Tagarchief: geel

Bezemkruiskruid : Senecio inaequidens

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-senecio_inaequidens

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele voor kruiskruid kenmerkende bloemhoofdjes en
– de lange, smalle, lijnvormige bladeren tot 5 (8) mm breed

 

 

img_7404-gr-bezemkruiskruid

 

 

 

Algemeen

 

Bezemkruiskruid is een sterk vertakte, overblijvende plant van 0,2 tot 1,10 meter hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Afrika. Met de aanvoer van wol is bezemkruiskruid in Europa terecht gekomen. Ondanks haar afkomst uit Zuid-Afrika kan ze goed tegen vorst.

Hoewel ze zich bijna een halve eeuw heeft gedragen als adventief plant, is ze nu ingeburgerd en algemeen voorkomend. Je vindt bezemkruiskruid langs spoorwegen, aan rivieroevers, in bermen (ook langs snelwegen), op omgewerkte grond en in de duinen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Bezemkruiskruid is rijk bloeiend vanaf juni tot en met december met helder gele bloemhoofdjes, die bestaan uit een hart van gele buisbloemen, omgeven door 10 tot 15 iets naar beneden gerichte, glanzende, gele straal- bloemen. De hoofdjes staan in een losse pluim.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De (half) stengelomvattende bladeren met geoorde voet zijn wat vlezig en smal, 2-5(-8) mm. De rand is gaaf tot getand. De stengel is sterk vertakt, aan de voet verhout en soms rood aangelopen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– sterk toenemend
– 20 tot 110 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m december
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 18 tot 25 mm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top spits
– rand gaaf of getand
– voet geoord
– een-nervig
– (half)stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– soms rood aangelopen
– glad en kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

bezemkruiskruis-nof

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Beenbreek : Narthecium ossifragum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

steel1-g

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder gele stervormige bloemen met oranje helmknoppen en geel behaarde meeldraden
– na de bloei aan de mooie donker oranje doosvruchten omgeven door de resten van de bloem

 

 

4434-640

 

 

 

Algemeen

 

Beenbreek is een overblijvende, in grote groepen groeiende, zeldzame plant, die groeit op natte, zure grond in heide- en veengebieden. Ze staat op de rode lijst als zeer sterk afgenomen plant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele bloemen, die in vrij dichte aarvormige trossen aan het einde van de tot 30 cm hoge stengels staan. De bloemen hebben zes bloemdekbladen, die aan de buitenkant een brede groene middenstreep hebben.

Na de bloei vallen de bloemdekbladen en meeldraden niet af, maar kleuren ze samen met de zaaddozen donker oranje. De helder gele bloemen met oranje helmknoppen zorgen ervoor dat beenbreek tijdens de bloeitijd makkelijk te herkennen is. En ook in het najaar blijft de plant vanwege de grote, donker oranje doosvruchten een mooie en opvallende verschijning.

 

 

 

 

 

Blad

 

Beenbreek heeft twee soorten bladeren, stengelbladeren en wortelstandige bladeren. De stengelbladeren zijn duidelijk kleiner dan de wortelstandige bladeren en staan min of meer plat tegen de stengel. De wortelstandige bladeren zijn langwerpig, zwaardvormig.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Op de Shetland Eilanden werd deze plant zowel als verfstof, als in de geneeskunde gebruikt.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

beenbreekfamilie (Nartheciaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 10 tot 30 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 6 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid of wortelstandig
– enkelvoudig
– zwaard- of lijnvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– niet vertakt
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-beenbreek

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Akkermelkdistel : Sonchus arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

akkermelkdistel_01

 

 

Goed te herkennen aan
– de bloemhoofdjes, die lijken op paardenbloemen en
– de met gele klierharen bezette omwindselblaadjes

 

 

7cce2b28832f4fd6919342f9773ac460

 

 

 

Algemeen

 

Akkermelkdistel is een zeer algemeen voorkomende plant van 80 tot 150 cm hoog met paardenbloem-achtige bloemenhoofdjes. Ze groeit op vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond in akkers en op grazige en stenige plaatsen. Ook in de zeeduinen en op aanspoelselgordels.

