categorie : religie
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget
1 – toeval
2 – kerk en wetenschap
3 – energiegericht denken
4 – de strijd om energie
5 – ontvankelijk worden voor de universele energie
6 – karakterstructuren
7 – transformatie
8 – intuïtie
9 – de toekomst
10 – het reïncarnatieproces
11 – alles is energie
Alle inzichten moet je begrijpen, maar ook voelen en ervaren. Het is geen theoretisch aanneembaar stuk, het moet echt gevoelsmatig binnenkomen. De verdere inzichten kan je pas ten volle begrijpen als je de voorgaande inzichten begrijpt, voelt en ervaart.
De inzichten volgen een bepaalde lijn. In het begin leren we dat we een energetisch wezen zijn welk één is met zijn omgeving, aangezien alles en iedereen is opgebouwd uit deze zelfde energie. Er is dus interactie mogelijk tussen jouw en anderen op energetisch niveau. Vaak gebeurt dat heel bewust, soms ook onbewust. Signalen op energetisch niveau ontvangen noemen we toeval, dagdromen, visioenen en gedachten.
’Namasté’ betekent: Mijn Boeddha-natuur groet de Boeddha-natuur in jou. Ofwel, ik kijk niet naar de ego, maar wie je werkelijk bent. Wie je werkelijk bent is dit energetische lichaam, je ziel, Christus-bewustzijn of Boeddha-natuur. Maar je bent hier geboren op deze plaats in deze tijd en hier zul je het moeten gaan doen. Je leert heel snel in je kinderjaren dat volledig openstaan voor energie niet genoeg is.
Er is een aardingproces en een ego nodig om je ding te kunnen doen hier en nu. Je bent geboren in een gezin met ouders die al een heel lang aardingproces achter zich hebben, een ego hebben gevormd en vanuit dat ego proberen zich staande te houden in deze maatschappij. Dit gaan we allemaal doen. Elke volwassene heeft zich geaard en een ego gevormd.
Daarbij zijn we vaak het contact met de Universele energie, ons contact met onze eigen Boeddha-natuur vergeten. Omdat de nadruk in het westen zo nadrukkelijk ligt op weten in plaats van voelen, leren in plaats van loslaten, en vertrouwen zoeken in status/macht/carrière/geld in plaats van vertrouwen zoeken in wie je werkelijk bent, zijn we die werkelijkheid deels kwijtgeraakt.
In plaats daarvan maken we een nieuwe werkelijkheid waarin gehechtheid aan jezelf (ik) en je omgeving (mijn en ons) centraal staan. Daarnaast staat ook afkeer centraal, afkeer naar datgene bedreigend is voor het ik, het Mijn en het Ons. Dit alles wordt veroorzaakt door onwetendheid, onwetendheid wie we werkelijk zijn, onwetendheid over onze Boeddha-natuur. Gehechtheid, afkeer en onwetendheid zijn binnen het Boeddhisme de drie vergiften waar negativiteit uit voortkomt.
We hebben dus een nieuwe werkelijkheid geschapen. Tegelijk zijn we nog steeds een energetisch wezen ook al beseffen we ons dat steeds minder. Dit energetische wezen heeft behoefte aan energie, alleen zijn we verleerd om deze energie vanuit het Universum te ontvangen omdat dit niet meer past in onze nieuwe werkelijkheid.
Daarom gaan we binnen onze nieuwe werkelijkheid op zoek naar manieren om toch energie te ontvangen. De eerste mensen waar we energie van ontvangen zijn onze ouders. In eerste instantie gaat dat vanzelf, een baby krijgt (bijna) altijd de aandacht en de liefde die het nodig heeft. De baby is de centrale factor binnen het gezin.
Maar als deze baby uitgroeit tot een kind is deze vanzelfsprekendheid veel minder. Je moet gaan vechten om je plaats en om aandacht. Het kind gaat bij zichzelf te raden op welke manier hij de meeste energie kan ontvangen van zijn ouders. Zoals we reeds weten zijn er vier karakterstructuren: bullebak, ondervrager, afstandelijke en arme ik.
