Advertenties

Tagarchief: godsdienst

Kledij en levensfilosofie

Standaard

categorie : mode en kledij

 

Kledij en levensfilosofie

 

Kledij kan samengaan met de godsdienst die men aanhangt. Denken we hierbij aan de opvallende klederdracht van de orthodoxe joden, hoofddoeken binnen de islam, kleurrijke attributen uit het boeddhisme en hindoeïsme en dergelijke meer. Maar de filosofie achter kledij moet niet eens direct aan een godsdienst gekoppeld worden. Denken we maar aan de religieuze invloeden in de mode, waar bijvoorbeeld hoofddoeken losgekoppeld worden van de islam.

Anderzijds stellen we ook vast dat jongeren het dragen van religieuze kleding zelf koppelen aan mode. Voor moslimmeisjes is niet zomaar iedere hoofddoek hetzelfde. Er heerst een ware mode wat de hoofddoek zelf betreft als de wijze waarop deze gedragen wordt. Hebben mode en godsdienst dan toch iets met mekaar te maken?

 

 

Kledij – Hindoeïsme

 

 

 

kledij – Boeddhisme

 

 

 

Kledij in de media

 

Op televisie, in boekjes en op reclamefolders vinden we de laatste nieuwe modesnufjes en trends. Mensen tasten soms diep in de geldbeugel om toch maar dat T-shirt van die beroemde ontwerper te hebben. Een gelukkig iemand worden, gaat al snel hand in hand met zich spiegelen aan de ander. Het is in de meeste gevallen echter wenselijk om zichzelf te blijven. Het maakt uiteindelijk weinig uit wat de anderen van iemand denken omtrent het dragen van bepaalde kledij..

Anderzijds worden identiteiten gevormd door de omgeving en de vriendengroep waar men zich aan profileert. Om erbij te horen moet men in de ogen van de groep hip, cool en trendy lijken. Het is moeilijk om een grens te trekken tussen het unieke zelf en het collectieve zelf. Men moet alvast een sterke persoonlijkheid hebben om hier zonder kleerscheuren door te komen.

 

 

 

 

 

 

Coole kledij

 

 

 

Kledij en de status

 

Kledij is noodzakelijk. De ene doet het aan omdat hij/zij niet anders kan, voor de andere is kledij een hobby of zelfs een passie. Sommige mensen hechten ontzettend veel belang aan hun kledij en geven hier fortuinen aan uit. Lang werd gedacht dat iemand die er goed wil uitzien, hiervoor het nodige geld moet neerleggen. Het gevolg hiervan was de indeling van de bevolking in snobs en gewone mensen.

Sociale status en kledij gingen hand in hand. Maar deze stereotypering klopt niet. Er zijn gewoon mensen die meer geld uitgeven aan kleding omdat zij daar heel erg in geïnteresseerd zijn. Kledij zegt niet alles over je totale persoonlijkheid, het is er slechts een element van.

 

 

gewone kledij

 

 

 

snobs

 

 

 

Kledij en beoordelingen

 

“De kleren maken de man.” Mensen worden snel beoordeeld op grond van hun uiterlijk. Een eerste indruk heeft een grote invloed op het vormen van een beeld van een persoon. Vaak hoort men koppels zeggen dat hun relatie berust op liefde op het eerste gezicht. Anderzijds zal men toch voorzichtig moeten zijn met het vormen van een oordeel op basis van een eerste indruk, want schijn kan bedriegen.

Mensen zijn niet altijd wie ze lijken te zijn. Men zou mensen op gelijke voet moeten brengen om een gegrond oordeel te kunnen vellen. Schoolreglementen spelen hier dikwijls op in door het verplichten van een uniform te dragen. Het is net positief om iedereen door middel van een gelijke klederdracht op gelijke voet te zetten en een onverscheidenheid te creëren tussen de verschillende sociale lagen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kledij in de lageloonlanden

 

Steeds meer textielbedrijven emigreren naar lageloonlanden omdat de loonkosten daar lager zijn dan in België. Deze vlucht wordt vaak gelijkgesteld met profiteren van de armoede van de mensen daar. Indien westerse bedrijven in lageloonlanden meer loon zouden geven, zouden de mensen in de lageloonlanden er economisch sterk op vooruitgaan. Toch zijn een aantal economen het hier niet mee eens.

Zij beweren dat een hoger loon uit betalen een kan revolutie ontketenen, wat helemaal geen positieve omwenteling met zich meebrengt. Het uitwijken naar lageloonlanden moet niet noodzakelijk gepaard gaan met puur winstbejag. Er zijn bedrijven die jaarlijks een deel van de winst investeren in plaatselijke organisaties ter ondersteuning van de arbeiders.

 

 

 

 

 

 

 

 

Kledij in de religie

 

Nog niet zo heel lang geleden maakten religieuzen zich kenbaar op straat door hun kledij. Deze dagen komt dit steeds minder en minder voor, een priester loopt nu niet meer in zijn dienstkledij op straat. Oosters georiënteerde religieuzen maken zich wel nog kenbaar door hun kledij.

In bepaalde religies wordt kledij gebruikt als een middel om mensen te onderdrukken. Denken we maar aan de burka’s die de vrouwen in Afghanistan en andere moslimlanden moeten dragen opdat de mannen hen niet zouden zien. Als men dan de vrouwen zelf vraagt hoe zij die kledingstukken ervaren, blijkt echter dat niet iedere vrouw hier evenveel problemen mee heeft. De ene vrouw ervaart het als een nadeel, de andere zelfs als een voordeel, terwijl nog anderen er eigenlijk geen uitgesproken mening over hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kledij en levensbeschouwing

 

Met het oog op de huidige discussies, betreffende het dragen van hoofddoeken en andere levensbe- schouwelijke of religieuze symbolen in openbare functies en openbare scholen, kunnen we de vraag stellen naar de effectiviteit van de scheiding tussen kerk en staat. Op grond van deze scheiding vinden sommige mensen het aanvaardbaar dat er geen religieuze symbolen hangen in overheidsgebouwen (rechtbanken, administraties en gemeenschapsscholen).

Ook wordt opgemerkt dat het overheidspersoneel dat een publieke dienst verleent geen openlijke tekenen van welke levensbeschouwing dan ook mag dragen. Zij vertegenwoordigen immers de overheid en moeten de neutraliteit belichamen. Maar op grond van dezelfde scheiding van kerk en staat kan de staat geen verbod om religieuze symbolen te dragen opleggen aan de gebruikers (bijvoorbeeld scholieren of studenten) van openbare diensten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Wat bedoelen de volgende verzen in de Koran?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

symbool van de islam

symbool van de islam

 

 

Nu kunnen we verzen onder de loep nemen die door islamofoben op tafel geworpen worden als vermeend bewijs van het gewelddadig karakter van de Koran en van de islam.

Ter inleiding echter een paar opmerkingen inzake interpretatie van verzen:

  1. De krijgswet is het burgerrecht niet. Dat zou voor zich moeten spreken. Toch is het iets waar menig islamofoob zich op verkijkt. Men citeert een vers dat betrekking heeft op de krijgswet en doet alsof dat op het burgerrecht slaat, met alle gevolgen van dien inzake misinterpretaties.
  2. Sommige verzen zijn algemene regels, andere zijn juist uitzonderingen op de algemene regels.
  3. Verzen moeten ook getoetst worden aan het algemeen kader en aan andere verzen die de betekenis ervan verduidelijken
  4. Voor sommige verzen kan het nodig zijn de historische context waarin ze geopenbaard zijn na te gaan om te weten waarover ze precies handelen.

Vrede is voor de islam de voorkeurstoestand. Pas onder zeer beperkte en duidelijk omschreven omstandigheden kan gewapende strijd toegestaan zijn, en dit pas na uitputting van alle andere middelen. Een oorlog kan ook nooit door een individu of groep afgekondigd worden maar is pas wettig als de beslissing door de bevoegde organen genomen werd. Burgers moeten te allen tijde gespaard worden.

 

 

media_xl_4888423

 

 

 

Koran 2:216 

 

« Aan jullie is voorgeschreven te strijden, hoezeer het jullie ook tegenstaat. Maar misschien staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief dat toch slecht is voor jullie. God weet en jullie weten niet. »

 

De inhoud van dit vers bevestigt dit algemeen kader. Oorlog wordt hier immers niet opgehemeld als een goed, integendeel, oorlog voeren wordt hier omschreven als iets waar men tegen opziet. In sommige omstandigheden (zoals het zich verdedigen bij een aanval op de rechtvaardige, gematigde samenleving en het strijden tegen oppressie) kan een gewapende strijd gewettigd zijn.

De Koran zegt hier dat niemand graag oorlog voert, dat oorlog een kwalijke zaak is, maar dat men soms niet anders kan omdat het algemeen belang primeert voor het bewaren en beschermen van de rechtvaardige samenleving. Dat is wat hier bedoeld wordt door te zeggen dat iets dat men niet graag heeft, toch goed kan zijn.

 

 

 

Koran 2 : 191

 

«En bestrijdt op Gods weg hen die jullie bestrijden, maar overtreedt de grenzen niet, God bemint de overtreders [van de grenzen] niet. »

 

Dit vers roept niet op tot vechten, maar beperkt integendeel de strijd tot situaties waarin men aangevallen wordt (“bestrijdt hen die jullie bestrijden”). Het vers verleent moslims dus hooguit de toelating zich te verdedigen in een wettige oorlog. Binnen die omstandigheden van gewettigd verweer, legt dit vers onmiddellijk beperkingen op, men mag de grenzen niet overschrijden.