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd van akkermelkdistel is vanaf juni tot de herfst. Ze bloeit met 4 tot 5 cm brede, goud- tot oranjeachtig gele bloemenhoofdjes, die bestaan uit talrijke lintbloemen. De omwindselblaadjes hebben weinig tot veel gele klierharen.

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren van akkermelkdistel zijn langwerpig, diep veerspletig en hebben driehoekige lobben, die iets terug wijzen. De randen zijn gestekeld. De bladvoet heeft twee min of meer ronde oortjes, die plat tegen de stengel aangedrukt zitten. De in de duinen groeiende planten hebben soms vettig aanvoelende, onregelmatig ingesneden bladeren. Ze worden wel onderscheiden als var. Maritimus (zeemelkdistel). De stengels zijn fijn geribd, soms paarsrood aangelopen, alleen bovenaan vertakt en ook bovenaan voorzien van gele klierharen.

 

 

 

Toepassingen

 

Jonge bladeren werden vroeger gegeten als sla of spinazie. Ze smaken enigszins bitter.

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Van de melkdistels heeft akkermelkdistel de grootste en donkerste bloemen. Daarnaast zijn er nog wat andere verschillen.

 

 

 

 

akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

 

 

 

 

moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes.

 

 

moerasmelkdistel

 

 

 

gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bladeren met spitse, afstaande oortjes.

 

 

gewone melkdistel

 

 

 

gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

 

 

 

De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloemachtige bloemhoofdjes.

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 150 cm hoog

Bloem
– goud- tot oranjeachtig geel
– vanaf juni tot de herfst
– hoofdje
– 4 tot 5 cm
– alleen lintbloemen
– omwindselblaadjes met gele   klierharen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top spits
– rand stekelig getand
– voet met ronde, platte oortjes
– veernervig

Stengel
– rechtop
– alleen bovenaan vertakt
– bovenaan met gele klierharen
– soms rood aangelopen

zie wilde bloemen

 

 

266px-illustration_sonchus_arvensis0

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Akkerkers : Rorippa sylvestris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

akkerkers-100822-051

 

 

Goed te herkennen aan
– trosjes helder gele bloemetjes met vier kroonbladen,
– die 2 x zo lang zijn als de kelkbladen en
– het diep veervormig ingesneden blad met een smalle, tamelijk
kleine eindslip, zonder oortjes

 

 

img_4173-gr-akkerkers

 

 

 

Algemeen

 

Akkerkers is een overblijvende, zeer algemeen voorkomende plant van 20 tot 45 cm hoog. Ze groeit op open tot grazige, natte tot vochtige, meestal omgewerkte grond, vooral in akkers en uiterwaarden.
Van oorsprong is akkerkers een rivierbegeleider. Daarbuiten is ze voor verspreiding aangewezen op de mens (aanvoer rivierzand).

 

 

 

 

 

Bloem

 

De plant bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen vormen losse trossen. De kroonbladen zijn ongeveer 2x zo lang als de geelgroene kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De gesteelde bladeren zijn diep veervormig ingesneden in 3 tot 7 paar grof getande slippen en hebben een smalle, tamelijk kleine eindslip. De slippen van hoger aan de stengel zittende bladeren kunnen lijnvormig zijn. Onderaan vormen een aantal bladeren een rozet. De stengel is enigszins zigzagsgewijs gebogen.

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Akkerkers vermeerdert zich voornamelijk door middel van ondergrondse uitlopers. Zo kan ze hele bestanden vormen. Omdat elk klein stukje uitloper kan uitgroeien tot een plantje is akkerkers moeilijk te bestrijden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Herkennen Rorippa soorten

 

– zijn de kroonbladen ongeveer even groot als de kelkbladen ?
– nee …. heeft het blad oortjes ?
– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een smalle eindslip ?
– nee …. is het blad diep veervormig ingesneden met een grote eindslip ?
ja
ja
ja
ja
anders
:
:
:
:
:
moeraskers
Oostenrijkse kers
akkerkers
valse akkerkers
gele waterkers
Valse akkerkers (Rorippa x anceps) is een kruising tussen gele waterkers en akkerkers, komt voornamelijk voor langs rivieroevers. Ze is van akkerkers te onderscheiden door de grote eindslip van het blad en van gele waterkers door de dieper ingesneden bladeren. De vruchten zijn korter dan die van akkerkers en langer dan die van gele waterkers.

