categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen
.
.
Algemene informatie
.
Zwavelkwarts is wit (kwarts) met geel (zwavel) van kleur
.

.
.

.
.
Samenstelling
.
SiO2 + S

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.0
.

.
.

.
.
.
Zwavelkwarts is wit (kwarts) met geel (zwavel) van kleur
.

.
.

.
.
.
SiO2 + S

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.0
.

.
.

Goed te herkennen aan
– de gele op gewone margriet lijkende bloemhoofdjes en
– de viltig behaarde omwindselblaadjes en
– de geveerde bladeren met gelobde tot diep gezaagde slippen
Algemeen
Gele kamille is een overblijvende, licht viltig behaarde plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze is zeldzaam in stedelijke gebieden, elders zeer zeldzaam. Ze groeit open, droge grond langs spoorwegen en op zandvlakten en oude muren. De plant is zeer decoratief en is tevens bruikbaar als zandbinder. Ze wordt daarom wel in nieuwe bermen, op taluds en zandterreinen in stedelijke gebieden ingezaaid.

Bloem
Ze bloeit vanaf juni tot en met september met grote bloemhoofdjes, die een hart van gele buisbloemen en een rand van gele drie-tandige straalbloemen hebben. De omwindselblaadjes zijn viltig behaard.

Blad
De enigzins viltig behaarde bladeren zijn geveerd met gelobde tot diep ingesneden slippen.

Toepassing
Het is van oudsher bekend dat bloemknoppen, bloemen en uitgebloeide bloemen van deze plant uitstekende gele, bruingele, olijfgroene en goudoranje kleurstoffen op kunnen leveren. Deze werden ooit gebruikt om stoffen voor kleding een kleurtje te geven.

Vergelijkbare soorten
Binnen de groep composieten met gele buis- en gele straalbloemen zijn gele kamille en gele ganzenbloem de enige twee met naar verhouding korte brede straalbloemen. Ze zijn daaraan makkelijk te herkennen. Om gele kamille en gele ganzenbloem uit elkaar te kunnen houden kijk je naar het blad. Het blad van gele ganzenbloem is kaal, iets vlezig, blauwgroen van kleur, grof getand tot veerspletig. Het blad van gele kamille is viltig behaard en geveerd met gelobde tot diep ingesneden slippen.

gele ganzenbloem
Algemeen
– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– 30 tot 60 cm
Bloem
– geel
– vanaf juni tot en met september
– bloemhoofdje
– buis- en straalbloemen
– 2 tot 5 cm
– viltig behaarde omwindselblaadjes
Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– geveerd
– top spits
– rand gelobd tot diep gezaagd
– veernervig
– viltig behaard
Stengel
– rechtop
– licht viltig behaard
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan – de gele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen en
– de stekelige, vaak gekroesde, van boven sterk glanzende bladeren met ronde platte oortjes
Algemeen
Gekroesde melkdistel is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige, stevige, iets blauwgroene plant van 30 tot 60 cm hoog. Ze groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke grond in akkers, (moes)tuinen, braakliggende terreinen, tussen straatstenen en op omgewerkte grond.

Bloem
De bloeitijd is vanaf juni tot in de herfst. De bloemhoofdjes bestaan uit uitsluitend uit gele lintbloemen en staan in losse trossen bij elkaar. De onderkant van de buitenste lintbloemen is roodachtig. De hoofdjes zijn donkerder geel dan de hoofdjes van gewone melkdistel.

Blad
De langwerpige bladeren zijn donkergroen, van boven sterk glanzend, steviger en stekeliger dan van gewone melkdistel. Ze zijn niet ingesneden of ondiep gelobd, zelden veerdelig. Zijn de bladeren wel veerdelig dan is de eindslip nauwelijks groter dan de overige slippen, in tegenstelling tot gewone melkdistel, waarbij dat wel het geval is. De rand van de bladeren is stekelig getand, vaak iets gekroesd en de bladeren hebben ronde oortjes, die plat tegen de stengel aangedrukt zijn.

Vergelijkbare soorten
| akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes. moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes. gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bovenste bladeren met spitse, afstaande oortjes. gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes. |
De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.
Algemeen
– composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 60 cm
Bloem
– geel
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdjes in losse tros
– alleen lintbloemen
– 1 tot 2,5 cm
Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– ongedeeld langwerpig of gelobd
– top spits
– rand getand of gegolfd
– voet (half) stengelomvattend
– veer- of netnervig
Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– soms bovenaan behaard
– kantig tot rolrond
zie wilde bloemen
.
.
.
Verdiet is de handelsnaam voor een onzuivere vorm van fuchsiet / serpentijn en kan in mindere mate bijvoorbeeld albiet, chloriet, korund, rutiel en kwarts bevatten. De steen is groen van kleur soms met wat rood of geel. Het mineraal serpentijn of clinochrysotiel is een magnesium-ijzer-silicaat met de chemische formule (Mg, Fe)3Si2O5(OH)4. Het behoort tot de fylosilicaten. Het amorfe mineraal kan rood, geel, wit en groen zijn.
De groene kleur is typisch voor het mineraal in het mantelgesteente serpentiniet. De hardheid is 2,5 tot 4, afhankelijk van de samenstelling en serpentijn heeft een gemiddelde dichtheid van 2,59. Één van deze soorten valt onder asbest. De inademing van deze soort is schadelijk voor de gezondheid.
.
.

ruw
.
.
.
Verdiet wordt gevonden in Zimbabwe en Zuid-Afrika.
.
.

.
.
.
Hardheid: 2 – 3
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

.
.

Goed te herkennen aan
– de helder gele voor kruiskruid kenmerkende bloemhoofdjes en
– de lange, smalle, lijnvormige bladeren tot 5 (8) mm breed
Algemeen
Bezemkruiskruid is een sterk vertakte, overblijvende plant van 0,2 tot 1,10 meter hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuid-Afrika. Met de aanvoer van wol is bezemkruiskruid in Europa terecht gekomen. Ondanks haar afkomst uit Zuid-Afrika kan ze goed tegen vorst.
Hoewel ze zich bijna een halve eeuw heeft gedragen als adventief plant, is ze nu ingeburgerd en algemeen voorkomend. Je vindt bezemkruiskruid langs spoorwegen, aan rivieroevers, in bermen (ook langs snelwegen), op omgewerkte grond en in de duinen.

Bloem
Bezemkruiskruid is rijk bloeiend vanaf juni tot en met december met helder gele bloemhoofdjes, die bestaan uit een hart van gele buisbloemen, omgeven door 10 tot 15 iets naar beneden gerichte, glanzende, gele straal- bloemen. De hoofdjes staan in een losse pluim.

Blad en stengel
De (half) stengelomvattende bladeren met geoorde voet zijn wat vlezig en smal, 2-5(-8) mm. De rand is gaaf tot getand. De stengel is sterk vertakt, aan de voet verhout en soms rood aangelopen.

Algemeen
– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– sterk toenemend
– 20 tot 110 cm
Bloem
– geel
– vanaf juni t/m december
– hoofdje
– buis- en straalbloemen
– 18 tot 25 mm
Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top spits
– rand gaaf of getand
– voet geoord
– een-nervig
– (half)stengelomvattend
Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– soms rood aangelopen
– glad en kaal
– meerkantig
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
– de helder gele stervormige bloemen met oranje helmknoppen en geel behaarde meeldraden
– na de bloei aan de mooie donker oranje doosvruchten omgeven door de resten van de bloem
Algemeen
Beenbreek is een overblijvende, in grote groepen groeiende, zeldzame plant, die groeit op natte, zure grond in heide- en veengebieden. Ze staat op de rode lijst als zeer sterk afgenomen plant.

