dat beide plaatsen direct zijn verbonden aan de heiligheid van God. De eerste keer in de woonplaats van de Heer God op aarde en de tweede keer bij de troon in de hemel. In de nieuwe tempel zoals Ezechiël die beschrijft aan het einde van zijn boek, zien we overigens de versierselen van een menselijk
gezicht en het aangezicht van een leeuw terugkomen (41:19).

 

 

 

 

 

 

Metahistorie: Godsverberging

 

De val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel is een duidelijk te markeren historische gebeurtenis in het jaar 586/587 vC. Vaak zijn wij geneigd om een dergelijke gebeurtenissen ook als historische verslaglegging te lezen en ons niet te beseffen wat de werkelijke impact is die deze gebeurtenis heeft gehad. We moeten ons echter goed beseffen dat de verwoesting van de tempel niet zomaar iets is, maar dat dit de verwoesting van Gods
woonplaats op aarde is.

In 1 Koningen 8 kunnen we lezen hoe de tempel door Salomo wordt ingewijd en hoe ‘de heerlijkheid des Heren het huis de Heren vervuld’ (vers 11). De plaats waar de heerlijkheid des Heren ooit was, was verwoest. Dat had natuurlijk grote consequenties voor Gods plaats op aarde. In dat verband is de profetie van Ezechiël zeer belangrijk. In de hoofdstukken 8 tot en met 11 zien we hoe de heerlijkheid des Heren geleidelijk de tempel verlaat. Ezechiël ziet hoe de heerlijkheid zich verplaatst van de ingang van de voorhof (8:7) naar de binnenste voorhof (8:16), naar de dorpel van de tempel (9:3), naar de ingang van de Oostpoort (10:19) en zich tenslotte opheft uit de stad Jeruzalem en zich vestigt op de berg ten Oosten van de stad (11:23). Dit is de Olijfberg. De berg waar Jezus weende over het lot van Jeruzalem (Lk 19:41) en de berg waar Hij uiteindelijk op zal terugkeren (Zc 14:4).

De verdwijning van de heerlijkheid des Heren is een aangrijpende en zeer belangrijke gebeurtenis in het Oude Testament en niet alleen voor het volk Israël, maar voor heel de wereld. Het boek De Zesde Kanteling van Ouweneel zet een interessante lijn uit. Ouweneel verdeelt de wereldgeschiedenis in de volgende zes kantelmomenten:
– Eerste kanteling: 4e millenium vC – Neolithische revolutie (landbouw, beschaving, cultuur)
– Tweede kanteling: 6e eeuw vC – Spilperiode (ontstaan grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten)
– Derde kanteling: komst van Christus
– Vierde kanteling: 7e eeuw nC – begin van de islam (de tegenactie)
– Vijfde kanteling: 16e eeuw nC – Wetenschappelijke revolutie (verbonden aan Renaissance, Reformatie, Humanisme)
– Zesde kanteling: ? (alles is ‘post’ -modern, – christelijk, -koloniaal, -industrieel)

De periode waar Ezechiël in leefde, wordt in de cultuurgeschiedenis de ‘Spilperiode’ genoemd. Dit was de periode waarin de grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten als het boeddhisme ontstonden. Als kerngebeurtenis ziet Ouweneel de verwoesting van de tempel in 586/587 en daarmee de verdwijning van de Sjechina van de aarde. De Sjechina is de ‘aanwezigheid van God’. Het woord komt van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘wonen’ of ‘verkeren’.

Zijn stelling is dat de Heer God Zich na de verwoesting heeft teruggetrokken in de hemel (Godsverberging) en dat dit gevolgen heeft gehad voor de hele aarde. Hierdoor veranderde er niet alleen iets in Gods relatie tot Israël, maar ook in Gods relatie tot de rest van de wereld. Voortaan werd Gods soevereine heerschappij namelijk geassocieerd met het volkerenhoofd die onder Gods toelating de macht kreeg. De allereerste hiervan was Nebukadnessar.

