Categorie: mode en kledij
.
Christian Dior-2002-spring-ready to wear



























































.



























































.
.
Vandaag mag de bikini 66 kaarsjes uitblazen. Het minuscule kledingstuk werd geïntroduceerd in 1946 door ontwerper Louis Réard in Parijs. De bikini werd met weinig enthousiasme onthaald, omdat het de erogene zones van de vrouw sterk benadrukt. Réard vreesde dan ook dat geen enkel model zijn uitvinding zou willen dragen. Vandaag kijken we niet meer vreemd op wanneer we iemand op het strand zien flaneren in bikini en is het kledingstuk een gevestigde waarde geworden binnen de badmode.
.
Het tweedelige badpak stamt al van ver voor de 20e eeuw. Op muurschilderingen uit de 4e eeuw na Christus in het Siciliaanse dorpje Piazza Armerina zijn ook een soort bikini’s te zien, die gedragen worden door de tien Romeinse sportschoonheden.
.
.
.
.
In 1946 presenteerde auto-ingenieur Louis Réard de eerste bikini op de catwalk in Parijs. Hij omschreef het kledingstuk als ‘kleiner dan het kleinste badpak’. Voor de naam van de bikini haalde Réard de mosterd bij het Bikini-eiland in de de Stille Oceaan, waar er in 1946 door de Amerikaanse overheid atoomproeven werden uitgevoerd.
.
.
.
.
De introductie van de bikini sloeg in als een bom en het viel aanvankelijk niet in de smaak bij het grote publiek omwille van het expliciete erotische karakter. In Portugal, Spanje en Italië werd de bikini zelfs verboden en het Vaticaan beschouwde hem als immoreel.
Vanaf de jaren zestig veranderde het imago van de bikini onder invloed van Amerikaanse filmsterren en feministen. Het poseren in bikini betekende voor veel jonge sterretjes de weg naar een carrière in de filmindustrie en opende de deuren naar de glamour van Hollywood. Zo werd Rita Hayworth gefotografeerd in een bikini voor de cover van het tijdschrift Life en verscheen Ursula Andress in de film Dr.
No uit 1962 in een witte bikini terwijl ze uit de golven tevoorschijn komt. Toen actrices als Marilyn Monroe, Brigitte Bardot en zich in bikini vertoonden, leek de strijd gewonnen. De bikini ging deel uitmaken van de populaire cultuur en in 1960 bezong popzanger Brian Hyland het tweedelige badpak met ‘Itsy bitsy teenie weenie yellow polka dot bikini’.
.
.
.
.
Ondanks de stormachtige start is de bikini een algemeen aanvaard kledingstuk geworden in het Westen en is het een vast onderdeel van onze zomergarderobe. Er zijn ook variaties gekomen op het traditionele bikini-model door de introductie van het materiaal lycra. Voorbeelden hiervan zijn de monokini, microkini en tankini.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Genesis zegt herhaaldelijk dat wij geschapen zijn naar Gods eigen beeld (Genesis 1:27). Het Hebreeuwse woord voor evenbeeld (“tselem”) laat zich vertalen als een schets of weergave van een origineel, omdat een schaduw de schets van het origineel is.
Alleen mensen zijn geschapen naar de gelijkenis van God. Hoewel God niet beperkt is tot een menselijke vorm, deelt de onvolmaakte en eindige mens in Gods natuur, met overdraagbare eigenschappen zoals leven, waarheid, wijsheid, liefde, heiligheid, persoonlijkheid en rechtvaardigheid. Wij hebben het vermogen om een geweldige geestelijke relatie met Hem te hebben, en daardoor krijgen wij inzicht.
Pasteltekening van John Astria
In Genesis 32:25-30 bleef Jakob, de vader van de twaalf stamvaders van Israël, kreupel achter na een worsteling met God. Jakob noemde die plaats Peniël, want, zei hij :
‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven’ (Genesis 32:31).
God kwam zo dicht bij Jakob als mogelijk was, de handen van de Schepper rustten letterlijk op hem.
Toen Mozes God ontmoette als een brandende struik, durfde hij niet naar God te kijken (Exodus 3:6). Zelfs de innige relatie tussen Mozes en God waarin de Heer “van aangezicht tot aangezicht” sprak (Deuteronomium 34:10) kende beperkingen.
Op het moment dat hij Gods heerlijke aanwezigheid zocht, werd Mozes er aan herinnerd :
“Mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven” (Exodus 33:11).