Het is niet omdat een agressor alle normen laat varen, dat men dat zelf ook mag doen. Ook het grootste onrecht rechtvaardigt niet dat men zelf in immoreel gedrag vervalt. De toestemming tot strijden wanneer men aangevallen wordt, wordt door nog meer beperkingen omschreven en vernauwd, zoals blijkt uit de context van vers 190:

 

 Maar als zij ophouden, dan is God vergevend en barmhartig. Strijd tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen God toebehoort. Als zij ophouden, dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers. »

 

 

 

 

 

 

Koran 2 : 191

 

«Doodt hen waar jullie hen aantreffen en verdrijft hen waarvandaan zij jullie verdreven hebben. Verzoeking is erger dan te doden. Strijdt niet tegen hen bij de heilige moskee, zolang zij daarin niet tegen jullie strijden. Als zij tegen jullie strijden, strijdt dan tegen hen; zo is de vergelding voor de ongelovigen. (Koran 2:191)

«Maar als zij ophouden, dan is God vergevend en barmhartig.» (Koran 2:192)

 

Het vers kadert duidelijk binnen een oorlogssituatie, en heeft niets te maken met de manier waarop moslims in het gewone burgerleven met niet-moslims moeten omgaan. Het vers verduidelijkt enkel de principes van de krijgswet en oorlogsethiek. Het vers stelt dat dat men diegene mag verdrijven die jou eerst uitgedreven hebben.

Daarmee beperkt dit vers de legitimiteit van gewapend verzet alweer tot een situatie van zelfverdediging. Het gaat hier evenmin om ‘de’ ongelovigen, maar enkel om diegenen die een aanval ingezet hebben op de moslimgemeenschap.

Uit boven gaande teksten blijken volgende punten:

  1. Men mag alleen naar de wapens grijpen ter defensie.
  2. Moslims krijgen de opdracht ook dan de grenzen niet te buiten te gaan. Dit betekent dat men ook in verdediging niet zelf in onrecht mag vervallen. Het verbiedt moslims oorlogsmisdaden te begaan. God staat dus alleen aan de kant van diegenen die de rechtvaardige zaak verdedigen tegen een aanval, en die dat op een wettige manier doen.
  3. Van zodra de tegenpartij de gevechten staakt, moet men dat ook doen en moet men meegaan in de vrede. Dit betekent dat men alleen de aanval mag afslaan, en dat het daar moet eindigen. Ook wanneer men op een bepaald ogenblik het overwicht behaalt en dus gemakkelijk de vijand zou kunnen decimeren en uitroeien, is dat niet toegestaan.
  4. De vrede herstellen betekent niet dat de spons geveegd wordt over oorlogsmisdaden van de vijand. Een oorlogsmisdadiger gaat niet vrijuit, ook niet als de vrede teruggekeerd is. Hij zal voor een rechtbank moeten verschijnen en zijn gepaste straf krijgen.
  5. De strijd duurt tot er geen godsdienstvervolging meer is, dwz dat moslims en niet-moslims weer vrij zijn hun geloof te beleven. De moslims mogen ook niemand dwingen zich tot de islam te bekeren. Tevens krijgen moslims de opdracht niet alleen eigen verdrukking maar ook verdrukking van niet-moslim te bestrijden.
  6. Moslims mogen geen vredesakkoord aanvaarden waarin ze bv. akkoord moeten gaan met het aanbidden van een of andere afgod maar dat ze moeten strijden tot ze werkelijk volledige godsdienstvrijheid genieten en dus hun islam kunnen beleven. Het staat anderen echter wel vrij dat beeld te blijven aanbidden.

 

De bescherming van de rechten van niet-moslim minderheden ( Dhimmi’s)  in een samenleving is verplicht. Immers:

 

«”Wanneer een Dhimmi bedreigd wordt door een vijand, is het uw verplichting de vijand te bevechten met wapens en soldaten, zodoende het Convenant van God en Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, respecterend. Hem aan de vijand over dragen zou verraad van de garantie betekenen.” 

 

 

 

Koran 2 : 244

 

« Strijd op Gods weg en weet dat God wetend en horend is.»

 

Er staat hier dat God alles hoort, alles weet. Dit wil zeggen dat men zich binnen het toelaatbare moet begeven. Men mag dus geen (oorlogs-) misdaden begaan want God hoort alles en ziet alles, ook wanneer men wettige een oorlog voert.

 

 

 

 

 

Koran: 2:193

 

«Strijd tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst alleen God toebehoort. Als zij ophouden, dan geen vergelding meer, behalve tegen de onrechtplegers. »

 

Het volstaat hier de aandacht te vestigen dat deze verzen verduidelijken hoe lang moslims in een aan de gang zijnde oorlog mogen strijden. Moeten ze strijden tot iedereen zich tot de islam bekeerd heeft? Het moet gezegd dat deze verzen op het eerste gezicht in die richting wijzen, en dat er ongetwijfeld ook wel extreme groepen moslims zijn die de verzen uit hun context lichten en ze zo interpreteren.

Godsdienstvrijheid staat centraal in de islam. Dat sluit een interpretatie in de zin van strijden tot iedereen zich bekeerd heeft tot de islam uit. Er moet aan herinnerd worden dat moslims een godsdienstoorlog, een aanval op hun godsdienst, mogen afslaan.

Het vers “en strijd tot godsdienst alleen God toebehoort” betekent dat moslims in zulke omstandigheden de opdracht krijgen te strijden tot wanneer hun godsdienstvrijheid gegarandeerd wordt en tot de eigen islam beleving veilig gesteld is. De godsdienst behoort alleen God toe.

Volgens de islam heeft men een lager zelf waarin een satan de mens aanspoort tot het kwade, en een hoger zelf waarin een Engel uitnodigt tot het goede.“En strijd tot er geen fitnah meer is” betekent dat men moet strijden tegen het lagere zelf en wel zodanig tot de eigen satan zich overgeeft aan God tot er geen kwade meer aanwezig is.

 

 

 

Koran 8:12

 

«Toen jouw Heer aan de engelen openbaarde: “Ik ben met jullie, sterkt dus hen die geloven. Ik zal de harten van de ongelovigen schrik aanjagen. Houwt dan in op de nekken en houwt hen op al hun vingers”.» 

 

Dit vers handelt over de slag om Badr waarin de moslims in de minderheid zijn. God stuurt engelen uit om aan de zijde van de moslims te strijden. Het gedeelte “Houwt dan in op de nekken en houwt hen op al hun vingers” is een opdracht aan de engelen, het is geen opdracht die aan de moslims gegeven wordt.

Het is ook God die zegt: “Ik zal de harten schrik aanjagen”. Hij zal er met andere woorden voor zorgen dat de vijand, niettegenstaande hij een numerieke overmacht heeft, schrik krijgt voor de kleine aantallen moslimstrijders. 

 

 

screenshot_602

 

 

 

 

Koran 8:60

 

«”En maak tegen hen zo goed als jullie kunnen de bewapening en de inzetbare paarden gereed om Gods vijand en jullie vijand daarmee vrees aan te jagen…”» (Koran 8:60)

 

Dit vers schrijft moslims voor hoe ze een op handen zijnde oorlog alsnog kunnen proberen afslaan te door de tegenstander te imponeren. Het is wat men een ‘afschrikkingsmiddel’ zou noemen. Onze eigen West-Europese politiek maakt van precies dezelfde techniek gebruik met de bedoeling een mogelijke vijand af te schrikken. Het gaat hier dus om een regel die de vrede probeert te bewaren en oorlog probeert te voorkomen.

 

 

 

Koran 4:76 

 

«Zij die geloven strijden op Gods weg en zij die ongelovig zijn strijden op de weg van de Taghoet. Bestrijdt de aanhangers van de satan. De list van de satan is maar zwak!»

 

Wat hier met elkaar gecontrasteerd wordt is voor de zaak van God of voor de zaak van de duivel te strijden. Wat de zaak van God inhoudt wordt uiteengezet in het vers dat er onmiddellijk aan voorafgaat:

 

«Wat hebben jullie dat jullie niet op Gods weg strijden en ook niet voor die onderdrukte mannen, vrouwen en kinderen die zeggen: “Onze Heer, breng ons uit deze stad waarvan de inwoners onrecht plegen en breng ons van Uw kant een beschermer en breng ons van Uw kant een helper”. »

 

Strijden voor de zaak van God, betekent dus de rechtvaardige samenleving beschermen, strijden tegen verdrukking en onrecht. Het tegendeel daarvan is strijden voor tirannie, hebzucht, hoogmoed, repressie, macht, apartheid, enz.

De Taghoet slaat op alles en iedereen dat in de weg staat van het zuivere geloof in de Ene God. Dat hoeft helemaal geen beeld of persoon te zijn, ook hoogmoed, racisme en repressie staan het zuivere geloof in de Ene God in de weg. Ze worden daarom geassocieerd met de zaak van satan. De Koran zegt hierover dat de zaak van satan maar zwak is. De zaak van God, de strijd voor rechtvaardigheid, bescherming van de zwakken en onderdrukten, onrecht en racisme is de goede zaak.

Vers 4:76 stelt de zaak van de gelovigen tegenover de zaak van satan zonder daarbij namen van godsdiensten te noemen. Zoals hoger reeds besproken, erkent de islam dat er bij moslims, joden en christenen zowel gelovigen als ongelovigen zijn. Het oordeel over geloof en ongeloof komt alleen God toe.

En het is niet de naam van het geloof dat men aanhangt maar de godvrucht en de goede daden. Vervalt men, vanuit om het even welk geloof in God, in racisme, hoogmoed, oppressie enz., dan staat men aan de kant van satan.  Dit is een belangrijk koranisch inzicht, waardoor er geen “wij tegen zij” kan zijn op grond van kenmerken zoals huidskleur, geloof, nationaliteit en afkomst. Het is altijd de rechtvaardige kant tegen het onrecht, over alle grenzen van ras, geloof, nationaliteit en afkomst heen.