Zoals gezegd, is de Spilperiode, de tijd van Ezechiël dus, een periode waarin grote filosofische denksystemen zijn opgezet. In ieder geval lijkt het erop dat door de verberging van God, die begon met de terugtrekking van de heerlijkheid des Heren uit de tempel in Jeruzalem, overal op aarde allerlei godsdiensten en filosofische denksystemen zonder de ware God uit de grond schoten.

 

 

 

 

 

Heilshistorie

 

Ezechiël 1 tot en met 11 is een soort prelude tot de rest van het boek. Alle elementen van de boodschap van Ezechiël zijn er in terug te vinden:
– De heerlijkheid des Heren (1),
– De opdracht van Ezechiël (2-3)
– De waarschuwing voor het komende oordeel (4-7)
– De aanklacht: de beschrijving van Israëls zondigheid (8)
– De uitvoering van het oordeel (9-11)
– De belofte van het heil (11:14-21).

Deze volgorde komen we vaker tegen bij de profeten. De Heer God openbaart zich aan de profeet. Hij geeft hem de opdracht om het volk Israël te wijzen op haar zonden, te waarschuwen voor het komende oordeel hierover, maar ook de opmerkelijke belofte te doen van het heil dat de Heer God in de toekomst aan Zijn volk zal geven. Opvallend is daarbij dat het initiatief van het heil volledig bij de Heer God ligt. Hij zal het volk Israël weghalen bij de volken en terugbrengen naar hun land (11:17). Hij zal hen eensgezind maken, een nieuwe geest geven en hun versteende hart vervangen door een levend hart (11:19). Het initiatief ligt echter niet alleen bij de Heer God, want de gevolgen moeten heiliging (11:18) en gehoorzaamheid (11:20) zijn, waar iedereen persoonlijk voor moet kiezen (11:21).

De boodschap van Ezechiël draait om de verwoesting van de tempel. De verwoesting van de tempel betekende ook de opheffing van de tempeldienst. De Grote Verzoendag was de centrale gebeurtenis waarbij één keer per jaar de Hogepriester het Heilige der Heilige binnenging en de gemeenschappelijke offers te brengen om zo genoegdoening te doen voor de zonden van de individuen die onderdeel waren van het geheel. Door de verwoesting van de tempel viel ook dit weg. Als we in dat verband in hoofdstuk 18 lezen van het voorbeeld van de rechtvaardige vader, de goddeloze zoon en de rechtvaardige kleinzoon, dan is het opvallend dat er sterke nadruk komt te liggen op de individuele verantwoordelijkheid en ook het oordeel dat de Heer God aan ieder persoonlijk zal voltrekken.

Wij kennen nu de grote Hogepriester Jezus Christus (Hb 4:14). Ook voor het behoud dat door Zijn lijden, sterven en opstanding is bewerkt, geldt echter dat ‘ieder (individu) die in Hem gelooft het eeuwig leven krijgt’ (Jh 3:16).

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Wat kunnen wij leren van Ezechiël? Wat kunnen wij leren van het Oude Testament? We moeten ons goed beseffen dat de God van het Oude Testament en van het Nieuwe Testament precies Dezelfde is. Willen wij, als nieuwtestamentische gelovigen, God leren kennen dan zullen wij ook moeten studeren op het Oude Testament. We moeten de eigenschappen van God, zoals beschreven in het Oude Testament niet naast ons neerleggen als afgedaan of verouderd. De Bijbel geeft ons nergens aanleiding voor een dergelijke houding.

In de christenheid zie je steeds meer de ‘zachte’ eigenschappen van God benadrukt worden. Hij is onze liefhebbende Vader. De Heer Jezus heeft ons God doen kennen als onze Vader. Maar aan de andere kant neemt dat niets af van Gods heiligheid. God kan op geen enkele manier samenzijn met zondigheid. Johannes 1:5 en 6 zegt dat God licht is en dat in Hem geheel geen duisternis is en als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, maar in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet. Er is niet te onderhandelen over heiligheid! Het is een zwart-wit keuze. Je bent heilig of je bent het niet.