Van aangezicht tot aangezicht duidt op intieme gesprekken tussen twee goede vrienden. Dit wederzijdse vertrouwen maakte het hen mogelijk om eerlijk en open met elkaar te praten (Deuteronomium 12:6-8).
De voorbeelden uit het Oude Testament ten aanzien van Gods uiterlijk richtten zich op Zijn heerlijkheid en hemelse aanwezigheid, die verblijft in door Hem verkozen objecten:
de Tabernakel (Numeri 12:5; 16:19, 17:7),
een wolkkolom
en een vuurzuil (Numeri 14:14).
In het Nieuwe Testament openbaart God Zichzelf door aan ons te verschijnen middels Zijn vleesgeworden Zoon, Jezus Christus.
In antwoord op de vraag hoe dat God er uit ziet zond Hij een kind naar deze wereld :
“Beeld van God, de Onzichtbare, is Hij (Christus), in Hem heeft heel de Volheid willen wonen” (Kolossenzen 1:15, 1:19).
Er worden nergens specifieke uiterlijke kenmerken van dit Kind genoemd, alleen specifieke omstandigheden. Het lag in een kribbe, gewikkeld in lappen met een ster boven een huis. Maar de herders en wijzen herkenden Jezus onmiddellijk toen zij de Levende God verheerlijkten, prezen en aanbidden:
“In Hem schittert Gods luister, Hij is Zijn evenbeeld.” (Hebreeën 1:3).
Met onvoorwaardelijke liefde en genade schiep God ons naar Zijn eigen evenbeeld terwijl Hij ons een glimp van Zichzelf deed opvangen in Jezus Christus.
“Niemand heeft God ooit gezien, maar de enige Zoon, die Zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft Hem doen kennen” (Johannes 1:18).
In de Bergrede vertelt Jezus ons:
“Gelukkig wie zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien” (Matteüs 5:8).
Misschien kunnen we Gods gezicht dan nu nog niet helemaal zien, maar Hij beziet ons in alle volheid met onuitputtelijke liefde.
De alomtegenwoordigheid van God is voor veel mensen omstreden, en iets waar ze zich druk om maken. Een mens kan niet op twee plekken tegelijk zijn, zelfs niet met de meest vooruitstrevende technologie. Als God overal tegelijkertijd is, dus alomtegenwoordig, dan ontsnapt er niets aan Zijn aandacht. In de gehele Bijbel zien we dat alles wat geschapen is onder de heerschappij van een oppermachtige God.
“Een alomtegenwoordige God keek naar alles wat Hij had gemaakt…Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid” (Genesis 1:31-2:1).
Als wij het begrip eeuwigheid volledig zouden kunnen bevatten, dan zou de alomtegenwoordigheid van God misschien ook te begrijpen zijn. De menselijke geest beziet gebeurtenissen aan de hand van een tijdsbalk, met specifieke vakken voor het verleden, het heden en de toekomst.
De voortdurende overgang van elk vak naar het volgende hangt af van hoe iemand een bepaald voorval ziet. God, die eeuwig is, is niet gebonden aan tijd want Hij heeft de tijd geschapen. Als heerser over de volledige historie, het heden en de toekomst van de mensheid, verkondigt God:
“Ik ben de Alfa (Begin, Eerste) en de Omega (Einde, Laatste) Die is, Die was en Die komt, de Almachtige” (Openbaring 1:8; 21:6; 22:13).
Hij heerst tegelijkertijd over alle menselijke geschiedenis, los van de fysische beperking van welke tijdsbalk dan ook.
Omdat God eeuwig is, kunnen ruimtelijke begrenzingen Hem niet beperken. Gods tijd is oneindig, daarom is God ook onbegrensd ten aanzien van ruimte. Hij is dus alomtegenwoordig.
Koning Salomo besefte dat God ver boven de begrenzing van de hele schepping uitstijgt:
“Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan U niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor U heb gebouwd” (1 Koningen 8:27-28).
Hoe prachtig een door mensen gemaakte tempel ook zou kunnen zijn, Salomo begreep dat God niet beperkt kan worden tot enig deel van de ruimte, hoe groot dat deel ook zou zijn.
“Dit zegt de Heer: De hemel is Mijn troon, de aarde Mijn voetenbank. Waar zouden jullie een huis voor Mij kunnen bouwen? En wat zou Mij als rustplaats dienen?’’(Jesaja 66:1).
De alomtegenwoordigheid van God betekent dat Hij zelfs niet in de grootst mogelijke ruimte zou kunnen verblijven. Het is niet zo dat God simpelweg bestaat in een soort oneindige, open ruimte. God is aanwezig in alle ruimte. Dat betekent dat God in Zijn hele wezen aanwezig is op elke plek in onze ruimte. Alle ruimte is voor Hem onmiddellijk aanwezig. De 19e-eeuwse theoloog Charles H. Spurgeon verkondigde:
Maar het is niet juist om God te zien in ruimtelijke bewoordingen, alsof Hij een soort gigantisch wezen is. God mag dan een wezen zijn dat zonder maat en afmetingen bestaat in de ruimte, maar Hij is niet een of andere vormeloze massa.
In Genesis 1:26 lezen we dat de mens geschapen is naar het evenbeeld en de gelijkenis van God, woorden die een zekere vorm aanduiden. Toen Mozes vroeg om de majesteit van God te mogen zien, antwoordde Hij:
“Als Ik Mijn hand weghaal, zul je Mij van achteren zien; Mijn gezicht mag niemand zien” (Exodus 33:18-23).
God spreekt over Zichzelf in menselijke bewoordingen.
Hoewel we het gezicht van onze Schepper niet mogen zien, bevestigt de alomtegenwoordigheid van God dat Hij voortdurend de mensheid beziet. Adam en Eva probeerden “zich voor Hem te verbergen tussen de bomen” (Genesis 3:8). De profeet Jona probeerde “van de Heer weg te vluchten”. In eerbiedig ontzag besefte David:
“Hoe zou ik aan Uw aandacht ontsnappen, hoe aan Uw blikken ontkomen?” (Psalm 139:7-18).
Nergens in de schepping kunnen we ons verstoppen voor de Heer. Via Zijn Geest strekt Gods bereik zich uit tot elke uithoek van het universum en in de harten van de mensen.
“De Heer in Zijn heilig paleis, de Heer op Zijn troon in de hemel, met aandacht beziet Hij en fronsend keurt Hij de mensen op aarde” (Psalm 11:4).
.
.
Charoiet is een mooi blauwpaars gesteente uit Rusland, Siberië. Het gesteente wordt ook wel tsaroiet genoemd, een verwijzing naar de Russische tsaren. De kleur kan variëren: lichtbruin, licht- tot donkerviolet, soms blauw- violet, met gouden, donkergroene, grijze of zwarte insluitsels. De zuiverste kwaliteit is paarsblauw. De charoiet is steen van de hoop, van de toekomstverwachting en van de vrijheid – die je altijd zelf kunt kiezen, ook al lijkt dat niet zo.
Charoiet is nog niet zo lang bekend als heelsteen. Rond 1915 werden in Siberië grote voorraden van het gesteente ontdekt, ongeveer gelijktijdig met de grote revolte in Rusland. Charoiet werd gevonden toen tsaar Nicolaas II gedwongen werd afstand te doen van de troon. Het volk interpreteerde dat als een moment van hoop, dat er nu een einde zou komen aan de bittere armoede in Rusland. De steen werd daarom voor de Russen de steen van de hoop. Het gesteente was in Rusland lange tijd in de handel als paarse canasiet.
Pas in 1978 werd het beschreven als zelfstandig mineraal en kreeg het zijn tegenwoordige naam. Charoiet is niet echt zeldzaam. Maar omdat Rusland zeer strikte regels voor de export hanteert, is het aanbod op de markt klein. In Siberië bestaat de traditie om een charoïet mee te koken in het theewater. De aldus verrijkte thee zou de familiebanden sterken en beschermen tegen allerlei negatieve zaken. In Rusland werden van charoiet vazen, schalen en kistjes gesneden.
Sinds 1947 wordt de steen ook tot sieraad bewerkt. Het is een geliefde steen voor het slijpen van cabochons, die gebruikt worden in broches, hangers en ringen. Russen gebruiken charoiet ook wel als siersteen in de bouw. De steen is immers decoratief dankzij een rijkgeschakeerd uiterlijk, met mooie vloeiende lijnen en groene, blauwe, zwarte en gouden insluitsels.
.
.
Eigenlijk is charoiet geen mineraal, maar een gesteente dat uit verschillende mineralen bestaat. De steen kan vele kleuren vertonen, maar wordt niettemin tot de paarse stenen gerekend. Zuivere charoiet is paars-paarsblauw. Uiteenlopende insluitsels zijn verantwoordelijk voor andere kleuren. Het gesteente kan sporen bevatten van onder meer gele tinaksiet, witte tot lichtgroene nefelien, donkergroene aegirien en roze mangaan.
.
Samenstelling:
(Ca,Na)4(K,Sr,Ba)2[(OH,F)(Si9O22)].H2O
+ Al, Ba, Ca, F, Fe, K, Mn, Na, Si, Sr, Ti
Hardheid: 5 – 6
Glans: glasglans, zijdeglans, parelglans
Transparantie: doorschijnend, doorzichtig,
ondoorzichtig
Breuk: ruw, oneffen
Splijtbaarheid: zeer goed
Dichtheid: 2,54 – 2,78
Kristalstelsel: monoklien