 

 

 

 

 

 

Koran 9:5

 

« Als de heilige maanden zijn verstreken, doodt dan de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen en belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Maar als zij berouw tonen, de salaat verrichten en de zakaat geven, legt hun dan niets in de weg. God is vergevend en barmhartig»

 

Het vers handelt over een oorlogssituatie waarin “heilige maanden” in acht genomen worden, dit wil zeggen, een oorlogssituatie waarin een periode van staakt-het-vuren van kracht is. Moslims krijgen hier de opdracht zich aan een overeengekomen staakt-het-vuren te houden. Na deze periode mogen ze, bij ontstentenis van vredesverdrag, verder strijden. Opnieuw legt de context van het vers daarop volgend beperkingen op:

 

En als een van de veelgodendienaars bij jou bescherming zoekt, geef hem dan bescherming totdat hij het woord van God hoort en laat hem daarna een plaats bereiken waar hij veilig is. Dat is omdat zij mensen zijn die niet weten. Hoe kan er jegens de veelgodendienaars een verbondsverpliching bij God en bij Zijn gezant zijn, behalve jegens hen met wie jullie een verbintenis aangegaan zijn bij de heilige moskee. Zolang zij jegens jullie correct handelen, handelt jullie dan ook correct. God bemint de godvrezenden.» (Koran 9:5-7)

 

De context verduidelijkt dat alleen mag gestreden worden tegen diegenen met wie geen vredesovereenkomst kon bereikt worden gedurende het staakt-het-vuren. Wie correct handelt, moet ook correct behandeld worden. Men heeft geen enkele verplichting zich tot de islam te bekeren.

Ook als hij zich niet bekeert, moeten moslims de persoon in veiligheid brengen. Wat in dit versdeel wel tot uitdrukking gebracht wordt is het principe dat wanneer een vijandig soldaat zich bekeert tot de islam, men hem niet langer als vijand mag beschouwen.

 

 

 

Koran 9 : 12

 

«En als zij hun eden breken nadat jullie met hen een verbond gesloten hebben en jullie godsdienst belasteren, bestrijdt dan de leiders van het ongeloof. Voor hen bestaan er geen eden. Misschien zullen zij ophouden.»”

 

volgende vers :

«Zullen jullie dan niet strijden tegen mensen die hun eden gebroken hebben en die van plan waren de gezant te verdrijven, terwijl zij het eerst tegen jullie begonnen? Vrezen jullie hen? God komt het met meer recht toe dat jullie Hem vrezen als jullie gelovig zijn.»

 

Deze verzen handelen dus weer over het krijgsrecht en stellen dat wanneer een vijandige groep een vredesakkoord verbreekt en de moslims aanvalt, dat de moslims zich mogen of zelfs moeten verzetten als het voortbestaan van de gemeenschap op het spel staat.

De vraag wordt gesteld waarom moslims zich niet zouden verzetten tegen een aanval of tegen oppressie. De Koran zegt dat je maar beter God kan vrezen in plaats van de vijand, en je kan dus maar beter de kant van de rechtvaardigheid kiezen.

 

 

 

 

 

 

Koran 9 : 29

 

«Strijdt tegen hen die niet in God geloven en niet in de laatste dag en die niet verbieden wat God en Zijn gezant verboden hebben en  die niet de godsdienst van de waarheid aanvaarden uit het midden van hen aan wie het boek gegeven is totdat zij naar vermogen onderdanig de schatting betalen.”»

 

De Koran stelt hier dat gewapend verweer mogelijk is en dat de tegenstander bereid moet zijn om een taks te betalen. Moslims zelf zijn gehouden de zakaat te betalen. De zakaat is een islamitisch religieuze aangelegenheid, waarvan niet-moslims vrijgesteld zijn.

Niet-moslims moeten uiteraard wel mee betalen voor een aantal openbare diensten waarvan zij genieten, zoals onderhoud van het moslimleger dat ook hen beschermt in geval van een aanval. Moslims zijn verplicht alle inwoners van hun samenleving, ook niet-moslims, te beschermen en te verdedigen tegen een aanval. Zij mogen deze mensen ook niet uitleveren aan de vijand.

 

« Wanneer een Dhimmi bedreigd wordt door een vijand, is het uw verplichting de vijand te bevechten met wapens en soldaten, zodoende het Convenant van God en Zijn Boodschapper, vrede zij met hem, respecterend. Hem aan de vijand overdragen zou verraad van de garantie betekenen» 

 

De Koran draagt moslims hier op erover te waken dat deze taks billijk ingesteld wordt en de draagkracht van de mensen niet te boven gaat. Iedereen moet de zakaat betalen.

 

 

 

 

Koran 4 : 89

 

.Als zij zich van jullie afzijdig houden, niet tegen jullie strijden en jullie vrede aanbieden dan verschaft God geen weg om tegen hen op te treden. Jullie zullen anderen vinden die voor jullie veilig wensen te zijn en evenzo voor hun eigen mensen. Telkens als zij aan de beproeving worden blootgesteld worden zij daardoor misleid. Als zij zich dan niet van jullie afzijdig houden, jullie geen vrede aanbieden, noch hun handen in bedwang houden, doodt hen dan waar jullie hen aantreffen. Zij zijn het over wie Wij een duidelijk gezag hebben verleend.” » (Koran 4:88-91)

 

Ook dit vers kan niet geïnterpreteerd worden als toestemming om zomaar eender wie te doden. Wel integendeel. Als de tegenpartij vrede wil, moet men daar in meegaan. Het is pas als de tegenstanders geen vrede willen dat moslims de toestemming krijgen om zich te verdedigen. Als dit soort verzen niet zou bestaan, zouden moslimstrijdkrachten zich in oorlogstijd door iedereen moeten laten afslachten zonder enig weerwerk te mogen bieden.

 

 

 

 

 

 

Koran 47 : 4

 

«En wanneer jullie hen die ongelovig zijn in de strijd ontmoeten, slaat hen dan dood, maar wanneer jullie dan de overhand over hen verkregen hebben boeit hen dan stevig vast, hetzij om hen later als gunst vrij te laten, hetzij om hen lost te kopen, wanneer de lasten van de oorlog zijn afgelegd. …».”

 

Ook dit vers handelt niet over burgerrecht, maar over oorlogsethiek en krijgsrecht. Het algemeen principe is dat het leven altijd heilig en onschendbaar is, behalve in bij wet voorziene omstandigheden. Dit vers maakt een uitzondering voor soldaten in een oorlogssituatie.

In een dergelijke situatie kan het doden van de vijand in het heetst van de strijd toegestaan zijn als men om logistieke en militaire redenen niet in staat is gevangenen te nemen. Van zodra de militaire en logistieke mogelijkheden het toestaan schrijft de Koran voor de vijand krijgsgevangen te nemen om hem later

1) weer vrij te laten (dat is de eerste en meest geprefereerde optie)

2) hen uit te wisselen

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

 

 

 

Is geloven een kwestie van intelligentie?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

00c636e00bee0ba03b364841363f738b_XL

 

 

Hebben gelovigen een intellectuele beperking? Volgens een groot aantal vaak geciteerde onderzoeken in progressieve kringen is het antwoord “ja”. Onderzoeker Burnham P. Beckwith voegde in 1986 tientallen studies samen, die samen een tijdsperiode van meer dan vijftig jaar besloegen. Hieruit concludeerde hij: “Het aantal gelovige mensen onder Amerikaanse studenten en volwassenen lijkt omgekeerd evenredig te zijn met intelligentie”.

In een recenter onderzoek ontdekte Gallup in 2008 dat 73 procent van alle mensen met een universiteitsdiploma beweert in God te geloven, tegenover 88 percent van alle mensen zonder zo’n diploma. Onder wetenschappers is het percentage gelovigen veel kleiner. Een uitgave van Scientific American uit 1999 versloeg het feit dat slechts 40 percent van alle wetenschappers in God gelooft. Andere studies ontdekten dat 7 procent van de leden van de National Academy of Science en slechts 3.3 procent van de Britse Royal Society fellows in God gelooft.

 

De scepticus concludeert hieruit dat heel erg slimme mensen (zoals hijzelf) niet in God geloven.

 

 

 

Mogelijke verklaring

 

Slimmere mensen zijn waarschijnlijk eerder geneigd om onbewijsbare geloofsovertuigingen in twijfel te trekken. Mensen hebben nu meer kennis dan vroeger. Zaken die vroeger nog een mysterie waren, zijn nu opgehelderd. Slimmere mensen hoeven voor een verklaring niet meer terug te vallen op een God. Volgens psycholoog Kanazawa is religie een bijproduct van de neiging van mensen om gebeurtenissen voortdurend te moeten verklaren. Mensen zijn evolutionair gezien ontworpen om achterdochtig te zijn en geloven in God omdat ze paranoia zijn.

Dat paranoïde gedrag was trouwens uitstekend voor de oude mens. Door voortdurend waakzaam te zijn, beschermde de mens zichzelf en zijn familie en stam. Maar dat is nu niet meer nodig. Intelligentere kinderen hebben volgens Kanazawa een grotere kans om op te groeien tegen hun natuurlijke, evolutionaire neiging om in God te geloven in en worden atheïst.

 

 

 

Een kwestie van IQ

 

Richard Lynn, een professor in de psychologie, ziet het als volgt: “geloof in God is gewoonweg een kwestie van IQ.” Hoe hoger het IQ, hoe groter de immuniteit voor godsdienstige overtuigingen. En dus is het aan de knappe koppen om de toverspreuk van de godsdienst te doorbreken door de bijgelovige, door demonen geplaagde wereld te verlichten. Een groep die zich hierop toelegt, is The Brights”. “Bright” betekent namelijk “briljant” en zou wel eens op een opgeblazen ego kunnen wijzen.

Brights zijn mensen die “het naturalisme omarmen, met het doel om sociale en burgerlijke acties te ondernemen die ontworpen zijn om een samenleving te beïnvloeden die anders alleen maar gevuld zou zijn met bovennatuurlijke ideeën.” Een van hun supernova’s is Richard Dawkins. In het voorwoord van zijn boek “God als misvatting” steekt Dawkins zijn doel niet onder stoelen of banken: “Als dit boek werkt zoals ik het bedoeld heb, dan zullen godsdienstige lezers die het boek openen atheïsten zijn wanneer zij het boek dichtslaan.”

 

 

 

 

 

 

 

Kunstmatige intelligentie

 

Men kan zich vraag stellen of iemand die niet gelooft in een God intelligent mag worden genoemd, omdat alles wat wij geloven over onze wereld, de menselijke aard, het doel van het leven, morele ethiek en bijna alle andere onderwerpen, afhankelijk is van wat wij geloven over de oorsprong ervan. Het is verrassend dat er geen unanieme overeenstemming bestaat over wat intelligentie eigenlijk is. Behalve dan wanneer intelligentie datgene is wat gemeten wordt in een intelligentietest.

Wanneer we de verschillende woordenboeken erop naslaan, blijkt intelligentie geassocieerd te worden met het vermogen om te leren en kennis aan te wenden. De meest alomvattende definitie wordt wellicht gevonden in het artikel “Mainstream Science on Intelligence, dat in 1944 in de Wall Street Journal werd gepubliceerd en werd goedgekeurd door maar liefst 52 onderzoekers:

 

Intelligentie is een heel algemeen mentaal vermogen dat, onder andere, te maken heeft met het vermogen om te redeneren, te plannen, problemen op te lossen, abstract te denken, complexe ideeën te bevatten, snel te leren en van ervaring te leren. Het is niet slechts het opdoen van kennis uit boeken, of een bepaalde academische vaardigheid, of het pienter slagen voor proefwerken.

In plaats daarvan weerspiegelt intelligentie een breder en dieper vermogen om onze omgeving te kunnen begrijpen – het ‘snappen’, het begrijpelijk maken van de dingen om ons heen, het ‘uitvogelen’ van wat te doen.

 

Wanneer intelligentie op die manier gedefinieerd wordt, dan blijkt ze onlosmakelijk verbonden te zijn aan ons wereldbeeld: het mentale model dat wij gebruiken om de wereld en onze plaats daarin te begrijpen. De oplossing van problemen en de beïnvloeding van onze omgeving zijn afhankelijk van het rationele vermogen van onze gedachten om dingen begrijpelijk te maken, maar zij zijn ook afhankelijk van de niet-rationele bekwaamheid van ons hart om die begrijpelijkheid toe te passen.

Iemand die invulling geeft aan zijn leven volgens een levensbeschouwing die overeenstemt met de manier waarop de wereld werkelijk in elkaar steekt, legt daarom eigenlijk werkelijke intelligentie aan de dag, terwijl iemand die invulling geeft aan zijn leven volgens een afwijkend wereldbeeld eigenlijk een kunstmatige intelligentie aan de dag legt.

 

 

kunstmatige intelligentie

kunstmatige intelligentie

 

 

 

 De grootste mysteries

 

Onlangs publiceerde Live Science de tien grootste onopgeloste mysteries in de wetenschap. Het is niet verras-send dat de helft hiervan te maken had met de oorsprong van het heelal en het leven. Ik zeg “niet verrassend” omdat vragen over het ontstaan van het heelal, het leven en het bewustzijn buiten het bereik vallen van een discipline die alleen maar naturalistische verklaringen toestaat. Een van die grote mysteries is de vraag wat de drijfveer is van de evolutie. Gezien de overweldigende complexiteit van de biologische wereld vraagt evolutionair wetenschapper Massimo Pigliucci zich af of natuurlijke selectie het voortstuwende proces achter de evolutie is, of dat er nog andere eigenschappen van materie zijn die een rol spelen.

De mogelijkheid dat het leven het doelgerichte product is van een intelligentie wordt niet overwogen. Totdat dit gebeurt zullen wetenschappers zich gedwongen zien om hun onwetendheid te bedekken met naturalistische theorieën. Een zogenaamde Brights” vertelde dat het naturalisme, in tegenstelling tot de Godhypothese, vrij zou zijn van onfalsifieerbare variabelen. Een goede theorie is falsifieerbaar. Dat wil zeggen dat als de theorie niet klopt, dat er een manier moet zijn om daar achter te komen.

De man vergat erbij te zeggen dat zijn hele wereldbeeld bol staat van dergelijke variabelen: fantastische theorieën die slechts gebouwd zijn op de wil om ze te geloven en die bijeen worden gehouden met de treksterkte van een halo. De meest geavanceerde theorieën komen voort uit de verontrustende erkenning dat wij op de aarde wonen, waar alle factoren precies op elkaar zijn afgesteld om het leven mogelijk te maken, en dat het leven daarom op de rand van de afgrond staat.

Theoretici proberen wanhopig om deze precies afgestelde randvoorwaarden te verklaren. Zij zijn op de proppen gekomen met de multiversum theorie die zegt dat er een oneindig aantal universa bestaat, waardoor het bestaan van onze eigen, bewoonbare thuisplaneet gegarandeerd is. De leek krijgt af en toe een hint wanneer vooraanstaande onderzoekers als Alan Guth dit vertelsel met verve presenteren. Het is triest dat een dergelijke wanklank onder de gezaghebbende wetenschappers geen uitzondering is.

Wanneer andere “gatenvullers” als emergentie en macro-evolutie aan het verhaal worden toegevoegd als verklaringen voor het biologische leven, het menselijke denken en de encyclopedische informatie in het genoom, dan leest het vertelsel van het naturalisme meer als een boek van de broeders Grimm dan Newtons Principia Mathematica.

 

 

 

Het onvermijdelijke alternatief

 

Het universum is óf de doelbewuste schepping van een intelligente Ontwerper, óf het toevallige product van een of andere pre-kosmische, onintelligente materie. Als wij de Ontwerper afwijzen omdat Hij niet zal buigen voor onze empirische methodes, dan hebben we alleen nog het scenario dat afhankelijk is van een hele horde andere dingen.. die net zo onbuigzaam zijn. En dan hebben we het nog niet eens over het hopeloze karwei om het bestaan van kunst, muziek, literatuur, dichtkunst en taal uit te leggen.

 

 

creatie

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

 

De vijgeboom in de Bijbel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

 

De vijgenboom

 

Vanaf het begin van de schepping zijn er vijgenbomen. Na hun overtreding van Gods gebod probeerden Adam en Eva hun schaamte met vijgen bladeren te bedekken (Genesis 3: 7). Ook voor het moment dat Gods plan vol-tooid is, is er sprake van de vijgenboom, maar dan als beeld van vrede: “Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, zonder dat iemand hen opschrikt” (Micha 4: 4).

 

 

 

Genesis 3: 7

 

7 Toen zagen ze de waarheid: ze zagen dat ze naakt waren. Daarom maakten ze twee schorten van de bladeren van een vijgenboom. Zo hadden ze iets om aan te trekken.

 

 

 

 

De vijgenboom is een loofboom, waarvan de nieuwe bladeren pas laat in het voorjaar verschijnen. Hij is een snelle groeier, omdat zijn wortels zich diep in de grond boren en over een groot gebied verspreiden. Na zeven jaar draagt hij voor het eerst vrucht. Wat opvalt is dat je in de Bijbel nooit over zijn bloemen leest. En hierin ligt zijn geheim: die zitten in de vrucht. De bestuiving van de vijgenboom is opvallend, er zijn namelijk zowel mannelijke als vrouwelijke vijgenbomen. Er is een bepaald soort wesp waarvan het vrouwtje, die in een mannelijke boom uit het ei komt, door een nauwe opening van de vijg naar buiten vliegt.

Daarbij raakt zij het mannelijke stuifmeel aan, dat zij vervolgens naar een vrouwelijke boom brengt, met het doel daar haar eieren te leggen. Dat lukt haar niet, want de vrouwelijke bloemstijlen zijn te lang, dus komen er geen larven voort. Maar de bestoven bloemen zijn wel vruchtbaar. De Here Jezus gebruikt de vijgenboom in zijn leer vooral als beeld van het volk Israël. In Lucas 13: 6-9 vergelijkt Hij zijn volksgenoten met een onvruchtbare vijgen-boom, die rijp is om omgehakt te worden. Als hovenier is Hij bereid hen een laatste kans te geven door hen te bemesten, d.w.z. hen nog krachtiger aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.

 

 

 

 

Lucas 13: 6-9

 

.
6 Jezus legde hun dit uit met een verhaal: “Er was iemand die in zijn wijngaard een vijgenboom had geplant. Op een dag ging hij kijken of er al vijgen aan zaten. Maar hij vond niets. 7 Toen zei hij tegen de tuinman: ‘Ik kom nu al voor het derde jaar kijken of er vijgen aan deze boom zitten, en ik vind er nooit één. Hak hem nu maar om! Waarom zou hij een stuk grond in beslag nemen als dat helemaal geen nut heeft?’ 8 De tuinman antwoordde hem: ‘Heer, laat hem dit jaar nog staan. Dan zal ik eerst nog eens de grond omspitten en er mest bij doen. 9 Als er dan het volgende jaar vijgen aan zitten, is het goed. Maar als hij dan nóg geen vijgen krijgt, moet u hem maar omhakken.’ ”

 

 

 

 

 

Maar deze extra inspanning bleek tevergeefs, want een half jaar later vervloekt Hij een vijgenboom in de buurt van Jeruzalem, omdat die wel bladeren, maar geen vruchten heeft (Matteüs 21: 18-22). Dit is geen ongeduld, maar een levend beeld van de natie Israël die de schijn van godsdienst toont, maar in werkelijkheid geen godsvrucht voortbrengt.

