Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
1 Samuel 30 |
1 – 31 |
Ziklag door de Amalekieten verwoest |
|---|---|---|
1 Samuel 31 |
1 – 13 |
Dood van Saul en Jónathan |
.
1 Samuel 30-31 – Skip Heitzig


.
.
1 Samuel 30 |
1 – 31 |
Ziklag door de Amalekieten verwoest |
|---|---|---|
1 Samuel 31 |
1 – 13 |
Dood van Saul en Jónathan |
.


1 Samuël 28 |
1 – 25 |
Saul bij de waarzegster van Endor |
|---|---|---|
1 Samuël 29 |
1 – 11 |
David door koning Achis weggezonden |


.
1 Samuel 26 |
1 – 25 |
David spaart nogmaals het leven van Saul |
|---|---|---|
1 Samuel 27 |
1 – 12 |
David te Ziklag |
.


.
1 Samuel 24 |
1 – 22 |
David spaart Saul |
|---|---|---|
1 Samuel 25 |
1 – 1 |
Samuëls dood |
2 – 44 |
Nabal en Abigáil |



.
1 Koningen 4:26 (Statenvertaling)
26 Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagenen, en twaalf duizend ruiteren.
2 Kronieken 9:25 (Statenvertaling)
25 Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagenen, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem.
(In sommige vertalingen, waaronder de Nieuwe Bijbel Vertaling 2004 en de Groot Nieuws Bijbel, is 1 Koningen 4:26 geclassificeerd als 5:6.)
Dit is opnieuw de Statenvertaling, want in de NBG ’51 vertaling staat er ‘veertigduizend kribben.’ In de NBG dus geen tegenstrijdigheid. Maar in de grondtekst staat in beide verzen precies hetzelfde woord in precies dezelfde context, dus denk ik niet dat hierin de oplossing ligt.
Waarschijnlijk is de contradictie ontstaan door een kopieerfout in Koningen. 4000 paardenstallen is een realistisch aantal voor een land van die grootte en past beter bij het aantal ruiters.
Het is slechts een klein verschil in spelling, dus deze oplossing is niet onredelijk.
1 Koningen 5:16
16 behalve Salomo’s hoofdopzichters over de arbeid, drieduizend driehonderd, die aangesteld waren over het volk dat de arbeid verrichtte.
2 Kronieken 2:2
2 En Salomo wees een getal aan van zeventigduizend man lastdragers, tachtigduizend steenhouwers in het gebergte en drieduizend en zeshonderd opzichters over hen.
Er zijn verschillende oplossingen geopperd, maar ik zou toch gaan voor een kopieerfout in 1 Koningen, waar oorspronkelijk ook 3.600 stond. Dit wordt ondersteund door de LXX, waar in beide verzen 3.600 genoemd wordt.
1 Koningen 7:26
26 Haar dikte was een handbreed en haar rand was in de vorm van een bekerrand, een leliekelk. Zij had een inhoud van tweeduizend bath.
2 Kronieken 4:5
5 Haar dikte was een handbreed en haar rand had de vorm van een bekerrand, van een leliekelk. Zij had een inhoud van drieduizend bath.
Koningen en Kronieken zijn niet op hetzelfde moment geschreven en maten kunnen veranderen, dat is over de eeuwen regelmatig gebeurd en zou in dit geval ook gebeurd kunnen zijn. Maar er zijn andere mogelijkheden.
‘Die hard’ aanhangers van de ‘KJB’ (zij noemen het de King James Bible, maar over het algemeen is deze vertaling bekend als King James Version, dus KJV) zijn van mening dat de King James de enige goede vertaling is. Ze doen uitspraken als:
One of the proofs of the true Holy Bible, which in English is the King James Bible of 1611, is that it contains no proveable errors.
Will Kinney
Ze lossen de contradictie als volgt op:
1 Koningen 7:26
26 And it was an hand breadth thick, and the brim thereof was wrought like the brim of a cup, with flowers of lilies: it contained two thousand baths.
2 Kronieken 4:5 (King James Bible)
5 And the thickness of it was an handbreadth, and the brim of it like the work of the brim of a cup, with flowers of lilies; and it received and held three thousand baths.
2 Kronieken 4:5 bevat een extra werkwoord, namelijk ‘received.’ In de grondtekst staat dat extra werkwoord er inderdaad (‘chazaq’), hier rood gedrukt:

Letterlijk staat er: ‘chazaq bath drie duizend bevat.’
De KJV aanhangers zeggen, op grond van dit extra werkwoord, dat de ‘zee’ (zoals het genoemd werd) in Kronieken tot haar maximale capaciteit gevuld werd, terwijl 1 Koningen aangeeft hoeveel water de ‘zee’ normaal bevatte.
.
1 Koningen 8:15,16
15 En hij zeide: Geprezen zij de HERE, de God van Israël, die met zijn hand volbracht heeft, hetgeen Hij met zijn mond aldus tot mijn vader David gesproken had: 16 van de dag af, dat Ik mijn volk Israël uit Egypte leidde, heb Ik geen stad uit alle stammen van Israël verkoren om er een huis te bouwen, opdat mijn naam daar zijn zou, maar Ik heb David verkoren om over mijn volk Israël te heersen.
2 Kronieken 6:4-6
4 En hij zeide: Geprezen zij de HERE, de God van Israël, die met zijn handen volbracht heeft, hetgeen Hij met zijn mond aldus tot mijn vader David gesproken had: 5 van de dag aan, dat Ik mijn volk uit het land Egypte leidde, heb Ik geen stád uit alle stammen van Israël verkoren, om er een huis te bouwen, opdat mijn naam daar zijn zou, en geen mán verkoren, om vorst te zijn over mijn volk Israël; 6 maar nu heb Ik Jeruzalem verkoren, opdat mijn naam daar zijn zou, en heb Ik David verkoren, opdat hij over mijn volk Israël zou heersen.
Dit zijn twee citaten van God, die iets verschillen. Maar dit is niet tegenstrijdig, Kronieken is een aanvulling op Koningen. Dat betekent niet dat Koningen fout is, maar dat betekent simpelweg dat de schrijver van Koningen een kleiner gedeelte van Gods uitspraak geselecteerd heeft dan de auteur van Kronieken. Zie ook Matteüs 27:37 vs. Markus 15:26 vs. Lukas 23:38 vs. Johannes 19:19.
Merk wederom op dat veel Bijbelse citaties in feite parafrases zijn en dus niet exact weergeven wat er gezegd is. Waar het om gaat is dat de inhoud correct wordt weergegeven.
