Tagarchief: onkruid

Onkruid soorten in ons land – letter E

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Ereprijs (Scrophulariaceae)

 

De blauwogige Ereprijssoorten zijn voornamelijk eenjarigen, die een tuin kunnen overvallen als een zwerm sprinkhanen. Het lijkt alsof ze plotseling, bloeiend en wel, verschijnen, vooral wanneer ze staan tussen andere kleine planten, waar hun zaailingen onopgemerkt zijn opgegroeid. De bladeren zijn tegenoverstaand, behalve op de bloeistengels.

We zullen negen soorten beschrijven en ze verdelen in twee groepen: vijf soorten die over de grond kruipen en alleenstaande bloemen hebbe en vier die rechtop groeien en de bloemen in aren hebben.

 

 

Grote ereprijs

 

GROTE EREPRIJS (Veronica persica) draagt zijn naam met eer, want hij heeft de grootste (en helderst blauwe) bloemen van de kruipende soorten – tot 11 mm in doorsnee. De lichtgroene bladeren, 2-4,5 cm lang, zijn kortgesteeld, driehoekig tot ovaal, ruw getand en behaard op de nerven aan de onderkant. De bloemstengels zijn langer dan de bladeren en kroezig behaard. Ze komen tevoorschijn uit de bladoksels. De vrucht bestaat uit twee uiteenstaande hokken, waardoor hij in zijn geheel bijna tweemaal zo breed als lang is. Oorspronkelijk afkomst uit Zuidwest-Azië is deze soort thans ingeburgerd in geheel Europa. Ook in Noord-Amerika ingevoerd. In ons land plaatselijk algemeen op akkers, in moestuinen en op mesthopen. Bloeit in april en mei en van juli tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 Draadereprijs

 

DRAADEREPRIJS (Veronica filiformis) is een heel klein plantje met bladeren van niet meer dan een halve centimeter in doorsnee. De blauwe bloemen, waarvan de onderste slip bleker of zelfs wit is, staan op draadvormige stelen die ongeveer 2-4 maal zo lang zijn als de bladeren. Hoe klein dit plantje ook is, het is een zeer agressief onkruid met zijn talrijke kruipende stengels die vak grote plakkaten vormen. Nadat deze soort was ingevoerd als rotsplantje werd hij al snel een lastige gast. Het is een overblijvende plant die bloeit in april en mei. De verspreiding gaat voornamelijk met behulp van stukjes tengel, die gemakkelijk wortel schieten; de aanvankelijke populariteit ging dan ook al snel verloren. Wanneer u de plant op de afvalhoop gooit ontsnapt hij gemakkelijk naar andere delen van de tuin. Vooral in het gazon kan hij zich bliksemsnel verspreiden, daarbij geholpen door de grasmaaier. In zijn oorspronkelijke groeigebied (de Kaukasus en Klein-Azië) is de plant niet zeer algemeen, maar hij is thans verwilderd in geheel Europa, vooral in Oostenrijk, Zwitserland, Duitsland en Frankrijk. De plant kan het best verbrand worden, composteren is alleen aan te raden als voldoende warmte kan worden bereikt.

 

 

 

 

 

 

Akkerereprijs

 

AKKEREREPRIJS (Veronica agrestis) heeft bladeren van ongeveer dezelfde afmetingen als persica; ze zijn meer lang dan breed, bijna recht aan de voet en meer regelmatig getand. De kleur is geelgroen. De bloemen zijn heel klein en gewoonlijk bleek blauw met het onderste bloemblad of de onderste drie bloembladen wit of heel bleek. Minder vaak allemaal wit of roze aan de bovenkant. Bloeit van april tot in de herfst. De vruchten hebbe lange haren. Komt voor in geheel Europa, vooral in het noorden, en in Noord-Amerika. Bij ons vrij algemeen op akkers, vooral op kleigrond.

 

 

 

 

 

 

Gladde ereprijs

 

GLADDE EREPRIJS (Veronica polita) heeft donkergroene, meestal glanzende bladeren, kleiner dan die van de vorige soort, ronder maar met dezelfde gelijkmatig getande randen. De bloemen zin klein en diep hemelsblauw, vaak met een witte onderste slip. Ze staan op spaarzaam behaarde stelen en verschijnen al vroeg in het voorjaar, om dan, met een korte onderbreking in de zomer, door te gaan tot in de herfst. Het verspreidingsgebied omvat geheel Europa, vooral in het midden en zuiden, West-Azië en Noord-Afrika. In het noordwesten van de Verenigde Staten verwilderd. De plant heeft een voorkeur voor voedselrijke, losse, ietwat zanderige klei en is in ons land plaatselijk algemeen op akkers en in tuinen.

 

 

 

 

 

 

Klimop ereprijs

 

De laatste van de soorten met kruipende groeiwijze is KLIMOP EREPRIJS (Veronica hederifolia), met gesteelde en tamelijk dikke, lichtgroene bladeren. Uit de naamgeving is de bladvorm al af te leiden; althans min of meer, want de twee zijlobben zijn heel diep ingesneden en de middelste is stomp. De bloem is zeer klein, lichtblauw of lila, de bloemstelen zijn gewoonlijk korter dan de bladeren. De gewone stengels zijn behaard. Deze komt voor in geheel Europa, West-Azië en Noord-Afrika; verwilderd in Noord-Amerika. Hier te lande algemeen op akkers en in moestuinen, tussen het gras, onder heggen en in loofbossen.

 

 

 

 

 

 

Mannetjes ereprijs

 

We komen nu aan de Ereprijssoorten die de bloemen in aren dragen en een geheel of gedeeltelijk rechtopstaande groeiwijze hebben. MANNETJES EREPRIJS (Veronica officinalis) is een overblijvende plant met kruipende, wortelende stengels die vaak een heel tapijt vormen. De gewoonlijk lichtblauwe bloemen met hun donkerder aderen (soms zijn de bloemen donkerblauw, roze of wit) staan in langgesteelde aren. Deze komen tevoorschijn uit de oksels van de bladeren, die in paren tegenover elkaar staan, ovaal van vorm zijn, getand langs de rand, aan beide zijden behaard en 2-3 cm lang. De bloemen verschijnen in de periode mei-augustus. Mannetjes-ereprijs komt voor in Europa, het nabije Oosten en Noord-Amerika. In ons land algemeen op droge zand- en heidegrond.

 

 

 

 

 

 

Veld ereprijs

 

VELD EREPRIJS (Veronica arvensis) heeft zacht behaarde stengels, die al dan niet vertakt zijn en min of meer rechtop groeien tot een hoogte van maximaal 30 cm. De bladeren zijn driehoekig tot ovaal; de onderste gesteeld en tegenoverstaand, de bovenste afwisselend en dicht tegen de stengel aangroeiend. De bloeiwijze neemt ongeveer tweederde van de hoogte van de plant in beslag; de kleine bloemetjes – van binnen donker-, van buiten lichtblauw – komen uit de bladoksels en staan in trossen. Deze eenjarige plant bloeit van april tot in de herfst en is een lastig onkruid in het gazon en de border. Komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika; in Nederland algemeen op akkers, in moestuinen en op braakliggende terreinen; ook in de duinen.

 

 

 

 

 

 

Tijmereprijs

 

TIJMEREPRIJS (Veronica serpyllifolia) is een overblijvende plant van 5 tot 25 cm hoog, met zacht behaarde, kruipende stengels die op de knopen wortelen. De bladeren zijn lichtgroen, ovaal en kaal. De bloemtros is naar verhouding lang (10 cm) en bevat tot dertig blauwachtig witte bloemetjes, die ieder in de oksel van een schutblad staan. De bloemblaadjes zijn getekend met donkerblauwe lijntjes die naar de nectarkamer wijzen; het zijn dus honingmerken voor de bestuivende insecten. Tijm-ereprijs komt voor in vrijwel geheel Europa, in Azië en in Noord-Amerika. Bij ons een algemene plant op akkers en in grasland, langs sloten en op andere vochtige plaatsen. Bloeit van april tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

Gewone ereprijs

 

GEWONE EREPRIJS (Veronica chamaedrys) heeft de grootste bloemen uit deze groep (tot 12 mm in doorsnee). Het is een overblijvende plant die 10 tot 40 cm hoog wordt, met stengels die eerst op de grond liggen en op de knopen wortelen en zich daarna oprichten. De stengels dragen twee rijen haren en zijn daartussenin vrijwel altijd kaal. De dofgroene, behaarde bladeren zijn tegenoverstaand, breed tot smal eirond met gekartelde randen en zittend of kort gesteeld. De bloeiaren staan op lange stelen uit de oksels van de bladeren en dragen 10-20 bloemen. Deze staan vrij ver uit elkaar en zijn hemelsblauw van kleur met donkerder aderen en een witte plek bij de keel. De bloeitijd is april-juni. Deze soort komt voor in geheel Europa en in Azië; verwilderd in Noord-Amerika. In ons land een algemene verschijning tussen het gras en langs wegen en bosranden.