 

 

 

Matteüs 21: 18-22

 

18 ’s Morgens vroeg ging Jezus terug naar de stad. Hij had honger. 19 Hij zag een vijgenboom langs de weg staan en liep erheen om te kijken of er vijgen aan zaten. Maar er zaten alleen bladeren aan. En Hij zei tegen de boom: “Ik wil dat er nooit meer vijgen aan jou groeien!” Onmiddellijk verdroogde de boom. 20 Toen de leer-lingen dat zagen, waren ze erg verbaasd en vroegen: “Hoe kan het dat de vijgenboom zo plotseling is ver-droogd?” 21 Jezus antwoordde: “Luister goed! Ik zeg jullie: als jullie geloof hebben en niet twijfelen, dan zullen jullie niet alleen doen wat er met de vijgenboom is gebeurd. Maar zelfs als jullie tegen deze berg zeggen: ‘Kom van de grond en gooi jezelf in de zee,’ dan zal dat gebeuren. 22 Alles waar jullie vol geloof om bidden, zullen jullie krijgen.”

 

 

 

 

 

De Here past dit beeld ook toe op zijn wederkomst (Lucas 21: 29-31). Het uitlopen van de boom duidt op het weer opbloeien van Israël als natie, iets dat in recente tijden werkelijkheid is geworden. De zomer van zijn Koninkrijk komt er aan.

 

 

 

Lucas 21: 29-31

 

29 En Hij legde het hun uit met een voorbeeld: “Kijk eens naar de vijgenbomen en de andere bomen. 30 Zodra je ziet dat er blaadjes aan beginnen te komen, weet je dat de zomer eraan komt. 31 Zo kunnen jullie ook weten dat als al deze dingen gebeuren, het Koninkrijk van God eraan komt. 32 Luister goed! Ik zeg jullie dat de men-sen van deze tijd dit nog zullen meemaken. 33 De hemel en de aarde zullen ophouden te bestaan, maar mijn woorden zullen altijd blijven.

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

Het Boeddhisme.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

symbool boeddhisme

symbool boeddhisme

.

 

 

Ontstaan

 

Ontstaan als reactie op en hervorming van het hindoeïsme. Het boeddhisme wijst het hele hindoeïstische goden-pantheon af en is daarmee geen godsdienst in de strikte zin van het woord. Het kastensysteem en priesterbemiddeling worden afgewezen. Heilige boeken worden niet erkend en dus is er ook geen taak meer voor het Sanskriet. De kringloop der wedergeboorten kan op eigen kracht worden doorbroken waarmee het Nirwana binnen het bereik komt.

 

 

toestand van Nirwana

toestand van Nirwana

 

.

 

De stichter

 

Anders dan het hindoeïsme gaat het boeddhisme terug op een historische stichter, Sidharta Goutama. Hij werd geboren 560 v.C., als zoon van een rijk stamhoofd, huwde een weduwe en had bij haar een zoon. Op 29-jarige leeftijd kwam hij in een ernstige religieuze crisis, verliet huis en haard en probeerde eerst door een strenge ascese en zelfkastijding een oplossing te bereiken.

Na zes jaar aldus geleefd te hebben en na een periode van 49 dagen van eenzame meditatie kwam de verlossing in de vorm van de verlichting. Gautama werd tot Boeddha (= dé Verlichte) en daarmee tot het centrum van de mensheid en zijn geschiedenis. Boeddha verzamelde een groep monniken om zich heen aan wie hij zijn (mondeling) leer doorgaf.

.

 

Gautama Buddha

Gautama Buddha

 

 

 

De leer

 

Boeddha leerde aan zijn volgelingen de volgende vier waarheden:

(1) Leven is lijden

(2) De oorzaak van het lijden is het verlangen of de begeerte.

(3) Het verlangen moet worden overwonnen.

(4) Het geëigende middel daartoe is het achtvoudige pad.

Het achtvoudige pad geeft, in een opklimmende reeks, een leidraad voor het leven:

(1) het juiste pad,

(2) de juiste doelstelling,

(3) het juiste woord,

(4.) het juiste gedrag (niet stelen, niet doden),

(5) het juiste middel voor het levensonderhoud,

(6) de juiste inspanning (wilskracht, training),

(7) het juiste bewustzijn (kennen van de drijfveren) en tenslotte

(8) de juiste meditatie.

 

.
Wie de uiteindelijke verlichting bereikt, geniet het Nirwana, enerzijds beschreven als een staat van grootste volheid maar anderzijds ook als een staat van volledige leegte. De centrale levensfilosofie is dat het bestaan eigenlijk een illusie is (wanneer de materiële vorm zich voegt bij het gevoel ontstaat er een idee dat zich verdiept tot het bewust zijn van iets en dat laatste brengt voor een ogenblik de illusie van het bestaan voort).

In zijn zuiverste vorm laat het geen ruimte voor aanbidding aangezien er geen wezen is tot wie de aanbidding kan worden gericht. In latere ontwikkelingen is hierop toch ten dele teruggekomen.
Anders dan het hindoeïsme is het boeddhisme overtuigd het ‘goede nieuws’ voor de gehele mensheid te zijn. Het is dan ook zeker in de beginperiode sterk missionair geweest.

 

 

Ontwikkeling

 

Nadat Boeddha zijn monniken zijn lering had bijgebracht, volgde een voorspoedige start van het boeddhisme. Na enige tijd ontstond de behoefte toch de leer in geschriften te formuleren. Er werden concilies gehouden. In 300 jaar bereikte het boeddhisme heel India (de onderlaag blijf het hindoeïsme trouw).

Honderd jaar later breidde het zich uit over Sri Lanka, later over China waar het de cultuur diepgaand beïnvloed heeft. Rond het begin van onze jaartelling bereikte het boeddhisme Japan en Korea waar het zich mengde met de plaatselijke shinto. In Tibet kreeg het boeddhisme een geheel eigen vorm (het tantrisme).

Rond 900 na Chr. volgde een teruggang en won het hindoeïsme althans in India weer vrijwel alle terrein terug (pas in deze eeuw is er weer sprake van een kleine opleving van het boeddhisme in India).
Recent is vooral het zen-boeddhisme in het westen bekend geworden. Van de meditatievormen is met name de Yoga buiten het boeddhisme populair (en in sommige katholieke kloosters gepraktiseerd).

 

 

Heilige boeken

 

Het boeddhisme is een ‘godsdienst’ zonder heilige geopenbaarde boeken. Wel zijn de leringen van de Boeddha in later tijd vastgelegd. In de loop van de tijd is aan de overlevering over het leven en de leer van Boeddha veel toegevoegd. De teksten werden alleen in de kloosters bewaard en zijn in de meeste gevallen met de invallen van de islam verloren gegaan. Een reconstructie van de leer in zijn meest oorspronkelijke vorm is daarom echter niet goed mogelijk.

 

 

De leefregels

 

De leefregels volgen uit de opgaven van het achtvoudige pad. In de oorspronkelijke vorm van het boeddhisme is de mens sterk op zichzelf betrokken. Maar men mag de naaste geen schade berokkenen. De boeddhist zal overdaad mijden. Het is aan te bevelen een kortere of langere tijd als monnik te leven.

 

 

monniken

monniken

 

 

Richtingen

 

Rond 100 na Chr. splitste het boeddhisme zich in twee scholen: Hinayana (‘kleine voertuig’), de meest oor-spronkelijke en zuivere richting, tegenwoordig beter bekend onder de naam Theravada, en Mahayana (‘grote voertuig’).

Het Hinayana leert dat de verlossing maar voor weinigen is weggelegd (= kleine voertuig). Het is een verdraagzame groep die met name Sri Lanka, Thailand, Birma, Cambodja en Laos te vinden is.
Het Mahayana leert daarentegen dat de verlossing voor velen is weggelegd. God keert terug in de vorm van de Oer-Boeddha.

Er komen helpers voor de mens, de Bodhisatva’s (heiligen). Hemel en hel worden aanvaard. Er wordt een plaats ingeruimd voor toekomstige Boeddha’s. De eredienst krijgt de trekken van een kerk. Plaatselijk vermengt deze vorm van boeddhisme zich gemakkelijk andere religies zoals dat in Japan (Shinto) en in Tibet het geval is geweest.

Het zen-boeddhisme ( vajrayana of tantrisch boeddhisme)  is rond 500 v.C. in China tot ontwikkeling gekomen vorm van het boeddhisme welke nadien ook in Japan vaste voet aan de grond heeft gekregen. Het zen-boeddhisme is nogal afkerig van theorie, is meer betrokken op de dienst aan de naaste en legt sterk de nadruk op geestelijke en lichamelijke discipline en op training.

Na de Tweede Wereldoorlog is deze vorm van het boeddhisme ook in het Westen bekend en populair geworden. Yoga is een ander in het Westen bekend geworden boeddhistisch fenomeen dat dateert uit de vijfde eeuw n.Chr. Het is een methode om door ascese en geestelijke concentratie een hogere bewustzijnstoestand te bereiken.

.

slide_10

.

 

 

.

mapbuddh (1)

.

 

 

Feesten en kalender

 

De Boeddhistische kalender is (met uitzondering van Japan) een maankalender. Het jaar is 11 dagen korter en de feestdagen verschuiven derhalve ten opzichte van onze op de zon gebaseerde kalender. Veel feesten zijn sterk regionaal bepaald. Om er enkele te noemen:

Geboortefeest van Boeddha (d.w.z. zijn verlichting en eerste preek)

– Feest van de Boeddha’s (Japan)

– Dodenfeest (soort Allerzielen, alleen Japan)

– Boeddha’s Hemelvaart (alleen Tibet).

 

 

 

Enkele teksten uit de boeken

 

  • Er zijn twee doelen die een rondtrekkende niet dient na te streven… Het vervullen van begeerten en de vreugden die uit deze begeerten voortkomen. Dit is laag bij de gronds, ordinair en leidt tot wedergeboorte, hetgeen schandelijk en bovendien onvoordelig is . . .”
  • En dit is de edele waarheid van het leed: geboorte is leed, ouderdom is leed, ziekte is leed, niet vervuld zien van wensen is leed …”
  • En dit is de edele waarheid van het opheffen van het leed: het is het opheffen van de begeerte, zodat er geen hartstocht meer is. En dit is de edele waarheid van de weg die leidt naar het opheffen van het leed. Het is het edele achtvoudige pad.” (uit de Theravada, Boeddha’s preek te Benares).

 

.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

 John Astria

John Astria

 

Het hindoeïsme

Standaard

categorie : religie

 

 

.

 

symbool van het hindoeisme

symbool van het                    hindoeisme

.

 

Ontstaan

.

Het hindoeïsme vind zijn oorsprong in de godsdienst van de Indo-Germanen. Het dankt zijn bestaan niet aan een bepaalde stichter maar heeft zich gedurende een lange periode van meer dan duizend jaar gevormd uit de plaatselijke religies, onder opname van een aantal elementen van de godsdienst van een binnenvallend Arisch Indo-Germaans volk.

Via deze Ariërs is er enige verwantschap met de religies van de oude Germanen, Grieken en Romeinen. De Indo-Germanen kenden een sociale opbouw in drie kasten: heersers, krijgers en voeders (waaraan later een vierde als ‘niet-kaste’ is toegevoegd).

Hun belangrijkste goden (Waroena, Agni en Indra) waren daarvan een afspiegeling. In de Indo-Germaanse godsdienst speelde overigens ook een moedergodin een rol van betekenis.
De oudst bekende heilige schriften, de Veda’s (lofzangen, teksten voor offerrituelen) dateren van ca 1200 v.C. Het Sanskriet (een oude Indo-Germaanse taal) van de Veda’s is tot op heden de rituele taal gebleven.

.

 

God / Goden

.

Vanaf ca 1200 voor Chr. verschuift het goden-pantheon langzaam naar een nieuw drietal, Brahma, Sjiva en Visnu, zonder dat de oorspronkelijke goden hiermee geheel uit het zicht verdwijnen.

Brahma wordt het onpersoonlijke opperwezen, alles doordringend, bron en schepper
Shiva, wordt de ‘vernietiger’ en de asceet (vgl herfst/winter). Hij is in bepaalde opzichten de opvolger van Waroena. (een bekende beeltenis van Shiva is die als de balancerende vierarmige danser).
Visnu wordt de ‘bewaarder’ (vlg de winter/lente).

.

 

Brahma, Vishnu,Shiva

Brahma, Vishnu, Sjiva

 

.

Daarnaast komen er vele andere goden of incarnaties van goden op zoals Ganesja (de wijze, afgebeeld met een olifantenkop), de zoon van Sjiva. In Durga, (ook Kali of Parvati geheten) welke wordt gezien als Shiva’s vrouw, komt rond 500 v.C. de oude Indo-Germaanse godinmoeder weer boven water. Onder invloed van de islam en het christendom is er in de meer recente tijd opnieuw een tendens om alle Goden als afgeleid (als facet) van de ene absoluut opgevatte God Brahma te beschouwen.

.

 

Ontwikkeling

.

Het hindoeïsme heeft zich zo tussen 1200 en 800 v.C. ontwikkeld uit een Indo-Germaanse godsdienst, onder opname van veel elementen uit de plaatselijke religies. De leer van het Karma en de zielsverhuizing (incarnatie) komt in deze tijd op. Nieuwe goden verschijnen. Tegelijk wordt er gezocht naar de eenheid achter de veelheid van de dingen. Het fundamentele beginsel van het heelal (het Ene) en het ik (het Eigene) worden min of meer gelijkgesteld.

Het offer wordt steeds belangrijker en niet de degene aan wie het geofferd wordt. Daarmee stijgt het belang van de priesterkaste, de Brahmanen, die immers de taal en het ritueel van het offer beheersen. Het kastenstelsel ontwikkelt zich tot een allesomvattend sociaal systeem. Rond 500 voor Chr. tekent zich een reactie af tegen het verstarrende van het hindoeïsme.

Nieuwe stromingen als het jaïnisme  en het bhoedisme zien het licht. Een groot deel van India gaat (tijdelijk) over naar het boeddhisme. In de periode van zo rond 800 tot 1000 na Chr. zien we een heropleving van het hindoeisme. Visnoe en Sjiva winnen aan betekenis en worden door bepaalde groepen zelfs als enige god vereerd (de Shivaïsten, o.a. op Bali).

De filosofie wordt uitgebreid met nieuwe scholen. Boeddha, Krisjna en zelfs Christus worden als incarnaties van Visjnoe in het goden-pantheon opgenomen. Het hindoeisme heeft zich aldus gevormd tot een uiterst rekbare religie waarin alles kan worden opgenomen. In maatschappelijk opzicht blijft het de basis van het verstarrende kastensysteem.

Met de invallen en de overheersing van de arabieren en later de turken en de bloei van het Mongoolse rijk breekt er een moeilijke periode aan voor het hindoeisme. De bovenlaag gaat over naar de islam, de onderlaag blijft het hindoeisme echter trouw. Vermenging vindt, mede dank zij het kastensysteem, nauwelijks plaats.

Onder de Engelse heerschappij zet ook het christendom voet aan wal. De dubbele bedreiging leidt hier en daar tot een fundamentalistisch teruggrijpen op het oude hindoeisme.
Er is geen centrale organisatie. Wel speelt de priesterkaste (=Brahmanen) een centrale en grote rol.

.

 

Sociale systeem

.

Het sociale systeem, d.w.z. het kastenstelsel, is nauw verbonden met het hindoeïsme dat er de legitimatie voor levert. Van een eenvoudige driedeling, later vierdeling van de maatschappij, is er een allesomvattend systeem ontwikkeld dat alle zaken als beroep, omgang, huwelijk enz . regelt en vastlegt. Bovenaan staat de priesterkaste der Brahmanen, onderaan de kaste van de onaanraakbaren.

 

.

kasten stelsel

.

 

 

Heilige boeken

.

De Veda is al genoemd. Rond 1200 voor Chr. ontstaan er een nieuwe serie boeken, eigenlijk filosofische geschriften, de Upanisjaden. Omstreeks 500 na Chr. komt een een nieuw geschrift bij, de Bagavad Ghita, een epos dat de strijd van Krisna beschrijft en dat zeer populair is.

.

 

unnamed bagavad gita

 

.

 

De leer

.

De grondgedachten zijn als volgt te omschrijven:
(1) Karma, de wet van oorzaak en gevolg en de onvermijdelijke uitwerking van iemands daden die niet ophoudt bij de dood maar overgaat in een volgend leven in een hogere of lagere positie.
(2) Dharma, de plichten die men moet nakomen overeenkomstig de plaats in de samenleving (kaste).
(2) Samara, de kringloop van de wedergeboorten die ook de dieren betreft.

.

 

Leefregels

.

Zoals te begrijpen valt uit het voorafgaande hangen de leefregels sterk samen met het kastensysteem.
Het prijzen van de Goden en het brengen van al dan niet symbolische offers behoort tot de verplichte rituelen van de Hindoe. De koe wordt als heilig dier ontzien.
Ten aanzien van de relatie met naaste kent het hindoeïsme voornamelijk algemene regels. Verdraagzaamheid en tolerantie volgen uit het grote opnemend vermogen van het hindoeïsme.

.

 

Eredienst/Feesten

.

Door de veelheid van Goden en Godinnen en hun verschijningsvormen, de grote regionale verschillen en het feit dat bepaalde feesten alleen binnen bepaalde kasten gevierd worden, is het moeilijk , zo niet onmogelijk aan te geven wat de belangrijkste feesten zijn.

Toch hier enkele voorbeelden:

Holi-feest, uitbundig voorjaarsfeest, heeft verband met Visnu.
Divali of Lichtfeest, wordt wel door alle kasten gevierd.
Durga Pura, feest ter ere van de Godin Durga.
Eredienst vindt plaats in tempels of gewoon thuis. Ritueel gebed en offers nemen een centrale plaats in. De omgang met de goden(beelden) is zeer familiair.

 

.

 

Holifeest

Holifeest

 

 

 

 Divali feest

Divali feest

 

 

 

Godin Durga Pura

Godin Durga Pura

 

.

 

Enkele teksten uit de heilige boeken

.

  • Milddadig is hij die iets geeft aan de bedelaar, die verzwakt naar hem toekomt op zoek naar voedsel. In het strijdgewoel zal hij succes hebben. Hij maakt hem tot vriend voor moeilijkheden in de toekomst”.
  • In overeenstemming met zijn handelwijze, in overeenstemming met zijn gedrag, zo wordt iemand. Die goed doet, wordt goed. Die slecht doet wordt slecht . . .” (uit de Rig Veda).
  • Derhalve is het vooruitzicht van hen, die hier een prettig leven leiden dan ook dat zij een plezierige moederschoot zullen binnengaan, hetzij die van een Brahmin, hetzij die van een Ksjatrija of die van een Vaisjia. Maar zij die een verfoeilijk leven leiden zullen waarlijk een verfoeilijke moederschoot binnengaan, hetzij die van een hond, hetzij die van een varken of die van een uitgestotene” (uit de Oepanisjaden).