Daarnaast komt er nog een kruising voor, ontstaan uit Oostenrijkse kers en akkerkers (Rorippa x armoracioides). De verspreiding van deze kruising is onvoldoende bekend en deze vorm wordt vaak verward met akkerkers.

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 20 tot 45 cm

Bloem
– geel
– juni t/m september
– tros
– stervormig
– 4 tot 6 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen, geelgroen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top spits
– rand getand
– veernervig

Stengel
– opstijgend
– glad en kaal, soms kort behaard
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

deutschland-g

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

 

 

Weegbreezonnebloem : Doronicum plantagineum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

weegbreezonnebloem50

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, gele, lang gesteelde zonnebloemachtige bloemenhoofjes
– met lijnvormige omwindselblaadjes en
– de gesteelde, grote rozetbladeren met wigvormige voet

 

 

img_3399-gr-weegbreezonnebloem

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Weegbreezonnebloem is een overblijvende stinsenplant van 30 tot 90 cm hoog. Ze is oorspronkelijk afkomstig uit Zuidwest-Europa. Ze groeit op vochtige, zandige, voedselrijke grond op lichte plaatsen in loofbossen bij buitenplaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Weegbreezonnebloem bloeit in mei en juni met opvallende, helder gele bloemenhoofdjes, die lijken op kleine zonnebloemen. De hoofdjes staan alleen of met 2 tot 3 op lange stelen. Ze richten zich naar het licht. De omwindselblaadjes zijn lijnvormig. De straal- en buisbloemen zijn geel, het stuifmeel en de stampers donkergeel, waardoor het hart donkerder kleurt.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– stinsenplant
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– mei en juni
– hoofdje
– straal- en buisbloemen
– 5 tot 8 cm

Blad
– enkelvoudig
– netnervig
– behaard
– rozetbladeren :
– wortelstandig
– eirond tot ellipstisch
– top stomp
– rand gaaf of ondiep getand
– voet wigvormig
– gesteeld

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond, gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

19093960605_6d660b66b1_b

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Castoriet / Petaliet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemene informatie

 

Petaliet of castoriet behoort tot de groep van veldspaten. Het kan kleurloos, geel, geelgrijs, roze en wit zijn. De kleurloze variant wordt vaak gebruikt als edelsteen. De steen is doorzichtig tot doorschijnend en heeft een glasachtige glans.

 

 

 

 

 

Etymologie

 

De naam petaliet komt van het Griekse woord petalon wat blad betekent.

 

 

 

 

 

Vindplaats

 

Petaliet wordt o.a. gevonden in Zweden, Brazilië, VS en Namibië.

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: LiAlSi4O10,

hardheid: 6-6,5

dichtheid: 2,42

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wede : Isatis tinctoria

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

isatis-tinctoria-wede-02

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele pluimen kleine bloemetjes en
– bruin-zwarte hangende vruchten en
– lancetvormige blauwgroene bladeren met witachtige middennerf

 

 

wede1

 

 

 

Algemeen

 

Wede is een overblijvende plant, die tot 1,20 meter hoog kan worden. Wede is zeer zeldzaam. Oorspronkelijk komt wede van de steppen uit Oost-Europa en Azië.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wede bloeit in mei en juni met kleine gele bloemetjes.