 

 

 

 

 

 

 

Eenjarigen met gele bloemen

 

Herik

 

HERIK (Sinapis arvensis) is nauw verwant aan Witte mosterd. Hij heeft een slanke penwortel en een rechtopstaande, vertakte of onvertakte, stengel van 30 tot 80 cm hoog. De stengel is gewoonlijk stijf en behaard; de bladeren zijn eveneens ruw behaard, de onderste gesteeld, met een grote, heel grof getande eindlob; de bovenste stengelomvattend en afwisselend. Gewoonlijk zijn ze niet ingesneden, lancetvormig en grof getand. De bloemen staan afwisselend lans de stengel, bovenaan in een groepje. Iedere plant produceert zo’n 1200 zaden, die in de grond vele jaren kiemkrachtig kunnen blijven. De bloeitijd is van mei tot september. Komt voor in geheel Europa; in ons land een algemeen onkruid op bouwland en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

 

Knopherik

 

KNOPHERIK (Raphanus raphanistrum) lijkt veel op de vorige soort, maar heeft rechtopstaande, borstelige kelkbladeren in plaats van spreidende of afhangende. Er is nog een ander kenmerk waardoor de plant zich van Herik onderscheidt en waarnaar in de Nederlandse naam wordt verwezen: bij het drogen worden de hauwen tussen de zaden sterk samengesnoerd, zodat deze laatste, 4-8 in getal, duidelijk te herkennen zijn. Tenslotte is ook de snavel aan het eind van de vrucht  veel langer dan bij Herik. De bloemkleur kan behalve geel ook wit, lichtpaars, blauwachtig of purper zijn, meestal met donkere aderen. De bloeitijd van deze 30-60 cm hoog wordende plant is van juni tot en met september. Komt voor in geheel Europa en in het oosten van Noord-Amerika. In ons land algemeen, vooral op zandige akkers, op ruigten en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

Zwarte mosterd

 

ZWARTE MOSTERD (Brassica nigra) is een veel forser onkruid, met rechtopstaande stengels van 0,60 tot 1,20 meter hoogte. Er zit veel variatie in de bladeren: de onderste hebben een grote eindlob met daaronder twee veel kleinere; de stengelbladeren, die afwisselend staan, zijn lancetvormig met slechts twee kleine lobben en de allerbovenste hebben helemaal geen lobben. Ook bij deze soort staan de bloemen afwisselend langs de stengel en aan de top dicht bijeen. De vruchten staan rechtop. De bloeitijd is van juni tot september. Het verspreidingsgebied omvat Europa, Azië en Noord-Amerika. In ons land vrij algemeen, vooral in het rivierengebied; op akkers, langs wegen en dijken en op ruigten. Uit de zaden van deze plant wordt de tafelmosterd bereid en ook een olie die in de geneeskunde en bij het vervaardigen van zeep wordt gebruikt.

 

 

 

 

 

 

Gewone raket

 

GEWONE RAKET (Sisymbrium officinale) heeft de onderste bladeren in een rozet; ze zijn diep ingesneden zodat gepaarde slippen met een grotere eindlob ontstaan. De onderdelen van de bladeren zijn getand. De stengelbladeren staan afwisselend, hebben een lange pijlvormige eindlob en een tot drie kleine langwerpige zijlobben. De dicht opeenstaande bloemen zijn kortgesteeld en hebben bloemblaadjes ie half zo lang zijn als de kelkblaadjes. De vruchten staan stijf rechtop en hebben een afgeronde onderkant. Zowel stengels als bladeren zijn borstelig. Deze plant wordt 30-80 cm hoog en bloeit van mei tot en met september. Iedere plant levert ongeveer 2700 zaden op, die ondiep kiemen. Het verspreidingsgebied beslaat geheel Europa, West-Azië en Noord-Afrika; elders verwilderd. In ons land een van de algemeenste onkruiden op akkers; ook veel voorkomend langs wegen en heggen en op ruigten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hongaarse raket

 

HONGAARSE RAKET (Sisymbrium altissimum) behoort tot de zogenaamde ‘tumble weeds’: wanneer de plant na een of twee jaar afsterft breekt hij aan e voet af om dan met de eerste windvlaag mee over de grond te rollen, waarbij tijdens de tocht de zaden worden verspreid. De plant wordt 40 tot 90 cm hoog en bloeit van mei tot juli. De bladeren van de grondrozet zijn gesteeld en ruw behaard; ze zijn verdeeld in smal driehoekige slippen; bij de middelste bladeren zijn de slippen nog smaller en bij de bovenste zijn ze bijna draadvormig. De vruchten zijn lang en dun. Oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-oost-Europa, maar thans in verscheidene Europese landen en in Noord-Amerika te vinden. In ons land vooral langs de grote rivieren en in de duinen, elders zeldzaam.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter D

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Distels en Melkdistels (Compositae)

 

Akkerdistel

 

Cirsium arvense, de AKKERDISTEL, is een van de meest beruchte onkruiden, niet alleen in ons land maar ook in vele andere landen. De slanke penwortel vormt ver weg kruipende, witachtige uitlopers, die binnen een paar jaar een geweldige kolonie kunnen doen ontstaan – en dat alles uit een enkel zaadje. Zelfs uit een klein stukje van de wortel kan zo’n kolonie ontstaan. Naarmate het wortelstelsel zich uitbreidt worden ook steeds meer nieuwe stengels gevormd, zodat tegelijk volwassen, halfwassen en nieuwe scheuten aanwezig zijn.

Deze overblijvende plant wordt 0,60-1,20 m hoog. De bloemhoofdjes zijn naar verhouding klein en staan in schermvormige pluimen; de kleur is lichtpaars, een enkele maal wit. De bladeren aan de voet van de plant zijn lancetvormig en uitlopend in een korte steel met bochtige randen die uitlopen in stevige stekels. De bladeren die hogerop staan hebben ongeveer dezelfde vorm maar zijn stengelomvattend en dieper ingesneden. Alle bladeren staan afwisselend en zijn kaal of aan de onderkant enigszins behaard. De bloemen hebben een sterke honinggeur en worden door verschillende soorten insecten bezocht. De bloeitijd is juni-september.

Akkerdistel komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land zeer algemeen langs wegen en dijken, op akkers en gestoorde terreinen. In verscheidene provincies in ons land is een zogenaamde Distelverordening van kracht, die bepaalt dat eigenaren en gebruikers van gronden deze en andere soorten distels moeten bestrijden. In andere landen zijn soortgelijke maatregelen genomen.

 

 

 

 

 

 

Speerdistel

 

Cirsium vulgare is de SPEERDISTEL, een tweejarige plant die zich uitsluitend vermeerdert door zaad. De plant heeft een grote vlezige penwortel en wordt net als de vorige soort 0,60-1,20 m hoog. In het eerste jaar vormen de planten alleen een rozet van bladeren; deze zijn langwerpig tot lancetvormig of elliptisch en ruw getand.

In het tweede jaar komen de gegroefde, stekelig gevleugelde stengels tevoorschijn. De bladeren zijn van boven stekelig behaard en de lobben dragen lange stekels. Van onderen zijn de bladeren – net als de stengel – kort behaard tot spinnenwebachtig. De bloemhoofdjes zitten in een rond of vaasvormig omwindsel. Dit is stekelig, enigszins spinnenwebachtig behaard en groen van kleur. De bloeitijd is juli-augustus.

Speerdistel komt net als de vorige soort voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land algemeen in weilanden, langs wegen en dijken, op kapvlakten in het bos, in de duinen en op gestoorde gronden.

De Melkdistels hebben allemaal gele bloemen. Ze zijn lang niet zo stekelig als de bovengenoemde soorten. Hun naam hebben ze te danken aan het witte melksap dat bij beschadiging tevoorschijn komt.

 

 

 

 

 

 

Akkermelkdistel

 

De AKKERMELKDISTEL (Sonchus arvensis) heeft kruipende ondergrondse stengels en bereikt een hoogte van 0,60-1,50 m. De stengels zijn gegroefd, hol en sterk behaard. De afwisselend staande bladeren zitten op het onderste deel van de stengel dicht bijeen; ze zijn diep ingesneden, langwerpig tot lancetvormig en uitlopend in een gevleugelde bladsteel. De bovenste bladeren zijn gering in getal, vaak zonder insnijding en stengelomvattend. De bloemhoofdjes zitten dicht opeen aan de top van de stengel en zijn goudgeel van kleur; de bloemstengels zijn voorzien van vele gele haren, net als de groene omwindsels. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst.

Het verspreidingsgebied omvat vrijwel geheel Europa en Noord-Amerika. In ons land algemeen op akkers en in grasland.

 

 

 

 

 

 

Brosse Melkdistel of gekroesde melkdistel

 

BROSSE MELKDISTEL (Sonchus asper) is een van de stekeligste soorten uit dit geslacht; de Latijnse naam duidt daar al op: asper = ruw. De plant heeft een stevige penwortel en wordt gemiddeld 60 cm hoog (maximaal 90 cm). De stengels zijn kaal en vaak roodachtig; de afwisselend staande bladeren zitten ook hier dicht opeen langs de stengel, vooral aan de voet van de plant, waar ze tevens dieper ingesneden zijn. Alle bladeren zijn stengelomvattend en de twee lobben aan de voet hebben de vorm van een oor.