Stel het kind heeft 2 ouders die allebei bullebakken zijn. Het kind verlangt energie, liefst in positieve zin, lukt dat niet, dan in negatieve zin. Het kind kan uitgroeien tot eveneens een bullebak, maar dan krijgt het voornamelijk negatieve energie (ruzie) en dat zal dus niet zijn eerste optie zijn. Veel logischer is het als het kind een arme ik wordt.
Dan krijgt het positieve aandacht omdat het kind dat gedrag vertoont waarin de bullebak zich graag in mengt. De bullebak overheerst, geeft adviezen, geeft sturing, en de arme ik ontvangt. Zo creëert elk beheersingssysteem een ander beheersingssysteem, in eerste instantie vanuit positieve energieoverdracht. Als dat niet lukt, dan vanuit negatieve energieoverdracht, zolang er maar energieoverdracht is.
Een bullebak zal in eerste instantie een arme ik creëren. Pas daarna een andere bullebak. Een bullebak zal niet snel een ondervrager creëren omdat de ondervrager de bullebak alleen maar woest en kwaad maakt met zijn vragen en de ondervrager ook geen voeding krijgt omdat hij geen antwoorden krijgt. Hij genereert woede terwijl hij juist het gesprek opzoekt.
Ook zal een bullebak niet snel een afstandelijke creëren, omdat een afstandelijke de bullebak helemaal niets geeft maar zich wel continu op de huid gezeten voelt zitten, terwijl de afstandelijke dat nu juist niet wil. De ondervrager schept voornamelijk afstandelijke kinderen. De ouder vraagt zo veel dat het afstompt bij het kind. De enige mogelijkheid van het kind om te ontkomen aan de vragenzee is een afstandelijke houding aan te nemen.
Hoe minder je je ouders vertelt, des te minder kennis hebben ze om vragen op te baseren. Daarnaast houdt het vragen stellen vanzelf op als er geen antwoord komt. In sommige gevallen creëert de ondervrager een arme ik. De afstandelijke ouders scheppen op hun beurt juist ondervragende kinderen. Als je vader en je moeder het enige referentiekader is (en dat zijn ze de eerste jaren van je leven ook) en je ouders zijn afstandelijk, dan ga je ze uithoren en ondervragen.
Zijn de ouders extreem afstandelijk, dan kan de dominantie van de ondervrager zelfs onvoldoende zijn en is er meer voor nodig, kan het kind zelfs zeer boos worden als het geen antwoorden krijgt en schiet door naar de bullebak of schiet door naar de arme ik, helemaal als het kind denkt dat het aan hem ligt dat zijn ouders niets zeggen. arme ik trekt voornamelijk een bullebak aan, in mindere mate een afstandelijke.
Natuurlijk zijn er altijd andere combinaties mogelijk. In onze kinder- en pubertijd creëren we dus een karakterstructuur. Ons ego is dus het ego van de bullebak, ondervrager, afstandelijke of arme ik. Om dit te bewerkstelligen kan een persoon zich een beheersingssysteem aanmeten die hij als middel gebruikt om zijn eigen karakterstructuur veilig te stellen.
Een afstandelijke (karakterstructuur) wilt met rust gelaten worden, houdt niet van verassingen en wendingen en kan de ondervragende rol gebruiken om in zijn omgeving af te tasten waar iedereen mee bezig is. Op het moment dat hij dit weet en beseft dat er geen verassingen te wachten staan kruipt hij terug in zijn eigen karakterstructuur van afstandelijke.
Nu we ons eigen karakterstructuur en beheersingssystemen kennen, kunnen we er iets aan doen. Je weet nu hoe je energie ontneemt vanuit je omgeving. Vaak is het zo dat je (on)bewust je partner gekozen hebt op basis van je eigen beheersingssysteem. Waren je ouders bullebakken en ben jij een arme ik, dan kan het heel goed zijn dat je partner ook een bullebak is. Sterker nog, het kan heel goed zijn dat veel van je vrienden ondervragers of bullebakken zijn.
Je voelt je prettig bij dominante mensen en niet bij passieve mensen. Hierdoor ontneem je jezelf spirituele groei omdat je een groot deel van de mensheid buiten je sluit. Het niet omgaan met andere arme ikken en afstandelijke ontneemt je de mogelijkheid te leren van deze arme ikken en afstandelijken. Inzicht krijgen in wie je bent, hoe je je ego hebt gevormd is heel belangrijk wil je je karakterstructuur en beheersingssysteem transformeren in:
• bullebak → leider
• ondervrager → advocaat/ leraar/ adviseur
• afstandelijk → onafhankelijk denker, neutraal iemand
• arme ik → hervormer
Om dit te kunnen bewerkstelligen zijn meerdere technieken mogelijk. Al deze technieken hebben echter tot resultaat dat je intuïtiever gaat worden. Deze intuïtie doet zich voor in dromen, gedachten en visioenen. Het ontvangen van een intuïtie is één, de les eruit halen door de intuïtie te voelen is het vervolg.
.
.
.
.
.
.
In de Dhammapada is de leer van het Theravada Boeddhisme samengevat. De Dhammapada is een samenstelling van 423 verzen van de Boeddha, verdeeld over 26 hoofdstukken. Hierin worden de wijsheden van Boeddha beschreven, in de vorm van korte spreuken. Zo zegt het dat je in de wereld moet zijn en niet van de wereld. Het leert ons dat haat niet overwonnen kan worden met haat.
Haat wordt overwonnen met liefde. Dat is een eeuwige wet. Overwin boosheid door niet-boosheid, overwin kwaad door het goede. Overwin de vrek door gul te zijn, overwin de leugenaar met de waarheid. De Dhammapada laat zien dat geloof niet zo gecompliceerd hoeft te zijn dat het slechts door theologen na een lange studie begrepen kan worden.
.
.
.
.
De weg van de bevrijding is het achtvoudige pad. Het bestaat uit het juiste begrip, de juiste gedachten, het juiste spreken, het juiste handelen, het juiste levensonderhoud, de juiste inspanning, juiste bewustzijn en concentratie. Hierbij worden begrip en gedachten gezien als wijsheidselementen.
Spreken, handelen en levensonderhoud zijn deugdzaamheids elementen. De laatste drie inspanning , bewustzijn en concentratie hebben te maken met het een zijn met wat we doen ofwel meditatie. Er zijn nagenoeg geen fundamentalistische boeddhisten, het boeddhisme heeft hier tegen een ingebouwde weerstand.
.
.
Boeddha heeft in zijn tijd de individuele mens weer de verantwoording terug gegeven voor zijn persoonlijke spirituele ontwikkeling. Het is nu aan ons om deze te gebruiken.
.
.
1. Lijden Bestaat.
2. De oorzaak van ons lijden is niet bewust zijn.
3. De remedie voor niet bewust zijn is meditatie.
4. Het beoefenen van meditatie is juist leven.
.
.