Bloem
Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met gele bloemen, die in vrij dichte aarvormige trossen aan het einde van de tot 30 cm hoge stengels staan. De bloemen hebben zes bloemdekbladen, die aan de buitenkant een brede groene middenstreep hebben.
Na de bloei vallen de bloemdekbladen en meeldraden niet af, maar kleuren ze samen met de zaaddozen donker oranje. De helder gele bloemen met oranje helmknoppen zorgen ervoor dat beenbreek tijdens de bloeitijd makkelijk te herkennen is. En ook in het najaar blijft de plant vanwege de grote, donker oranje doosvruchten een mooie en opvallende verschijning.

Blad
Beenbreek heeft twee soorten bladeren, stengelbladeren en wortelstandige bladeren. De stengelbladeren zijn duidelijk kleiner dan de wortelstandige bladeren en staan min of meer plat tegen de stengel. De wortelstandige bladeren zijn langwerpig, zwaardvormig.

Toepassingen
Op de Shetland Eilanden werd deze plant zowel als verfstof, als in de geneeskunde gebruikt.

Algemeen
– beenbreekfamilie (Nartheciaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 10 tot 30 cm
Bloem
– geel
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– stervormig
– 2 tot 3 cm
– 6 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– verspreid of wortelstandig
– enkelvoudig
– zwaard- of lijnvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallelnervig
Stengel
– rechtop
– niet vertakt
– kaal
– rolrond
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
– de bloemhoofdjes, die lijken op paardenbloemen en
– de met gele klierharen bezette omwindselblaadjes
Algemeen
Akkermelkdistel is een zeer algemeen voorkomende plant van 80 tot 150 cm hoog met paardenbloem-achtige bloemenhoofdjes. Ze groeit op vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond in akkers en op grazige en stenige plaatsen. Ook in de zeeduinen en op aanspoelselgordels.
Bloem
De bloeitijd van akkermelkdistel is vanaf juni tot de herfst. Ze bloeit met 4 tot 5 cm brede, goud- tot oranjeachtig gele bloemenhoofdjes, die bestaan uit talrijke lintbloemen. De omwindselblaadjes hebben weinig tot veel gele klierharen.
|
Blad en stengel
De bladeren van akkermelkdistel zijn langwerpig, diep veerspletig en hebben driehoekige lobben, die iets terug wijzen. De randen zijn gestekeld. De bladvoet heeft twee min of meer ronde oortjes, die plat tegen de stengel aangedrukt zitten. De in de duinen groeiende planten hebben soms vettig aanvoelende, onregelmatig ingesneden bladeren. Ze worden wel onderscheiden als var. Maritimus (zeemelkdistel). De stengels zijn fijn geribd, soms paarsrood aangelopen, alleen bovenaan vertakt en ook bovenaan voorzien van gele klierharen.
Toepassingen
Jonge bladeren werden vroeger gegeten als sla of spinazie. Ze smaken enigszins bitter.
Vergelijkbare soorten
Van de melkdistels heeft akkermelkdistel de grootste en donkerste bloemen. Daarnaast zijn er nog wat andere verschillen.
|
akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes.

moerasmelkdistel
gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bladeren met spitse, afstaande oortjes.

gewone melkdistel
gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

| De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloemachtige bloemhoofdjes.
Algemeen
– composietenfamilie (Asteraceae) Bloem Blad Stengel zie wilde bloemen |
Goed te herkennen aan
– trosjes helder gele bloemetjes met vier kroonbladen,
– die 2 x zo lang zijn als de kelkbladen en
– het diep veervormig ingesneden blad met een smalle, tamelijk
kleine eindslip, zonder oortjes
Algemeen
Akkerkers is een overblijvende, zeer algemeen voorkomende plant van 20 tot 45 cm hoog. Ze groeit op open tot grazige, natte tot vochtige, meestal omgewerkte grond, vooral in akkers en uiterwaarden.
Van oorsprong is akkerkers een rivierbegeleider. Daarbuiten is ze voor verspreiding aangewezen op de mens (aanvoer rivierzand).