1 Koningen 16:8
8 In het zesentwintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Basa, koning over Israël te Tirsa; twee jaar.
2 Kronieken 16:1
1 In het zesendertigste jaar der regering van Asa trok Basa, de koning van Israël, op tegen Juda en versterkte Rama, om alle verkeer van en naar Asa, de koning van Juda, te verhinderen.
De contradictie is hier dat Basa in het 26ste jaar van Asa stierf, maar in het 36ste jaar van Asa nog de stad Rama liet fortificeren. En dat is onmogelijk, want toen was hij al 10 jaar dood.
Deze tegenstrijdigheid wordt over het algemeen opgelost door te veronderstellen dat 2 Kronieken 16:1 eigenlijk spreekt over het zesendertigste jaar sinds het bestaan van het Zuidelijke Koninkrijk. Het Hebreeuwse woord voor ‘regering’ is ‘malkuwth,’ wat ook ‘koninkrijk’ kan betekenen.
In dat geval zou het om het 16de jaar van Asa gaan, dus tien jaar voor Basa’s dood.
1 Koningen 22:23
23 Nu dan, zie, de HERE heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u, en de HERE heeft onheil over u besloten.
Hebreeën 6:18
18 opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt.
Ik raad iedereen aan de context van 1 Koningen 22 te lezen.
In Deuteronomium 28:20 staat dat de straf voor Israëls goddeloosheid verwarring zou zijn. Zo is de verwarring die God sticht aan het hof van koning Achab Gods oordeel voor zijn goddeloosheid.
Als je het verhaal in 1 Koningen 22 leest, zie je dat Achab eigenlijk helemaal niet geïnteresseerd is in de waarheid (net als in de tijd van Jeremia). Hij verzamelde valse profeten om zich heen, omdat die hem vertelden wat hij wilde horen. De Bijbel zegt over zulke mensen:
Ezechiël 14:4
4 Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;
Principe: de straf voor graag in de leugen verkeren, is in de leugen blijven. De straf komt overeen met de misdaad.
Maar merk op dat zowel in Jeremia’s tijd, als in dit geval van koning Achab, God de Israëlieten niet over liet aan de leugens die de valse profeten hen vertelden. Ze kregen alsnog de waarheid te horen, in Achab’s geval via de dienst van de profeet Micha.
Samenvatting:
Als God werkelijk wilde liegen, zou Hij de waarheid niet openbaar gemaakt hebben.
2 Koningen 8:26
26 Tweeëntwintig jaar was Achazja oud, toen hij koning werd; hij regeerde een jaar te Jeruzalem; zijn moeder heette Atalja; zij was de kleindochter van Omri, de koning van Israël.
2 Kronieken 22:2
2 Achazja was tweeënveertig jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Atalja; zij was de kleindochter van Omri.
Opnieuw een kopieerfout, zou ik zeggen. Tweeëntwintig is het juiste getal, dit wordt ondersteund door sommige LXX en Syrische manuscripten.
2 Koningen 24:8 (Statenvertaling)
8 Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.
2 Kronieken 36:9 (Statenvertaling(
9 Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
Eén van de mogelijke verklaringen die hiervoor gegeven wordt is dat Josia, Jojakin’s grootvader (ik gebruik de NBG namen, dus Jojakin i.p.v. Jojachin), Jojakin benoemde als opvolger, vlak voordat Josia optrok tegen de Egyptenaren, waarbij hij om het leven kwam. Toen zou Jojakin ongeveer acht jaar oud geweest moeten zijn.
Josia zag dat zijn zonen (1 Kronieken 3:15) goddeloos waren en hoopte dat Jojakin het er beter van af zou brengen. Hij zou er geen probleem mee gehad hebben een achtjarige op de troon te zetten, aangezien Josia zelf acht was toen hij koning werd (2 Koningen 22:1).
De enige manier waarop een kleinzoon troonopvolger kon zijn, terwijl zijn vader en ooms nog in leven waren, was via een adoptie waardoor hij ‘officieel’ de zoon werd van Josia. Zijn vader en ooms werden dus tevens zijn broers. Deze oplossing geniet Bijbelse ondersteuning:
Matteüs 1:11
11 Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylonische ballingschap.
Jechonja is een andere naam voor Jojakin (zie 1 Kronieken 3:16). De broeders in dit vers zijn eigenlijk zijn ooms en vader.
2 Kronieken 36:10 (NBV 2004)
10 Bij het aanbreken van het voorjaar liet koning Nebukadnessar hem en ook de kostbaarheden uit de tempel van de HEER naar Babel brengen. Nebukadnessar stelde Jojachin’s broer Sedekia als koning van Juda en Jeruzalem aan.
Hier wordt Sedekia, een oom van Jojakin, zijn broer genoemd. Dit kan alleen als Josia hem als zoon aangenomen heeft. (Er moet toegegeven worden dat het woord voor ‘broer’ een wat bredere betekenis heeft en ook bloedverwant kan betekenen. Maar in veruit de meeste gevallen is het gewoon broer.)
Maar het volk koos Joachaz als Josia’s opvolger, die maar drie maanden regeerde. Daarna regeerde Jajokim voor elf jaar (dit moet dan een naar boven afgerond getal zijn). Toen besteeg Jojakin eindelijk de troon, op zijn achttiende.
Dus volgens deze uitleg geeft 2 Kronieken 36:9 de leeftijd waarop hij officieel koning werd, terwijl 2 Koningen 24:8 aangeeft wanneer hij werkelijk de troon besteeg.
Het alternatief voor deze enigszins speculatieve oplossing is een kopieerfout in één van de teksten. Het betreft een getal, en getallen zijn extra kwetsbaar voor kopieerfouten.
2 Koningen 25:8,9
8 Daarna, in de vijfde maand, op de zevende van de maand – dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnessar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, de dienaar van de koning van Babel, te Jeruzalem, 9 en verbrandde het huis des HEREN en het koninklijk paleis; alle huizen in Jeruzalem, althans alle huizen der aanzienlijken, verbrandde hij met vuur.
Jeremia 52:12,13
12 Daarna, in de vijfde maand, op de tiende van de maand – dat jaar was het negentiende jaar van koning Nebukadressar, de koning van Babel – kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, die voor het aangezicht van de koning van Babel stond, te Jeruzalem, 13 en verbrandde het huis des HEREN en het koninklijk paleis; alle huizen van Jeruzalem, althans alle huizen der aanzienlijken, verbrandde hij met vuur.