Het volk Israël was het niet. Als we in Ezechiël 8 lezen hoe de heerlijkheid des Heren Ezechiël rondleidt in de tempel dan schrik je. De gehele tempel is vervuld door afgoderij ontleent aan de heidens vruchtbaarheidsgod:

*Eerst ziet hij in de tempel van de Heer God een beeld voor de vruchtbaarheidsgodin Asjera of Astarte staan.

*Vervolgens wordt Ezechiël meegevoerd naar iets wat lijkt op een geheime kamer waar zeventig oudsten van het volk Israël occulte rituelen uitvoeren voor de afbeeldingen van dierlijke afgoden die op de muren geschilderd staan.

*Dan wordt Ezechiel een groep vrouwen ‘die Tammuz beweenden’ getoond. Tammuz was een van oorsprong Soemerische godheid die later geïdentificeerd werd met Baäl. Een god die stierf in de zomer aan het begin van de droogte en opstond met de komst van de regen in de herfst.

*Tot slot ziet Ezechiël een groep zonaanbidders. De tempel van Salomo schijnt door de Phoenisische architectuur zo gebouwd te zijn dat het zonlicht bij het begin van de herfst en de lente doordrong in de tempel. De mannen die Ezechiël zag, aanbaden echter in plaats van de Schepper van de zon het schepsel zelf.

Als wij deze afgoderij lezen dan begrijpen wij iets meer van de toon die in de hoofdstukken 12 tot en met 24 wordt aangeheven tegen Israël. De Heer God spreekt in zeer expliciete bewoording over de zondigheid van Israël. Met name de hoofdstukken 16 en 23 zijn heftige hoofdstukken, waarin de Heer God zich net als bij de profetie van Hosea beklaagt als bedrogen echtgenoot. De aanklachten zijn expliciet en zeer aangrijpend.

In Jacobus 4:1-10 en 2 Korinthe 11:1-3 zien we dat ook het Nieuwe Testament aanspoort om rein te blijven ten opzichte van Christus en ook daarbij wordt gesproken over een huwelijksrelatie en overspel. Binnen een goed huwelijk is het onmogelijk dat één van beide partners op welke manier dan ook ontrouw is aan de ander. Natuurlijk is het voor ons geen vraag of we ons storten in afgoderij, maar er zijn meerdere vormen van overspelig gedrag. Jacobus noemt daarbij heel duidelijk de vriendschap met de wereld.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

Verschil ‘Onbevlekte Ontvangenis’ en ‘Maagdelijke Geboorte’

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De éénheid van Maria en Jezus

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Onbevlekte ontvangenis

 

Op 8 december viert de katholieke kerk de ‘onbevlekte ontvangenis’. In gelovige taal betekent dit dat Maria bij haar verwekking niet ‘besmet’ werd door de erfzonde. Daarmee wil men aangeven dat Maria, die uitverkoren werd om de moeder van Jezus, Gods Zoon, te worden, zonder vlek of rimpel moet zijn.

Met erfzonde bedoelt men dat alle mensen die uit Adam geboren worden, getekend zijn door het kwaad waardoor het goddelijk verlangen naar het goede dat de Schepper in elke mens heeft neergelegd verstoord wordt door de neiging naar het kwade. Daaruit is dan, ten gevolge van de ‘overtreding’ van Adam – en in Adam van elke mens – een geschiedenis van kwaad voortgekomen.

Om hieruit verlost – losgemaakt en genezen – te worden is Christus, de Zoon van God mens geworden. Welnu, precies omwille van zijn goddelijke zending tot bevrijding uit het kwaad, mag ook de moeder van Jezus niet aangetast zijn door het kwaad.

 

 

Maria Domina Animarum / Maria heerseres over alles

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Maagdelijke geboorte

 

Daarmee verbonden, maar er niet mee samenvallend, is er geloof dat Jezus maagdelijk geboren is.  Dat wil zeggen dat Jezus door Maria de moeder van Jezus geworden is zonder een man te ‘bekennen’, zoals we in het tweede hoofdstuk van het Lukas evangelie vernemen. Het paradoxale is dat Jezus niet via de weg van de seksuele omgang tussen Maria en Jozef ontstaan is, maar ‘ontvangen is dankzij de heilige Geest’.