 

 

 

 

 

Blad

 

De blauwachtig groene bladeren zijn glad en hebben een licht gekleurde middennerf. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste omvatten de stengel met een pijlvormige voet.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

Opvallend zijn de vruchten van de wede. De vruchten hangen en zodra ze beginnen te rijpen worden ze bruin-zwart. Ze zijn 1 (of 2)-zadig.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Wede is een waardplant van de oranjetip en het groot koolwitje. Tot in de 19de eeuw werd wede gekweekt voor de bereiding van blauwe verfstof. Deze kwekerijen verdwenen toen de Europeanen de kleurstof indigo uit India naar Europa brachten.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 60 tot 120 hoog

Bloem
– geel
– mei en juni
– tros
– stervormig
– 2,5 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancet- of pijlvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet pijlvormig, (half)
stengelomvattend
– veernervig, middelste nerf licht
gekleurd
– blauwachtig groen

Stengel
– rechtop
– grijsgroen, soms wat paars
aangelopen
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

wede

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

mijne kop a4

Cancriniet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Cancriniet is een kleurloos, wit, geel, groen of blauw mineraal met een glasachtige glans. Het carbonaat silicaat mineraal behoort tot de veldspaten. Het heeft een glasglans, een grijswitte streepkleur en de splijting is perfect volgens het kristalvlak [1010]. De gemiddelde dichtheid is 2,45 en de hardheid is 6. Het kristalstelsel is hexagonaal en het mineraal is niet radioactief.

 

 

 

Etymologie

 

Cancriniet is vernoemd naar Jegor Frantsevitsj Kankrin (Georg von Cancrin). Cancrin was de Russische minister van financiën toen het mineraal in 1839 voor het eerst werd gevonden in het Oeral gebergte.

 

 

 

 

Vindplaats

 

Cancriniet wordt gewonnen o.a. in Rusland, Duitsland, Canada, Noorwegen, Roemenië en de Verenigde Staten.

 

 

 

.

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: Na6Ca2Al6Si6O24(CO3)2

hardheid: 5 – 6

dichtheid: 2,4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

cactuskwarts

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemeen

 

Spiritkwarts of cactuskwarts wordt gekarakteriseerd door de vele kleine kristalletjes die langs het oorspronkelijke Kwartskristal groeien.  Deze kleinere kristalletjes kunnen uit Kwarts, Amethyst, Citrien of een combinatie van deze mineralen bestaan. Bij kwarts is dit vooral rookkwarts. De kleuren variëren van kleurloos/wit tot paars, geel, lavendel en ook dit alles bij elkaar en/of door elkaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stinkende gouwe : Chelidonium majus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

2131

 

 

Goed te herkennen aan
– de 4-tallige, helder gele bloemen met talrijke meeldraden en
– de licht blauwgroene onderkant van de tere bladeren

 

 

chistotel_bolshoi_i_ee_lechebnye_5

 

 

 

Algemeen

 

Stinkende gouwe is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant van 30 tot 90 cm hoog. De plant groeit op licht beschaduwde, voedselrijke, matig droge, omgewerkte grond, vooral in stedelijk gebied, ook in lichte loofbossen, langs heggen, onder struikgewas en op ruige plaatsen, soms op muren.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot de herfst met helder gele, lang gesteelde bloemen, die met twee tot zes in een losbloemige bloeiwijze staan. De bloemen hebben talrijke meeldraden, vier kroonbladen en twee al snel afvallende kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De tere bladeren zijn verspreid behaard (evenals de stengel) en oneven geveerd met een drie-lobbig eindblaadje. De onderkant is blauwgroen.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Alle delen van de plant, ook de wortel, bevatten een oranje-geel melksap, dat een scherpe smaak heeft en bijtend werkt. Vroeger werd dat sap gebruikt om wratten te verwijderen. In de kruidengeneeskunde en homeopathie wordt de plant gebruikt bij aandoeningen van het maag- en darmstelsel, de galwegen en de lever.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

papaverfamilie (Papaveraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 30 tot 90 cm

Bloem
– geel
– mei tot de herfst
– schermvormige tros
– 1 tot 2 cm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 2 kelkbladen, die snel afvallen
– veel meeldraden, zelden meer dan 20
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stomp
– rand gekarteld
– voet gevleugeld
– veernervig
– verspreid behaard
– onderkant licht blauwgroen

Stengel
– rechtop
– verspreid behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

stinkende-gouwe

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4