De 17de-eeuwse historicus Archbishop James Ussher sprong flexibel om met deze schijnbare tegenstrijdigheid:
3416d AM, 4126 JP, 588 BC
850 On the seventh day of the fifth month (Wednesday, August 24), Nebuzaradan, captain of the guard, was ordered by Nebuchadnezzar to enter the city. {2Ki 25:8} He spent two days preparing provisions. On the tenth day that month (Saturday, August 27), he carried out his orders. He set fire to the temple and to the king’s palace. He also burned all the nobleman’s houses to the ground, with all the rest of the houses in Jerusalem. {Jer 52:13 39:8}
James Ussher, Annals of the World, The Fifth Age, p. 104
Er zijn allicht wel meer verklaringen te bedenken. Het is, zoals altijd, aan de scepticus om te bewijzen dat de twee verslagen werkelijk niet te harmoniseren zijn.
2 Koningen 25:19
19 en uit de stad nam hij één hoveling, die het bevel had over de krijgslieden, en vijf mannen uit de onmiddellijke omgeving van de koning, die in de stad aangetroffen werden, en de schrijver van de legeroverste, die het volk des lands tot de krijgsdienst opriep, en zestig mannen uit het volk des lands, die binnen de stad aangetroffen werden.
Jeremia 52:25
25 en uit de stad nam hij één hoveling, die het bevel had over de krijgslieden, en zeven mannen uit de onmiddellijke omgeving van de koning, die in de stad aangetroffen werden, en de schrijver van de legeroverste, die het volk des lands tot de krijgsdienst opriep, en zestig mannen uit het volk des lands, die binnen de stad aangetroffen werden.
Vijf mannen uit de onmiddellijke omgeving van de koning, of zeven? Een vroege kopieerfout schijnt de enige oplossing, aangezien ook de LXX deze contradictie bevat. Dit is ook één van de weinige gevallen waarin we niet kunnen bepalen welk getal correct is en welke niet, aangezien beiden even waarschijnlijk zijn.
2 Kronieken 36:1
1 Daarop nam het volk des lands Joachaz, de zoon van Josia, en maakte hem koning in Jeruzalem, in de plaats van zijn vader.
Jeremia 22:11
11 Want zo zegt de HERE van Sallum, de zoon van Josia, de koning van Juda, die na zijn vader Josia koning is geworden, die uit deze plaats vertrokken is: Hij zal daar niet weer terugkeren,
Joachaz en Sallum waren één en dezelfde persoon. Archbishop James Ussher schrijft hierover in zijn Annals of the World:
3371c AM, 4081 JP, 633 BC
732 In this year, Josia had a son called Shallum or Jehoahaz by Hamutal, the daughter of Jeremiah of Libnah. He was made king after his father at the age of twenty-three years. The people chose him as king, passing over his older brothers. {2Ki 23:30,31} [E79] It seems the name of Shallum was changed to Jehoahaz for good luck, as the other Shallum, the son of Jabesh, only ruled one month before he was murdered by Menahem. {2Ki 15:13,14}
James Ussher, Annals of the World, The Fifth Age, p. 91
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget


.
Uit de tv programma’s bleek echter dat het niet bij vliegende objecten bleef. Het is bij verschillende mensen tot contact met ‘buitenaardse wezens’ gekomen. De wezens werden duidelijk herkend en zijn in de programma’s ook beschreven. Er zijn zelfs operaties door hen uitgevoerd, waarbij bleek dat de wezens op zoek waren naar genetisch materiaal. Verschillende personen hielden hier dezelfde soort littekens aan over. Er was een vrouw die in verwachting was na een bezoek van ruimtewezens, maar haar kind verdween uit haar lichaam. Bij een later bezoek kreeg zij haar foetus in de ruimte te zien.
Wat moeten wij met deze verhalezn. Kunnen we er op grond van de Bijbel iets mee? Deze laatste vraag zullen we vast bevestigend beantwoorden. Deze wezens hebben niets gemeen met de Heere God en Zijn Woord! De Bijbel waarschuwt er juist tegen. Het zijn namelijk gevallen engelen, boze machten en krachten, die zich momenteel proberen te openbaren aan de mensheid. Daarom is het goed om eens een Bijbelstudie te wijden aan het onderwerp ‘engelen’. In dit artikel zullen we dan ook de Bijbel naslaan op teksten die gaan over het bestaan van engelen, de taken van engelen, het aantal engelen, de val van engelen, de superioriteit van engelen boven mensen, èn in sommige gevallen de superioriteit van mensen boven engelen. Dit laatste in verband met de redding van de mens.
.
De Bijbel gaat er heel gewoon vanuit dat engelen bestaan. Het woord ‘engel’ komt voor het eerst voor in Genesis 16:7. In de Psalmen staat : “Hij maakt Zijn engelen geesten” (Psalm 104 : 4).
Hebr. 1 : 14 zegt : “Zijn zij (= de engelen van vers 13) niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om degenen, die de zaligheid beërven zullen?”. Engelen zijn dienende geesten!
.
.
De Bijbelse definitie is “gedienstige geesten” (Hebr. 1 : 14) en dat is veel ruimer. Inderdaad zijn er engelen die boodschappen van God overbrengen. Denk aan de engel die de geboorte van Johannes de Doper en van de Heere Jezus Christus aankondigde (Lukas 1).
-In de hemel is hun taak om de Heere God te eren, te aanbidden en te dienen (Openb. 5 : 11 – 12, Openb. 8 : 3).
-Verder vinden we een engel die Filippus er toe leidde om de Ethiopische kamerling te ontmoeten (Hand. 8 : 26).
-We vinden engelen die ondersteunen en dienen : toen de Heere Jezus Christus bloed zweette in de hof van Gethsémané en bad, verscheen Hem een engel en die diende Hem; een engel hielp Elia in 1 Koningen 19 : 1 – 8.
-We vinden engelen die overleden gelovigen naar de hemel brengen enz.
.
.
-Engelen kunnen gesloten gevangenissen binnenkomen (Hand. 12 : 7), gevangenisdeuren openen (Hand. 5 : 19), en zij kunnen verschijnen in een vlam (Richt. 13 : 19 – 20).
-Engelen zijn klaarblijkelijk instaat om grote afstanden zeer snel af te leggen. Bijvoorbeeld in Daniël 10 : 12 – 13, waar de engel zich verontschuldigde dat hij 21 dagen later was door de worsteling met de overheden en machten in de hemelse gewesten.
-Engelen zijn wijzer dan mensen en zij zijn sterk. Eén engel doodde 185.000 Assyrische soldaten in één nacht (2 Kon. 19 : 35). Zo lezen we in 2 Samuël 24 : 15 – 16 dat één engel 70.000 Israëlieten sloeg die de zonde van David navolgden. Evenzo deed één engel de macht van Rome teniet, brak het zegel en rolde de steen van het graf van de Heere Jezus weg (Matth. 28 : 2 – 4).
-En op een dag zal een engel de duivel binden en hem voor duizend jaar gevangen zetten in de afgrond (Openb. 20 : 1 – 3).
