Tagarchief: israël

Lazarus van Bethanië

Standaard

categorie : religie

 

 

Lazarus (= God heeft geholpen) van Bethanië is een man genoemd in het Nieuwe Testament, die woonde in het dorp Bethanië aan de Olijfberg bij Jeruzalem. Hij was een vriend van Jezus en een broer van Martha en Maria. Lazarus stierf door een ziekte en, nadat hij al enige dagen dood was, kwam de Heer en wekte hem uit de doden op. Deze opzienbarende gebeurtenis maakte dat velen in Jezus  geloofden. Schriftplaatsen: Joh 11:1-43; 12:1-17.

 

 

 

boven : Fresco met de opwekking van Lazarus. De fresco in een catacombe te Rome dateert van de 1e helft van de 4e eeuw na Chr.

 

 

Lazarus van Bethanië is te onderscheiden van de door de Heer Jezus verhaalde geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus (Luc. 16:19-31). In de Middeleeuwen werden de beide Lazarussen vaak verward. De naam Lazarus betekent ‘God heeft geholpen’.

Jezus hield van Martha, Maria en Lazarus (Joh. 11:5).

Joh 11:3 De zusters dan zonden tot Hem de boodschap: Heer, zie, hij die U liefhebt is ziek. Joh 11:5 Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. 

 

De Heer sprak van Lazarus als ‘onze vriend’. Er is zeer weinig opgetekend van Lazarus, behalve het opvallende feit dat hij uit de doden is opgewekt door de Heer Jezus, een gebeurtenis die de heerlijkheid van God openbaarde en de Zoon van God verheerlijkte. Toen voor Jezus, enige tijd na dat wonderwerk, een maaltijd was bereid, was Lazarus een van degenen die daar in Bethanië met Hem aanlagen (Joh. 12:2).

Hij was een levende getuige van de kracht van de Zoon van God over de dood. Als zodanig liep Lazarus evenwel gevaar gedood te worden door de Joden die Jezus afwezen.

Joh 12:9 De grote menigte van de Joden dan wist dat Hij daar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus, maar ook opdat zij Lazarus zagen die Hij uit de doden had opgewekt. Joh 12:10 De overpriesters nu beraadslaagden om ook Lazarus te doden, Joh 12:11 omdat velen van de Joden om hem heengingen en in Jezus geloofden. 

 

Het wonderwerk wordt alleen vermeld in het Johannes-evangelie, dat de Heer Jezus in het bijzonder voorstelt als de Zoon van God. Deze is machtig de doden op te wekken en eeuwig leven te schenken.

 

 

levenskracht

 

Pasteltekening van John Astria

Lazarus als een type van Israël

 

Lazarus schijnt een type van het volk Israël te zijn. Nadat de Heer Jezus op het feest van de tempelwijding te Jeruzalem was verworpen en gevaar liep gegrepen te worden, ging Hij weg, over de rivier de Jordaan, buiten Judea. Daar werd hem van de zusters bericht dat Lazarus ziek was. “Heer, zie, die U liefhebt is ziek”. Terwijl de Heer elders is, is Israël ziek, ja, in een doodsslaap.

De Heer bleef “nog twee dagen in de plaats waar Hij was” (Joh. 11:6), in Bethanïe aan de overzijde van de Jordaan. Intussen was Lazarus gestorven. Een dag is voor de Heer als duizend jaar (2 Petr. 3:8). De Heer wacht nog tweeduizend jaar voordat Hij terugkomt en Israël opwekt. Jezus zei tot zijn leerlingen: “Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap te wekken.” (Joh. 11:11).

‘Na twee dagen,’ zei de profeet Hosea, ‘zal Hij ons levend maken’.

Hos 6:2 Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.

 

Er zijn twee situaties opgetekend waarin Jezus weende.

  • Hij weende toen Hij Maria zag wenen en de Joden die met haar waren meegekomen zag wenen (Joh. 11:31). Hij wist echter dat hij Lazarus zou opwekken.
  • De tweede keer vinden wij Jezus wenen, toen hij, na de opwekking van Lazarus, de stad Jeruzalem naderde en de stad zag (Luc. 19:41). Hij weende over haar, omdat Hij wist welk onheil haar zou overkomen.

Misschien heeft de Heer al in het geval van Lazarus aan Israël gedacht. Lazarus lag vier dagen in het graf. Dit wordt in elk geval gezegd om te onderstrepen dat Lazarus echt dood was. Heeft dit aantal een symbolische betekenis? Als deze vier dagen vierduizend jaren voorstellen, denken we aan de periode van 2000 jaar vóór tot 2000 jaar ná Christus, dus van Abraham tot aan de wederopstanding van Israël.

Het getal 4 in de Bijbel verwijst naar wereldwijde bekendmaking van gebeurtenissen.

In de buurt van Bethanië aan de Olijfberg riep de Heer Jezus: “Lazarus, kom naar buiten! De gestorvene kwam naar buiten…” (Joh. 11:43). Wanneer Jezus voor Israël terugkomt en Zijn voeten op de Olijfberg zullen staan, zullen zij zien “Hem die zij doorstoken hebben” (Opb. 1:7; Zach. 12:10). En het volk zal een geestelijke opwekking meemaken.

Ro 11:15 … wat zal hun aanneming anders zijn dan leven uit de doden?

 

Nadat Lazarus met de windsels uit de grafspelonk was gekomen, beval Jezus: “Maakt hem los en laat hem gaan.” (Luc. 11:44). De Heiland van Israël zal de banden van het volk, dat thans nog in benarde verhoudingen met de naburige volken is en zich afschermt (tegen aanslagen), doen losmaken en in vrijheid doen gaan.Velen geloofden in de Heer Jezus om het teken aan Lazarus gedaan. Ze kwamen om Jezus en Lazarus, de gestorvene en weer opgewekte, te zien. Kort daarna, bij de intocht van Jezus in Jeruzalem, wanneer het teken aan Lazarus nog een onderwerp van gesprek is (Joh. 12:17-18), zien we Grieken, die Jezus wensen te zien.

Om het toekomstige wonderwerk aan Isräel zullen velen, van heinde en ver, naar Israël komen. En van jaar tot jaar zullen de volken zich in Israël presenteren om de Heer te aanbidden en om het loofhuttenfeest te vieren.

Zac 14:16 En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den Here der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten. 

 

 

 

 

 

 

 

Ezechiël: 25-48 / met video

Standaard

Categorie: religie

Ezechiël 25–48

 

In de komende hoofdstukken krijgen we een diepe inkijk in de wereld van de geestelijke machten. In het boek Ezechiël wordt een grote tip van de sluier opgetild, waardoor wij een heldere glimp van de metahistorische werkelijkheid achter de geschiedenis te zien krijgen. Willen we iets meer gaan begrijpen van de majestueuze verschijning van de heerlijkheid des Heren aan het begin van het boek van Ezechiël dan moeten we goed luisteren naar de rest van de boodschap van Ezechiël.
In de hoofdstukken uit Ezechiël (25-32) die in deze les worden behandeld, richt de Heer God zich ten eerste tot de volken rondom Israël. Wegens de houding die zij hebben gehad ten opzichte van het volk Israël zegt de Heer God al deze volken het oordeel aan. Eerst komen kort de ‘kleine’ volken rond Israël aan bod: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen. Daarna worden er meerdere hoofdstukken gewijd aan zowel Tyrus (en Sidon) als aan Egypte.
Laten we om te beginnen ons richten op de hoofdstukken die de profetieën tegen Tyrus (en een kort stukje Sidon) behandelen. Dit begint in hoofdstuk 26, waar wordt voorzegd dat Tyrus zal vergaan. In hoofdstuk 27 is in de vorm van een klaaglied te lezen hoe groot en belangrijk Tyrus was. Tot slot treffen wij in hoofdstuk 28 een opmerkelijke dubbele laag aan die ons een bijzonder inzicht biedt over de werkelijke macht achter Tyrus.

 

 

 

 

Wie is de vorst van Tyrus en wat was zijn rol?