En dat is precies wat ons doet nadenken, want het is volgens de gewone en wetenschappelijke kennis van de natuur onmogelijk. Soms probeert men dit verhaal toch menselijk en wetenschappelijk aanvaardbaar te maken. Maar is het niet eerlijker om het verhaal van Lukas 2 te laten zoals het er staat. Want door zijn natuurwetmatige, wetenschappelijke onmogelijkheid dwingt het ons om het bijzonder statuut van Jezus te verkennen.

Zoals zovele kinderen van onvruchtbare vrouwen in het Eerste Testament geen kind van de natuur maar een kind van de belofte zijn is Jezus via de maagd Maria goddelijke gave en belofte. Hij heeft, helemaal mens zijnde, tegelijk ook een overschrijdende goddelijke betekenis en roeping om Gods heil in deze wereld te belichamen.

Zonder naar de maagdelijke geboorte te grijpen zet het evangelie van Johannes ons vanaf het begin op het spoor van de incarnatie van Gods liefde in het zijn en handelen van de mens Jezus van Nazareth: “Gods Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (Joh 1,14).

En ook heel wat katholieke gelovigen vandaag bevestigen hun geloof in dit dogma op regelmatige basis, zonder hierbij stil te staan. Er zit namelijk een verwijzing naar de Onbevlekte Ontvangenis in het bekende Weesgegroet:

 

Wees gegroet Maria, vol van genade.
De Heer is met U.
Gezegend zijt Gij boven alle vrouwen,
en gezegend is de vrucht van Uw lichaam,
Jezus.
Heilige Maria, Moeder Gods,
bid voor ons, arme zondaars,
nu en in het uur van onze dood. Amen.

 

Maria is ‘vol van genade’. Dankzij de genade van God was Maria heel haar leven vrij van zonde.

 

 

 

Waarom Maria weent

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Islam

 

Theoloog Hendro Munsterman legt de link met de islam. Hij verwijst hierbij naar een Hadith (overlevering van aan Mohammed toegeschreven uitspraken en handelwijzen). Deze Hadith zegt dat elk kind bij de geboorte huilt omdat Satan het aanraakt. Enkel Maria (Maryam) en Jezus zijn hierop een uitzondering geweest.

Deze overlevering is een uitleg van wat in soera 3 van de Koran over de verwekking en geboorte van Maryam geschreven wordt. Toen haar moeder zwanger was, droeg zij haar kind aan Allah op: “Ik draag aan U op wat in mijn baarmoeder is, dat het vrij zal zijn om U te dienen, aanvaard het van mij, U die alhorend en alwetend bent”.

Volgens de islamitische traditie is deze moeder zeker dat zij zal bevallen van een zoon, die in de tempel God zal dienen. Wanneer zij bevalt van een dochter, is zij teleurgesteld omdat vrouwen God niet mogen dienen in de tempel. Zij biedt haar dochter aan God aan ter bescherming tegen Satan.

De engelen verkondigen vervolgens dat Maria uitverkoren is. Vanaf het begin was zij tegen Satan beschermd en zonder zonde. En Maria mag zelfs God dienen in de tempel, tegen de gebruiken in.

 

 

 

Samengevat

 

Maria is vruchtbaar geweest in haar maagdelijkheid. God was aanwezig in Maria, in geest en lichaam. Jezus, haar geliefde, was haar bondgenoot. Jezus werd geboren uit Gods liefde en hun liefde. De geboorte van Jezus verwijst naar een geestelijke vruchtbaarheid. In zekere zin is iedere volwassen mens maagd en moeder of maagd en vader als je op een zuivere en belangeloze wijze omgaat met de mensen en de taken die je zijn toevertrouwd.

Dan werkt Gods liefde doorheen je leven. Geestelijk leven is aanvankelijk met zorg omgaan met het kwetsbare geloof dat in je is ontwaakt. Door aandacht en liefde kan dit kleine kwetsbare besef van Gods aanwezigheid uitgroeien tot een volwassen en vruchtbaar geloof.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget