Tagarchief: geel

Muizenoor : Hieracium pilosella

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

2237

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de kleine paardenbloem-achtige bloemen, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben en
– de langwerpige tot spatelvormige rozetbladeren met lange, witte, afstaande haren aan de bovenkant en wit viltige onderkant

 

 

hieracium-pulsillum-schiermonnikoog-010

 

 

 

Algemeen

 

Muizenoor is een lage, grijsgroene, overblijvende plant van 5 tot 30 cm hoog. Ze groeit op open plaatsen in droge tot vrij vochtige, grazige grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Muizenoor bloeit vanaf mei tot de herfst met bleekgele tot gele bloemhoofdjes, die aan het einde van een bladerloze stengel staan. De hoofdjes bestaan uitsluitend uit lintbloemen. De onderkant van de buitenste lintbloemen heeft in het midden een brede rode streep. De omwindselbladen zijn maximaal 1,5 mm breed en zijn, evenals de stengels, behaard met lange witte haren en/of kortere zwarte klierharen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan in een rozet, meestal vrij vlak uitgespreid. Ze zijn langwerpig tot spatelvormig, boven het midden het breedst. Aan de bovenkant en langs de rand zijn ze verspreid behaard met lange, witte, afstaande haren. De onderkant is dichter behaard, wit en viltig. Om bij grote droogte verdamping te beperken krullen de bladeren om en wordt de witte onderkant zichtbaar.

Muizenoor vormt bovengrondse, bebladerde uitlopers, die nieuwe rozetten vormen. Op die manier kan ze hele stukken grond bedekken. Voor muizenoor is het wel van belang dat op de plaatsen waar ze groeit het gras laag blijft. Begrazing zal de groei van muizenoor daarom bevorderen.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Muizenoor bevat flavonoïden, looi- en bitterstoffen. In de kruidengeneeskunde wordt muizenoor nauwelijk nog gebruikt. In de volksgeneeskunde wordt ze nog wel toegepast bij lever-, maag- en darmaandoeningen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen
– 5 tot 30 cm

Bloem
– bleekgeel tot geel
– vanaf mei tot de herfst
– hoofdje alleenstaand
– alleen lintbloemen
– 2 tot 3 cm

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot spatelvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet aflopend (in steel)
– veernervig
– bovenkant lang zacht behaard
– onderkant wit viltig

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Muurbloem : Erysimum cheiri

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

erysimum-cheiri-muurbloem-07819

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, oranjegele, 4-tallige bloemen en
– de langwerpige bladeren met gave rand en spitse top

 

 

muurbloem1

 

 

 

Algemeen

 

Muurbloem is een overblijvende, zeer zeldzame, aangenaam geurende plant van 20 tot 90 cm hoog. Ze groeit op kalkrotsen en op oude stadsmuren en ruïnemuren, die gevoegd zijn met zachte kalkspecie.,Meestal groeit ze niet op de rechte delen, maar op de uitspringende of scheef gezakte delen van de muur.

Ze is wettelijk beschermd en staat op de rode lijst. Oorspronkelijk is ze afkomstig uit het oostelijke Middellandse Zeegebied. Ze is als sierplant verspreid over Europa en vanuit tuinen verwilderd. Als tuinplant heeft ze goudgele tot oranje of bruine tot donkerpaarse bloemen.

 

 

tuinplant

 

 

 

tuinplant

 

 

 

Bloem

 

Muurbloem bloeit in mei en juni met oranjegele bloemen. De bloemen staan in trossen aan het einde van de stengel en zijstengels. Ze hebben 4 zacht behaarde kroonbladen en 4 kelkbladen. De kelkbladen zijn meestal groen, maar ze kunnen ook bruin zijn.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Alle bladeren zijn langwerpig, hebben een gave rand en een spitse top. De stengels verhouten aan de voet.

 

 

wild

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam, stadsplant
– ook als tuinplant
– beschermd en op de rode lijst
– 20 tot 90 cm

Bloem
– geel
– mei en juni
– tros
– stervormig
– 2 tot 2,5 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet gevleugeld
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– onderste gedeelte verhout
– behaard
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Bariet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Het mineraal bariet (ook wel bariumsulfaat, zwaarspaat, blanc fixe of permanentwit genoemd) is een barium-sulfaat met de chemische formule BaSO4. Het kan o.a. kleurloos, wit, geel, grijs en blauw zijn. Het is transparant, doorschijnend of opaak en heeft een glas- of parelglans. Bariet is niet oplosbaar in water, zuren en basen.

 

 

 

 

 

Eigenschappen

 

Het heeft een hardheid van 3 tot 3,5. Bariet is niet oplosbaar in water en heeft een hoge weerstand tegen andere chemicaliën. Het heeft een dichtheid van 4,48 kg/dm3, een witte streepkleur en de splijting van het mineraal is perfect volgens [210] en imperfect volgens [010]. De dubbelbreking van bariet is 0,0110 – 0,0120. Er bestaan stenen van onzuiver bariumsulfaat die opgloeien in het donker, zogenaamde Bologna-stenen.

 

 

 

 

 

Voorkomen

 

Bariet komt meestal voor in hydrothermale aderswaar het ontstaat bij lage tot middelmatige temperatuur. Verder wordt het gevonden in gangen en holten in kalksteen en in nieuwgevormde, vochtige en licht verzilte bodems. Bariet is een veel voorkomend mineraal en wordt o.a. gevonden in China, Europa (o.a. Engeland, Duitsland, Spanje), VS, Bolivia en Australië. In België wordt bariet aangetroffen te Blieberg, Angleur, Villers en Fagne en Fleurus.

 

 

.
.
.

 

Etymologie

 

De naam bariet komt van het Griekse woord barys wat “zwaar ” betekent. Dit vanwege het uitzonderlijk hoge gewicht voor een niet metaalhoudend mineraal.

 

 

 

.

.

Chemische eigenschappen

 

 

Mineraal
Chemische formule BaSO4
Kleur Kleurloos, soms gekleurd door onzuiverheden
Streepkleur Wit
Hardheid 3 tot 3,5
Gemiddelde dichtheid 4,48 kg/dm3
Glans Glas
Opaciteit Doorzichtig tot opaak
Breuk Oneffen
Splijting Perfect, [210]; imperfect, [010]
Kristaloptiek
Kristalstelsel orthorombisch
Brekingsindices 1,634 – 1,648
Dubbele breking 0,0110 – 0,0120
Overige eigenschappen
Chemisch gedrag Fosforiserend

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bariet met fluoriet bariet cluster

 

 

 

bariet mineralen – Marokko

 

 

 

blauwe bariet

 

 

 

vandaniet kristallen op bariet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Scapoliet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemene informatie

 

Scapoliet is een groep mineralen bestaande uit aluminium, calcium, natriumsilicaat, chloor, carbonaat en sulfaat. Het kan geel, blauw, paars, grijs, wit en groen van kleur zijn. Scapoliet is een mineraalgroep uit de isomorfe reeks tussen marialiet en mejoniet. Beide behoren tot de tectosilicaten.

Het doorzichtig tot doorschijnend scapoliet heeft een glasglans, een witte streepkleur en de splijting is duidelijk volgens de kristalvlakken [100] en [110]. Scapoliet heeft een gemiddelde dichtheid van 2,66 en de hardheid is 6. Het kristalstelsel is tetragonaal en het mineraal is niet radioactief.

 

 

ruw

 

 

 

 

Etymologie

 

Scapoliet komt van het Griekse woord skapos wat staaf betekent, vernoemd naar de vaak langwerpige kristalvorm.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vindplaats

 

Scapoliet is een mineraal dat voorkomt als verweringsproduct van plagioklazen uit gabbro’s’s. De typelocatie van scapoliet is het Otter Lake in Canada. Afzettingen bevinden zich in Myanmar, waar gele, roze violette en blauwe kristallen te vinden zijn. Enige vertonen een kattenoogeffect. Gelijksoortige scapolieten komen ook voor in Sri Lanka.

Gele scapolieten worden gewonnen in Canada, lichtgele in Brazilië. Afzonderlijke doorzichtige kristallen kunnen 40 x 10 cm groot worden. Edelsteenskapolieten komen ook voor in Tanzania, Kenia, Madagaskar en Mozam- bique. Grote geslepen stenen zijn zeldzaam.