Samen met steden als Sidon en Biblos vormden Tyrus het gebied van de Phoeniciërs. Tussen deze steden bestond geen politieke eenheid, eigenlijk waren het verschillende afzonderlijke stadstaten die ieder hun eigen gang gingen. Tot aan 1000 vC was Sidon de belangrijkste stad, maar daarna nam Tyrus deze positie over. Koning David en met name koning Salomo hadden in die periode belangrijke betrekkingen met Hiram, de koning van Tyrus (1Sm 5:11, 1 Kn 5, 7, 9, 10).
Het gebied van de Phoenicische steden als Tyrus en Sidon is tegenwoordig bekend als het land Libanon. Een land dat tot voor kort verscheurd werd door een dramatische burgeroorlog tussen christenen en moslims. Tyrus was een economisch en politiek sterke handelsmacht die op een treurige wijze aan haar einde gekomen is. In de Bijbel vinden we echter een enkele aanwijzing dat Tyrus een slecht buurvolk was voor het volk Israël en dat zij uit was op haar ondergang (Ps 83:8, Jl 3:4-8). Naast deze fysieke dreiging ging er ook een sterke geestelijke dreiging van de Phoeniciërs uit.
Het grondgebied van de steden als Tyrus en Sidon was de bakermat voor de heidense vruchtbaarheidsgodsdienst met gruwelen als sacrale prostitutie en kinderoffers voor afgoden als Baäl en Asjera (of Astharte). Hoe groot en verderfelijk de invloed van de Phoenicische godsdienst was in het land Israël kunnen we zien aan het optreden van de beruchte koning Izebel, die een dochter was van de Phoenicische koning Etbaäl.
Als we deze aspecten van de steden Tyrus en Sidon bezien dan begrijpen wij meer van het oordeel dat de Heer God uitspreekt tegen dit volk. Maar als hoofdstuk 28 goed lezen, dan zien we dat er een dubbele laag zit in het oordeel dat de Heer God uitspreekt tegen Tyrus. In de verzen 2-10 spreekt de Heer tegen de ‘vorst van Tyrus’ en in de verzen 11-19 tegen de‘koning van Tyrus’. Op grond van de tekst zien we heel duidelijk het onderscheid dat in het eerste gedeelte een menselijke vorst aangesproken wordt, maar in het tweede gedeelte een hemelse/goddelijke vorst.
Ik heb niet kunnen achterhalen welke menselijke vorst bij name bedoeld wordt in het eerste gedeelte. Maar dat het om een menselijke vorst gaat, kunnen we concluderen uit de zinsnede ‘je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens bent en geen god’ (vs 2). Juist deze hoogmoed zal deze vorst duur komen te staan, want hierom zal hij overvallen en gedood worden door vreemdelingen en sterven als een heiden (‘een onbesnedene’, vs 10).
In het tweede gedeelte wordt echter een wezen van een totaal andere orde aangesproken. Er is duidelijk sprake van een wezen dat niet tot de mensen gerekend kan worden. Een korte opsomming: ‘je leefde in Eden’ (vs 13), ‘je was een cherub’ (vs 14, 16), ‘je was neergezet op de heilige berg van God’ of ‘heilige berg der goden’ (vs 14, 16), ‘neergeworpen op aarde’ (vs 17). Als we de tekst van Ezechiël lezen, dan wordt er duidelijk gesproken over een cherub, een engel die al leefde in de hof van Eden en die heeft vertoeft op de berg der goden, oftewel de berg waar de hemelwezens wonen. Hier wordt ons dus getoond dat achter de aardse vorst van Tyrus een geestelijke vorst schuilgaat.
Wie is deze vorst? In Lukas 10:18 zegt de Heer Jezus wanneer de tweeënzeventig enthousiast terugkeren van hun rondgang in het land en Hem vertellen over de macht die zij hadden over demonen, dat Hij ‘de satan als een bliksem uit de hemel zag vallen’. Ook in de Apocalyps die Johannes heeft gezien, wordt verhaald hoe een ster uit de hemel op de aarde valt (Op 9:1). Deze beschrijvingen komen overeen met de morgenster die uit de hemel valt (Js 14:12) en de cherub die van tussen de vlammende stenen van de berg der goden (een mogelijke metafoor
voor de hemel) wordt verbannen (Ez 28:16).
De vorst achter Tyrus, dat zoals we zagen Israël overspoelde met afgodische onreinheid en ook het bestaan van het volk bedreigde, is dus satan. Hiermee hebben we een belangrijk bewijs voor de metahistorisch werkelijkheid waarin de strijd tussen de Heer God en de satan duidelijk naar voren komt.
Nu we dat weten is het goed om de associatie tussen de vorst uit de verzen 2-10 en de koning uit de verzen 11-19 te bekijken. We weten dat de aardse vorst zich identificeerde met ‘zijn’god. Hij ziet zichzelf als mens dus in strijd met de goden en zelfs met de God van Israël, de Heer God. Dat de koning geassocieerd werd met de godheid van zijn land, is in de antieke oudheid een gebruikelijk verschijnsel en het juist dit waarover de Heer God zich uitspreekt in Ezechiël 28:2-10 tegen de koning van Tyrus, die zichzelf ook associeerde met een god.
De Heer God verbood Israël uitdrukkelijk om zich neer te buigen voor de hemellichamen. Wij kunnen daaruit concluderen dat heidense volken hemellichamen vereren als goden en dat deze hemellichamen meer zijn dan menselijke afgodische ideeën, maar werkelijke wezens. Ook uit een vergelijking tussen de twee teksten 2 Kn 17:16 en 1 Kn 22:19 kunnen we concluderen dat het ‘heer des hemels’, engelen zijn die geassocieerd worden met de hemellichamen.
Het boek Openbaring is een boek waarin de Bijbel ons een heel duidelijk beeld geeft van de geestelijke strijd die speelt achter de zichtbare historische gebeurtenissen. In Openbaring 12 zien we hoe de engel Michaël strijd voert tegen de satan en zijn engelen. Hier uit kunnen we concluderen dat satan ook beschikt over engelen.
conclusies:
1.Heidense volken vereren afgoden die geassocieerd worden met hemellichamen.
2.Engelen worden geassocieerd met hemellichamen.
3.Er zijn gevallen engelen van satan en er zijn engelen van de Heer God tussen deze twee groepen is er strijd.
4.Afgoden zijn gevallen engelen.
Als we met deze kennis opnieuw naar de verschijning van de heerlijkheid des Heren kijken dan springt direct de heerschappij van de Heer God over de hemelwezens in het oog. Hij troont op een troonwagen die is samengesteld uit hemelse wezen. Hij is niet gelijk aan deze hemelwezens, maar deze wezens dienen Hem.
Het is alsof de Heer God de gevallen hemelwezens die in het boek Ezechiël aangesproken worden als vorsten achter de aardse machten die Israël bedreigen, herinnert aan Zijn Majesteit. Al proberen zij zich steeds weer te verheffen tegen de Almachtige ze zullen falen. Zij zijn slecht schepselen en Hij is de Machtige Schepper. Zo wordt ook het volk Israël door de indrukwekkende verschijning van de heerlijkheid des Heren met hun neus op de feiten gedrukt. Zij vereren geschapen en gevallen engelen, terwijl zij de Schepper als Zijn eigen volk toebehoren, zoals de Heer God in Deuteronomium 4:20 stelt in contrast tot de andere volken.

