Categoy, categorie : Religion, religie-video
.
.
The truth about family members in Heaven
.
De waarheid omtrent familieleden in de Hemel
.
Allen Nolan Sermon
.
.






.
.
.
De Arabische profeet Mohammed
.
Voor veel westerlingen is de symboliek van de narcis gekoppeld aan ijdelheid en zelfzucht. Niet voor niets noemen we iemand die overloopt van zelf liefde een narcist. In oosterse landen heeft de narcis echter een geheel andere betekenis. Daar staat de bloem symbool voor een treurige liefde. Om elkaar eeuwige liefde te betuigen, sturen van elkaar gescheiden minnaars en geliefden dan ook een narcis, om zo het liefdesleed te verzachten.
.
.
De narcis (Narcissus) behoort tot het plantengeslacht Amaryllidaceae. Er bestaan narcissen zonder blad (“potloodjes”), narcissen met vast blad (“pootjes”) en narcissen met los blad. De naam is afkomstig uit de Griekse mythologie. In totaal zijn er ongeveer dertig soorten narcissen. Een paar bekende soorten zijn de trompetnarcis, de grootkronige en kleinkronige narcis, de dubbele narcis en de Narcis Poeticus.
.
trompetnarcis
grootkronige narcis
kleinkronige narcis
dubbele narcis
narcis poeticus
.
.
De bloemen van de narcis hebben een licht hangende kop met een zogeheten bijkroon. Het bekendste voorbeeld daarvan is de trompetvormige bijkroon van de trompetroos. De meest voorkomende kleuren bij de narcis zijn geel en wit, maar er komen steeds meer kleurvariaties op de markt door het kweken van nieuwe soorten.
.
.
De oudste gekweekte narcis (sinds 1601) is de Dubbele Kampernelle, ook wel Narcissus Alba Odorus Plenus genoemd. Deze is te bezichtigen in Hortus Bulborum in Limmen. Het bekende verhaal uit de Griekse mythologie van Narcissus maakt duidelijk hoe de narcis aan zijn naam komt en ook waarom de bloem licht voorover buigt.
.
.

.
Narcissus was een zeer knappe jongeman die door de aanblik van zijn eigen spiegelbeeld in een meertje zo verliefd werd op zichzelf, dat hij zich niet meer los kon maken van het urenlang staren naar deze onbereikbare schoonheid en langzaam wegkwijnde. Uiteindelijk veranderde de wraakgodin Nemesis veranderde hem in een narcis. Het voorovergebogen hoofd van de narcis lijkt op het voorovergebogen hoofd van Narcissus.
.
.
..
.
| Leviticus 8 | 1 – 36 | De wijding van Aäron en zijn zonen |
|---|---|---|
| Leviticus 9 | 1 – 24 | Aäron bedient het priesterambt |
.
.






| Leviticus 1 | 1 – 17 | Wetten voor het brandoffer |
|---|---|---|
| Leviticus 2 | 1 – 16 | Wetten voor het graanoffer |
| Leviticus 3 | 1 – 17 | Wetten voor het vredeoffer |
| Leviticus 4 | 1 – 35 | Wetten voor het zondoffer |


De volgende vijf miniaturen handelen over de sacramenten van de Kerk : Doopsel, Vormsel, Priesterschap, en Eucharistie. Hildegard besteedt een bijzondere aandacht aan het H. Doopsel en het H. Priesterschap, en dit laatste speciaal in verband met de maagdelijkheid in de Kerk.
De twaalfde miniatuur toont ons het visioen van het H. Doopsel als openbaring in de schoot der Kerk; het Doopsel is immers het sacrament van de wedergeboorte tot het goddelijk leven. De volgorde waarin men de vier voorstellingen moet lezen is van rechtsboven naar linksboven en van rechtsonder naar linksonder.
1. Rechts boven zien we de Kerk als koningin met gouden kroon en gulden gewaad, zelfs haar gezicht en handen zijn van goud. Uit de tekst leren we, dat deze gulden schittering wijst op het goddelijk licht dat haar als een gewaad omkleedt. Met haar handen omvat zij het altaar waarboven de Christus met een boek in de hand als Majesteit troont.
Men ziet aan de voorkant van het altaar de rechterhand en opzij van het altaar nog net de toppen van de vingers van de linkerhand: zij omhelst werkelijk het altaar als een geliefde zijn bruidegom. Het is een huwelijksgebaar waardoor de vereniging van de Godmens met de Kerk tot stand komt.
2. Het gevolg van deze eenwording toont de volgende voorstelling die een zwangere Kerk laat zien. In heilig enthousiasme heft zij haar rechterarm omhoog. Op de banderol die zij in de hand houdt staat: Me oportet concipere et parere (ik moet ontvangen en baren). De oervrouwelijke vreugde over deze zwangerschap brengt Hildegard in beeld door engelen te laten toesnellen met muziekinstrumenten, die symfonieën van vreugde doen klinken.
Tegelijk dragen de engelen trappen en stoelen aan, bestemd voor de gelovigen die gebaard zullen worden. Want, zegt de tekst, engelen staan gereed om het nieuwe geslacht te helpen bij het bestijgen van de treden van het geloof en het de rustpunten te verschaffen voor de beschouwing.
3. De derde voorstelling geeft op een heel oorspronkelijke wijze het proces weer van de geboorte tot het geestelijk leven. De geloofsleerlingen haasten zich als donkere hardlopers om door de brede mazen van het net, dat de schoot van de Kerk bedekt, naar binnen te dringen. Men ziet alleen nog de hoofden zoals bij vissen die in een net gevangen zijn.
Het opmerkelijke is dat de Kerk kinderen baart uit haar mond, omdat de door de mond hardop uitgesproken doopformule, de mensenkinderen geboren doet worden tot het bovennatuurlijke leven. Daarom strekken de pasgeborenen, nu stralend van goudkleur, hun handen uit naar het symbool van de H. Drievuldigheid uitgebeeld door drie elkaar omgevende cirkels.
De buitenste is van zilver, dan hebben we één van goud en de middelste is van een blauwe kleur met een wit centrum. Vóórdat de geloofsleerlingen geboren werden hadden ze een donkerbruine kleur, die we in de andere miniaturen alleen voor de helbewoners gebruikt zien. Bij de wedergeboorte hebben de neofieten die donkere huid afgeworpen zoals een slang die vervelt. Nu schitteren zij van het hemels goud van de H. Geest.
4. In het vierde en laatste tafereel richt Christus een vermaning tot de nieuw gedoopten. Men heeft de keuze tussen twee wegen. De ene leidt naar het oosten, waar de laatste openbaring zal plaats vinden en de andere voert naar het noorden, waar de vorst van het kwade, hier voorgesteld door rode vlammen, zetelt. Deze leer van de twee wegen in verband met het doopsel gaat terug tot de eerste tijden van het christendom.
hoofdstuk 5 ; de heerlijkheid van de verzoening door Christus
hoofdstuk 8 (a) ; zegel 7 en de eerste vier bazuinen