 

 

 

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

 

 John Astria

John Astria

Gebed van Maya-priester don Ambrosio

Standaard

categorie : religie

 

 

 

.

GEEF ONS EEN NIEUWE DAG

 

.

Gebed van Maya-priester don Ambrosio

 

.

ec819cccc0130b5adeceea1b20c3e592 (1)

 

.

In de naam van Hart van de Hemel
en Hart van de Aarde.

U allen heet ik welkom.
Kort wil ik tot u spreken over het woord van onze God,
met u wil ik tot God bidden.

U, Schepper en Vormgever,
kijk naar ons, luister naar ons.
Verlaat ons niet, laat ons niet in de steek.
Laat het licht worden, laat de dageraad aanbreken.

Stralende dag,
Hart van de Hemel, Hart van de Aarde.
U die alle rijkdom geeft:
schenk mijn kinderen leven.
Dat zij groeien en zich voortplanten.
U zullen zij onderhouden en aanroepen,
op velden en wegen,
bij rivieren, in ravijnen en bossen.

Schenk onze kinderen zonen en dochters.
Dat hen geen ongeluk treft.
Dat zij geen slachtoffer worden van bedrog.
Dat zij niet vallen of gewond raken.
Dat zij geen overspel plegen,
of veroordeeld worden vanwege misdaden.

Dat zij niet struikelen
op stijgende wegen, op dalende wegen.
Laat hun weg vrij zijn van hindernissen,
geef hun goede, vlakke wegen.
Bespaar hen ongeluk en tegenslag.

Hart van de Aarde, schitterend hemelgewelf
en heel het aardoppervlak:
laat enkel vrede en rust heersen in uw aanwezigheid.
God van de Hemel, God van de Aarde.


Met deze woorden hebben onze voorouders gebeden,
vroeg in de morgen, wanneer de zon opkomt.
Zij hebben zich gericht tot God,
die Morgenster wordt genoemd.
Steeds hebben zij gesmeekt:
“God, geef ons een nieuwe dag.”

Zo moeten ook wij blijven bidden,
onze Vormgever smeken om kracht.
Hij die de bergen en dalen heeft gemaakt
en heel de wereld.
Zo is onze godsdienst, zo is het.

Met Gods hulp is er geen armoede of honger.
De God van de Hemel, God van de Aarde
is steeds bij ons,
soms voor ons, soms achter ons.
Hij is de God van verre en van korte reizen.
Hij luistert naar ons, hij kent alle Maya-talen.

Luister naar God, geloof in hem,
stel onze God niet op de proef.
God toont zich aan mij, hij toont zich aan u.
Denk niet: alleen priesters en ouderlingen hebben macht,
want ieder van ons is macht gegeven.

Laten wij het kwaad mijden
dat zich tussen ons wil nestelen.
Laten wij onze echtgenoten liefhebben,
want God zelf heeft hen gemaakt.
God zei: het is niet goed dat er enkel mannen zijn.

U weet dat God de eerste mensen heeft gestraft
omdat zij God niet kenden, zijn naam niet uitspraken.
Zij vergaten de goede God,
die onze handen en voeten heeft gemaakt.

Wanneer u op reis gaat,
sta dan vroeg op en haast u niet.
Wie laat opstaat, denkt niet aan God.

Mogen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest
ons leiden op alle onze wegen.

 

 

 

 

 

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 John Astria

John Astria

De celestijnse belofte ; 2de inzicht

Standaard

categorie : reiki en de aura

 

 

.

De celestijnse belofte is een boek  van James Redfield. Op een eenvoudige manier en in een pakkende verhaallijn weet hij de basis van energiewerk zoals reiki uit te leggen. Als je het verhaal eraf haalt blijft een zeer overzichtelijke opbouw over hoe energie zich laat opbouwen en hoe je hiermee kunt werken. Het geheel beslaat 11 inzichten.

 

.

slide_29

 

 

1 – toeval
2 – kerk en wetenschap
3 – energiegericht denken
4 – de strijd om energie
5 – ontvankelijk worden voor de universele energie
6 – karakterstructuren
7 – transformatie
8 – intuïtie
9 – de toekomst
10 – het reïncarnatieproces
11 – alles is energie

 

Alle inzichten moet je begrijpen, maar ook voelen en ervaren. Het is geen theoretisch aanneembaar stuk, het moet echt gevoelsmatig binnenkomen. De verdere inzichten kan je pas ten volle begrijpen als je de voorgaande inzichten begrijpt, voelt en ervaart.

 

.

 

2e inzicht – kerk en wetenschap

.

Als we kijken naar deze geschiedenis, dan moeten we terug naar de middeleeuwse kerk. Deze kerk was de samenvoeging van spiritualiteit, macht, wetenschap en de rechtelijke macht. Dit gaf de mens duidelijkheid. Er werd verteld dat er een opperwezen was die voor iedereen zorgde en dat was genoeg wetenschap voor de burger.

Maar de combinatie spiritualiteit en wetenschap werd hoe langer hoe meer een onhoudbare combinatie. De Kerk had namelijk statements over de aarde als middelpunt van het heelal die wetenschappelijk onhoudbaar waren.

Aan het begin van de renaissance ontstond er een langzame splitsing tussen kerk en wetenschap met dien verstande dat deze wetenschap geen onderzoek zou doen naar de relatie tussen mens en God, engelen, wonderen, paranormale verschijnselen en andere aspecten die als domein van de godsdienst en dus de kerk golden.

De vroege wetenschap ging zich zodoende toeleggen op de materiële wereld. De ontdekkingen kwamen snel en werden toegelegd op natuurkunde, scheikunde, wiskunde en andere abstracte deelgebieden. Nieuwe technologieën werden gevonden en energiebronnen ontdekt. De industriële revolutie kwam op gang en de mens werd in kaart gebracht en kon beter gemaakt worden door medicijnen.

De kerk moest geleidelijk inboeten en de oude afspraak tussen kerk en wetenschap begon scheuren te vertonen. Vooral de medische wetenschap had hier een sterke invloed op. De mens raakte zijn zekerheid in zijn herkomst en zijn ware aard kwijt en kreeg daar een wetenschappelijke zekerheid voor terug. De spiritualiteit van de kerk is teruggebracht tot een eenmalig zondagse bijeenkomst wat binnen de christelijke kringen meer een moeten dan een willen is.

 

 

wetenschappelijke (on)zekerheid

.

Deze wetenschappelijke zekerheid werd geleidelijk obsessief. Het weten werd, en is nu nog steeds, belangrijker dan het voelen. Alles moet bewijsbaar en meetbaar en herhaalbaar zijn. Dezelfde wetenschap, die eerst voor een nieuwe zekerheid zorgde, was midden de  20e eeuw tevens de bron van een grote onzekerheid.

De natuurkunde (Einstein) kwam terug op eerdere uitspraken dat  het universum materialistisch is. Er waren bewijzen en ideeën van ingewikkelde energievelden en -patronen, tijd en ruimte waren niet meer lineair, en eenzelfde elementair deeltje kon op 2 plaatsen tegelijk zijn.

Tegelijkertijd werden atoomwapens uitgevonden en begon de wapenwedloop. Ook kwamen de eerste berichten dat de industriële revolutie ook zijn nadelen had op mens en milieu. De zekerheid die de mens eerst bij de kerk had en later bij de wetenschap bleek een schijnwerkelijkheid.

 

 

.

terugkeer naar het spirituele

.

Deze schijnwerkelijkheid resulteerde dat de mens opnieuw op zoek ging naar een nieuwe werkelijkheid. De ervaring leerde dat deze niet gevonden kon worden in de dogmatische kerk en ook niet in de wetenschap. En zo ontstond er in de jaren ’60 en ’70 van de 20e eeuw een variatie van stromingen welke ‘new-age’ en ‘alternatief’ genoemd werd.

Het accent dat bij het 1e inzicht genoemd werd “kritische massa” is ook hier van belang. Pas als een bepaalde groepsgrootte met spiritualiteit bezig is zal het kunnen evalueren. Het 2e inzicht legt dus de nadruk op de terugkeer naar het spirituele. Dat kunnen we nu ook plaatsen omdat de toevalligheden uit het 1e inzicht geen toevalligheden meer zijn maar intuïties die lessen herbergen.

Nu we ons open stellen voor deze intuïtie en ook kennis hebben dat we ons niet kunnen vertrouwen op datgene  wat anderen beweren (kerk, dogma’s en wetenschap) moeten we wel in onszelf gaan zoeken naar de antwoorden.

Dit klinkt logisch, maar is moeilijk. We zijn enorm gebonden aan fundamentele overtuigingen, verwachtingspatronen, structuren, rationele argumentatie, weten in plaats van voelen, regels en orde. Vanuit dat besef leven en handelen we voornamelijk en dit blokkeert de intuïtie. Het loslaten van deze blokkades is het werkterrein van het 2e inzicht.

 

 

aandachtspunten bij het 2e inzicht

.

wat ik graag wil veranderen is…
ik zou graag meer…
ik blijf maar denken aan…
over een jaar zou ik graag…
ik zou het heerlijk vinden als ik…
waarom zie ik het dan niet ?

 

 

.

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

.