In het Smithsonian Institution in Washington bevinden zich onder andere een geslepen steen van 288 karaat, een geslepen skapoliet-kattenoog van 29,9 karaat uit Myanmar en een zware geeloranje geslepen steen uit Tanzania. Het wordt verder gevonden in Brevik, Noorwegen.

 

 

blauwe scapuliet

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

Samenstelling: 3NaAlSi3O8.NaCl – 3CaAl2Si2O8.CaCO3

hardheid: 5 – 6

dichtheid: 2,5 – 2,7

 

 

 

 

 

scapoliet
Skapolit,1 Benono, Madagaskar.jpg
Mineraal
Chemische formule Na4[Cl(Al3Si9O24)] MarialietCa4[CO3(Al6Si6O24)] Mejoniet
Kleur Kleurloos, wit, grijs, groengrijs, blauwachtig, roze, violet, oranje
Streepkleur Wit
Hardheid 5-6
Glans Glasglans, parelmoerglans
Breuk Schelpvormig, ruw
Kristaloptiek
Brekingsindices Ne 1,540 tot 1,548, No 1,549-1,567
Dubbele breking -0,007-0,020
Dispersie 2,017
Luminescentie Soms geel of oranje
Pleochroïsme Met blote oog waarneembaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bismut

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Algemene informatie

.

Bismut is een broos zwaar metaal met een witte kleur en een zilver-roze glans. Het is het enige zware metaal wat niet giftig is. Het oppervlak vertoont een dunne iriserende oxidatielaag die vele kleuren laat zien, van geel tot rood en blauw. De trapvormige structuur ontstaat doordat de kristallen met een onregelmatige snelheid groeien.

Bismut is een scheikundig element met symbool Bi en atoomnummer 83. Het is een roodwit hoofdgroepmetaal. Daarnaast is bismut het meest diamagnetisch. Het heeft een zeer gering elektrisch geleidingsvermogen en vertoont van alle metalen het hoogste Hall-effect. Bismut verbrandt onder vorming van een heldere blauw/groene vlam.

Bismut is één van de weinige stoffen die uitzet bij bevriezen; een eigenschap die het metaal deelt met water en gallium. Lange tijd werd bismut algemeen gezien als het zwaarste stabiele element. In 2003 ontdekten Franse onderzoekers echter dat de stabielste isotoop, bismut-209, toch zeer zwak radioactief is.

.

.

.

.

.

.

Etymologie

.

Bismut is afgeleid van het Duitse wismut, wat witte massa betekent. In het verleden werd bismut vaak verward met tin of lood omdat het daar veel eigenschappen mee deelt. In 1753 lukte het de Franse wetenschapper Claude François Geoffroy om bismut te scheiden van lood.

.

.

.

.

.

.

Vindplaats

.

Bismut houdende mineralen worden gewonnen in o.a. Australië, Bolivia, Canada, China, Mexico en Peru.

.

.

 

.

.

.

.

Toxicologie en veiligheid

.

Hoewel bismut tot de zware metalen behoort, is het onschadelijk voor organismen.

.

.

.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

samenstelling: Bi

hardheid: 2,25

dichtheid: 9,7

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Bastnasiet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Eigenschappen

 

Bastnasiet is een fluorhoudend carbonaatmineraal. Het doorzichtig tot doorschijnend geel tot roodbruine bastnasiet heeft een glas- tot vetglans, een witte streepkleur en de splijting van het mineraal is imperfect volgens het kristalvlak [1011] en onduidelijk volgens [0001]. Het kristalstelsel is hexagonaal. Bastnasiet heeft een gemiddelde dichtheid van 4,97, de hardheid is 4 tot 5 en het mineraal is niet tot zwak radioactief.

De gamma ray waarde volgens het American Petroleum Institute ligt, afhankelijk van de exacte samenstelling, tussen de 0 (voor de Y-houdende variant) en de 60.386,61 voor de cerium-houdende variëteit. De brekingsindex is 1,717 tot 1,818 en de dubbelbreking is 0,1010.

 

 

 

 

 

 

.

 

Naam

 

Het mineraal bastnasiet is genoemd naar de Bastnäs-mijn in Zweden, waar het mineraal voor het eerst gevonden werd.

