Categorie: mode en kledij
Christian Dior-2009-fall-ready to wear






























































































Moeder Teresa werd geboren op 26 augustus 1910 in Skopje, in het huidige Macedonië, als Agnes Gonxha Bojaxhiu. Zij kwam uit een Albaanse familie en raakte op 12-jarige leeftijd overtuigd van haar roeping als missionaris van God. Toen zij achttien jaar oud was sloot zij zich aan bij de orde van de Zusters van Loreto en koos voor de naam Teresa, als eerbetoon aan de Heilige Theresia.
Na enkele maanden scholing in Dublin vertrok Teresa in 1928 naar India. Op 24 mei 1931 werd zij daar officieel non en stuurden de Zusters van Loreto haar naar Calcutta. Daar ging zij lesgeven op de St. Mary’s school voor arme meisjes uit de sloppenwijken van de stad. Teresa leerde er zelf Bengaals en Hindi spreken en onderwees de kinderen in aardrijkskunde en geschiedenis.
In 1937 legde Teresa voor de tweede keer haar gelofte af dat zij zich in armoede en volgens de regels van de orde in zou zetten voor de samenleving, iets dat zij bij haar benoeming tot non ook al had moeten doen. Vanaf dat moment ging zij ‘Moeder’ Teresa heten.
Tijdens een treinreis naar Darjeeling, waar de orde haar hoofdvestiging had, kreeg Teresa naar eigen zeggen van God de opdracht om voor de armen te zorgen. Doordat zij gehoorzaamheid had gezworen aan de orde duurde het nog anderhalf jaar voor zij in 1948 toestemming kreeg. Ze volgde zes maanden een medische opleiding en ging in augustus 1948 de sloppenwijken van Calcutta in.
In de begindagen werkte Moeder Teresa voornamelijk alleen. Ze gaf op straat les aan kinderen en begeleidde stervende mensen in een oud gebouw dat zij van de stad mocht gebruiken. Ondertussen probeerde ze bij de katholieke kerk erkenning te krijgen voor een eigen religieuze orde, de Missionarissen van Naastenliefde. In oktober 1950 kreeg zij die toestemming.
De orde groeide snel doordat leden van Zusters van Loreto zich bij haar aansloten. Er kwam internationale aandacht voor het werk van Moeder Teresa en met de vele donaties die zij ontving kon zij onder meer een weeshuis, mobiele doktersposten en woonruimte voor mensen met lepra financieren.
De aandacht voor het werk van Moeder Teresa steeg nog verder doordat paus Paulus VI haar orde in 1965 een ‘decretum laudis’ gaf, wat inhield dat de paus de organisatie onder direct bestuur van het Vaticaan stelde. Deze hoge eer leidde er toe dat Moeder Teresa besloot haar orde internationaal te verspreiden.
Sindsdien groeide de organisatie uit tot een orde met afdelingen in Oost-Europa, Azië, Latijns-Amerika en Afrika. In de jaren ’90 had de orde vierduizend leden in meer dan honderd landen en werd het werk ondersteund door bijna één miljoen vrijwilligers.
Moeder Teresa ontving in 1979 de Nobelprijs voor de Vrede vanwege haar hulp aan mensen in armoede en nood. Toch was Moeder Teresa niet geheel onomstreden. Veel mensen namen aanstoot aan haar streng katholieke ideeën over bijvoorbeeld geboortebeperking en abortus. Moeder Teresa overleed op 5 september 1997. De katholieke kerk is daarna een proces gestart dat tot een heiligverklaring kan leiden.
Daarvoor moet worden aangetoond dat zij minstens twee wonderen heeft verricht. Het eerste wonder, de genezing van een Indiase vrouw met kanker, wordt door medici sterk betwijfeld, omdat zij de vrouw een jaar lang intensief behandelden, maar vooral omdat artsen twijfelden of de vrouw überhaupt wel kanker had.
Daarnaast kwam uit een recent Frans onderzoek naar voren dat Moeder Teresa waarschijnlijk enkele miljoenen euro’s aan donaties heeft achtergehouden. Die controverse doet echter niet af aan de jarenlange inzet van Moeder Teresa voor armen en zieken wereldwijd.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
1 The words of the Teacher, son of David, king in Jerusalem:
2 “Meaningless! Meaningless!”
says the Teacher.
“Utterly meaningless!
Everything is meaningless.”
3 What do people gain from all their labors
at which they toil under the sun?
4 Generations come and generations go,
but the earth remains forever.
5 The sun rises and the sun sets,
and hurries back to where it rises.
6 The wind blows to the south
and turns to the north;
round and round it goes,
ever returning on its course.
7 All streams flow into the sea,
yet the sea is never full.
To the place the streams come from,
there they return again.
8 All things are wearisome,
more than one can say.
The eye never has enough of seeing,
nor the ear its fill of hearing.
9 What has been will be again,
what has been done will be done again;
there is nothing new under the sun.
10 Is there anything of which one can say,
“Look! This is something new”?
It was here already, long ago;
it was here before our time.
11 No one remembers the former generations,
and even those yet to come
will not be remembered
by those who follow them.
.
.
12 I, the Teacher, was king over Israel in Jerusalem. 13 I applied my mind to study and to explore by wisdom all that is done under the heavens.What a heavy burden God has laid on mankind! 14 I have seen all the things that are done under the sun; all of them are meaningless, a chasing after the wind.
15 What is crooked cannot be straightened; what is lacking cannot be counted.
16 I said to myself, “Look, I have increased in wisdom more than anyone who has ruled over Jerusalem before me; I have experienced much of wisdom and knowledge.” 17 Then I applied myself to the understanding of wisdom, and also of madness and folly, but I learned that this, too, is a chasing after the wind.
18 For with much wisdom comes much sorrow; the more knowledge, the more grief.
.
.
4 And I saw that all toil and all achievement spring from one person’s envy of another. This too is meaningless, a chasing after the wind. Fools fold their hands and ruin themselves. Better one handful with tranquillity than two handfuls with toil and chasing after the wind.
.
.
.
.
.
.
.
.
Toen de Here Jezus zijn twaalf discipelen de eerste keer uitzond om het evangelie te prediken, vermaande Hij hen niet bevreesd te zijn voor de mensen. En om zijn woorden te illustreren, gaf Hij als voorbeeld de mussen. Je zou denken dat de arend met zijn kracht en moed een beter voorbeeld zou zijn, maar nee, Jezus koos bewust de klei-ne huismus. Tot voor kort wist men weinig over de mus, omdat niemand de moeite had genomen hem nauw-keurig te bestuderen. Nu weten wij dat hij best dapper kan zijn, afgezien van zijn andere karaktereigenschappen, zoals slimheid, voorzichtigheid, vrolijkheid en ondeugendheid.
Mussen moeten in de dagen van Jezus algemeen voorgekomen zijn, gezien zijn woorden (Matteüs 10: 29 en Lucas 12:6) dat op de markt twee mussen voor een duit en vijf mussen voor twee duiten werden verkocht, (een duit is vergelijkbaar met een Eurocent nu).
Matteüs 10: 29
29 Jullie weten toch dat twee mussen voor maar één muntje worden verkocht? Toch zal niet één mus doodgaan zonder dat jullie Vader het toestaat. 30 Ook weet Hij zelfs precies hoeveel haren jullie op je hoofd hebben. 31 Wees dus niet bang, want jullie zijn belangrijker dan een heleboel mussen bij elkaar.
Lucas 12:6
6 Jullie weten dat vijf mussen worden verkocht voor maar twee muntjes. Maar niet één van die mussen is door God vergeten. 7 Ook weet Hij precies hoeveel haren jullie op je hoofd hebben. Wees niet bang! Want jullie zijn belangrijker dan een heleboel mussen bij elkaar.
Jezus koos dit voorbeeld omdat Hij, in navolging van zijn Vader, liever kiest wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht is (1 Korintiërs 1: 28 – 31). In zijn gelijkenissen gebruikte Hij vaak de meest algemene dingen in het leven: water, wijn, koren, schapen. Zo komt de achterliggende les sterker uit.
1 Korintiërs 1: 28 – 31
28 En de dingen die de ongelovige mensen onbelangrijk en waardeloos vinden, gebruikt God juist om te laten zien dat je niets hebt aan de dingen die de mensen zo belangrijk vinden. 29 Zo kan dus niemand bij God over zichzelf opscheppen. 30 Want alles wat we nu zijn, hebben we alleen aan Hem te danken. Want alleen door Je-zus Christus hebben we nu Gods wijsheid. En alleen dankzij Hem zijn we vrijgesproken van schuld en zijn we ge-red. Alleen door Hem horen we nu bij God. 31 Daardoor is het waar wat er in de Boeken staat: “Als iemand zo graag trots wil zijn, laat hij dan trots zijn op de Heer en niet op zichzelf.”
Wanneer we Jezus’ woorden van Matteüs 10:29 in hun verband lezen – Zijn opdracht aan de twaalf om te prediken- is zijn les niet op eigen kracht te vertrouwen. Wanneer zij tegenover een vijandige schare of een keiharde koning komen te staan, moeten zij niet in paniek raken, maar eenvoudig vertrouwen dat God hen de woorden om te spreken zal ingeven (Matteüs 10:19).
Matteüs 10:19
19 Als ze jullie gevangen nemen, maak je dan geen zorgen wat jullie moeten zeggen. Want jullie zullen de woorden krijgen op het moment dat jullie ze nodig hebben. 20 Want jullie zullen niet zelf spreken. Maar de Geest van jullie Vader zal door jullie heen spreken.
Ook de mus heeft elke dag met grote gevaren te maken, of dat nu door het verkeer of van een roofvogel komt. Toch komt hij meestal veilig weg. Niet één wordt er door God vergeten, zegt Jezus. Feitelijk is een discipel van Hem net zo afhankelijk van de Vader als een mus. Dat vogeltje is wel voorzichtig en houdt altijd een oogje in het zeil, maar tegelijkertijd is hij veel minder bezorgd dan wij mensen.
Hij geniet van het leven en is niet bevreesd voor de toekomst. Hij leert uit ervaring, maar maakt zich geen zorgen. Waren wij ook maar zo onbekommerd. Niet bang voor de mensen, maar vertrouwend op God, die ons leven in zijn hand houdt.
De gezegende maagd Maria was de moeder van Jezus Christus. Naast haar Bijbelse biografie bestaan er drie pri-maire doctrines die de Rooms-katholieke Kerk over Maria onderwijst:
(1) De “Onbevlekte Ontvangenis“,
(2) Maria als mede-middelaar “co-mediatrix“ naast Jezus Christus, en
(3) De “Maria-Tenhemelopneming“.
pasteltekening van John Astria
De leer van de “Onbevlekte Ontvangenis“ stelt dat de gezegende maagd Maria zonder erfzonde werd geboren. Zij was een maagd toen ze in de kracht van de Heilige Geest zwanger werd van Christus. In 1854, vier jaar voor de Mariaverschijningen in Lourdes, definieerde Paus Pius IX het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Dit dogma stelde “dat de allerzaligste Maagd Maria in de eerste stand van haar Ontvangenis door een enige bijzondere ge-nade en bevoorrechting van de almachtige God, om de wille van de verdiensten van Christus Jezus de Behouder van het mensdom, van alle smet van de erfschuld vrij is bewaard.”
De Bijbel leert ons dat alleen Jezus Christus, de laatste Adam, zonder erfzonde werd geboren en dat alle andere mannen en vrouwen geboren worden met een zondige natuur, die wordt geërfd van Adam (Romeinen 5:12). Ver-der onderwijst de Rooms-katholieke Kerk dat Maria haar hele leven lang maagd bleef. En toch noemt Matteüs, een Jood die voor Joden schreef, Jezus “haar eerstgeboren zoon” (Matteüs 1:25), een uitdrukking die door Joden alleen werd gebruikt als er na het eerste kind nog andere kinderen werden geboren. Anders zou “eni-ge zoon” zijn gebruikt.
Schriftgeleerden geloven dat Matteüs zijn evangelie ongeveer 35 jaar na de wonderbaarlijke maagdelijke geboorte van Christus schreef. Matteüs had dus kunnen weten of Maria na Jezus wel of geen andere kinderen meer had. De Bijbel stelt uitdrukkelijk dat Jezus broers had en Matteüs geeft ons zelfs hun namen: “Maria is toch zijn moeder, en Jakobus en Josef en Simon en Judas, dat zijn toch zijn broers? En wonen zijn zusters niet allemaal bij ons?“ (Matteüs 13:55-56).
Rooms-katholieke Schriftgeleerden beweren dat Matteüs, Lucas en Paulus (1 Korintiërs 9:5) niet echt “broer” bedoelden toen zij het woord “broer” gebruikten, maar dat zij hiermee “neef” bedoelden. Dit standpunt is gebaseerd op het Griekse woord “adelphos“, dat met “broer” of “neef” vertaald kan worden. Maar in een poging om de geldigheid van Zijn bediening in twijfel te trekken vergeleken de Joden Jezus met Zijn gewone broers; het zou veel minder overtuigend zijn geweest als Jezus met Zijn neven was vergeleken.
De meest verontrustende leer geeft de gezegende maagd Maria een rol als mede-middelaar (“co-mediatrix“) naast Jezus Christus. Om met de woorden van Paus Johannes Paulus II te spreken:
“In eenheid met Christus en in onderwerping aan Hem heeft zij samen met Hem de genade der verlossing voor de hele mensheid veilig gesteld… In Gods plan is Maria de ‘vrouw’ , de Nieuwe Eva, verenigd met de Nieuwe Adam om de mensheid te herstellen tot haar oorspronkelijke waardigheid. Haar samenwerking met haar Zoon gaat door tot in de eeuwigheid in het universele moederschap, dat zij in de genadige rangorde vervult. Laten wij ons, in vertrouwen op deze moederlijke samenwerking, tot Maria wenden en in onze nood haar hulp vragen.“
In de Schriftteksten kan geen basis worden gevonden voor het idee dat Maria een mede-middelaar zou zijn voor de kerk op aarde. De woorden van Christus waren op dit gebied ook erg duidelijk: “Jezus zei: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door mij.'” (Johannes 14:6). De grote rol van de hei-lige Maria is dat men, wanneer men tot haar bidt, voorspraak kan krijgen bij Jezus Christus omdat Hij de gunsten van zijn moeder nooit weigert. Ook blijft zij bidden voor de zonden van de zondaars die om vergiffenis smeken. Wanneer Maria verschijnt aan Catherine Labouré in Parijs eist ze dat er een medaille gemaakt moet worden met de volgende tekst:
.
Pasteltekening van John Astria
De “Maria-Tenhemelopneming“ is een leer die stelt dat de gezegende maagd Maria lichamelijk en geestelijk naar de hemel werd opgenomen. Dit proces wordt in de Bijbel “opname“ genoemd. De schriftteksten bevatten hiervan twee bekende voorbeelden: Henoch (Hebreeën 11:5) en Elia (2 Koningen 2:11). Tijdens het Concilie van Chalcedon in 451 na Christus, toen bisschoppen vanuit het hele Middellandse Zeegebied in Constantinopel bijeen kwamen, vroeg keizer Marcianus de Patriarch van Jeruzalem om de relieken van Maria naar Constantinopel te brengen, zodat deze daar in het Capitool konden worden bijgezet.
De Patriarch legde aan de keizer uit dat er in Jeruzalem geen relieken van Maria bestonden, dat Maria in de aanwezigheid van de apostelen was gestorven, maar dat haar graf, toen dat later werd geopend, leeg werd aangetroffen en dus concludeerden de apostelen dat het lichaam naar de hemel was opgenomen. Er bestaat in de schriftteksten geen bewijs om de toepassing van deze leer op Maria te ondersteunen of te ontkennen.
Maria kan een model voor ons geloof zijn (net als Paulus of Petrus), maar zij kan ons niet redden. Alleen Jezus Christus is God en Hij is de Enige die de redding van de hele mensheid tot stand kan brengen. Het Woord van God is bijzonder duidelijk over dit onderwerp. Maria is door God zelf tot koningin in de hemel gekroond en zal de slang, de Satan, verpletteren. Door een vrouw is de zonde in de wereld gekomen en door een vrouw zal de Satan overwonnen worden. Dit is de grootste vernedering van Satan die er mogelijk is. Zij heeft een grote macht in de hemel en op aarde die zij enkel zal benutten als het past in het Goddelijke plan tot in de eeuwigheid.
Pasteltekening van John Astria
Men mag “bidden” tot Maria om een gunst die zij, mits toestemming van haar zoon Jezus, kan gerealiseerd wor-den. Het “aanbidden” van iemand behoort enkel God toe.
.
.
.
.
Kleur roze, licht paars
Chakra hart en zonnevlecht
Sterrenbeeld stier en weegschaal
Vindplaats wordt onder andere gevonden in Madagaskar, Kenia, Mozambique, Namibië en Brazilië.
Samenstelling SiO2 + Al, Fe, Na, Ti + (Ca, Mg, Mn)
Hardheid 7
Dichtheid 2,6
Kristalstelsel trigonaal
.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

Eklogiet is een combinatiesteen van rode of roze granaat kristallen in groene pyroxeen. Naast granaat kan de steen ook kyaniet, rutiel, kwarts, zoisiet en dolomiet bevatten. Het is een redelijk zeldzame steen. De steen is een stukje oceaankorst die onder hoge druk vanuit de diepte van de aarde omhoog is gekomen.





Goed te herkennen aan
– de lichtgele bloemetjes, waarvan de 5 kroonbladen elkaar niet raken
– en korter dan of even lang zijn als de kelkbladen en
– de oneven geveerde, van onderen groene bladeren en
– de liggende, behaarde, ronde, niet wortelende stengels
Algemeen
Liggende ganzerik is een eenjarige plant die groeit op open, natte, ’s zomers droogvallende, voedselrijke grond aan rivieroevers en op omgewerkte grond.

Algemeen
Liggende ganzerik bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen staan in de bladoksels. Ze hebben 5 lichtgele, omgekeerd eironde kroonbladen die elkaar duidelijk niet raken en die hoogstens zo lang zijn als de kelkbladen. Naast 5 kelkbladen hebben de bloemen ook 5 bij-kelkbladen, die langer zijn dan de kelkbladen. De bloemstelen buigen zich na de bloeitijd naar beneden.

Blad en stengel
De zacht behaarde bladeren zijn oneven veervormig met 3 tot 7 blaadjes. Naar boven toe wordt het aantal deelblaadjes minder. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste hebben een aflopende voet. De deelblaadjes zijn eirond tot langwerpig, hebben een gezaagde of diep gekartelde rand en zijn aan de onderkant groen; dit in tegenstelling tot de bladeren van zilverschoon, die aan de onderkant zilverwit zijn. De niet wortelende stengels zijn afstaand of iets aangedrukt, zacht behaard en meestal groen, soms iets paarsig aangelopen. Ze zijn slap, liggen op de grond of hangen op omringende vegetatie.

Vergelijkbare soorten
Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In de Lage Landen komen 12 soorten voor, waarvan sommigen op het eerste gezicht veel op elkaar lijken. Samen met zilverschoon onderscheidt liggende ganzerik zich van de andere Potentilla’s door de oneven veervormig samengestelde bladeren.
Algemeen
– rozenfamilie (Rosaceae)
– eenjarig
– vrij tot zeer zeldzaam
– 5 tot 45 cm
Bloem
– lichtgeel
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– stervormig
– 5 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen
Blad
– verspreid
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits of stomp
– rand gezaagd of diep gekarteld
– voet wigvormig
– veernervig
– zacht behaard
Stengel
– liggend of opstijgend
– behaard
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
– forse plant met meerdere rechtopstaande stevige stengels en
– eindelingse, langwerpige, losse pluimen met kleine bloemen
Algemeen
Knopig helmkruid is een zeer algemeen voorkomende, onaangenaam geurende, overblijvende plant, die groeit op vochtige, voedselrijke grond in loofbossen, kapvlakten, boszomen en bermen. Ze wordt 30 tot 120 cm hoog en is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen.

Bloem
Knopig helmkruid bloeit vanaf juni tot en met september met talrijke bloemen in losse, langwerpige, eindelingse pluimen. De bloemkroon is deels roodbruin en deels groenachtig geel, soms helemaal groenachtig geel. De 5 kroonbladen zijn met elkaar vergroeid, waardoor een iets klokvormige bloem is ontstaan. De bovenste twee kroonslippen zijn groter dan de andere drie. Onder die twee slippen zit het staminodium, een onvruchtbare meeldraad. De overige vier vruchtbare meeldraden zijn de vier créme-kleurige bolletjes.
Toepassingen
Vroeger werd knopig helmkruid gebruikt ter behandeling van aambeien, zweren, jeuk en veel andere huid- klachten.


Vergelijkbare soorten
| knopig helmkruid : bladeren zonder zijlobben, stengel niet of smal gevleugeld (tot 1 mm), bloemkroon deels roodbruin, deels groenachtig geel, soms geheel groenachtig geel.
geoord helmkruid : onderste bladeren meestal met 1 of 2 kleine zijlobben aan de top van de bladsteel, bloemkroon donker paarsachtig bruin en alleen aan de voet groen. gevleugeld helmkruid : bladeren zonder zijlobben, stengel breder gevleugeld (1 – 3 mm), bloemkroon rood paarsbruin en aan de voet geelachtig groen, bloeit later dan de andere twee. |
Algemeen
– helmkruidfamilie (Scrophulariaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 30 tot 120 cm hoog
Bloem
– groengeel en roodbruin
– vanaf juni t/m september
– langwerpige pluim
– klokvormig
– 7 tot 9 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig of eirond
– top spits
– rand dubbel of onregelmatig gezaagd
– voet hartvormig of afgerond
– netnervig
Stengel
– rechtop
– kaal of in de bloeiwijze klierachtig behaard
– scherp vierkant, soms heel
zie wilde bloemen
Faden kwarts is een type kwarts waarbij binnenin witte ‘draden’ of ‘snaren’ door het kristal lopen. Deze insluitsels vormen zich door het kenmerkende breken en opnieuw sluiten van het kristal. Het kwarts vormt zich vaak in vrij platte kristallen. Faden kwarts is doorzichtig, met witte draden of snaren er doorheen.
.
.
Faden kwarts wordt onder andere gevonden in de Alpen, Rusland en Pakistan.

samenstelling: hoofdzakelijk SiO,
hardheid: 7
dichtheid: 2,6