De bloemkroon is geel en het omwindsel is peervormig of rond. De lange stelen van de dicht opeenstaande bloemhoofdjes komen tevoorschijn aan de top van de stengel, bij een blad dat rond de stengel is gegroeid. De bloeiperiode is dezelfde als bij de vorige soort. Deze soort komt voor in geheel Europa en in Noord-Amerika. In ons land algemeen op akkers, in moestuinen en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

Gewone melkdistel

 

GEWONE MELKDISTEL (Sonchus oleraceus) heeft een lange slanke penwortel en stevige kale, rechtop staande stengels van 30 tot 90 cm hoog. De stengels zijn vijfhoekig, hol (behalve bij de knopen) en van boven vertakt. De bladeren hebben een pijlvormige voet en spitse oortjes, meestal duidelijk gelobd met 2 tot 3 lobben ter weerszijden van de middennerf en een langere, bredere aan de top. De bovenste bladeren zijn vaak niet ingesneden. Alle bladeren staan afwisselend en de randen zijn zacht stekelig getand. De bloemhoofdjes komen tevoorschijn uit een blad dat aan de voet is ingesneden; ze staan dicht opeen en zijn lichtgeel. Bloeitijd en verspreiding zijn net als bij de voorgaande soort.

De gewone melkdistel zaait zich makkelijk uit door het pluizige zaad. Eerst wordt een rozet gevormd wat vrij snel doorschiet en in bloei heeft de plant gele halfgeopende bloemen. Na de bloei worden het wollige pluizen die door de wind verspreid worden. De lange penwortel is lastig te verwijderen en breekt ook snel af. Het blad
is stekelig maar niet zo erg als de gewone distel. Bij het breken van blad of stengel komt er wit melksap te voorschijn.

Het verspreidingsgebied omvat vrijwel geheel Europa en Noord-Amerika. In ons land algemeen op akkers en in grasland.

 

 

 

half geopende bloemhoofdjes

 

 

 

Doornappel (Solanaceae)

 

Van de DOORNAPPEL (Datura stramonium), die thans over de gehele wereld voorkomt, is bekend dat hij in 1577 in Spanje werd ingevoerd. In Engeland kweekte de kruidkundige John Gerard de plant al in 1599; hij schreef in zijn ‘Herball’ dat hij zaad had ontvangen van Lord Edward Zouche, die dat had meegebracht uit Constantinopel. Gerard gebruikte de plant om brandwonden en kwaadaardige zweren mee te genezen.

In de achttiende eeuw stond Doornappel in hoog aanzien als verdovend middel voor het verlichten van hoest en astma. De plant is uiterst giftig, vooral na het verwelken en wordt nog steeds als geneeskruid gebruikt.

Het is een eenjarige plant, die tot ongeveer een meter hoog wordt. De stengels zijn stevig en staan rechtop met spreidende takken, kaal, groen of paars. De bladeren, die afwisselend staan, zijn donkergroen en sterk geurend, ovaal tot driehoekig, met een grove tanding langs de rand en eindigend in een scherpe punt. Door hun gewoonte zich samen te vouwen hebben ze een stekelig uiterlijk.

Opvallend zijn de grote witte trompetbloemen, die 4-7,5 cm doorsnee bereiken en verschijnen tussen juni en september. Ze groeien in de oksels van de takken en worden gevolgd door ovale groene vruchten die bezet zijn met korte scherpe stekels. (Er zijn ook variëteiten met ongestekelde vruchten.) Iedere vrucht bevat 400 tot 800 zaden en de kiemkracht is gewoonlijk groot. Zelfs zaden die meer dan honderd jaar in de grond hadden gezeten bleken nog tot ontkieming te kunnen komen. Doornappel een vrij zeldzame verschijning. De plant komt voor op bouwland, in tuinen, op mesthopen en dergelijke.

 

 

 

 

 

 

Duivekervel (Fumariaceae)

 

De geslachtsnaam van de GEWONE DUIVEKERVEL (Fumaria officinalis) is afgeleid van het Latijnse fumus = rook. Dit wijst erop dat men vroeger geloofde dat de rook van deze plant de kracht had boze geesten te verdrijven. Gewone duivekervel is een sierlijk onkruid met trossen van meer dan 20 bloemen. Deze zijn buisvormig, roze, donkerder naar de top en afwisselend geplaatst langs de slanke bloemstengel. De zachte, grijsgroene bladeren, die rondom de stengels staan, zijn zo diep ingesneden dat er lijnvormige blaadjes ontstaan.

De hele plant heeft daardoor een teer uiterlijk. De bloeitijd is van mei tot in de herfst en iedere plant brengt ongeveer 800 zaden voort. Het verspreidingsgebied omvat Europa, West-Azië en Noord-Afrika; ingevoerd in Amerika. Het is een eenjarige plant die 10 tot 50 cm hoog wordt en een voorkeur heeft voor losse, voedselrijk en gewoonlijk kalkarme, lemige grond.

 

 

 

 

 

Duizendblad (Compositae)

 

GEWOON DUIZENDBLAD (Achillea millefolium) is weer zo’n onkruid waar we goed op moeten letten, want de wortels kunnen een heel eind weg kruipen en binnen korte tijd een massa stengels voortbrengen. De afwisselende bladeren zijn lancetvormig in omtrek en 2-3 maal ingesneden, zó fijn verdeeld dat ze er uit zien als verfrommelde veren. De plant bevat een etherische olie die er de aromatische geur aan geeft. De schermen witte (soms roze of rode) bloemhoofdjes verschijnen van juni tot en met oktober. Ze staan op 15-45 cm hoge stengels en hebben gewoonlijk vijf straalbloempjes.

De plant werd en wordt gebruikt als geneeskruid, vanwege de samentrekkende en daardoor bloedstelpende werking van de gekneusde bladeren. De geslachtsnaam heeft betrekking op Achilles, die de plant gebruikte om de wonden van Telephus te genezen. Deze soort komt voor in Europa en Noord-Amerika; hier te lande zeer algemeen langs wegen en dijken, tussen het gras en op ruige plaatsen.

 

 

 

 

 

Duizendknopen (Polygonaceae)

 

Deze groep is een fantasie in roze en groen-roze, soms groene, bloemen, roze kelk, roze meeldraden, roze zaden, roze knopen, te midden van bladeren in koel groen.

 

 

Perzikkruid

 

PERZIKKRUID (Polygonum persicaria) is een eenjarige plant die tot een meter hoog wordt. De stengels zijn boven de knopen verdikt en roodachtig van kleur. Uit de knopen komen zowel de bloemaren als de balderen tevoorschijn. Er bevindt zich hier een eigenaardig orgaan, het tuitje. Dit is een kokertje om de stengel, dat gevormd is uit aaneengegroeide steunblaadjes. Dit tuitje is roze van kleur en dient ter bescherming van de jonge aartjes. De aardige kleine bloempjes zitten dicht opeen en hebben vijf roze bloemblaadjes. De knoppen zijn donkerder roze. De lancetvormige, afwisselende bladeren hebben stelen die roodachtig zijn op de plaats waar ze – beneden het tuitje – uit de knopen komen.

Op de bladeren bevinden zich donkerrode tot zwarte vlekken die ongeveer de vorm van een halve maan hebben. Deze vlekken herinneren ons volgens de legende aan het bloed van Jezus. De plant groeide onder het kruis en ving met zijn bladeren het bloed op van zijn wonden. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst. De plant komt voor in Europa en Azië en is verwilderd in Noord-Amerika. In ons land zeer algemeen, vooral op akkers en in moestuinen.

 

 

 

 

 

Varkensgras

 

VARKENSGRAS (Polygonum aviculare) is een eenjarige, sterk vertakte, taaie plant, die rechtop groeit wanneer hij tussen andere planten staat en liggend wanneer hij zich op open grond bevindt. De stengels zijn geribbeld en hebben witachtige tuitjes. In de groene, afwisselende bladeren zit net zo veel variatie als in de groeiwijze van de plant, ze zijn bijna lijnvormig of breed elliptisch. De kleine bloemetjes groeien in aren die met 2-5 bijeen staan in de bladoksels; ze hebben vijf bloemblaadjes die eruit zien als kelkblaadjes, met een roze of witte rand.

Varkensgras is een kosmopolitisch onkruid, met andere woorden het kan in ieder werelddeel worden aangetroffen. Bij ons zeer algemeen langs wegen en op bebouwde grond. De bloeitijd is van mei tot en met november.

 

 

 

 

 

Knopige- en viltige duizendknoop

 

Polygonum lapathifolium is een zeer vormenrijke soort. Twee daarvan zijn algemeen, namelijk ssp. Lapathifollium, de KNOPIGE DUIZENDKNOOP en ssp. Pallidum, de VILTIGE DUIZENDKNOOP. Eerstgenoemde wordt 0,30-1,20 meter hoog of zelfs nog hoger, de laatste 0,30-0,60 meter. De stengels zijn gezwollen boven de knopen en gewoonlijk groenachtig; de bloemen zijn wit met groen, of alleen groen of wit, of roodachtig. De aren staan tros- of pluimvormig bijeen. De tuitjes hebben geen of zeer korte wimpers. De bladeren zijn kaal tot behaard, al naar gelang de groeiplaats. Ze staan afwisselend, zijn 5-20 cm lang en lancetvormig.

De viltige beharing – indien aanwezig – zit vooral aan de onderkant van de bladeren. Meestal zitten er donkere vlekken op de bladeren. De bloeitijd is van juni tot oktober en het verspreidingsgebied omvat geheel Europa. Knopige duizendknoop komt in ons land vooral voor op veen- en kleigrond. Viltige duizendknoop vooral op zandig bouwland.

 

knopige

 

knopige duizendknoop

 

knopige duizendknoop

 

viltige

 

viltige

 

viltige

 

 

Waterpeper

 

Zowel de wetenschappelijke als de Nederlandse benaming van WATERPEPER (Polygonum hydropiper) wijzen op de scherpe pepersmaak die bladeren en bloemen van deze soort bezitten. Van deze bijtende eigenschappen kunt u zich ook overtuigen door de plant met de hand aan te pakken en daarna met dezelfde hand in uw oog te wrijven! Deze sierlijke plant heeft enigszins knikkende aren, met bloemetjes die aan de voet groen en aan de top rood of wit zijn.

Waterpeper wordt 0,30-0,50 meter hoog en heeft afwisselende, smal lancetvormige bladeren. Die naar de top toe steeds smaller en kleiner worden. De korte roze tuitjes zijn al dan niet gewimperd. De naam van deze plant wijst er al op dat hij een voorkeur heeft voor vochtige plaatsen. Het verspreidingsgebied omvat geheel Europa en Noord-Amerika. In Vlaanderen algemeen, vooral op stikstofrijke plaatsen. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter C

Standaard

Categorie : Kamerplanten en bloemen

Soorten onkruid – letter C

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

Chrysanthemums (Compositae)

 

Veel mensen zijn verbaasd wanneer ze horen dat behalve de bekende Chrysanten ook nog andere soorten tot dit geslacht behoren:

 

MARGRIET (CXhrysanthemum leucanthemum)

 

De officiële naam van deze soort doet wel wat eigenaardig aan als we weten dat Chrysanthemum ‘gouden bloem’ betekent en leucanthemum ‘witte bloem’.

Margriet is een overblijvende plant die 30 tot 60 cm hoog wordt en bloeit in de periode mei-augustus. De bloemhoofdjes bestaan uit witte straalbloemen met een hart van gele buisbloempjes en zijn 3-6 cm in doorsnee. De bladeren zijn donkergroen en staan afwisselend langs de stengel. De laagste zijn omgekeerd eirond tot langwerpig, getand en langgesteeld; de bovenste bladeren aan de stengel zijn langwerpig-lancetvormig tot bijna spatelvormig, stomp, getand of dieper ingesneden en stengelomvattend.

 

De plant komt voor in geheel Europa, West-Azië en Noord-Amerika. In ons land algemeen langs wegen en dijken en in grasland.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BOERENWORMKRUID (Chrysanthemum vulgare )

 

Boerenwormkruid is een sterk geurende, overblijvende plant met kruipende ondergrondse stengels (stolonen) waaruit nieuwe scheuten ontspringen. De fraaie rechtopstaande, bebladerde stengels worden 60-120 cm lang en zijn hoekig en meestal roodachtig aan de basis. De donkergroene, geveerde bladeren hebben tot 12 paar scherp getande blaadjes. Hierdoor en door de goudgele knopvormige bloemhoofdjes, die verschijnen van juli tot in de herfst, onderscheidt de plant zich van de overige Chrysanthemums.

Tegenwoordig wordt Boerenwormkruid meestal Tanacetum vulgare genoemd, ofschoon ook de naam Chrysanthemum vulgare nog wel gebruikt wordt. Boerenwormkruid werd vroeger gekweekt als geneeskrachtige plant en als groente. Ze komt voor in geheel Europa en in Siberië. In ons land algemeen, vooral op zandgronden.

 

Gebruik

Uitwendig kan het gebruikt worden als lotion bij schurft. Wat boerenwormkruid in de schoenen geplaatst zou helpen tegen chronische koorts. In de fytotherapie wordt het gebruikt tegen onder andere artritis en verkoudheid. In de plant komt het giftige thujon voor dat wormafdrijvend, vooral van spoel- en lintwormen, is. Ook was het kruid veelvuldig in gebruik om een abortus op te wekken. Hoge doses veroorzaken duizeligheid, krampen, buikpijn en kunnen dodelijk zijn.

 

Verdelgingsmiddel

De etherische oliën uit de plant, zoals triticineirisine en graminine, worden gebruikt in de receptuur voor insectenverdrijvende middelen. Om het huis vlo- en motvrij te houden werd het veel in huis gestrooid.

 

Voedsel

In kleine hoeveelheden wordt boerenwormkruid vermengd in groenkoeken of ovenkoeken en gebruikt om de smaak van eieren te verbeteren.

 

Afweerkruid

De plant wordt gerekend tot de zogenaamde afweerkruiden. Het zou afweer bieden tegen hekserij, spoken en onweer.

 

 

 

 

 

 

 

 

MOEDERKRUID ((Chrysanthemum parthenium)

 

De officiële naam van het laatste onkruid uit deze groep is Moederkruid. Dit kruid werd gebruikt als middel ‘om de koude koorts te verdrijven’. Het is een overblijvende plant met vezelige wortels die een sterke kamillegeur verspreidt. Hij wordt 25-60 cm hoog, met rechtopstaande en enigszins donzig behaarde stengels, die van boven zijn vertakt tot schermen, zodat de bloemhoofdjes allemaal op dezelfde hoogte staan.

De bloemhoofdjes verschijnen van juni tot september; ze hebben korte brede straalbloemen en gele buisbloemen in het midden. De bladeren zijn 2,5-8 cm lang, geelachtig groen en staan afwisselend langs de stengel. De onderste zijn langgesteeld en verdeeld in getande of gelobde blaadjes; de omtrek van het geheel is enigszins hartvormig. De bovenste bladeren zijn korter gesteeld en minder diep ingesneden.

Moederkruid is oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-oost-Europa en Klein-Azië en komt zowel in Europa als in Amerika plaatselijk verwilderd voor. Er is een variëteit met goudkleurige bladeren (var. Aureum); deze wordt nogal eens gebruikt als bladplant in kleurperken, maar kan net zo lastig worden als de gewone uitvoering.

 

Gebruik

De plant vond al in de Oudheid heelkundige toepassingen. Ze werd gebruikt om weeën op te wekken en tegen kraamvrouwenkoorts. In kruidentuinen wordt ze nog gekweekt als koortswerend middel en als middel tegen migraine.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Onkruid soorten in ons land-letter B

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Bereklauw  (Umbelliferae)

 

De Bereklauw (Heracleum sphondylium) behoort tot de familie der schermbloemigen. Bij de leden van deze familie zijn de bloeiwijzen opgebouwd als een paraplu, doordat de bloemstelen als spaken uit een as komen. De buitenste zijn langer dan de binnenste, zodat alle bloemen op ongeveer gelijke hoogte komen te staan. Bereklauw is een tweejarige plant en kan behoorlijk groot worden; de holle, behaarde en gegroefde stengel kan een hoogte van wel 2 m bereiken. De bladeren zijn 15-60 cm in doorsnee en net als de stengel ruw behaard; ze zijn verdeeld in breed ovale segmenten met een getande rand.

De witte bloempjes in de opvallende bloemschermen, die verschijnen van juni tot in de herfst, hebben 5 diep ingesneden bloemblaadjes. De buitenste bloemen in het scherm zijn het grootst. De vruchten zijn aanvankelijk groen, maar worden later lichtbruin. Berenklauw is moeilijk te bestrijden, als gevolg van zijn dikke penwortel die een heel eind de grond in gaat. De plant is net zo sterk als hij er uit ziet: het geslacht is dan ook genoemd naar de god Hercules. Komt voor in Europa en Noord-Amerika, vooral in grasland, langs dijken en wegen.

 

 

Gewone bereklauw

 

 

 

 

 

 

 

Boterbloem (Ranunculaceae)

 

Hoe onschuldig zien boterbloemen er uit op  een mooie morgen in mei! De schoonheid van hun goud glanzende bloemen neemt niet weg dat ze een scherp sap bevatten dat fataal kan worden voor vee dat van de planten eet. De boterbloem groeit op een grond die rijk is aan mineralen en berooft borderplanten van het voedsel dat deze nodig hebben. Bovendien scheiden de wortels een stof uit die de groei van naburige planten remt en vertraagt. Alle drie hier genoemde boterbloemsoorten zijn overblijvende planten.

 

 

 

De SCHERPE BOTERBLOEM (Ranunculus acris) bereikt een hoogte van 15 tot 90 cm en heeft stengelbladeren die in vijf slippen zijn verdeeld. De wortels zijn dik en vezelig en de kleine vruchtjes (achenen) hebben een bijna rechte snavel. De afzonderlijk staande bloemen zijn gewoonlijk helder geel maar soms bleker, tot bijna wit toe. Ze hebben vijf bloemblaadjes; dat wil zeggen in het normale geval, er komen namelijk ook gevulde bloemen voor. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De naam van de plant wijst er al op dat het sap zeer scherp is. Deze boterbloem is in ons land zeer algemeen in graslanden, aan wegen en dijken enzovoort. Het verspreidingsgebied omvat Europa, Noord-Azië en Noord-Amerika.

 

 

 

 

 

 

 

 

De KRUIPENDE BOTERBLOEM (Ranunculus repens) heeft lange stevige wortels en vormt bebladerde uitlopers die wortelen op de knopen, dat wil zeggen de plaatsen op de stengel waar de bladeren ontstaan. De bloeiende stengels, 10-50 cm lang, behaard en voorzien van bladeren, dragen heldergele alleenstaande bloemen met vijf bloemblaadjes. De bloeitijd loopt van mei tot en met juli. De bladeren zijn in drieën verdeeld, waarbij ieder van die drie blaadjes meestal nog weer drie insnijdingen vertoont. Het middelste van de drie blaadjes is lang gesteeld en vaak zo diep ingesneden dat het uit drie afzonderlijke delen bestaat.

De buitenomtrek van het geheel heeft de vorm van een driehoek. Deze soort vormt minder zaad dan de vorige maar hij maakt vele uitlopers, soms wel tot 25 t5oe. Daardoor is hij in staat snel een grote kolonie te vormen en in een enkel groeiseizoen een oppervlakte van meer dan 3 m2 in beslag te nemen. Het verspreidingsgebied is ongeveer als dat van de Scherpe boterbloem. In ons land zeer algemeen op vochtige plaatsen, aan slootkanten en op gestoorde bodems.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De KNOLBOTERBLOEM (Ranunculus bulbosus) heeft zijn naam te danken aan de stengel die aan de voet knolvormig verdikt is. De hoogte varieert van 15 tot 30 cm en de bloeitijd valt in mei en juni. De stengels staan rechtop en zijn behaard. De onderste bladeren zijn drietallig, waarbij het middelste van de drie blaadjes langgesteeld is. De bovenste bladeren zitten dicht tegen de stengel en zijn diep ingesneden, tot smalle, vaak lijnvormige segmenten. Alle bladeren zijn in de regel behaard. Een bijzonder kenmerk is dat de vijf geelachtige kelkblaadjes sterk teruggebogen zijn. De bloemkroon is goudgeel van kleur.

De vruchtjes hebben een korte snavel. Deze is enigszins gekromd en dat wijst er op dat de verspreiding gebeurt doordat de vruchtjes zich in de pels van passerende dieren haken. De Knolboterbloem komt in het grootste deel van Europa voor en is in ons land vrij algemeen, vooral in het duingebied, langs de grote rivieren en in Zuid-Limburg. Groeit op droge zandige plaatsen, langs dijken en wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het SPEENKRUID (Ficaria verna) werd tot voor kort ook tot het geslacht Ranunculus gerekend, zodat we hem voor het gemak maar bij de boterbloemen bespreken. De bladeren van deze plant zijn heel anders dan van de besproken boterbloemsoorten; ze zijn hartvormig en niet ingesneden. Zowel bladeren als bloemen komen afzonderlijk uit de wortelknolletjes. Deze knolletjes raken gemakkelijk los, waardoor Speenkruid zeer moeilijk binnen de perken te houden is, want ieder knolletje wordt binnen een jaar weer een nieuwe plant.

Gewoonlijk zitten ook in de oksels van de bladeren kleine knolletjes die eveneens voor de vermeerdering dienen. De goudgele bloemen lijken veel op die van de boterbloemsoorten, maar ze hebben smallere en meer (8-12) bloemblaadjes. De bloemen verschijnen in de periode van maart tot mei. Speenkruid komt voor in Europa en West-Azië. In ons land zeer algemeen op vochtige, beschaduwde plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Braam (Rosaceae)

 

Meestal hebben we het over Braam alsof dat één bepaalde soort zou zijn. In feite zijn er echter in Europa wel zo ongeveer 400 en in Noord-Amerika meer dan 300 soorten. Het is dan ook geen wonder dat sommige mensen zich speciaal bezighouden met de studie van de Braamsoorten. Er is zelfs een apart woord voor deze specialisten: batologen. Voor ons doel kunnen we echter de Braam toch  maar het best beschouwen als één, zeer vormenrijke soort, die dan wordt aangeduid als ‘Rubus fruticosus (coll.)’.

Bramen zijn die heerlijke vruchten die we in nazomer en herfst verzamelen in heggen en bosranden, om zo uit de hand te eten of jam van te maken. Ook in de tuin vestigen de braamstruiken zich graag in een hek en al snel steken ze dan hun lange doornige armen uit naar alles wat op hun pad komt. Ze moeten zodra ze ontdekt zijn meteen uitgespit worden, anders zullen ze met hinkstapsprong de hele tuin doorgaan, doordat ieder groeipunt wortel schiet en een nieuwe plant vormt.

De verspreiding van de braam wordt nog bevorderd doordat hij zich kan vermeerderen zonder dat bevruchting van de bloemen heeft plaatsgevonden. Deze wijze van vermeerdering, die we ook bij andere planten wel tegenkomen, wordt apomixis genoemd. De bloemen met hun vijf bloemblaadjes, die in kleur variëren van wit tot roze, zitten in groepjes bijeen. De bladeren kunnen zowel uit één geheel bestaan als uit drie of vijf blaadjes zijn samengesteld. Aan de onder- en /of bovenkant zijn ze vaak voorzien van dons; aan de onderkant zijn ze vaak groen of blauwachtig. De stengels zijn overblijvend of tweejarig, klimmend of langs de grond kruipend, met veel of weinig dorens.

Bij al deze variatie blijft één eigenschap onveranderd: het vermogen op elk willekeurig stuk grond een ondoordringbaar struikgewas te vormen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brandnetels (Urticaceae)

 

De GROTE BRANDNETEL (Urtica dioica) is een waardevol onkruid met vele goede eigenschappen. Deze overblijvende plant kan in hoogte zeer variëren, van 30 cm tot 3 m; groeit gewoonlijk in grote groepen. De taaie gele wortels zijn sterk vertakt. Zowel de grof gezaagde bladeren als de stengels zijn voorzien van gewone haren en brandharen. De eironde tot langwerpige bladeren groeien met tweeën tegenover elkaar aan de stengel. De bladparen staan steeds als in een kruis om en om, waardoor ze al het aanwezige licht kunnen opvangen om daarmee het bladgroen te maken waaraan de plant zo rijk is. De heel kleine, groene vrouwelijke bloemen hangen in katjes uit de bladoksels, de aren met mannelijke bloemetjes staan rechtop.

De brandharen bestaan uit een holle buis die een bijtend vocht bevat. Bij de geringste aanraking breekt de ronde top van de buis af. Hierdoor ontstaat als het ware een injectienaald die de huid binnendringt waardoor het gif in de wond terechtkomt. De meeste brandharen staan naar boven gericht; het is dan ook het best de plant met een opwaartse beweging – stevig – beet te pakken, waardoor de haren minder gemakkelijk breken. De Grote brandnetel, die bloeit van juni tot in de herfst komt over de hele wereld voor. Bij ons zeer algemeen op stikstofrijke plaatsen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De KLEINE BRANDNETEL (Urtica urens) een veel minder forse plant dan de vorige. Hoewel hij 60 cm hoog kan worden is hij gewoonlijk veel lager. Bij deze soort ontbreken soms de brandharen. De rangschikking van de bladeren is net als bij de ‘grote broer’. De nerven in het blad lopen van de voet naar de top en zijn niet vertakt zoals bij de vorige soort. De bloeiwijzen zijn kort en rechtopstaand of horizontaal uitstaand. Deze soort begint al in mei te bloeien en gaat hiermee door tot in de herfst. De verspreiding is eveneens wereldwijd. In ons land minder algemeen dan de Grote brandnetel; vooral te vinden op mesthopen en in moestuinen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijvoet (Compositae)

 

Hoewel hij als het ware een neefje is van de Chrysanthemums en even aromatisch, ziet BIJVOET (Artemisia vulgaris) er toch heel anders uit. In tegenstelling tot veel andere leden van de familie der samengesteldbloemigen openen de bloemhoofdjes zich nooit. De hoofdjes bestaan uitsluitend uit een toefje roodachtig bruine bloemetjes boven een rond, kelkachtig omwindsel. De hoofdjes zitten aan zijtakken die afwisselend langs de hoofdstengel staan; de staan rechtop of zijn enigszins knikkend. De stengelbladeren zijn veerdelig en zitten dicht tegen de stengel aan; de onderste bladeren zijn kortgesteeld. Aan de bovenkant zijn de bladeren donkergroen, aan de onderkant wit-wollig. De gegroefde, hoekige stengels variëren in hoogte van 0,600 tot 1,20 meter. Bijvoet komt voor in de gematigde delen van het noordelijk halfrond. In ons land zeer algemeen langs wegen en dijken, op ruige plaatsen, in heggen enzovoort. De bloeitijd is juli-september.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter A

Standaard

Categorie:  Kamerplanten en bloemen

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Akkerklokje (Campanulaceae)

 

Deze plant komt in ons land niet alleen in het wild voor maar ook als sierplant. Ondanks zijn charmante uiterlijk kan het Akkerklokje toch een onkruid worden in de tuin en het is dan moeilijk er van te scheiden – in meer dan één betekenis. Het is een plant van een betoverende schoonheid met zijn lange ranke bloemstengels, bezet met hangende lavendelblauwe klokjes, die naar boven toe overgaan in bleekgroene knoppen.