1. Het juiste inzicht: De wetten van karma leren.
2. De juiste gedachte: gedachten van medeleven koesteren.
3. De juiste spraak: De waarheid vertellen in plaats van leugens.
4. De juiste handelswijze: Zich behulpzaam gedragen.
5. Het juiste levensonderhoud: De kost verdienen op een manier die geluk bevordert.
6. De juiste inzet: Zorgen voor een gezonde gemoedstoestand.
7. De juiste geesteshouding: Zich meer bewust worden van gedachten en handelingen
8. De juiste meditatie: De oefening van het aanwezig zijn verdiepen.
Compassie of het zorgen voor elkaar is een van de essenties van het boeddhisme. Veel boeddhisten leven sober. Ze drinken en roken niet en zijn vegetarisch. Ze hebben respect voor alles dat leeft.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Ontstaan
Ontstaan als reactie op en hervorming van het hindoeïsme. Het boeddhisme wijst het hele hindoeïstische goden-pantheon af en is daarmee geen godsdienst in de strikte zin van het woord. Het kastensysteem en priesterbemiddeling worden afgewezen. Heilige boeken worden niet erkend en dus is er ook geen taak meer voor het Sanskriet. De kringloop der wedergeboorten kan op eigen kracht worden doorbroken waarmee het Nirwana binnen het bereik komt.
.
De stichter
Anders dan het hindoeïsme gaat het boeddhisme terug op een historische stichter, Sidharta Goutama. Hij werd geboren 560 v.C., als zoon van een rijk stamhoofd, huwde een weduwe en had bij haar een zoon. Op 29-jarige leeftijd kwam hij in een ernstige religieuze crisis, verliet huis en haard en probeerde eerst door een strenge ascese en zelfkastijding een oplossing te bereiken. Na zes jaar aldus geleefd te hebben en na een periode van 49 dagen van eenzame meditatie kwam de verlossing in de vorm van de verlichting. Gautama werd tot Boeddha (= dé Verlichte) en daarmee tot het centrum van de mensheid en zijn geschiedenis. Boeddha verzamelde een groep monniken om zich heen aan wie hij zijn (mondeling) leer doorgaf. .
Gautama Buddha
De leer
Boeddha leerde aan zijn volgelingen de volgende vier waarheden: (1) Leven is lijden (2) De oorzaak van het lijden is het verlangen of de begeerte. (3) Het verlangen moet worden overwonnen. (4) Het geëigende middel daartoe is het achtvoudige pad. Het achtvoudige pad geeft, in een opklimmende reeks, een leidraad voor het leven: (1) het juiste pad, (2) de juiste doelstelling, (3) het juiste woord, (4.) het juiste gedrag (niet stelen, niet doden), (5) het juiste middel voor het levensonderhoud, (6) de juiste inspanning (wilskracht, training), (7) het juiste bewustzijn (kennen van de drijfveren) en tenslotte (8) de juiste meditatie.
. In zijn zuiverste vorm laat het geen ruimte voor aanbidding aangezien er geen wezen is tot wie de aanbidding kan worden gericht. In latere ontwikkelingen is hierop toch ten dele teruggekomen.
Ontwikkeling
Nadat Boeddha zijn monniken zijn lering had bijgebracht, volgde een voorspoedige start van het boeddhisme. Na enige tijd ontstond de behoefte toch de leer in geschriften te formuleren. Er werden concilies gehouden. In 300 jaar bereikte het boeddhisme heel India (de onderlaag blijf het hindoeïsme trouw). Honderd jaar later breidde het zich uit over Sri Lanka, later over China waar het de cultuur diepgaand beïnvloed heeft. Rond het begin van onze jaartelling bereikte het boeddhisme Japan en Korea waar het zich mengde met de plaatselijke shinto. In Tibet kreeg het boeddhisme een geheel eigen vorm (het tantrisme). Rond 900 na Chr. volgde een teruggang en won het hindoeïsme althans in India weer vrijwel alle terrein terug (pas in deze eeuw is er weer sprake van een kleine opleving van het boeddhisme in India).
Heilige boeken
Het boeddhisme is een ‘godsdienst’ zonder heilige geopenbaarde boeken. Wel zijn de leringen van de Boeddha in later tijd vastgelegd. In de loop van de tijd is aan de overlevering over het leven en de leer van Boeddha veel toegevoegd. De teksten werden alleen in de kloosters bewaard en zijn in de meeste gevallen met de invallen van de islam verloren gegaan. Een reconstructie van de leer in zijn meest oorspronkelijke vorm is daarom echter niet goed mogelijk.
De leefregels
De leefregels volgen uit de opgaven van het achtvoudige pad. In de oorspronkelijke vorm van het boeddhisme is de mens sterk op zichzelf betrokken. Maar men mag de naaste geen schade berokkenen. De boeddhist zal overdaad mijden. Het is aan te bevelen een kortere of langere tijd als monnik te leven.
Richtingen
Rond 100 na Chr. splitste het boeddhisme zich in twee scholen: Hinayana (‘kleine voertuig’), de meest oor-spronkelijke en zuivere richting, tegenwoordig beter bekend onder de naam Theravada, en Mahayana (‘grote voertuig’). Het Hinayana leert dat de verlossing maar voor weinigen is weggelegd (= kleine voertuig). Het is een verdraagzame groep die met name Sri Lanka, Thailand, Birma, Cambodja en Laos te vinden is. Er komen helpers voor de mens, de Bodhisatva’s (heiligen). Hemel en hel worden aanvaard. Er wordt een plaats ingeruimd voor toekomstige Boeddha’s. De eredienst krijgt de trekken van een kerk. Plaatselijk vermengt deze vorm van boeddhisme zich gemakkelijk andere religies zoals dat in Japan (Shinto) en in Tibet het geval is geweest. Het zen-boeddhisme ( vajrayana of tantrisch boeddhisme) is rond 500 v.C. in China tot ontwikkeling gekomen vorm van het boeddhisme welke nadien ook in Japan vaste voet aan de grond heeft gekregen. Het zen-boeddhisme is nogal afkerig van theorie, is meer betrokken op de dienst aan de naaste en legt sterk de nadruk op geestelijke en lichamelijke discipline en op training. Na de Tweede Wereldoorlog is deze vorm van het boeddhisme ook in het Westen bekend en populair geworden. Yoga is een ander in het Westen bekend geworden boeddhistisch fenomeen dat dateert uit de vijfde eeuw n.Chr. Het is een methode om door ascese en geestelijke concentratie een hogere bewustzijnstoestand te bereiken. . .
. .
Feesten en kalender
De Boeddhistische kalender is (met uitzondering van Japan) een maankalender. Het jaar is 11 dagen korter en de feestdagen verschuiven derhalve ten opzichte van onze op de zon gebaseerde kalender. Veel feesten zijn sterk regionaal bepaald. Om er enkele te noemen: – Geboortefeest van Boeddha (d.w.z. zijn verlichting en eerste preek) – Feest van de Boeddha’s (Japan) – Dodenfeest (soort Allerzielen, alleen Japan) – Boeddha’s Hemelvaart (alleen Tibet).
Enkele teksten uit de boeken
. preview en aankoop boek “De Openbaring “:http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget.
|
.
.
.
.
.
De Boeddha heeft geen geschriften nagelaten. Alles wat wij van en over hem weten berust op mondelinge overleveringen, die pas eeuwen na zijn dood op schrift zijn gesteld. De Tipitaka, de drie manden of korven, is de naam van de Boeddhistische canon: deze bevat de Predikingen die door de Boeddha zijn gehouden. De Tipitaka bestaat uit de volgende drie delen:
Vinaya Pitaka
Deze verzameling bevat de winaya, d.i. de Discipline voor de Orde van Discipelen (de Sangha). Het woord vinaya betekent datgene wat het slechte verdrijft.
De verzameling van predikingen, bestaande uit:
1. Digha Nikaya – de verzameling lange predikingen
2. Maddjhima Nikaya – de verzameling middellange predikingen
3. Samyoetta Nikaya – predikingen die geordend zijn naar soort
4. Angoettara Nikaya – predikingen die geordend zijn naar getal
5. Khoeddaka Nikaya – verzameling van kleinere boekwerken:
a. Khoeddaka Patha
b. Dhammapada
c. Oedana
d. Itiwoettaka
e. Soettanipata
f. Wimanawatthoe
g. Petawatthoe
h. Theragatha
i. Theragatha
j. Djataka
k. Niddesa
l. Patisambhidamagga
m. Apadana
n. Boeddhawamsa
o. Cariyapitaka
De verzameling van analytische beschouwingen, waarin de psychologische en filosofische aspecten van de leer verklaard worden in overeenstemming met de werkelijkheid:
Dhammasangani
Wibhanga
Dhatoekatha
Poeggalapannatti
Kathawatthoe
Yamaka
Patthana
De tipitaka is voor het eerst opgetekend (op palmbladeren – Aloe) in 101-77 voor de westerse jaartelling. De tipitaka en de commentaren zijn opgetekend in het Pali, de taal waarin de Boeddha sprak, maar ook in het Sanskriet, het Tibetaans en het Chinees.
.
.
.
1.die van het `in beweging zetten van het wiel van de waarheid’ (de eerste prediking),
2. over de grondslagen van achtzaamheid (Satipatthanasoetta),
3. de prediking over het geleidelijke pad tot verlichting ofwel `de goede tekenen in het leven’ (Mangalasoetta),
4. over `liefdevolle vriendelijkheid’ (Mettasoetta),
5. over `terugval’ (Parabhawasoetta),
6. over `wereldse vooruitgang’ (Wyaggapaddjasoetta)
7. en over `juiste omgang’ (Sigalowadasoetta).
Deze predikingen en andere kunt u in de reeks Boeddhayana Publikaties bestuderen.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
De monniken zijn voor hun voedsel afhankelijk van de bevolking. ’s Ochtends vroeg lopen ze zwijgend met hun bedelnap door de straten. De gelovige die het eten schenkt, dankt de monnik dat hij het eten in ontvangst heeft willen nemen, omdat op deze wijze goede daden verricht kunnen worden.
Op de dag dat een Thaise jongen wordt toegelaten tot een monniksorde krijgt hij geschenken van zijn familie. Zo’n geschenkenpakket bevat bijna altijd een monnikspij, een bedelnap, etenspannetjes, een waaier, kussens, een scheermes voor baard- en hoofdhaar, zeep en tandpasta, een boekje met boeddhistische teksten en kaarsen en wierook.
Soberheid is een belangrijk Zen-ideaal. Op veel plaatsen in de Japanse samenleving komt dit tot uiting, zoals bijv. in het bloemschikken (ikebana) en in de woninginrichting.
.
.
Een veel gebruikt voorwerp in het Vajrayana-Boeddhisme is de gebedsmolen.
.
.
De ‘bus’ van de gebedsmolen bevat strookjes rijstpapier. Meestal is dit bedrukt met honderden malen hetzelfde gebed (mantra). Wanneer de pols regelmatig wordt bewogen, gaat de ‘bus’ draaien. Iedere omwenteling van de molen versterkt het gebed.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
De concepten (begrippen) die wij mensen hanteren zijn namen die de werkelijkheid representeren en niet de werkelijkheid zelf. Zo is het begrip ‘stoel’ een verzamelnaam voor allerlei soorten stoelen. Maar ook het begrip ‘keukenstoel’ is een verzamelnaam. Voor boeddhisten is het begrip ‘stoel’ niet meer dan een woord, een naam, een predikaat zonder dat er een realiteit is die ermee overeenkomt. Deze stoel waar ik hier en nu op zit is uniek en niet in woorden te vatten. Wat wij onder een ‘stoel’ verstaan, is welbeschouwd een samenstel van verschillende onderdelen: houten poten, een zitgedeelte, een rugleuning e.d.
.
.
| vorm: het menselijk lichaam, |
| gevoel: lichamelijke of mentale gevoelens, die plezierig, onplezierig of neutraal kunnen zijn en veroorzaakt worden door contact van de zintuigen met andere objecten, |
| de waarnemingen van de zes zintuigen (vijf externe en het interne, dat manas wordt genoemd), |
| impulsen, zoals hebzucht, haat, neigingen, wilsuitingen, |
| het bewustzijn, als resultaat van waarnemingen van de zintuigen. |
Het geheel van deze vijf onderdelen is wat we de menselijke persoon noemen. Wat we gewoonlijk een ‘persoon’ noemen, is echter volgens de leer van het voorwaardelijk ontstaan niet meer dan een proces van continu ontstaan en verdwijnen, zonder dat er een onvergankelijk en substantieel zelf of ziel achter zit.
Met andere woorden:
de constante factor in deze menselijke persoon bestaat niet, ons ego is niet meer dan een illusie.
Er bestaan slechts dharma’s die elkaar opvolgen. Er zijn fysieke en mentale processen of gebeurtenissen, er zijn daden en ervaringen, maar er is geen onvergankelijke dader van de daden of een subject dat de vruchten van die daden ervaart. De mens die verlicht is ziet hoe de vijf onderdelen van de menselijke persoon in hem functioneren maar hij wordt er niet meer door bepaald. Hij is onthecht aan de strevingen in hem en is meester van zichzelf. De kern van zijn bestaan wordt niet meer gevormd door zijn passies maar door zijn ware zelf die het Achtvoudige Pad bewandelt.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Karma is een gevolg van voorgaande handelingen van onszelf. Daardoor schept ieder levend wezen zijn eigen omstandigheden. Karma is een gevolg van voorafgaand handelen en geen beloning of straf. Het is als het ware een neutraal mechanisme dat natuur noodzakelijk werkt zoals het werkt. Het heeft dan ook geen zin om van ‘schuld’ te spreken maar eerder van onwetendheid. Mensen brengen zichzelf leed toe door eigen onwetendheid.
Doordat we gedreven worden door onze begeerten en we ons hechten aan datgene wat we door het volgen van die begeerten willen realiseren, zetten we een kettingreactie in werking, een vicieuze cirkel, die ons in de ban houdt. Deze kettingreactie brengt ons niet het geluk dat we er van verwachten, maar we zijn geneigd toch steeds door te gaan.
Deugdzame daden kunnen tot betere omstandigheden leiden. Alleen het werkelijke inzicht in de dharma’s zal kan leiding tot verlichting en bevrijding van de gebondenheid aan de keten van geboorten en wedergeboorten. Meditatie is de weg waarlangs we tot inzicht kunnen komen.
“Zolang Nirvana niet is bereikt, blijft de noodzaak aanwezig voor nieuwe geboorte. Dan gaan ’s mensen eigenschappen over van leven tot leven. Een persoon is opgebouwd uit vijf afzonderlijke delen of khandha’s.
.
.
1. “Onderscheiding“, ook weergegeven als werking, formatie, onderbewustzijn, scheppingsdrang, levenswil of levensaandrift.
.
2. “Bewustzijn“.
.
3. “Aandoening” of gevoel, verwekt door de indrukken der zinnen.
.
4. “Voorstelling“, waartoe de indrukken worden verwerkt.
.
5. ’t “Lichamelijke“, het objectieve, want ook de gehele buitenwereld, het waargenomene, wordt tot de elementen gerekend, die het bewuste wezen vormen. Bij de dood blijven deze beginselen over en worden ergens anders in een nieuw individu tot uitdrukking gebracht. Het is of er een licht ergens is uitgeblust en op een andere plaats weder wordt ontstoken”.
.
“Volkomen is iemand, die bevrijding heeft bereikt, bij wie de khandha’s zijn uitgeblust, het Karma vernietigd.” (Woorden van Boeddha, pag. 25, 26, 27).
Het boeddhisme stelt dat we zelf verantwoordelijk zijn voor onze eigen daden, ons geluk en onze ellende. Wij scheppen onze eigen hemel en onze eigen hel. Het leven omvat zowel het goede als het slechte. Naar welke van de twee de balans doorslaat hangt van onszelf af.
We oogsten wat we zaaien. Nu zijn we het resultaat van wat we eens waren en in de toekomst zullen we het resultaat zijn van wat we nu zijn. De uitweg is niet de weg van de verlossing van buitenaf, maar is de weg van toenemend bewustzijn en inzicht, welke door middel van meditatie verkregen wordt.
.
.
.
.
.
Bij zijn prediking legde de Boeddha steeds sterk de nadruk op het pad van heiliging. Wijsgerige kwesties liet hij met opzet onaangeroerd. Wel kwamen nu en dan jongeren tot hem met de vraag: Is de wereld eindig of niet-eindig, tijdelijk, of eeuwig; zijn ziel en lichaam verschillend of niet verschillend? Maar hierop gaf hij geen antwoord, want een uitspraak daaromtrent bevorderde zijns inziens niet de wandel in heiligheid. Hij vergeleek dergelijke vragers met iemand, die getroffen was door een vergiftige pijl en zijn wond niet wou laten behandelen voor hij alle bijzonderheden wist omtrent de schutter en het schot. “Wat zou het einde zijn? Dat de man aan zijn wond zou sterven.” Al de aandacht van zijn volgelingen drong hij samen op dit ene punt: hoe komt de mens tot verlossing uit deze wereld van lijden. En daartoe gaf hij als weg aan:
.
“Er is, o jongeren, een plaats, waar geen aarde is, noch water, noch vuur, noch lucht, noch ruimte-oneindigheid, noch denk-oneindigheid, noch nergens-iets-zijn, noch de opheffing tegelijk van voorstelling en niet-voorstelling, noch deze noch gene wereld, beiden zon en maan. Dit noem ik, o jongeren, noch komen, noch gaan, noch blijven staan, noch sterven, noch geboorte. Zonder grond, zonder beweging, zonder stilstand is dit, het is des lijdens einde.”
“Er is, o jongeren, iets ongeborens, ongewordens, ongeschapens, ongevormds. Bestond er, o jongeren, dit ongeborene, ongewordene, ongeschapene, ongevormde niet, dan zou er geen uitweg zijn uit deze wereld van het geborene, gewordene, geschapene, gevormde.”
Uit de eerste prediking van de Boeddha: ” Na dit leven van lijden komt wel een voortbestaan in hemel of hel, maar zelfs de hemelse vreugden zijn voorbijgaande. Dan volgt een nieuw bestaan op aarde, dat even vergankelijk, even vervloeiende is als al het voorafgaande. Vreugde en leed wisselen elkaar door de eeuwen heen af, zolang het wiel van geboorte en dood wentelt.” (Woorden van Boeddha, Ir. J.A. Blok)
“De gedachte die aan het boeddhisme ten grondslag ligt, luidt kortweg, dat het al ijdelheid is. Het aardse is een ijdel spel, de hemel een ijdele beloning!” Op de drempel van een hoger, meer werkelijk bestaan komen slechts de zoekenden, zij die tot erkenning der leegte van het tijdelijke zijn gekomen, die de betekenis der woorden doorgronden:
.
Het zijn zij, die iets van het eeuwige in zichzelf hebben doorleefd en naar dat licht heenworstelen om boven de onbestendigheid der dingen uit te komen.” (zendeling Beal in zijn Catena of Buddhist Scriptures)
Tijdens het leven van de Boeddha was het hindoeïsme de belangrijkste godsdienst in Zuid-Oost Azië. Veel ideeën van het hindoeïsme zijn in het boeddhisme terug te vinden. Kenmerkend voor zowel hindoeïsme als boeddhisme is het geloof in de wedergeboorte van de ziel (reïncarnatie), evenals het geloof dat alle goede en slechte daden tezamen (karma) bepalend zijn voor de plaats die je na de wedergeboorte zult innemen. Er is echter een belangrijk verschil tussen het hindoeïsme en het boeddhisme.
.
.
Door deze stellingname kreeg de Boeddha in korte tijd een massa volgelingen en kon het boeddhisme zich snel uitbreiden over grote delen van Azië.
.