Bloem
De plant bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen vormen losse trossen. De kroonbladen zijn ongeveer 2x zo lang als de geelgroene kelkbladen.

|
Blad en stengel
De gesteelde bladeren zijn diep veervormig ingesneden in 3 tot 7 paar grof getande slippen en hebben een smalle, tamelijk kleine eindslip. De slippen van hoger aan de stengel zittende bladeren kunnen lijnvormig zijn. Onderaan vormen een aantal bladeren een rozet. De stengel is enigszins zigzagsgewijs gebogen.
Bijzonderheden
Akkerkers vermeerdert zich voornamelijk door middel van ondergrondse uitlopers. Zo kan ze hele bestanden vormen. Omdat elk klein stukje uitloper kan uitgroeien tot een plantje is akkerkers moeilijk te bestrijden.
Herkennen Rorippa soorten
|
| Valse akkerkers (Rorippa x anceps) is een kruising tussen gele waterkers en akkerkers, komt voornamelijk voor langs rivieroevers. Ze is van akkerkers te onderscheiden door de grote eindslip van het blad en van gele waterkers door de dieper ingesneden bladeren. De vruchten zijn korter dan die van akkerkers en langer dan die van gele waterkers.
Daarnaast komt er nog een kruising voor, ontstaan uit Oostenrijkse kers en akkerkers (Rorippa x armoracioides). De verspreiding van deze kruising is onvoldoende bekend en deze vorm wordt vaak verward met akkerkers. |
Algemeen
– kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 20 tot 45 cm
Bloem
– geel
– juni t/m september
– tros
– stervormig
– 4 tot 6 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen, geelgroen
– 6 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top spits
– rand getand
– veernervig
Stengel
– opstijgend
– glad en kaal, soms kort behaard
– meerkantig
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
– de grote, gele, lang gesteelde zonnebloemachtige bloemenhoofjes
– met lijnvormige omwindselblaadjes en
– de gesteelde, grote rozetbladeren met wigvormige voet

Algemeen
Weegbreezonnebloem is een overblijvende stinsenplant van 30 tot 90 cm hoog. Ze is oorspronkelijk afkomstig uit Zuidwest-Europa. Ze groeit op vochtige, zandige, voedselrijke grond op lichte plaatsen in loofbossen bij buitenplaatsen.

Bloem
Weegbreezonnebloem bloeit in mei en juni met opvallende, helder gele bloemenhoofdjes, die lijken op kleine zonnebloemen. De hoofdjes staan alleen of met 2 tot 3 op lange stelen. Ze richten zich naar het licht. De omwindselblaadjes zijn lijnvormig. De straal- en buisbloemen zijn geel, het stuifmeel en de stampers donkergeel, waardoor het hart donkerder kleurt.

Algemeen
– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– stinsenplant
– 30 tot 90 cm
Bloem
– geel
– mei en juni
– hoofdje
– straal- en buisbloemen
– 5 tot 8 cm
Blad
– enkelvoudig
– netnervig
– behaard
– rozetbladeren :
– wortelstandig
– eirond tot ellipstisch
– top stomp
– rand gaaf of ondiep getand
– voet wigvormig
– gesteeld
Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond, gegroefd
zie wilde bloemen
Petaliet of castoriet behoort tot de groep van veldspaten. Het kan kleurloos, geel, geelgrijs, roze en wit zijn. De kleurloze variant wordt vaak gebruikt als edelsteen. De steen is doorzichtig tot doorschijnend en heeft een glasachtige glans.
De naam petaliet komt van het Griekse woord petalon wat blad betekent.
Petaliet wordt o.a. gevonden in Zweden, Brazilië, VS en Namibië.

samenstelling: LiAlSi4O10,
hardheid: 6-6,5
dichtheid: 2,42