Spirit Cave is een spirituele naam gegeven aan een geode die bestaat uit Hyaliet Opaal met kwartsbloemen en fluorescerende chalcedoon.
Afmeting: 6 x 5,7 x 3,9 cm.
Gewicht: 78 gram.
Vindplaats: Candacara mijn, NW Chihuahua, Mexico.








Goed te herkennen aan
– de aarvormige bloeiwijze met grote 4-tallige helder roze
(zelden witte) bloemen en
– de donker bruinrode kelkbladen, die tussen de kroonbladen
naar voren buigen
Algemeen
Wilgenroosje is een overblijvende plant van 30 tot 150 cm hoog. Ze komt zeer algemeen en groeit op zonnige tot half beschaduwde plaatsen met vochtige tot droge, omgewerkte zandgrond op kapvlakten, brandplekken en aan bos- en struikgewasranden. Op kap-, brand- en door storm geteisterde plaatsen kan wilgenroosje plotseling massaal voorkomen.

Bloem
Wilgenroosje bloeit vanaf juni tot en met september met lange aarvormige trossen. De helder roze bloemen zijn 4-tallig en hebben donker bruinrode kelkbladen. De meeldraden en de stijl steken duidelijk buiten de bloem en gaan later hangen.
De vier kroonbladen zijn niet gelijk. De bovenste twee zijn iets groter dan de onderste, waardoor de kroonbladen wat weg lijken te hebben van de vleugels van een vlinder.
De bloemen lijken op lange stengels te staan, maar die “stengel” is het vruchtbeginsel, dat zich na de bloei ontwikkelt tot een doosvrucht met talrijke pluizige zaden, die door de wind makkelijk verspreid worden.
Naast uitbreiding door middel van zaden, breidt wilgenroosje zich ook uit door middel van de kruipende wortelstok. Op die manier kan de plant grote bestanden vormen, waarin andere planten geen kans krijgen.
Blad
Wilgenroosje draagt smalle lancetvormige bladeren, die verspreid langs de stengel staan. De bladeren lijken op de bladeren van de wilg, vandaar de naam.

Toepassingen
De bladeren van wilgenroosje kunnen gedroogd worden in de zon om er daarna thee van te trekken. Werkt goed bij darmproblemen. Jonge bladeren en jonge scheuten kunnen als groente gegeten worden of in soep gebruikt worden.

harig wilgenroosje
Algemeen
– teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 0,3 tot 1,5 m
Bloem
– helder roze (zelden wit)
– vanaf juni t/m september
– aarvormige, zeer lange tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 4 kroonbladen, iets uitgerand
– niet vergroeid
– 4 donker bruinrode kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- lancetvormig
– zittend
– top spits
– rand gaaf of iets getand
– voet afgerond of wigvormig
– onderkant blauw/groen
Stengel
– rechtop
– niet vertakt
– kaal
– rolrond
– vaak roodachtig aangelopen
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
de prachtige helder roze aarvormige bloeiwijzen met paars/gele bloemen
Algemeen
Wilde weit is een eenjarig plantje, dat helaas zeer sterk in aantal is afgenomen en op de rode lijst staat als ernstig bedreigd. Ze groeit op droge, enigszins omgewerkte kalkrijke grond. Wilde weit is een halfparasiet net als de ratelaars. Ze is voor water en mineralen afhankelijk van andere planten. Daardoor kan ze in een paar weken volledig uitgroeien en zich handhaven in droge milieus.

Bloem
Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met prachtige bloemen die schuin omhoog gericht in dichte trossen bij elkaar staan en ze wordt 15 tot 50 cm hoog. De bloemen zijn aan de top paars met daar onder een geel of geel/witte rand.
Blad
De bladeren zijn lancetvormig, de bovenste bladeren hebben priemvormige tanden. De helder roze schutbladen hebben lijnvormige tanden en donkere klierpuntjes aan de onderkant. Ze verkleuren naar groen.

Algemeen
– bremraapfamilie (Orobanchaceae)
– eenjarig
– zeer zeldzaam
– 15 tot 50 cm
Bloem
– helder roze met geel/wit
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– lipbloem
– 4 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lijnlancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– veernervig
– kort behaard
Stengel
– rechtop
– vierkant
– behaard
zie wilde bloemen