 

 

ruw

 

 

 

 

 

Voorkomen

 

Bastnasiet is een mineraal dat gevormd wordt in de verweringszones van alkalische stollingsgesteenten. De typelocatie van bastnasiet is de Bastnäsmijn in het district Riddarhyttan in Västermanland te Zweden. Bastnasiet wordt momenteel gewonnen in Zweden, Noorwegen, de Balkan landen, Canada en de Verenigde staten.

 

 

.
.
.
.
.

 

 

Chemische eigenschappen

 

 

Mineraal
Chemische formule (La,Ce,Y)CO3F
Kleur Geel tot roodbruin
Streepkleur Wit
Hardheid 4 tot 5
Gemiddelde dichtheid 4,97 kg/dm3
Glans Glas- tot vetglans
Opaciteit Doorzichtig tot doorschijnend
Breuk Oneffen
Splijting Imperfect, [1011], onduidelijk [0001]
Kristaloptiek
Kristalstelsel diagonaal
Brekingsindices 1,017 – 1,818
Dubbele breking 0,1010
Overige eigenschappen
Radioactiviteit Niet tot zwak radioactief; gamma ray; 0 – 60.386,61 API

 

 

 

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine klaver : Trifolium dubium

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

kleine-klaver

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele bloemhoofdjes met vlinderbloemen, die een smalle vlag   hebben en
– die na de bloei geelbruin verkleuren en gaan hangen en
– het driedelige klaverblad

 

 

10952

 

 

 

Algemeen

 

Kleine klaver is een zeer algemeen voorkomend eenjarig plantje van 5 tot 30 cm hoog, dat zich het best thuis voelt op open, min of meer vochtige, min of meer voedselrijke grond op dijken, in wegbermen en hooilanden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met september met gele bloemhoofdjes, die bestaan uit 3 tot 15 (25) vlinderbloemen met een smalle, niet of nauwelijks geplooide vlag. De bloemetjes van de liggende klaver, hebben een brede, duidelijk geplooide vlag. Na de bloei verkleuren de bloemetjes naar geelbruin en worden teruggeslagen maar ze vallen niet af.

 

 

 

 

 

Blad

 

Het eindelingse blad van de middelste en bovenste samengestelde bladeren is langer gesteeld dan de 2 zijdelingse bladeren.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 3 tot 15 cm

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m september
– hoofdje
– vlinderbloem
– tot 9 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld handvormig
– deelblaadjes :
– omgekeerd eirond
– zeer kort gesteeld
– top stomp
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– opstijgend of liggend
– vaak rood aangelopen
– behaard
– rond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria

Herik Sinapis : arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

sinapis-arvensis-herik-05

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele trossen 4-tallige bloemen en
– de bovenste, donkergroene bladeren met onregelmatig getande rand

 

 

april290410_4921

 

 

 

Algemeen

 

Herik is een eenjarige, zeer algemeen voorkomende plant van 30 tot 80 hoog. Ze groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond in akkers en bermen, op dijken en braakliggende terreinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Herik bloeit vanaf mei tot en met september met gele bloemen, die in trossen aan het einde van de stengel en zijstengels staan. De bloemen hebben 4 kroonbladen en 4 kelkbladen. Als de bloem in volle bloei staat, staan de 4 kelkbladen recht af.

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren zijn liervormig met grote eindlob, soms ongedeeld. De bovenste zijn langwerpig met een onregelmatig getande rand en niet stengelomvattend, zoals de bovenste bladeren van raapzaad en koolzaad. Ook de kleur is anders; alle bladeren van herik zijn donkergroen, de bovenste van raapzaad en koolzaad zijn blauwgroen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De hele plant is te eten. Jonge bladeren en scheuten, geplukt voor de bloei, hebben een fris scherpe smaak en kunnen toegevoegd worden aan salades. Oudere bladeren kunnen gegeten worden als groente, na ze eerst ongeveer een half uur te koken en ook de bloemknoppen zijn, na een paar minuten koken, te eten. Van de zaden kan mosterd gemaakt worden. Dat wordt zelden gedaan, omdat de mosterd niet echt smakelijk is.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Herik kan jarenlang verdwijnen, maar bijvoorbeeld na ploegen weer opduiken. De oliehoudende zaden behouden hun kiemkracht zeer lang en kunnen na vele jaren weer ontkiemen en uitgroeien tot nieuwe planten.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 80 cm