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

De leer van Boeddha : deel 6

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De leer van de Boeddha is geen godsdienstige leer maar is in wezen een levensleer of religie. Het boeddhisme is geen godsdienst omdat de vraag of God of een hogere macht bestaat niet relevant is in het boeddhisme. Het boeddhisme is met andere woorden ‘non-theïstisch’. Het kan wel een religie worden genoemd omdat er naast een aantal praktische levensadviezen sprake is van metafysische en mystieke elementen. In dit document zijn een aantal begrippen van de leer van de Boeddha, de Boeddha Dharma, uitgelegd. 

 

.

emotie11

.

.

 

1-Boeddha-spreekt-over-het-nirwana-citaat-spirituele-teksten-spreuk

 

 

 

Nirvana

 

.

Nirvana is een term uit het Sanskriet (Pali: nibbana) en betekent uitdoving

 

Dit begrip duidt op het ingaan in een andere wijze van bestaan, een ander levensperspectief. Volgens de opvatting van het vroege boeddhisme betekent nirvana het verlaten van de cyclus van wedergeboorten (samsara) en het ingaan in een andere bestaansdimensie.

Het begrip nirvana leidt gemakkelijk tot misverstanden. Zo wordt het vaak gelijkgesteld aan het westerse begrip ‘hemel’. De kernbetekenis van nirvana is: vrij zijn van het bepalende gevolg van karma, vrij zijn van gehechtheid aan illusies, gemoedsaandoeingen en verlangens. Het is dus niet in de eerste plaats een oord waar je verblijft na je dood, maar het is een persoonlijke toestand, een staat van geest. Die toestand kan in dit leven worden gerealiseerd. Nirvana en de wereld om ons heen zijn niet twee verschillende werkelijkheden of twee verschillende toestanden van de werkelijkheid. Nirvana is de werkelijkheid ontdaan van al onze denkbeelden.

De laatste stap naar het Nirvana is de inkeer van het denken tot zichzelf. “In diepe verzonkenheid, die het tegengestelde is van vage mijmering, wordt de aandacht scherp gericht op het onderwerp van overpeinzing. Dan dringt het verder door tot in de diepten van zichzelf. Innerlijk brengt het alles tot stilte en in deze stilte schouwt het tot in de eeuwige grond. In een koele, zonnige vrede, boven geluk en smart uit, beseft het de zaligheid van een onuitsprekelijk leven. Het is dicht bij zijn einddoel gekomen, bij Nirwána, het hoogste geluk.” (‘Woorden van Boeddha’, pag. 25)

Nirvana is het hoogste goed in het boeddhisme. Het is de bevrijding uit samsara, de eeuwige cyclus van wedergeboorten, en de ervaring van een radicale verandering in het bestaan. Nirvana is een staat waarin de vlam van de levensdorst geheel gedoofd is. Door het ego los te laten wordt de werkelijkheid in haar onverhulde volheid gezien. Het is een verzoening met het bestaan zoals het in werkelijkheid is, voorbij onze eigen beperkte en vooringenomen beleving ervan.

Wat Nirvana inhoudt is moeilijk in woorden te omschrijven. “Woorden zouden een poging zijn dit Nirvana te omgrenzen en zo de hoogheid aantasten van dit ongemetene. Hier sterft hopeloos alle poging tot begrip, tot enige omlijning.”

“Dat de Volkomene aan gene zijde des doods bestaat, is niet juist. Dat de Volkomene niet aan gene zijde des doods bestaat is niet juist. Dat de Volkomene zowel aan gene zijde des doods bestaat als niet bestaat, is niet juist. Dat de Volkomene noch aan gene zijde des doods bestaat noch niet bestaat, is niet juist.” (Woorden van de Boeddha, pag.27)

De Boeddhistische Catechismus van H. S. Olcott, behalve door kerkelijke vertegenwoordigers uit Burma, Tsjittagong en Japan, ook goedgekeurd (1891) door autoriteiten uit Ceylon, onder meer door de hogepriester Soemangala, zegt:

“Nirwána is één met onzelfzuchtigheid, met gehele overgave van zichzelf aan de waarheid. De onwetende verlangt naar de zaligheid van het Nirwána zonder het minste begrip van den aard daarvan. Afwezigheid van zelfzucht is Nirwána. Goed te doen om iets te verkrijgen, of een heilig leven te leiden om hemels geluk te erlangen, is niet het edele leven, dat Boeddha gebood. Zonder hoop op beloning moet het edele leven worden geleefd en dat is het hoogste leven. De nirwanische toestand kan nog worden bereikt, terwijl men op aarde is.”

Zo leefde de Boeddha ook nog vele jaren, nadat hij Nirwána had bereikt. Toen hij op tachtigjarige leeftijd stierf en het lichaam verliet om nimmer weder tot geboorte terug te keren, werd gezegd, dat hij het Paranirwána inging.

Parinirvana is het uiteindelijke nirvana. Iemand die in dit leven het nirvana heeft gerealiseerd komt na de dood in het parinirvana. Het is de staat van volledige uitdoving, waarbij het rad van samsara definitief is doorbroken. Het was ook de verblijfplaats van de Boeddha voordat hij ter wereld kwam. Het levensverhaal van de Boeddha zegt dat hij vanuit de ‘hemel der gelukzaligen’ neerdaalde op de aarde, omdat deze rijp was om de Dharma te ontvangen.

De Boeddha incarneerde in Siddharta Gautama, de prins die in 563 vóór Christus werd geboren in het rijk van de Shakya’s aan de voet van de Himalaya. Aan het eind van zijn leven, toen zijn taak was volbracht, keerde de Boeddha tot het parinirvana terug.

 

 

 

 

 

.

 

3d-gouden-pijl-5271528

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

.

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

 

De leer van Boeddha: deel 5

Standaard

categorie : religie

 

 

 

De leer van de Boeddha is geen godsdienstige leer maar is in wezen een levensleer of religie. Het boeddhisme is geen godsdienst omdat de vraag of God of een hogere macht bestaat niet relevant is in het boeddhisme. Het boeddhisme is met andere woorden ‘non-theïstisch’. Het kan wel een religie worden genoemd omdat er naast een aantal praktische levensadviezen sprake is van metafysische en mystieke elementen. In dit document zijn een aantal begrippen van de leer van de Boeddha, de Boeddha Dharma, uitgelegd.

 

.

karma_purple3

 

.

.

Karma

.

Karma (Pali: kamma) betekent daad, handeling.  We zagen dat volgens de leer van oorzaak en gevolg onze huidige ervaring de uitkomst is van voorafgaande handelingen en wilsuitingen en dat toekomstige handelingen afhankelijk zijn van wat we heden doen. Het begrip karma houdt in dat  ons heden wordt bepaald door ons verleden. Daden kunnen in drie klassen ondergebracht worden:
.
gezonde daden, die leiden tot de hogere rijken van samsara of tot  bevrijding; 
                   ongezonde daden, die leiden tot voortzetting van verwarring en pijn;  
                   neutrale daden.

Karma is een gevolg van voorgaande handelingen van onszelf. Daardoor schept ieder levend wezen zijn eigen omstandigheden. Karma is een gevolg van voorafgaand handelen en geen beloning of straf. Het is als het ware een neutraal mechanisme dat natuur noodzakelijk werkt zoals het werkt. Het heeft dan ook geen zin om van ‘schuld’ te spreken maar eerder van onwetendheid. Mensen brengen zichzelf leed toe door eigen onwetendheid.

Doordat we gedreven worden door onze begeerten en we ons hechten aan datgene wat we door het volgen van die begeerten willen realiseren, zetten we een kettingreactie in werking, een vicieuze cirkel, die ons in de ban houdt. Deze kettingreactie brengt ons niet het geluk dat we er van verwachten, maar we zijn geneigd toch steeds door te gaan.

Deugdzame daden kunnen tot betere omstandigheden leiden. Alleen het werkelijke inzicht in de dharma’s zal kan leiding tot verlichting en bevrijding van de gebondenheid aan de keten van geboorten en wedergeboorten. Meditatie is de weg waarlangs we tot inzicht kunnen komen.

“Zolang Nirvana niet is bereikt, blijft de noodzaak aanwezig voor nieuwe geboorte. Dan gaan ’s mensen eigenschappen over van leven tot leven. Een persoon is opgebouwd uit vijf afzonderlijke delen of khandha’s.

 

.

Dit zijn de vijf khandha’s waaraan het Karma is gebonden

.

1. “Onderscheiding“, ook weergegeven als werking, formatie, onderbewustzijn, scheppingsdrang, levenswil of levensaandrift.

.

2. “Bewustzijn“.

.

3. “Aandoening” of gevoel, verwekt door de indrukken der zinnen.

.

4. “Voorstelling“, waartoe de indrukken worden verwerkt.

.

5. ’t “Lichamelijke“, het objectieve, want ook de gehele buitenwereld, het waargenomene, wordt tot de elementen gerekend, die het bewuste wezen vormen. Bij de dood blijven deze beginselen over en worden ergens anders in een nieuw individu tot uitdrukking gebracht. Het is of er een licht ergens is uitgeblust en op een andere plaats weder wordt ontstoken”.

.

“Volkomen is iemand, die bevrijding heeft bereikt, bij wie de khandha’s zijn uitgeblust, het Karma vernietigd.” (Woorden van Boeddha, pag. 25, 26, 27).

Het boeddhisme stelt dat we zelf verantwoordelijk zijn voor onze eigen daden, ons geluk en onze ellende. Wij scheppen onze eigen hemel en onze eigen hel. Het leven omvat zowel het goede als het slechte. Naar welke van de twee de balans doorslaat hangt van onszelf af.

We oogsten wat we zaaien. Nu zijn we het resultaat van wat we eens waren en in de toekomst zullen we het resultaat zijn van wat we nu zijn.  De uitweg is niet de weg van de verlossing van buitenaf, maar is de weg van toenemend bewustzijn en inzicht, welke door middel van meditatie verkregen wordt.

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA