Tagarchief: eed

Exorcisme

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

Exorcisme

 

Het exorcisme is een ritueel binnen de Katholieke Kerk dat door een bevoegde priester wordt uitgevoerd. Het ritueel is bedoeld om mensen of dingen te ontdoen van demonen. De Kerk gelooft dat Satan zoveel invloed op een persoon kan uitoefenen, dat hij bezeten wordt van een duivelse macht.

 

 

Het uitvoeren van een exorcisme ritueel houdt in dat enkele gebeden worden uitgesproken en bepaalde handelingen worden verricht. De oorsprong van exorcisme ligt bij Jezus, hij verdreef demonen en boze geesten. Hij gaf zijn discipelen de macht om dit ook te doen, toen hij hen uitzond:

“Hij riep de twaalf bij zich en gaf hun macht en gezag over alle demonen, en de kracht om ziekten te genezen.” (Lucas 9:1)

 

De officiële definitie van exorcisme volgens de Catechismus van de Katholieke Kerk:

“’Men spreekt van exorcisme, wanneer de Kerk in naam van Jezus Christus vraagt dat een persoon of een voorwerp beschermd mag worden tegen de greep van de Satan en aan zijn macht onttrokken zal zijn. Het exorcisme gaat terug op Jezus zelf die het heeft toegepast. Ook de macht en de taak van de Kerk om het exorcisme toe te passen zijn gebaseerd op de woorden van Jezus zelf.” (nr. 1673)

 

Het exorcisme maakt geen deel uit van de zeven Sacramenten. Het behoort echter tot de sacramentalia, zegeningen die voorbereiden op het ontvangen van sacramenten of die heiliging brengen in de situatie waar een persoon zich in bevindt.

In de Katholieke Kerk bestaat het onderscheid tussen het doop exorcisme en het ‘groot exorcisme’. De doopkandidaten (catechumenen) zijn tot aan hun Doopsel nog niet van de Erfzonde verlost, en zijn ze dus bijzonder vatbaar voor de demonische machten. Tegenwoordig wordt voor de dopelingen gebeden om bescherming tegen het kwaad.

 

 

 

Het doop exorcisme

 

Bij de Kinderdoop wordt gebeden:

“Heer onze God:
Gij hebt uw Zoon naar de wereld gezonden
om de macht van de Boze te breken
en de kwade geest uit ons te drijven,
om de mens aan de duisternis te ontrekken
en over te brengen
naar het wonderlijke rijk van licht;
wij bidden U:
bevrijd deze kinderen
van de smet van de eerste zonde,
en maak hen tot woning van uw heerlijkheid,
tot tempel van de Heilige Geest.
Door Christus onze Heer.”

 

 

 

 

Het groot exorcisme

 

Het plechtige, zogenaamde groot exorcisme mag alleen door een priester en met toestemming van de bisschop worden uitgeoefend. De Kerk waakt erover om in deze materie de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen. Het exorcisme is immers bedoeld om in naam van Christus, duivels uit te drijven of om iemand te bevrijden van demonische overheersing.

De situatie ligt heel anders wanneer er sprake is van een psychische ziekte. De Kerk staat erop, om voordat men een exorcisme uitspreekt, na te gaan of het wel degelijk om een aanwezigheid van de duivel gaat en niet om een psychische ziekte, waarvan de behandeling onder de medische wetenschap valt.

De functie van exorcist ging in de Katholieke Kerk gepaard met de wijding tot exorcist, de laatste van de vier Lagere Inwijdingen.  Technisch gezien is exorcisme niet het verdrijven van de duivel of een demon, maar het plaatsen van de duivel of demon onder een eed. In sommige gevallen kan een persoon door meer dan één demon bezeten worden. “Exorcisme” is afgeleid van het Griekse voorzetsel ek (uit) met het werkwoord horkizo wat betekent “Ik laat iemand zweren” of ik bezweer”.

Bij het exorcisme werd gebruikgemaakt van formuleringen in het Latijn als de officiële kerktaal. Telkens opnieuw werden dezelfde latijnse teksten herhaald, zoals:

“Exercismo te, immunidisseme spiritus, omnis incursio adversarii, omne phantasma, omnis legio, in nomine Domini nostri Jesus Christi; eradicare et effugare ab hoc plasmate Dei”. Vertaald:

Ik drijf u uit, zeer onreine geest, elke aanval van de Tegenstander, elke spookverschijning, elk legioen, in de naam van onze heer Jezus Christus; gij wordt uitgerukt met wortel en al en verjaagd uit dit schepsel van God.

 

Of:

“Adjuro te, serpens antique, per Judicem vivorum et mortuorum, per factorem tuum, per factorem mundi, per eum qui habet potestatem mittendi te in gehennam, ut ab hoc famulo Dei, qui ad simun Ecclesiae recurrit, cum metu et exercitu furoris tui festinus discedas”. Vertaald:

Ik bezweer u, slang uit de begintijd, bij de Rechter van de levenden en doden, bij uw maker, bij de maker van de wereld, bij Hem die de macht heeft u in het Gehenna te storten, dat gij snel vertrekt uit deze dienaar van God met alle verschrikkingen en beproevingen van uw razernij, opdat hij zich terug kan spoeden in de boezem van de Kerk.

 

Overigens werden niet alleen mensen geëxorciseerd. Ook voorwerpen konden door de duivel in bezit zijn genomen. Zo werd in de middeleeuwen bij ketter- of heksenverbrandingen vaak ook het hout en zelfs het vuur geëxorciseerd. Dit omdat men dacht dat de duivel in het hout en het vuur ervoor kon zorgen dat de ketter of heks minder pijn zou lijden. Bekend is de formulering hiervan bij de verbranding van de priester Urbain Grandier:

“Ecce crucem Domini, fugite partes adversae, vicit Leo de tribu Juda, radix David. Exorciso te, creatura ligni, in nomine Dei patris omnipotentis, et in nomine Jesus Christi filii eius Domini nostri, et in virtute Spritus Sancti”. Vertaald:

Aanschouw het kruis van de Heer, en mogen zijn vijanden vluchten, de leeuw van de stam van Juda heeft overwonnen, de wortel van David. Ik exorciseer u, schepsel van hout, in de naam van God de almachtige vader, in de naam van Jezus Christus, zijn zoon en onze Heer, en in de macht van de Heilige Geest.

 

 

 

 

 

 

Namen van de duivel

 

 

Satan

De naam Satan betekent aanklager, tegenstander, tester. In het Bijbelboek Job is Satan aangesteld als tester in dienst van God. Hij krijgt toestemming van God om Job op de proef te stellen. Satan is in dit kader niet zozeer een eigennaam, maar meer de benaming van een ambt: aanklager.

 

Lucifer

Het woord Lucifer is Latijn voor ‘morgenster’. De naam Lucifer behoort oorspronkelijk toe aan de planeet Venus, vanwege diens helderheid. De Vulgaat (Bijbelvertaling in het Latijn, tot stand gekomen tussen 390 en 405 na Christus) gebruikt het woord voor het licht van de morgen (Job 11:17). Als metafoor wordt de benaming toegepast op de koning van Babylon (Jesaja 14:12), op de hogepriester Simeon (De wijsheid van Jezus Sirach 50:6), op de beloning die degene krijgt als hij Jezus navolgt en overwint, en tenslotte op Jezus Christus zelf, het ware licht van ons leven (2 Petrus 1:19, Openbaring 22:16).

 

 

 

 

 

Promovendus Ruben van Luijk over de duivel en het satanisme in de negentiende eeuw

 

 

Oorsprong van de duivel

 

In het Zoroastrianisme – gesticht door Zoroaster die omstreeks 1000-600 voor Christus geleefd zou hebben – is het voor het eerst in de geschiedenis dat we een figuur tegenkomen die het kwaad vertegenwoordigt. Het Zoroastrianisme, vernoemd naar de profeet Zoroaster, is een dualistische religie.

Goed en kwaad is compleet gescheiden en in gevecht met elkaar. De schepper Ahura Mazda is goed, Ahriman is duister en kwaad. Ahura Mazda beschermt en vernieuwt de schepping, het doel van Ahriman is juist om deze te vernietigen.

Maar pas aan de wieg van het christendom wordt de benaming ‘Satan’ voor het eerst gebruikt. Het is een Hebreeuws woord dat tegenstander of aanklager betekent. De naam komt een paar keer voor in het Oude Testament en wordt zowel voor mensen als andere wezens gebruikt.  Satan is de aartsengel en heer van het kwaad. In het Bijbelboek Job is Satan een tester, als zodanig aangesteld door God.

De heersende christelijke interpretatie is dat alle demonische figuren in de Bijbel voor of onderhorig zijn aan de duivel. Satan is binnen het christendom vrijwel synoniem aan al het kwaad geworden. Binnen dit kader ontstond de praktijk van het exorcisme, die door de alomtegenwoordigheid van de duivel noodzakelijkerwijs in het leven werd geroepen.

 

 

Zoroastrianisme

 

 

 

 

 

 

 

Satans imagoverandering

 

In de negentiende eeuw vond in bepaalde delen van de westerse samenleving een imagoverandering van Satan plaats. Van een negatief imago, kreeg de duivel een positieve uitstraling. Dit heeft te maken met de Franse Revolutie (1789). God werd gezien als een dictator, een autocratisch monarch. De revolutie, het in opstand komen tegen de gevestigde orde werd iets positiefs. De duivel werd een held voor de revolutionairen, een dappere voorvechter.

 

 

 

 

 

 

De kerk van Satan

 

Anton Szandor LaVey, eigenlijke naam Howard Stanton Levy (1930-1997), was de satanist die de Church of Satan oprichtte. Op 30 april 1966 (Walpurgisnacht) stichtte hij de Church of Satan, de eerste publieke satanische organisatie ter wereld. Deze gebeurtenis markeert het begin van het moderne satanisme.

Satanisten zien zichzelf als navolgers van Satan, de enige godheid die, naar hun zeggen, begrijpt wat mensen doormaken:

“Satan, by one name or another, haunted mankind, tempting him with sweet delights and enlightening him with blinding secrets intended only for gods. He was one who could be petitioned for powers of retribution and who gave deserved rewards. Instead of creating sins to insure guilty compliance, Satan encouraged indulgence. He was the single deity who could really understand us.”

 

Satanisten zijn voorstanders van de vooruitgang en het streven naar meer kennis, dat is de kern van het occultisme:

“We are explorers on the untrodden paths of science, human motivation and mystery – all that is most truly occult.”

 

Volgens hen wordt ontwikkeling tegengehouden door spirituele mensen en theïsten. Een satanist wil steeds meer op het grote voorbeeld, Satan, gaan lijken. De eigenschappen van Satan zijn deze:

“the imagination to confound and confuse, the wisdom to recognize the unseen in our society, the pragmatism of a skeptic, and the passions of a classical Romantic soul.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Advertenties

De Bijbelse Oudheidkunde

Standaard

categorie : religie

 

 

.

De Bijbelse Oudheidkunde is de wetenschap die een beschrijving geeft van het leven op het terrein van de bijzondere Godsopenbaring (zoals overgeleverd in de Bijbel) , met zijn verschillende toestanden, instellingen, zeden en gewoonten.

 

 

oude Bijbelse geschriften, de dode zee-rollen

oude Bijbelse geschriften, de dode zee-rollen

 

.

 

Inleiding

.

Nut

 

Voor een goed begrip van de Bijbel, in het bijzonder van de Bijbelse Geschiedenis, is het nodig om enigszins bekend te zijn met de Bijbelse Oudheidkunde.

.

 

Stof

 

De naam Israëlitische Oudheidkunde moet als te beperkt worden verworpen. Pas na de uitleiding uit Egypte treden de nakomelingen van Abraham, Izaäk en Jakob in de geschiedenis op als het volk Israël. Bij de Sinaï heeft God hen geformeerd tot een volk, en aangenomen tot Zijn volk, dat tot op Christus’ komst drager van Zijn bijzondere openbaring zijn zou. Aangezien echter de bijzondere openbaring niet eerst toen, maar al direct na de zondeval begonnen is, moet de Oudheidkunde ook van hen, die van Adam af met deze openbaring werden bedeeld, het leven en de leefvormen beschrijven, althans voor zover dit mogelijk is.

.

 

Gegevens

 

Wat de tijden vóór Mozes aangaat, staan ons niet veel gegevens ter beschikking. Aan het tijdperk van Adam tot Abraham worden in de Schrift slechts enkele bladzijden gewijd. Wel valt er meer te beschrijven over het tijdperk van Abraham tot Mozes, maar kan er zeker geen volledige beschrijving van de Oudheidkunde in dit tijdvak gege-ven worden. En het weinige, dat meegedeeld word, geeft wel enig inzicht in het godsdienstig leven, maar biedt heel weinig gegevens over het burgerlijk-maatschappelijk leven.

.

 

Indeling

 

Wat de indeling van de voorhanden stof betreft, verdient het de voorkeur, om eerst het godsdienstig leven, en vervolgens het persoonlijk en huiselijk, het maatschappelijk en staatkundig leven te beschrijven. Als bezwaar wordt hiertegen ingebracht, dat het natuurlijke eerst is, daarna het geestelijke, en dat de bijzondere openbaring altijd begint met in het natuurlijk leven in te gaan. Dit bezwaar is niet helemaal ongegrond. Het kan niet worden ontkend, dat de goddelijke instellingen en gebruiken het natuurlijk leven veronderstellen en zich daarbij aansluiten.

Anderzijds mag echter niet worden voorbijgezien, dat juist op het terrein van de bijzondere openbaring heel het leven door de dienst van God wordt beheerst en gedragen. Het is, om een voorbeeld te noemen, de roeping van en de belofte aan Abraham, die de levensgang van de aartsvaders bepaalt. Met name bij Israël is het burgerlijk-maatschappelijk leven niet los te denken van het godsdienstige leven. Heel de nationale ontwikkeling van Israël hangt ten nauwste samen met zijn verkiezing en bestemming tot volk van God.

.

 

oude gebouwen uit de tijd van koning David

oude gebouwen uit de tijd van koning David

 

.

 

Het godsdienstig leven vóór Mozes

.

Terstond na de geschiedenis van de zondeval (Gen. 3 : 1) lezen we van het offer, door Kaïn en Abel gebracht (Gen. 4 : 1). In het algemeen heeft het offer ten doel, de gemeenschap met God te zoeken, door Hem een stoffelijke ga-ve aan te bieden. Vóór de val wijdde de mens zichzelf met al het zijne de Heere toe. Maar door de zonde werd de gemeenschap met God verbroken. Toen heeft God Zelf de gevallen mens opgezocht, hem de belofte geschonken van het vrouwenzaad, (Gen. 3 : 15).

Kaïn en Abel zijn de eersten, van wie wij lezen, dat zij hebben geofferd, kennelijk met het doel, Gods gemeen-schap te zoeken, een blijk van Zijn gunst te ontvangen, door Hem met welgevallen te worden aangezien. Een andere onderscheiding dan die tussen bloedige en onbloedige offers, (Gen. 4 : 3 en 4) werd blijkbaar nog niet gemaakt.

Uit het feit, dat er vóór Abraham alleen van brandoffers sprake is, niet van zonde- en schuldoffers, mag niet wor-den afgeleid, dat de behoefte aan verzoening niet werd gekend. Pas bij Noach lezen we van een altaar, (Gen. 8 : 20) waaruit echter niet volgt, dat er vóór de zondvloed niet op een altaar zou zijn geofferd. In de dagen van Seth, na de geboorte van Enos (Gen. 4 : 26) “begon men de Naam van de Heere aan te roepen”, d.w.z. er werd een begin gemaakt met de openbare godsdienstoefening. Op geregelde tijden kwam men samen tot gemeenschap-pelijke verering en offerande.

.

 

Altaren

 

Van de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jakob, weten wij, dat zij op de plaats waar de Heere hun verscheen, of waar zij zich voor enige tijd dachten te vestigen, altaren bouwden, om God hun offers te brengen en daar in het gebed tot Hem te naderen, (Gen. 12 : 7 – 13 : 4 – 21 : 33 – 26 : 25). Deze altaren waren hoogten, gebouwd van ongehou-wen stenen of van graszoden, en stonden in de open lucht of onder de schaduw van een boom. Het offer werd gebracht door de huisvader. Een speciaal ingesteld priesterschap kent de patriarchale tijd niet.

 

.

Besnijdenis

 

Aan Abraham werd reeds als een blijvende instelling de besnijdenis bevolen. Op zijn 99 ste jaar sprak de Heere tot hem: Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde” (Gen. 17 : 10). Deze besnijdenis, die op de achtste dag moest plaatshebben, was dus een teken en een zegel van het verbond, dat tot inhoud had: “u te zijn tot een God en uw zaad na u” (Rom. 4 : 11). De wegsnijding van de voorhuid, dat in de regel door de huisvader met een stenen en later met een stalen mes gedaan werd, was een zegel van de wegneming van “de voorhuid des harten” en van “de besnijdenis des harten”, dat is van het zondige hart, de vleselijke natuur, waaruit de zonden voortkomen.

Ook ingeborene en gekochte slaven, alsook inwonende vreemdelingen, waren aan het bevel van de besnijdenis onderworpen (Gen. 17 : 12 en 13). Lang vóór Abraham werd al bij de Egyptenaren en andere volken uit de oud-heid de besnijdenis toegepast als een soort van gezondheidsmaatregel, en dan niet voor elke man uit het volk, maar alleen voor de priesters, terwijl van een besnijdenis van kinderen nooit sprake was. De moslims voltrekken ze, ook nu nog, pas op hun 13e jaar (Gen. 17 : 25).

Zoals God niet pas tijdens Noach de regenboog in het aanzijn riep, maar die voortaan stelde tot een teken van Zijn verbond, zo sloot Hij, toen Hij aan Abraham de besnijdenis gaf, Zich aan bij een reeds onder andere volken bestaand gebruik, maar bepaalde daarvoor wel een geheel nieuwe manier van bediening, en gaf daaraan ook een geheel nieuwe, geestelijke betekenis.

.

 

Eed zweren

 

Bij de aartsvaders lezen we voor het eerst van het eed zweren. Toen God aan Abraham de belofte van het verbond gaf, zwoer Hij bij Zichzelf, dat Hij bij niemand die meerder was, had te zweren (Gen. 22 : 16 tot 26) en (Hebr. 6 : 13). Abraham liet zijn knecht zweren bij de Heere, de God des hemels en der aarde (Gen. 24 : 2 en 3). Jakob zwoer bij de vreze van zijn vader Izaäk: (Gen. 31 : 53)  “dat is, bij God, Die zijn vader Izaäk met grote eerbied en godvruchtigheid diende”. Bij het zweren werd de hand opgeheven tot de hemel (Gen. 14 : 22) of gelegd onder de heup van hem, die de eed vroeg (Gen. 24 : 2 tot 9 – 47 : 29)  (Gen. 21 : 23 – 24 : 31 – 25 : 33 – 26 : 31 – 47 : 31 – 50 : 25).

.

 

Zegening

 

Ook de patriarchale zegening was een godsdienstige handeling. Hierbij traden de aartsvaders op als profeten, wat onder meer hieruit blijkt, dat zij de zegening niet gaven aan de kinderen, voor wie zij een zekere voorliefde had-den (Gen. 27 : 27 en 39 en 49 – 48 : 14). Abraham heeft Izaäk niet gezegend; dat Izaäk de erfgenaam van de be-lofte zou zijn, was boven alle twijfel verheven. De zegening van Izaäk moest echter het onderscheid tussen Jakob en Ezau, de zegening van Jakob het onderscheid tussen Juda en zijn andere zonen openbaren en in de historie vaststellen.

.

 

Afgoderij

 

Hoewel de aartsvaders zich zelf vrij hielden van alle afgoderij, sloop deze nochtans hun tenten binnen. Rachel stal de terafim van haar vader (Gen. 31 : 19) en Jakob moest, vóór hij zijn gelofte te Bethel kon vervullen, de vreemde goden en de (waarschijnlijk als amuletten gedragen) oorsierselen van zijn huisgenoten wegdoen (Gen. 35 : 2).

 

 

Aanbidding van de Mammon, de geldgod

 

Pasteltekening van John astria

.

 

Egyptische invloed

 

Van het godsdienstig leven van de kinderen Israëls tijdens hun verblijf in Egypte wordt in de Schrift weinig mee-gedeeld. De godvruchtigen hebben stellig geleefd bij de beloften, aan de vaderen gedaan, en de hoop vastge-houden op het toekomstig bezit van Kanaän (Ex. 4 : 29 tot 31). Dat de sabbat in ere werd gehouden, kan als zeker worden aangenomen; uit het feit, dat er op de sabbat geen manna viel, blijkt dat hij door Israël vóór de wetge-ving al werd gevierd (Ex. 16 : 23 tot 30). In Egypte werden de afgoden door velen gediend (Lev.17 : 7) (Ez. 20 : 7 tot 9). In de latere geschiedenis komt telkens uit, hoezeer de zeden en gewoonten van de Egyptenaren invloed op de Israëlieten hebben uitgeoefend. Zeer waarschijnlijk heeft de herinnering aan de stierdienst in Egypte geleid tot het maken van het gouden kalf bij de Sinaï  (Ex : 32).

 

 

Byzantijnse kerk met mogelijk het graf van Zacharia

Byzantijnse kerk met mogelijk het graf van Zacharia

 

.

 

Het godsdienstig leven bij het volk Israël

.

Uit kracht van het verbond met Abraham waren de kinderen Israëls ten allen tijde een afgezonderd geslacht. Daarom noemt de Heere hen, in opdracht aan Mozes, “Mijn volk”(Ex. 3 : 7 en 10). Voor het eerst bij de Sinaï echter worden ze daadwerkelijk geformeerd tot een volk, en gaat de belofte in vervulling: “Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn”(Ex. 6 : 6). Uit kracht van de genadige betrekking, waarin God Zich tot Israël stelt, in onderscheiding van andere volken, geeft Hij het volk Zijn wetten en inzettingen, die alle rusten op de Wet, nl. de Wet van de tien geboden (Ex 20 en Deut 5).

God, Die heilig is, had Israël verkoren om een heilig volk te zijn en zich Hem geheel en al toe te wijden. Israël was dat, wanneer het in- en uitwendig, in geloof en levenswandel, zich gedroeg overeenkomstig de wetten, welke God bij de Sinaï gaf. Deze heiligheid, waartoe Israël geroepen was, sloot niet alleen de zedelijke heiligheid in, die in de wet van de tien geboden, maar ook de ceremoniële heiligheid, die in de schaduwachtige wetten wordt ge-vraagd. Deze laatste, die in Christus en Zijn gemeente hun vervulling verkrijgen, bevatten wat door God was bepaald omtrent:

  • plaatsen van de offerdienst (tabernakel, tempel),
  • voor de dienst van God uitverkoren personen (levieten, priesters),
  • bepaalde godsdienstige handelingen (offeren, reinigen, besnijden, geloften doen, bidden en zegenen, verbannen, wijden eerstgeborenen, eerstelingen en tienden, zalven, gewijde zang en muziek) en
  • bijzondere tijden (dagelijks offers, sabbat, maandsabbat, sabbatsjaar, jubeljaar, feesttijden, verzoendag).

 

.

Israël, het volk van God

Israël, het volk van God

 

 

 

 

.

3d-gouden-pijl-5271528

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

.

 

John Astria

John Astria