Engelen zijn dus echt. Ze zijn er, en het zijn geestelijke wezens. Ze kunnen zichtbaar worden en menselijk voedsel tot zich nemen (Luk. 2 : 9; Gen. 32 : 1 – 2; Gen. 18 : 5). Engelen blijken ontelbaar te zijn. In Openbaring 5 : 11 lezen we: “En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden.” Er wordt gesproken over “de vele duizenden der engelen” (Hebr. 12 : 22). Nog een eigenschap van engelen is dat ze onsterfelijk zijn (Luk. 20 : 35 – 36).
.
Elke engel, die in de Bijbel verschijnt, verschijnt als man. Dit wordt helaas in bijna geen enkel Christelijk boek over engelen gevonden. Bijna altijd wordt van engelen verteld dat het geslachtsloze wezens zijn. Maar dit is on-Bijbels! Engelen worden door de Heere in Zijn Woord ‘mannen’ genoemd. Ze zijn nooit geslachtsloos! Wanneer u de bijbel bestudeert, zult u erachter komen dat er nergens in de Bijbel geslachtsloze engelen voorkomen.
Evenzogoed komt er nergens in de Bijbel een engel voor, die vleugels heeft. De engelen worden niet voor niets herkend als mannen. De Heere Zelf wordt ook wel de Engel des Heeren genoemd wordt.
Hoe komt men er dan bij om te zeggen dat engelen geslachtsloos zijn? Dat kan maar op één Bijbeltekst gebaseerd zijn, maar deze tekst wordt dan wel verkeerd uitgelegd. Het gaat om Matthéüs 22 : 30, waar staat: “Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel” (zie ook Mark. 12 : 25 en Luk. 20 : 35, 36). Dat er niet gehuwd wordt in de hemel, dat er dus geen voortplanting plaatsvindt in de hemel, wil niet zeggen dat deze geestelijke wezens geslachtsloos zijn. De Bijbel Zelf heeft het tegendeel bewezen. Ook de Heere Zelf is namelijk niet geslachtsloos. Hij is de Vader in de hemel, Die Zich geopenbaard heeft in Zijn Zoon Jezus Christus: allemaal mannelijk!
Nog even aandacht voor het feit dat engelen geen vleugels hebben. Hoe kan het dan dat de wezens op de ark van het verbond wel vleugels hadden, en dat de profeet Ezechiël in zijn gezichten ook wezens met vleugels zag? De Bijbel Zelf geeft het antwoord: dit waren geen engelen, maar Cherubs (zie Ex. 25 : 18 – 20, Ezech. 9 : 3 en Ezech. 10 : 1 – 22)! Vandaar dat gevallen engelen geen vleugels hebben, maar de duivel zelf, de satan, wel, want hij was volgens Ezechiël 28 : 13 – 19 de overdekkende cherub, een troonbekleder van God! Een waarschuwing is hier wel op zijn plaats, want deze gevallen cherub kan zich voordoen als ‘een engel des lichts’ (2 Kor. 11 : 14). De Bijbel geeft duidelijk uitleg: Engelen hebben geen vleugels; de Engel des Heeren, de Heere Zelf, heeft geen vleugels.
De tegenwoordige verblijfplaats van de engelen is in de hemel, of in de hemelse gewesten indien het gevallen engelen betreft. Een groot deel van deze engelen zal in de toekomst nog vallen in overeenstemming met Openbaring hoofdstuk 12. Indien u dat hoofdstuk leest, zult u opmerken dat de aandacht die tegenwoordig in boeken en tv-series gegeven wordt aan engelen en UFO’s, alleen maar een voorbereiding van de mensen is op toekomstige gebeurtenissen. Zij bereiden mensen voor om in de nabije toekomst een positieve kijk te hebben op gevallen engelen, wanneer zij naar de aarde zullen komen. De mensheid, die niet in de Bijbel als Gods Woord gelooft, zal deze gevallen engelen (verschijningen) dan accepteren als buitenaards leven!
De satan zal dit zeker gebruiken, en gezien de huidige aandacht voor UFO’s, bovennatuurlijke verschijningen, en buitenaards leven op bijvoorbeeld de planeet Mars, hoeft de duivel de mens alleen maar wijs te maken dat het hier niet gaat om gevallen engelen, maar om een mens of een hoog ontwikkeld wezen vanuit de ruimte. En wie gelooft er tegenwoordig nog in het bestaan van gevallen engelen, die zich als mannelijke wezens op aarde kunnen settelen? Zelfs de meeste Christenen niet. Maar weet u, dat dit in de geschiedenis al eerder gebeurd is? Dit staat vermeld in Genesis 6.
.
.
Er waren engelen die niet voldeden. 2 Petr. 2 : 4 spreekt over gevallen engelen als “engelen, die gezondigd hebben”. Dit heeft direct te maken met hetgeen we vinden in Genesis 6. De gevallen engelen rebelleerden toen satan gelijk probeerde te worden aan God (Jes. 14 : 12 – 15, Ezech. 28 : 11 – 19).
Het was de zonde van trots en ongehoorzaamheid, het was de zonde van vermenging met vrouwen op aarde (Gen. 6 : 4). Uit deze vermenging kwam een zondig geslacht van reuzen voort (Gen. 6 : 5), een nieuw geslacht, dat zich kon voortplanten, maar wat ontstaan was uit twee gevallen geslachten: Een gevallen mensen-geslacht en een gevallen engelen-ras.
Genesis 6. Gen. 6 : 2 zegt : “Dat Gods zonen de dochters der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden.” Uit die huwelijken kwamen: “reuzen, deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van naam.” (Gen 6 : 4).
.
Wat zijn Gods zonen? Gods zonen blijken in het Oude Testament engelen te zijn! In het Oude Testament, na de zondeval, bestond er nog geen wedergeboorte, mensen konden daarom nog niet IN CHRISTUS gedoopt worden door de Heilige Geest (= wedergeboorte, 1 Kor. 12 : 13, 2 Kor. 5 : 17). Deze mensen konden daardoor dus ook géén kinderen, of zonen Gods worden! Dat is aan de Gemeente van Jezus Christus voorbehouden. ‘Zonen Gods’ kan hier dus geen betrekking hebben op mensen.
Gods zonen staan hier voor engelen, ook zij zijn door God geschapen! In Genesis 6 hebben we te maken met engelen die niet meer bij God zijn, het zijn gevallen engelen. Judas 6 zegt dan nog over de gevallen engelen: “En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.” Deze engelen verschenen op aarde en hadden contact met de dochters der mensen (Gen 6 : 2). Daarvoor hebben zijn hun eigen woonstede (hun geestelijke lichaam) verruild voor een aards lichaam. Zij verschenen als mannen, en vermengden zich met de dochters der mensen.