Maar als u de plant met liefde behandelt komt u in de problemen: hij is bijna onuitroeibaar. Ondergrondse uitlopers kruipen alle kanten uit en produceren nieuwe planten. Bovendien kan een enkele bloeiwijze voor wel zo’n 400 nakomelingen zorgen. De zaden worden verspreid door de wind. Daar de plant praktisch ongevoelig is voor de in aanmerking komende onkruidbestrijdingsmiddelen is er maar één manier om hem uit de tuin te verbannen (als u dat tenminste over uw hart kunt verkrijgen). Trek de wortels uit en blijf steeds opmerkzaam op nieuwe groei. Bij dit alles moet u wel bedenken dat alle soorten van het geslacht Campanula in ons land bij de wet beschermd zijn.

Akkerklokje wordt in bloei tot 1,20 m hoog. De ijle bloemtrossen komen tevoorschijn uit rozetten van hartvormige bladeren. De kortgesteelde bladeren op de bloemstengels zijn ovaal tot lancetvormig. De bloeitijd is van juni tot en met augustus. De officiële naam van Akkerklokje is Campanula rapunculoides.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Akkerkool (Compositae)

 

Akkerkool (Lapsana communis) is te herkennen aan de ijle groeiwijze en de compacte groene knoppen die ovaal van vorm zijn. Het is een eenjarige plant die in hoogte varieert van 0,30 tot 1,20 m. De gele bloemhoofdjes lijken op die van de Paardenbloem maar zijn aanzienlijk kleiner. Op een heldere ochtend openen ze zich omstreeks 7 uur en als het licht en de temperatuur gunstig blijven sluiten ze zich weer tussen 3 en 4 uur ’s middags.

De hoofdjes zijn opgebouwd uit slechts weinig bloemetjes (8-15) en ze staan met 15-20 op slanke steeltjes bijeen in een losse pluim. Ze verschijnen van juni tot augustus, soms tot in de herfst. De onderste bladeren zijn lang gesteeld en liervormig veerdelig; de bovenste bladeren zijn eirond tot langwerpig-lancetvormig, kort gesteeld en met een spitse punt. De bladeren zijn dun en gewoonlijk behaard; ze staan afwisselend.

Een plant van gemiddelde afmetingen kan bijna 1000 zaden voortbrengen. Akkerkool komt voor in Europa en Azië en in het oosten van Noord-Amerika. Bij ons algemeen langs ween en dijken, op ruigten en beschaduwde plaatsen. Ofschoon het melksap dat de plant bevat nogal bitter is, werd Akkerkool vroeger gegeten als salade.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

Akkerkool : Lapsana communis

Standaard

categorie ; kamerplanten en bloemen

 

 

 

bloemen-akkerkool

 

 

Goed te herkennen aan
– de tuilvormige, losse pluimen met kleine lichtgele bloemhoofdjes
– de onderste, liervormig verdeelde bladeren

 

 

img_2424-gr-akkerkool

 

 

 

Algemeen

 

Akkerkool is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige plant van 30 tot 120 cm hoog. Naast rijk vertakte hoge exemplaren bestaan ook dwergvormen van enkele centimeters hoog. Ze groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond aan bosranden en heggen, in bermen en tuinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juni tot en met augustus. Akkerkool bloeit met kleine lichtgele bloemhoofdjes, die uitsluitend uit lintbloemen bestaan. De hoofdjes staan op lange stelen en vormen samen een losse, tuilvormige pluim van 8 tot 15 hoofdjes. Het omwindsel bestaat uit 1 rij lancetvormige, spitse blaadjes met een verdikte middennerf. Aan de basis hiervan bevinden zich nog enkele zeer kleine buitenomwindselblaadjes. Op bewolkte dagen blijven de hoofdjes gesloten. Op zonnige dagen zijn ze alleen in de ochtend geopend. In tuinen kan akkerkool een lastig onkruid zijn, omdat ze zich makkelijk door middel van zaad vermeerderd.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn verdeeld in een grote eindlob en enkele kleinere slippen. De bovenste bladeren zijn smaller en onverdeeld. Alle bladeren zijn gesteeld of steelvormig versmald, bochtig getand en behaard.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Jonge bladeren kunnen verwerkt worden in een salade, kort worden gewokt of worden gekookt als spinazie. Ze smaken pittig, als radijs.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 120 cm

Bloem
– lichtgele lintbloemen
– vanaf juni t/m augustus
– hoofdje, lang gesteeld
– 1 tot hooguit 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– liervormig
– lang gesteeld
– bovenste :
– enkelvoudig
– eirond
– korter gesteeld
– top spits
– rand bochtig getand
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– onderaan behaard

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-akkerkool

 

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Akkerdistel : Cirsium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bluhende_distel

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtpaarse, smalle, lang gesteelde, bloemhoofdjes en
– de stekelig, gegolfde of gekroesde bladeren

 

 

akkerdistel_01

 

 

 

Algemeen

 

Akkerdistel is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Van de distels is ze de meest voorkomende. De plant wordt 60 tot 120 cm hoog en bloeit van juni tot en met september met lichtpaarse, lila (zelden witte) lang gesteelde, geurende bloemhoofdjes, die in een pluim staan. Je ziet akkerdistel op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond op akkers, braakliggende terreinen en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Onder de bloemhoofdjes zit een omwindsel, dat bestaat uit aangedrukte omwindselbladen. Ze hebben een stekelige punt, die afstaand maar niet teruggeslagen is. Het omwindsel is paars gekleurd wat de kleur van de bloeiwijze extra versterkt. Een enkele keer kun je in de hoofdjes van de mannelijke plant ook vrouwelijke bloemen vinden.

De mannelijke bloemenhoofdjes zijn tot anderhalf maal groter dan de vrouwelijke. De zoete, muskusachtige geur van de vrouwelijke bloemen trekt allerlei insecten aan, die beloond worden met veel nectar. De vruchtjes zijn een belangrijke voedselbron voor veel vogels. In de moeilijk toegankelijk distelhaarden broeden meerdere vogelsoorten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is niet of zeer smal stekelig gevleugeld, aan de top sterk vertakt, het bovenste deel is meestal kaal. De stekelige bladeren zijn lancetvormig, veerspletig met gegolfde of gekroesde rand, aan de bovenkant kaal en glanzend, de onderzijde kan zilverig wit zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Akkerdistel is een lastig onkruid. Door de vele pluizige vruchtjes kan de plant zich sterk uitzaaien. Ook vormt ze worteluitlopers. Ploegen van akkers werkt in het voordeel van de plant, want elk stukje uitloper kan weer uitgroeien tot een zelfstandige plant. Bovendien is de plant resistent tegen veel onkruidverdelgende middelen. Akkerdistel heeft daarom als bijnaam “Boerenplaag”.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– lichtpaarse, zelden witte buisbloemen
– vanaf juni t/m september
– lang gesteelde hoofdjes in pluimen
– 1,5 tot 3 cm
– omwindselbladeren gestekeld
en topje afstaand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, veerspletig
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand, soms gegolfd
of gekroesd
– voet aflopend
– veernervig
– bovenkant glanzend en kaal
– onderkant kaal, soms wit viltig
behaard

Stengel
– rechtop
– aan de top sterk vertakt
– glad en kaal of zeer smal stekelig
gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

flora-g

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Onkruid soorten in ons land – letter Z

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Zevenblad (Umbelliferae)

 

Van alle onkruiden is ZEVENBLAD (Aegopodium podagria) wel een van de lastigste en moeilijkst te bestrijden soorten. Door diep te spitten en ieder afgebroken stukje wortel of ondergrondse stengel op te sporen kan men de plant uitroeien. Dat lukt evenwel uitsluitend wanneer men constant op zijn hoede blijft. De plant komt in de meeste delen van Europa voor en werd vroeger gebruikt als geneeskrachtig kruid; de soortaanduiding podagraria is afgeleid van het Latijnse podagra = jicht. Men neemt dan ook aan dat monniken een belangrijk aandeel hebben gehad in de verspreiding van de plant. Tegenwoordig komt Zevenblad ook voor in het oostelijk deel van Noord-Amerika.