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m september
– tros
– stervormig
– 1,5 tot 2 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig of liervormig
– top spits
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig
– ruw behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– rolrond of meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria

Grote ratelaar : Rhinanthus angustifolius

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bloeiwijze

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele lipbloemen met paarsblauwe, soms witte tanden en
– de bleke schutbladen

 

 

104-640

 

 

 

Algemeen

 

Grote ratelaar is een eenjarige plant, die haar naam te danken heeft aan de zaden die rammelen in de vrucht. Op sommige plaatsen in de Lage landen komt grote ratelaar nog vrij algemeen voor, maar zij gaat sterk in aantal achteruit. Ze heeft een voorkeur voor natte tot vochtige, voedselrijke grond in hooilanden, bermen, polderboezems, grienden, duinvalleien, aan slootkanten en op dijken.

Grote ratelaar bloeit van mei tot en met oktober met 1,5 tot 2,5 cm grote gele lipbloemen met een gesloten keel en donker paarsblauwe, soms witte, tanden aan de bovenlip. Ze wordt 10 tot 80 cm hoog. De 4-tandige kelk is opgeblazen en zijdelings afgeplat.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengelbladeren zijn langwerpig tot lancetvormig en hebben een gezaagde rand. De schutbladen zijn bleekgroen, lang toegespitst, breed driehoekig, ingesneden getand met ongelijke tanden. De vierkantige stengels zijn al of niet vertakt en hebben vaak kleine zwarte streepjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

ALGEMEEN

 

 bremraapfamilie (Orobanchaceae)
– eenjarig
– plaatselijk vrij algemeen
– 10 tot 80 cmBloem
– geel
– vanaf mei t/m oktober
– eindelingse tros
– lipbloem
– 15 tot 25 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 4 kelkbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– stengelbladeren :
– lancetvormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet afgerond
– veernervig
– schutbladen :
– bleekgroen
– breed driehoeking
– lang toegespitst
– getand met ongelijke tanden

Stengel
– rechtop
– glad en kaal of weinig behaard
– scherp vierkant
– vaak met kleine donkere streepjesµ

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

Groot streepzaad : Crepis biennis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

0aaabb0ab69c4085abf1308f03ae2ad0

 

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloemachtige bloemhoofdjes, waarvan
– de onderste omwindselblaadjes uitstaan en
– de ruw behaarde, veerdelige, onderste bladeren

 

 

streepzaadgroot-110430-079

 

 

 

Algemeen

 

Groot streepzaad is een overblijvende plant van 40 tot 120 cm hoog, die groeit op vochtige, voedselrijke grond in graslanden, op dijken en in bermen. Ze is vrij algemeen voorkomend in de Lage landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Groot streepzaad bloeit vanaf mei tot en met augustus met paardenbloemachtige bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit gele lintbloemen. De onderkant van de buitenste lintbloemen is geel, in tegenstelling tot paardenbloemstreepzaad, klein streepzaad, gekroesde- en gewone melkdistel. De omwindselblaadjes zijn behaard en hebben gelige of zwarte klierborstels. De onderste omwindselblaadjes staan van het hoofdje af.

 

 

groot streepzaad

 

 

 

 

 

 

 

paardenbloem

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn verspreid ruw behaard, vaak rood aangelopen en in de bovenste helft vertakt, waardoor de bloemhoofdjes gerangschikt staan in een tuil. De bladeren zijn zeer variabel van vorm en eveneens ruw behaard vooral aan de onderkant. De onderste bladeren zijn veerdelig met slippen die richting de bladvoet wijzen. De bovenste zijn langwerpig, soms bochtig getand en met pijlvormige voet min of meer stengelomvattend.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 40 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m augustus
– hoofdjes in een tuil
– alleen lintbloemen
– 2 tot 3,5 cm
– stijlen geel

Blad
– verspreid en rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot veervormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half)stengelomvattend of
gevleugeld
– veernervig
– verspreid ruw behaard

Stengel
– rechtop
– verspreid ruw behaard
– gegroefd
– vaak rood aangelopen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

John Astria