En daaruit voort kwamen reuzen, een extreem goddeloos geslacht (Gen. 6 : 4 en 5). U begrijpt nu dat bijvoorbeeld de Griekse mythologie van goden en half-goden niet op totale verzinsels berust (Zeus, Olympus e.d.). Echter dat wat de mens als goden is gaan verheerlijken (mythologie), was een vermenging van mensen met onderdanen van de duivel. Vandaar de reuzen, vandaar de extreme goddeloosheid en boosheid in die dagen. En God moest oordelen en stuurde de zondvloed.
De dagen van Noach werden dus gekenmerkt door contact met het bovennatuurlijke! Door contact met de geestelijke wereld die zich op aarde manifesteerde! Vandaar dat de eindtijd ook wel omschreven wordt als “gelijk de dagen van Noach waren” (Matth. 24 : 37). Hetzelfde komen we nu namelijk weer tegen!
.
.
Heel populair zijn de boeken over Harry Potter. Bij de verkoop moet je er tegenwoordig op intekenen. De boeken zijn bij wijze van spreken niet aan te slepen. En in het nieuws is er ruim aandacht voor. De mensen gaan er ruim van te voren al voor uit hun dak! En dan te bedenken dat Harry Potter puur occult is. De dingen die in de boeken beschreven staan komen regelrecht uit het satanisme. Ja, Harry Potter draagt zelfs een merkteken op zijn voorhoofd (Openb. 13 : 16 – 18). Hoe meer magie, hoe beter! We hebben ook al The Lord of the Rings! Er zijn zelfs ‘Christelijke’ uitgevers en organisaties die Bijbelstudies uitgeven gebaseerd op vergelijkingen tussen The Lord of the Rings en de Bijbel. Er worden kerkdiensten gebaseerd op de film en de boeken. En dat terwijl de Bijbel waarschuwt tegen alles wat met toverij te maken heeft (Deut. 18 : 10 – 12a; Hand. 19 : 17 – 20)!
We zien in Openbaring 12 : 9 dat in de Grote Verdrukking inderdaad weer gevallen engelen op aarde geworpen worden: “En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.” Dat is wat nog moet gebeuren in de Grote Verdrukking, en de mensen worden nota bene door onder andere zogenaamde Christelijke instellingen voorbereid om contact te hebben met GEVALLEN ENGELEN!
.
Engelen zijn evenals onze eerste ouders, Adam en Eva, perfect geschapen. Engelen als geestelijke wezens, onze eerste ouders echter als vleselijke wezens. Wij mensen zijn dan ook ‘een weinig minder gemaakt’ dan de engelen (Ps. 8 : 6, Hebr. 2 : 7). Engelen waren dan ook in de directe nabijheid van God. Echter, in sommige gevallen staat de mens boven de engelen.
De Bijbel spreekt over “de duivel en zijn engelen” (Matth. 25 : 41). Als een gevolg van de val van die engelen, wacht die engelen van de duivel het oordeel. Judas 6 zegt: “En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.”
De gevallen engelen zullen evenals de ongelovige mensen na de tweede opstanding in de poel des vuurs geworpen worden (Openb. 20 : 15, Matth. 25 : 41). Er komt een dag dat mensen engelen zullen oordelen. In 1 Korinthe 6 : 3 zegt Paulus (over geredde mensen in deze bedeling, die op een dag gelijkvormig zullen zijn aan de Engel des Heeren, de Heere Jezus Christus): “Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen?” Dit is ongetwijfeld een verwijzing naar het oordeel over de gevallen engelen, waar Judas 6 over spreekt, en dat deel dat volgens Openbaring 12 nog moet vallen gedurende de Grote Verdrukking.
Ondanks dat we in zonde vielen, zal God ons op een dag in Christus boven de engelen verheffen. Wij zullen dan verloste wezens zijn, door Zijn bloed gekocht, die gelijkvormig zijn aan het beeld van Zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. We zullen niet in staat zijn om opnieuw te vallen, en daardoor zullen wij over gevallen engelen oordelen, over geestelijke wezens die zich tegen God keerden. “Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen?” Dit oordeel wordt in Openbaring 20 genoemd.
.
.
Toen de engelen zondigden, voorzag de Heere hen niet van een Verlosser. Waarom niet? Omdat deze engelen geen ‘vlees en bloed’ waren, zij leefden reeds als geestelijke wezens in aanschouwen bij God in de hemel. Door dat de gevallen engelen zich met de mensen vermengden, zelf een lichaam van vlees en bloed aannamen, probeerden zij de redding voor de mensheid onmogelijk te maken.
Wanneer de mensheid met gevallen engelen vermengd zou zijn, zou Jezus Christus niet kunnen komen om Zijn leven voor de gevallen mens te geven. Noach en zijn gezin werden gered, en de rest van de (vermengde) mensheid werd door God vernietigd door de zondvloed: Alles wat zich vermengd had met de gevallen engelen, werd door God vernietigd.
Toen Christus als Redder naar deze aarde kwam, kwam Hij als Verlosser, in de gedaante van een mens (Filip. 2 : 8), met bloed in Hem, om Zijn bloed te vergieten voor mensen van vlees en bloed, wiens leven was in hun bloed (Lev. 17 : 11, Hand 20 : 28), en wiens bloed fout, verkeerd, was, waardoor zij stierven. Engelen zullen dus nooit de vreugde kennen van de volbrachte verlossing in het bloed van Jezus Christus, want een engel is geen wezen, dat door bloed gekocht is.
.
.
.
.
Dit artikel is bedoeld voor christenen die zich afvragen: “Wat doet het er toe? Is de interpretatie van Genesis niet slechts een bijzaak? Het gaat toch om het Evangelie?” Deze mensen zijn het gezeur over ‘de leeftijd van de aarde’ en ‘de interpretatie van Genesis’ inmiddels zat. En vooral wanneer ze zien dat de discussies hierover fel en soms zelfs ‘liefdeloos’ worden, vragen ze zich af of dat het allemaal wel waard is.
En terecht. Als discussies over Genesis liefdeloos worden is dat inderdaad een slechte zaak. Maar aan de andere kant is het niet zo dat we om die reden maar ‘niet moeilijk moeten doen’ over Genesis. Het is niet zo dat de interpretatie van Genesis van ondergeschikt belang is. Er zijn allerlei redenen waarom christenen belang zouden moeten hechten aan wat de Bijbel zegt over de schepping van de wereld.
Om te beginnen zal ik beknopt vier redenen geven waarom de Bijbel onverenigbaar is met evolutionistische theorieën en miljoenen jaren. Daarna volgen er zeven redenen waarom het niet alleen bijbels correct, maar ook nog eens belangrijk is om Genesis te interpreteren zoals het bedoeld is, en geen compromissen te sluiten met menselijke bedenksels.
.
.
Vier redenen waarom evolutionistische theorieën en de Bijbel diametraal tegenover elkaar staan en onverenigbaar zijn:
.
De Bijbel maakt duidelijk dat de zondvloed in de dagen van Noach een wereldwijde gebeurtenis was. Het water stond boven de bergen en al het landleven buiten de ark, in welks neus de levensadem was, kwam om. Het wereldwijd voorkomen van fossielhoudende aardlagen is een overblijfsel van deze gebeurtenis en een herinnering aan Gods oordeel. Evolutionisten ontkennen de wereldwijde zondvloed en spreken daarmee rechtstreeks Gods Woord tegen.
Goed, dus de aarde kan geen miljoenen jaren oud zijn, en de evolutietheorie strookt niet met de Bijbel. Maar waarom is het zo belangrijk hierover een stevig standpunt in te nemen? Hier volgen zeven redenen.
.
.
Theïstisch evolutionisme levert een verkeerd beeld van het karakter van God. De God van de Bijbel is goed (Luc 18:19 en alles wat Hij doet is volmaakt (Deut 32:4). Maar de God van miljoenen jaren van evolutie en natuurlijke selectie is wreed en bloeddorstig. De atheïstische bioloog en Nobelprijswinnaar Jacques Monod zei:
[Natural] selection is the blindest, and most cruel way of evolving new species […] because it is a process of elimination, of destruction. The struggle for life and elimination of the weakest is a horrible process, against which our whole modern ethics revolts. An ideal society is a non-selective society, is one where the weak is protected; which is exactly the reverse of the so-called natural law. I am surprised that a Christian would defend the idea that this is the process which God more or less set up in order to have evolution.
.
.
De Bijbel is Gods Woord en deze zal altijd stand houden (Ps 119:89). De mens is leugenachtig (Rom 3:4). christelijke evolutionisten proberen Gods Woord te conformeren aan het woord der mensen. Dit is de verkeerde mentaliteit. We moeten menselijke beweringen juist toetsen aan het Woord van God (Hand 17:11).
.
.
.
Onder meer de volgende instellingen / doctrines zijn direct geworteld in de historische gebeurtenissen zoals beschreven in Genesis:
.
.
De reden dat Jezus voor onze zonden moest sterven is direct gebaseerd op de ware geschiedenis zoals die in Genesis staat. De Bijbel zegt: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben
” (Rom 5:12) en: “Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.
” (1 Kor 15:22) Door Adams zondeval kwam de dood in de wereld. Evolutie vernietigt dit historische gegeven, door te veronderstellen dat de dood er al was lang voor Adam bestond.
.
.
De evolutietheorie is gebruikt om de volgende antichristelijke ideologieën te propaganderen:
Vooral het humanisme is tegenwoordig dominant: “Omdat wij geen Schepper hebben hoeven we aan niemand verantwoording af te leggen, en kunnen we zelf de regels maken.”
Om deze redenen zouden christenen evolutie met kracht moeten bestrijden. Maar als we compromissen sluiten ondergraven we niet alleen de basis onder het christelijke geloof, we komen daarmee ook nog eens tegemoet aan een theorie die gebruikt is om al deze ideologieën te ondersteunen.
.
.
We bevinden ons op een slippery slope, compromis in Genesis heeft geleid tot:
.
.
.
.
Toen Paulus in Athene het Evangelie bracht (Hand 17) bestond zijn publiek uit Griekse wijsgeren die geen concept hadden van de almachtige God. Paulus moest dus eerst een fundering leggen door hen te vertellen over de identiteit van de God waarover hij predikte. Hoe definieerde Paulus over Wie hij het had? Dat deed hij als volgt (Hand 17:23-27):
Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u. De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft. Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en de grenzen van hun woonplaatsen bepaald, opdat zij God zouden zoeken, of zij Hem al tastende vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons.
Voordat Paulus hen het Evangelie kon vertellen, moest hij eerst een fundering leggen waarop verder gebouwd kon worden. Wat was die fundering? Genesis! Want het belangrijkste om over Paulus’ God te weten is dat Hij de Schepper van hemel, aarde en de mens is, en dus boven de schepping staat. Pas als we dit begrijpen kan het Evangelie een logische betekenis hebben.
De huidige samenleving lijkt op dit punt op die van de Grieken van 2000 jaar geleden: men gelooft niet meer in een almachtige Schepper. En de belangrijkste reden dat men niet meer in een Schepper gelooft, of zelfs denkt dat geloof in een Schepper achterhaald is, is evolutie. In deze maatschappij functioneert evolutionisme als het belangrijkste alternatief voor het christelijke geloof. Willen wij met een antwoord komen, kan het maar beter het júiste antwoord zijn! En in het geven van het juiste antwoord (Kolossenzen 4:6) moeten christenen één zijn, en elkaars werk niet ondermijnen.
Evolutie kan op geen enkele manier als fundament dienen waarop we kunnen bouwen als we het Evangelie brengen. We moeten mensen dus opnieuw vertellen dat er een Schepper is, en wel de Schepper waar in de Bijbel over gesproken wordt.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
1 Samuël 21 |
1 – 10 |
David naar Nob |
|---|---|---|
11 – 15 |
David te Gath |
.



.
.
.
Matteüs 28:1
1 Laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag der week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien.
Marcus 16:1
1 En toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala en Maria, (de moeder) van Jakobus, en Salome specerijen om Hem te gaan zalven.
Lucas 24:1
1 Maar op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden.
Johannes 19:39
39 En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.
Waarom gingen de vrouwen naar het graf? Volgens Matteüs gingen ze om het graf te bekijken. Volgens Markus en Lucas hadden ze het graf al gezien (Markus 15:47 en Lucas 23:55) en gingen ze naar het graf om Jezus’ lichaam te balsemen. Volgens Johannes was het lichaam al gebalsemd door Nikodemus.
Uiteraard is hier weer geen sprake van een tegenstrijdigheid. Stel dat je het graf van een overleden familielid bezoekt en bloemen meeneemt. Je zou kunnen zeggen dat je naar het kerkhof gaat om het graf te zien (wat natuurlijk niet in strijd is met dat je het graf al vaker gezien hebt; misschien kom je zelfs wel jaarlijks langs). Maar je zou ook kunnen zeggen dat je komt om bloemen te brengen. Het één sluit het ander niet uit.
Dat ze zijn lichaam wilden balsemen is niet in tegenspraak met het gegeven dat Jozef dit reeds gedaan had. Misschien had Jozef het haastig gedaan, omdat het bijna sabbat was. Of misschien wilden ze het gewoon nog een keer doen om dezelfde reden als dat wij meer dan eens bloemen komen brengen.
Kochten ze kruiden (naar Marcus), of bereidden ze die zelf (naar Lucas)? Opnieuw is hier geen contradictie. Afgelopen week kocht ik eten en bereidde ik het. Of ik kocht een gedeelte (bijvoorbeeld het dessert) en bereidde een ander gedeelte (bijvoorbeeld het hoofdgerecht) met spullen die ik reeds in huis had.
Matteüs 28:2
2 En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop.
Markus 16:5
5 En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar.
Lucas 24:4
4 En het geschiedde, terwijl zij daarover in verlegenheid waren, dat, zie, twee mannen in een blinkend gewaad bij haar stonden.
Johannes 20:12
12 en zij zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus gelegen had.
Dit is een kwestie van onvolledige rapportage, maar geen onjuiste rapportage. Matteüs vermeldt als enige de engel die buiten het graf op de steen zat, en laat de gebeurtenissen in het graf onbesproken. In zijn bespreking van wat er in het graf gebeurde, vermeldt Marcus slechts één van de twee engelen, namelijk degene die het woord voerde. Dat is geen enkel probleem; het is niet onjuist om niet uitputtend alle details te bespreken.
(Even een zijstraatje in: spreekt Markus de andere Evangeliën niet tegen door het over een ‘jongeman’ te hebben? Nee. Het woord ‘jongeman’ wordt wel vaker gebruikt om een engel mee aan te duiden. Dat het hier om een engel gaat is ook duidelijk vanwege het witte gewaad.)
Wat dan nog rest is de vraag of de engelen zaten (naar Johannes) of stonden (naar Lucas). Dat kan natuurlijk allebei waar zijn. Als er iemand binnenkomt die ik iets belangrijks te vertellen heb, is het goed mogelijk dat ik opsta. Geen contradictie.
Matteüs 28:8
8 En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten.
Markus 16:8
8 En zij gingen naar buiten en vluchtten van het graf, want siddering en ontzetting hadden haar bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd.
Lucas 24:9
9 en teruggekeerd van het graf, boodschapten zij dit alles aan de elven en aan al de anderen.
Johannes 20:18
18 Maria van Magdala ging heen en boodschapte de discipelen, dat zij de Here had gezien en dat Hij haar dit gezegd had.
Volgens Matteüs, Lucas en Johannes vertelden de vrouwen het aan de discipelen, maar volgens Marcus zwegen ze als het graf (oké, opzettelijke woordspeling). Maar deze discretie was natuurlijk slechts tijdelijk (ze moeten het uiteindelijk aan iemand verteld hebben, anders wisten we het nu niet). De uitspraak in Marcus zou kunnen betekenen dat ze onderweg naar de discipelen niemand iets vertelden.
(Een voetnoot in de NBV ’04 vermeldt overigens dat er enige variatie aan handschriften is na Markus 16 vers 8. Dit is wat in sommige handschriften tussen vers 8 en 9 te lezen is: “Alles wat hun opgedragen was, meldden zij in het kort aan de kring rond Petrus. Daarna stuurde Jezus zelf zijn leerlingen eropuit om van het oosten tot het westen de heilige en onvergankelijke boodschap van de eeuwige verlossing te verkondigen. Amen.”)
Matteüs 28:16
16 En de elf discipelen vertrokken naar Galilea, naar de berg, waar Jezus hen bescheiden had.
Marcus 16:14
14 Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden, die Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt was.
Lucas 24:33
33 En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij hen waren, vergaderd.
Johannes 20:24
24 En Tomas, een der twaalven, genaamd Didymus, was niet met hen, toen Jezus daar kwam.
1 Korintiërs 15:5
5 en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven.
Aan hoeveel discipelen verscheen Jezus? Waren het 11 discipelen (zoals in Matteüs, Markus en Lucas), 10 discipelen (zoals in Johannes: 12 minus Judas en Thomas) of 12 discipelen, zoals in de eerste brief aan de Korintiërs?
Het is niet onjuist om van ‘de elf’ of ‘de twaalf’ te spreken, ook al zijn er minder discipelen aanwezig. Deze termen worden hier gebruikt als titels van de groep discipelen van Jezus, niet als telwoorden. Op dezelfde wijze zouden wij kunnen zeggen dat ‘het Nederlands elftal’ afgelopen woensdag heeft gewonnen van Amerika, terwijl er in feite 17 spelers voor Nederland op het veld hebben gestaan.
Matteüs 28:18
18 En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op [de] aarde.
Marcus 6:5
5 En Hij kon daar geen enkele kracht doen; alleen genas Hij enige zieken door handoplegging.
Het woordje dat in Markus 6:5 vertaald is met ‘kon’ is het Griekse woordje ‘dunamai’ (doo’-nam-ahee). Strongs Concordantie geeft de volgende betekenissen:
1) to be able, have power whether by virtue of one’s own ability and resources, or of a state of mind, or through favourable circumstances, or by permission of law or custom
2) to be able to do something
3) to be capable, strong and powerful
Het dikgedrukte gedeelte geeft aan dat het geen absolute onkunde hoeft te impliceren. Jezus kon, als Hij wilde, wel grote tekenen laten zien, maar het lag niet in zijn mandaat om dat te doen, omdat de mensen in die streek geen geloof hadden.
Overigens gaat de tekst in Markus over iets wat vóór Jezus’ kruisiging en opstanding gebeurde, terwijl de uitspraak in Matteüs gedaan werd ná de opstanding.
Markus 15:39
39 Toen de hoofdman, die tegenover Hem stond, zag, dat Hij zó de geest gegeven had, zeide hij: Waarlijk, deze mens was een Zoon Gods.
Lucas 23:47
47 Toen de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeggende: Inderdaad, deze mens was rechtvaardig!
Ja…? Waar is de contradictie? Iemand die verbaast is mompelt van alles en nog wat. De hoofdman heeft dit allebei gezegd.
Lucas 14:26
26 Indien iemand tot Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broeders en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn.
1 Johannes 3:15
15 Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven blijvend in zich heeft.
Het enige wat dit demonstreert, is de scepticus’ neiging zonder nuances alles letterlijk en absoluut te nemen, om maar weer een tegenstrijdigheid aan te kunnen wijzen. Zelfs iemand die in een totale onwetendheid verkeert over de culturele context, zou moeten begrijpen dat Jezus niet letterlijk bedoelt je familie en jezelf te haten. Zelfs wij Westerlingen kennen het begrip ‘bij wijze van spreken.’
Maar een dergelijke absolute, zwart-wit (of houden van, of haten) manier om dingen te zeggen, is typisch voor het Oude Midden Oosten, waar extreem taalgebruik normaal was. Een ander voorbeeld:
Lucas 16:13
13 Geen slaaf kan twee heren dienen, want hij zal òf de ene haten en de andere liefhebben, òf zich aan de ene hechten en de andere minachten; gij kunt niet God dienen èn Mammon.
Het punt is dat de slaaf aan de ene heer meer is toegewijd dan aan de andere, maar het wordt weergegeven alsof er twee extremen zouden zijn.
Zo ook in Lucas 14:26: onze familie, of zelfs ons eigen vege lijf, moet ons niet meer waard zijn dan Jezus Christus, anders zullen we Hem niet optimaal kunnen dienen.
Marcus 16:12-13
12 Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen op de weg, terwijl zij zich naar het land begaven. 13 En ook die gingen heen om het aan de anderen te berichten. En ook die geloofden zij niet.
Lucas 24:33-34
33 En zij stonden op en keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij hen waren, vergaderd, 34 en dezen zeiden: De Here is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen.
Het verhaal in Lucas 24:13-35 vader,handelingen gaat over de welbekende Emmaüsgangers. De veronderstelde contradictie is dat Marcus 16 over deze zelfde Emmaüsgangers spreekt, en dat de discipelen hen volgens Lucas wel geloven, maar volgens Marcus niet.
Maar het hoeft hier niet over dezelfde gebeurtenis te gaan. Er zijn overeenkomsten tussen de twee verhalen (ze waren met z’n tweeën buiten de stad aan het wandelen, en Jezus verscheen in een andere gedaante). Maar er zijn ook verschillen. Volgens Marcus 16:12 waren ze op weg naar ‘het land’ (niet naar Emmaüs); volgens de Naardense vertaling waren ze op weg naar ‘de akker’. En ze werden niet geloofd, terwijl de Emmaüsgangers wel werden geloofd.
Je kunt niet op basis van de overeenkomsten zeggen dat deze verhalen dezelfde gebeurtenis betreffen, en tegelijkertijd op grond van de verschillen concluderen dat de verhalen tegenstrijdig zijn.
Verder moet er nog opgemerkt worden dat het einde van Marcus 16 (vanaf vers 9) in veel documenten mist, en mogelijkerwijs geen onderdeel uitmaakte van het oorspronkelijke Evangelie van Marcus. Fouten in deze passage zijn dus niet per se problematisch voor de goddelijke inspiratie van de oorspronkelijke geschriften.
Johannes 5:37
37 En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien.
Johannes 14:9
9 Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus, en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de Vader?
Beide Schriftgedeelten in de context geplaatst:
Johannes 5:30-38
30 Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft. 31 Indien Ik getuig van Mijzelf, is mijn getuigenis niet waar; 32 een ander is het, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is. 33 Gij hebt tot Johannes gezonden en hij heeft van de waarheid getuigd; 34 maar Ik behoef het getuigenis van een mens niet, doch Ik zeg dit, opdat gij behouden wordt. 35 Hij was de brandende en schijnende lamp en gij hebt u een tijdlang in zijn licht willen verheugen. 36 Maar Ik heb een getuigenis, gewichtiger dan dat van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft om te volbrengen, juist die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. 37 En de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft van Mij getuigenis gegeven. Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien, 38 en zijn woord hebt gij niet blijvend in u, want die Hij gezonden heeft, gelooft gij niet.
Johannes 14:7-10 (NBV 2004)
7 Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen jullie hem, want jullie hebben hem zelf gezien.’ 8 Daarop zei Filippus: ‘Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.’ 9 Jezus zei: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien? 10 Geloof je niet dat ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij.
En in nog een andere passage zegt Jezus:
Johannes 6:44-47
44 Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage. 45 Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God geleerd zijn. Een ieder, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij. 46 Niet, dat iemand de Vader gezien heeft; alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien. 47 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie gelooft, heeft eeuwig leven.
Omdat de Vader in de Zoon is, hebben degenen die Jezus’ werken hebben gezien, ook de Vader gezien, die door Jezus heen werkt. Zij hebben de Vader niet in gedaante gezien, maar ze hebben iets van Zijn persoonlijkheid kunnen zien, door Jezus’ daden. Daarom: wie Jezus kent, kent ook de Vader.
Handelingen 9:7
7 En de mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen.
Handelingen 22:9
9 En zij, die met mij waren, zagen wèl het licht, maar de stem van Hem, die tot mij sprak, hoorden zij niet.
Dat ze het licht zagen is niet in tegenspraak met dat ze ‘niemand’ zagen. Het gaat dus om de vraag of ze de stem hoorden of niet.
Paulus kan zich vergist hebben in Handelingen 22:9. Ten eerste was het vele jaren later, ten tweede kunnen zijn medereizigers (ook christenvervolgers) ontkent hebben iets gehoord te hebben. Dit is dus geen contradictie in de goddelijk geïnspireerde tekst, want Lucas (de schrijver van Handelingen) citeert Paulus slechts, hij zegt niet dat Paulus gelijk had.
Een andere mogelijke oplossing zit in het Griekse woordje voor ‘hoorden’. In beide verzen is dat ‘akouo’ (ak-oo’-o), maar in andere vervoegingen. Strongs Concordantie geeft voor dit woord:
1) to be endowed with the faculty of hearing, not deaf
2) to hear
– 2b) to attend to, consider what is or has been said
– 2c) to understand, perceive the sense of what is said
3) to hear something
– 3a) to perceive by the ear what is announced in one’s presence
– 3b) to get by hearing learn
– 3c) a thing comes to one’s ears, to find out, learn
– 3d) to give ear to a teaching or a teacher
– 3e) to comprehend, to understand
Het is goed mogelijk dat ‘akouo’ in Handelingen 9:7 vertaald moet worden met ‘hoorden’, maar in 22:9 met ‘begrijpen’. In dat geval hoorden Paulus’ reisgenoten de stem wel, maar verstonden ze het niet. De NIV vertaalt het daarom als volgt:
Handelingen 22:9 (New International Version)
9 ‘I am Jesus of Nazareth, whom you are persecuting,’ he replied. My companions saw the light, but they did not understand the voice of him who was speaking to me.
De Bijbel is Gods Woord en God is in alles te vertrouwen. Mensen zullen altijd wel ergens mee komen om het geloof in de dood en opstanding van Christus te ondermijnen, dan weer met lijsten Bijbelse tegenstrijdigheden, dan weer met alternatieve theorieën over het ontstaan van de wereld. Maar christenen moeten zich niet laten ‘medeslepen door allerlei leringen’ (Hebreeën 13:9) die strijdig zijn met het Evangelie.
Maar tegelijk beveelt de Bijbel ons alles te onderzoeken (1 Tessalonicenzen 5:21) en te weten hoe we iedereen het juiste antwoord kunnen geven (Kolossenzen 4:6).