De plant wordt 60-90 cm hoog en heeft een holle, gegroefde stengel. Kenmerkend zijn de glanzend groene bladeren, waarvan de bovenste in drieën verdeeld zijn en de onderste dubbel drietallig zijn. Alle bladeren hebben een onregelmatig gezaagde rand. De bladeren aan de stengel staan met tweeën tegenover elkaar; uit hun oksels verheffen zich de schermvormige bloeiwijzen, die 15-20 groepjes kleine, witte, stervormige bloempjes dragen. De bloemen hebben vijf bloemblaadjes en groeien uit tot vruchtjes die slechts twee zaden bevatten. De bloei valt in juni en juli. Hoewel het plezierig is te weten dat het vóórkomen van Zevenblad op goede grond wijst, moet men niet uit het oog verliezen dat de kruipende wortelstokken in één groeiseizoen een oppervlak van 3 m2 in beslag kunnen nemen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zuringsoorten (Polygonaceae)

 

De grote Amerikaanse plantkundige Asa Gray omschreef de leden van het geslacht Zuring als ‘grove onkruidachtige planten, met kleine en onooglijke (meestal groene) bloemen’. (Overigens zijn er ook kleine, allerminst grofgebouwde Zuringsoorten.) De bloemetjes staan dicht opeen, meestal in kransen rond de bloeistengels in – al dan niet vertakte – bloeiwijzen. Deze planten komen vooral voor in de gematigde en koude delen van het noordelijk halfrond, maar sommige soorten hebben zich over de hele wereld verspreid. Het zijn meesters in de kunst van het overleven.

De meeste soorten zijn overblijvende planten en hun zaden (ze kunnen er per jaar tot 50.000 per plant voortbrengen) worden door de wind verspreid. De verspreiding kan ook door vogels plaatsvinden en zelfs – ondergronds – door mieren die de zaden als nestmateriaal gebruiken. Deze onder de grond terechtgekomen zaden kunnen wel 80 jaar hun kiemkracht bewaren. De vertakkingen van de dikke gele penwortels gaan soms tot 1,5 meter of nog dieper de grond in. Ieder afgebroken stuk vormt gemakkelijk nieuwe wortels en levert dan weer een nieuwe plant. Er zijn vijf soorten die een plaag kunnen vormen in de tuin. Hoewel alle soorten altijd gemakkelijk als een zuring te herkennen zijn is het onderscheid tussen de soorten onderling vaak moeilijk te zien.

 

 

Krulzuring

 

KRULZURING (Rumex crispus) is wel een van de meest algemene en lastige leden van het geslacht. De plant heeft gegolfde, meestal lancetvormige bladeren, die tot 30 cm lang worden en afwisselend langs de stengel staan. De hoogte varieert van 0,5 tot 1,5 meter. De bloeitijd is van mei tot oktober; de vertakte bloeistengels dragen de bloemen in kransen die worden afgewisseld met weinige tot vele lintvormige bladeren die ook weer een gegolfde rand hebben. Een grote plant kan 30.000 zaden per jaar voortbrengen, waarvan 88% kiemkrachtig is. Zelfs zaden die 50 jaar onder de grond hadden gelegen bleken nog voor 52% kiemkrachtig te zijn. Dit is een lastig onkruid, niet alleen in de tuin maar ook voor de boer. (In Groot-Brittannië zijn de boeren zelfs verplicht deze plant op hun grond uit te roeien, zoals bij ons in sommige provincies met de distel het geval is.) Het optreden van Krulzuring in uw tuin betekent in ieder geval wel dat de grond rijk aan voedingsstoffen is. Krulzuring komt voor in Europa en Azië en is door toedoen van de mens ook in Amerika terechtgekomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ridderzuring

 

RIDDERZURING (Rumex obtusifolius) is in ons land ongeveer even algemeen als de vorige soort en heeft ook zo’n beetje hetzelfde verspreidingsgebied. Hier zijn de bladeren – die eveneens afwisselend staan – ± 25 cm lang en breed ovaal met een hartvormige basis. De bloemen staan eveneens in kransen rond de stengels, die vertakt zijn en nogal uitstaan. Vooral onderaan zijn de bloeistengels bebladerd. Het bloemdek dat de vrucht omgeeft draagt aan ieder van de drie zijden 3-5 lange tanden. De bloeitijd is van juni tot oktober.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kluwenzuring

 

KLUWENZURING (Rumex conglomeratus) heeft lange ovale bladeren, die veel op die van Krulzuring lijken, maar smaller zijn. Te herkennen doordat de bloemen kortgesteeld zijn en in een kluwenvormige bloeiwijze zitten die tot dicht bij de top bebladerd is. Ook het uiterlijk van de vruchtjes met hun lange ongetande slippen is kenmerkend. De plant wordt 0,5 tot 1 meter hoog. Komt voor in Europa en Midden- en Noord-Azië.

 

 

 

 

 

 

 

 

Schapenzuring

 

Ook SCHAPENZURING (Rumex acetosella) heeft een taaie penwortel en de horizontale vertakkingen daarvan lopen gemakkelijk uit, waardoor hele kolonies ontstaan. Gemakkelijk te onderscheiden van zijn verwanten door zijn geringe hoogte (meestal minder dan 30 cm), de meestal spiesvormige bladeren en de gele tot rode bloempjes. Deze zitten in losse bloeiwijzen en verschijnen van mei tot in de herfst. Schapenzuring komt van nature voor op voedselarme, droge zure (zand- en veen) grond. Doordat Schapenzuring vaak in zeer grote aantallen tegelijk voorkomt kan hij ’s zomers, wanneer de zaden rijp zijn, hele oppervlakten kleur geven met zijn roestbruin-rode  vruchtpluimen en scharlaken blaadjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

Veldzuring

 

VELDZURING (Rumex acetosa) heeft gladde, ovale, afwisselend staande bladeren met twee naar beneden gerichte, soms in tweeën gespleten slippen aan de voet. De in mei-juni verschijnende bloemen worden gevolgd door vruchten die een eigenaardige glans vertonen. Veldzuring, die 0,5 tot 1 meter hoog wordt, komt voor over de hele wereld in de gematigde delen. In ons land algemeen op voedzame, grazige plaatsen. Ook gekweekt als groente.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zwarte nachtschade (Solanaceae)

 

De ZWARTE NACHTSCHADE (Solanum nigrum) roept u toe: ‘Ik kan gevaarlijk zijn.’ Alle delen van deze plant bevatten giftige alkaloïden, maar in wisselende hoeveelheden. Bladeren en bessen zijn dan ook door dieren gegeten zonder schade – of met dodelijk gevolg. De glanzend gele of zwarte bessen (ter grootte van een erwt) zien er voor kinderen aantrekkelijk uit; het eten ervan leidt soms tot weinig meer dan wat misselijkheid, soms echter tot hevige pijn, uitputting en zelfs de dood.

Zwarte nachtschade is een bossige, een- of tweejarige plant die 50 tot 60 cm hoog wordt. De bladeren staan afwisselend en zijn eirond tot bijna driehoekig, met bochtige randen; tegen het licht zijn ze soms doorschijnend. Deze soort behoort tot dezelfde familie als de aardappel en heeft ook dezelfde stervormige bloemen, met vijf vergroeide bloembladeren en vijf gele meeldraden in een zuiltje. De witte, in een soort tros staande, bloemen verschijnen van juni tot in de herfst. Dit onkruid komt over de hele wereld voor op akkers, in tuinen en langs wegen. In ons land een zeer algemene verschijning.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter T en V

Standaard

Categorie:  Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Tandzaad (Compositae)

 

Het geslacht Tandzaad telt ongeveer 200 soorten, de meeste in Amerika. Zij behoren tot de grootste familie der bloeiende planten, de Compositae of Samengesteldbloemigen. Zoals de naam al aangeeft is datgene wat men voor een bloem aanziet bij deze familie in feite een verzameling heel kleine bloemetjes. Deze zijn gezamenlijk op een bloembodem ingeplant en zien er samen vaak als een ‘gewone’ bloem uit. Wat op het eerste gezicht een normale bloem lijkt is dus in feite een complete bloeiwijze. Deze wordt bij de Samengesteldbloemigen een bloemhoofdje genoemd.

Soms zijn de bloemhoofdjes bolrond, zoals we dat van Distels kennen. Ook bij het geslacht Tandzaad komt dit voor. In ons land zijn vier soorten van dit geslacht in de loop der jaren plaatselijk algemeen geworden, vrijwel altijd op voedselrijke plaatsen langs waterkanten.

De meest algemene soort in ons land is DRIEDELIG TANDZAAD (Bidens tripartitus), een van 3-90 cm hoge, eenjarige plant met rechtopstaande bloemhoofdjes. De vruchtjes hebben 2-4 naalden die met weerhaakjes zijn bezet, waardoor de vruchtjes gemakkelijk door mens en dier verspreid kunnen worden.

 

 

 

 

 

 

 

Dat geldt ook voor de volgende soort, ZWART TANDZAAD (Bidens frondosus), een eveneens eenjarige plant met oranje-gele bloemhoofdjes. De plant wordt 30 cm tot 1 m hoog. De samengestelde bladeren bestaan uit 3-5 delen. Komt vooral voor langs rivieren en kanalen.

 

 

 

 

 

 

 

De andere twee soorten, Knikkend tandzaad (B. cernuus) en Vergroeidbladig tandzaad (B. connatus) zijn vaak moeilijk te onderscheiden van de twee reeds genoemde soorten.

 

 

Vergeet-mij-nietje (Boraginaceae)

 

Het VERGEET-MIJ-NIETJE (Myosotis arvensis) is geen erg lastig onkruid, ook al heeft het de neiging zich ongemerkt in de tuin te vestigen. De plant kan zich nogal snel verbreiden, doordat ieder exemplaar ongeveer 700 zaden produceert. De planten zijn echter gemakkelijk door wieden in bedwang te houden. De helderblauwe bloemen van 5 mm doorsnee met vijf bloemblaadjes en een geel oog maken de plant gemakkelijk te herkennen. Ze staan afwisselend, op korte steeltjes, aan het bovenste deel van de lang behaarde stengels.

Vóór de bloei zijn de stengels aan het eind naar binnen opgerold. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De onderste bladeren zijn gesteeld en rondachtig-ovaal: ze vormen een rozet aan de basis; de stengel-bladeren groeien afwisselend en zijn lancetvormig en stengelomvattend. Alle bladeren zijn aan weerszijden behaard. Het vergeet-mij-nietje is een eenjarige plant van 120 tot 60 cm hoogte. Algemeen voorkomend in praktisch geheel Europa, Noord- en Midden-Azië en Noord-Amerika. In ons land vooral op bebouwde zandgrond die rijk is aan humus in lichte bossen en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vetmuur (Caryophyllaceae)

 

LIGGENDE VETMUUR (Sagina procumbens) vormt een dichte rozet van lijnvormige blaadjes die 5-12 mm lang zijn en zich aan de top tot een stekelpuntje vernauwen. Uit de rozet komen liggende stengeltjes tevoorschijn met nog kleinere blaadjes, die in groepjes tegenover elkaar staan. Uit iedere groep blaadjes ontspringt een naar verhouding lange bloemsteel met een heel klein wit bloempje, dat vier bloemblaadjes bezig. Soms zijn de bloemblaadjes afwezig en zijn er alleen de vier grotere, groene kelkblaadjes. Dit onkruid komt voor in geheel Europa en in delen van Noord-Amerika. Bij ons zeer algemeen op zandgrond, tussen straatstenen, op muren en dergelijke. De bloemen verschijnen van mei tot september en bestuiven zichzelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vroegeling (Cruciferae)

 

Vroegeling (Erophila verna) is een heel klein rozetplantje dat zijn witte bloemetjes al vroeg in het jaar laat zien (februari-mei). De grootste hoogte die het plantje bereikt is 15 cm; soms is het niet hoger dan 3 cm. De bloemblaadjes zijn, zoals altijd bij de Kruisbloemenfamilie, vier in getal, maar ze zijn zo diep ingesneden dat het lijkt alsof het er acht zijn. De bladeren zijn spatelvormig tot lancetvormig, behaard en met of zonder getande randen. Uit het centrum van de rozet ontstaan verscheidene stengeltjes, die ieder een bloeiwijze dragen. Zoals de naam al zegt is Vroegeling een van de vroegst bloeiende wilde plantjes; het is een vormenrijke soort die voorkomt in geheel Europa, in Noord-Amerika, Noord-Afrika en Noord-Azië. Bij ons algemeen (en soms massaal voorkomend) op open, zandige terreinen, langs wegen, in parken en in de duinen. Ook op veengrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onkruid soorten in ons land – letter S

Standaard

Categorie: Kamerplanten en bloemen

 

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

 

De Schermbloemigen met fijn verdeelde bladeren (Umbelliferae)

 

Deze schermbloemigen vormen een charmante groep planten, die op hun mooist uitkomen wanneer ze in de wegberm of op een dijk groeien waar ze uitsteken boven de andere begroeiing. Fluitenkruid heeft niet voor niets de bijnaam ‘Hollands kant’. Zelfs wanneer deze planten de tuin binnendringen hoeft men dat niet te betreuren. Hun diep uit de grond voedsel halende penwortels brengen namelijk waardevolle mineralen naar boven waardoor die ook voor ondiep wortelende planten ter beschikking komen. Zorg er echter wel voor dat deze onkruiden niet tot zaadvorming komen: Wilde peen bijvoorbeeld brengt per plant ongeveer 4000 zaden voort en 4000 penen is wel wat veel van het goede.

 

 

Fluitekruid

 

FLUITEKRUID (Anthriscus sylvestris) is een overblijvende plant van 0,60 tot 1,50 meter hoog, met wijd vertakte ondergrondse stengels, die binnen korte tijd een flink stuk grond in beslag kunnen nemen. De zachte, heldergroene bladeren staan afwisselend, zijn tot 30 cm lang en 2-3 maal geveerd met ruw gezaagde randen. Ze komen tevoorschijn uit gegroefde scheden op de holle, eveneens van groeven voorziene stengels, die aan de onderkant donzig behaard zijn en aan de bovenkant kaal. De bloeiwijze is een eindstandig, samengesteld scherm met kleine witte bloemen die vijf bloemblaadjes hebben. De vruchtjes zijn langwerpig, kaal en zwart, met twee snavels aan de top.

Fluitekruid is inheems in Europa, Noord-Azië en Noord-Afrika. In ons land een zeer algemene verschijning op grazige, vochtige plaatsen, langs wegen en dijken en in vochtige loofbossen. De bloeitijd is mei-juni.

 

 

 

fluitekruid

 

 

 

 

 

Hondspeterselie

 

HONDSPETERSELIE (Aethusa cynapium) is een vertakte, eenjarige plant, die een grote variatie in afmetingen vertoont: gewoonlijk is hij tussen 30 en 90 cm hoog, maar er zijn ook exemplaren bekend van 3 cm hoog en andere die wel 2 meter bereiken! De holle stengels zijn blauwachtig van kleur en voorzien van fijne ribbels; de bladeren staan afwisselend en hebben een donkergroene kleur; ze zijn niet zo fijn verdeeld als bij de voorgaande soort. Ook hier staan de bloemen in samengestelde schermen, maar deze zijn minder dicht; aan de onderkant zitten omwindseltjes met drie tot vier bladeren.

De bloemen verschijnen van juni tot in de herfst. Wanneer de vruchtjes rijp worden buigen de steeltjes zich naar beneden terwijl de vruchtjes zelf rechtop staan. Ze zijn eivormig en geribbeld, zonder snavels. Alle delen van de plant zijn giftig. Er zijn vergiftigingen bekend in gevallen dat de bladeren waren aangezien voor die van gewone peterselie en de wortels voor jonge raapjes of radijzen. Hoewel dieren de planten weigeren te eten vanwege de onaangename geur, eten zij ze wèl wanneer de planten in hooi verwerkt zijn. Door het drogen zijn de giftige eigenschappen dan verdwenen. Hondspeterselie komt voor in de meeste delen van Europa en is in ons land algemeen langs wegen, op bouwland, in moestuinen en dergelijke.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Peen

 

PEEN (Daucus carota) is een tweejarige plant die 30 tot 90 cm hoog wordt. De slanke stengels staan rechtop en zijn vertakt; ze zijn hol, geribbeld, en borstelig behaard. De fijne verdeling van de afwisselend staande bladeren doet de plant eruit zien alsof hij gemaakt is van kant. De kleine witte bloempjes zitten in dichte, samengestelde schermen, die aan de voet een groot aantal schutblaadjes bezitten. Het middelste bloemetjes in het scherm is vaak rood of paars.

Na de bloei krommen de stelen van het scherm zich naar boven, waardoor als het ware een vogelnestje ontstaat. De vruchtjes zijn langwerpig, met en afgeplatte en een geribbelde, borstelige zijde. De bloeitijd loopt van juni tot in de herfst en het verspreidingsgebied omvat geheel Europa en een groot deel van Noord-Amerika. In ons land algemeen op grazige plaatsen, langs dijken en wegen. Dit is de stamvorm van de gekweekte peen.

 

 

 

 

 

 

 

Spurrie (Caryophyllaceae)

 

GEWONE SPURRIE (Spergula arvensis) lijkt wel wat op Kleefkruid. Hij heeft dezelfde manier van groeien en dezelfde kleverige stengels met de bladeren in kransen. Maar terwijl bij Kleefkruid de bladeren lancetvormig zijn, zijn die van Gewone spurrie lijnvormig. De rangschikking van de bloemen is ook anders, ze staan eindstandig in open groepjes; de vijf bloemblaadje zijn wit. De bloeiperiode loopt van april tot in de herfst. Deze eenjarige plant wordt 15 tot 30 cm hoog. Het verspreidingsgebied omvat geheel Europa. In ons land algemeen op zandgrond; wordt ook gekweekt.