 

 

 

 

 

Heilshistorie in Ezechiël

In hoofdstuk 33 wordt de opdracht van Ezechiël hernieuwd. Opnieuw wordt hij gewezen op de belangrijke taak die hij heeft als wachter. Ezechiël was verantwoordelijk als wachter over Israël om te waarschuwen voor het oordeel. Deed hij dat niet dan werd hij verantwoordelijk gehouden voor de dood van de mens die hij niet had gewaarschuwd. De ernst van deze boodschap mogen wij niet aan ons voorbij laten gaan. We hebben een geweldige boodschap niet alleen van oordeel, maar juist van verlossing. Deze boodschap klinkt ook heel duidelijk in het boek Ezechiël. De Heer God zegt dat Hij geen vreugde heeft aan de dood van een slecht mens, maar dat Hij wil dat de mensen zich bekeren en leven (33:11).
Als contrast tegenover de wachter worden in hoofdstuk 34 de slechte herders van Israël geplaatst. Wat heel belangrijk is in dit hoofdstuk is de belofte van de Goede Herder. Vanaf vers 7 volgt er een indrukwekkende opsomming van de dingen die de Heer God zelf gaat doen en in vers 23 zien we hoe Hij dat gaat doen. Hij zal ‘Zijn knecht David’ aanstellen als Herder. Uit Johannes 10:11 kunnen wij concluderen dat de Heer Jezus, dé Zoon van David, deze Goede Herder is.
In Ezechiël 36 zien we een tragische schildering van de verstrooiing van de joden onder de volken (16-21). Het is opmerkelijk hoe deze teksten in de verleden tijd staan geschreven en de rest van het hoofdstuk voornamelijk in de toekomende tijd. Het is dus alsof de Heer God terug kijkt, wanneer Israël hersteld is, op de periode dat ze verstrooid waren. Als wij denken aan de diaspora (de verstrooiing) dan denken wij niet aan de periode vanaf 70 (vernietiging Jeruzalem door de Romeinen) tot 1948 (heroprichting staat Israël). Dit is een lange periode waarin de donkere middeleeuwen hevige pogroms op de joden hebben voorgebracht en waarin de fel antisemitische negentiende eeuw is uitgelopen op de verschrikkelijke holocaust onder nazi-Duitsland. Met de kennis die wij nu hebben, zien wij heel duidelijk de dubbele laag in de profetie van Ezechiël.
De profetie heeft niet alleen betrekking op de situatie van de joden toen, maar ziet vooruit op de komende eeuwen tot de tijd dat Israël weer volledig hersteld zal worden. Dit wordt in Ezechiël 37 indrukwekkend uitgebeeld in het visioen van de dorre doodsbeenderen. Ik denk dat wij met het nationale herstel van Israël in 1948 al een begin van de vervulling van deze profetie hebben gezien. Bij al deze ontwikkelingen moeten wij echter goed in de gaten waar het echt om draait. Op drie plaatsen in Ezechiël 36 spreekt de Heer God uit dat het gaat om Zijn naam (vers 21, 22, 23). De Heer God zegt letterlijk dat Hij het niet doet om Israël, maar om Zijn heilige naam.
In Ezechiël 38 en 39 zien we vervolgens een loodzware strijd tegen Gog. Deze strijd wordt ook aangehaald in de Openbaring 20:8, waarin de satan ná het duizend jarige rijk zal uittrekken met o.a. Gog en Magog tegen de heiligen en de geliefde stad. Er zijn allerlei theorieën over wie Gog is. Met name Rusland is hiervoor in de laatste decennia vaak genoemd. De Bijbel zelf zegt hier natuurlijk niets over.  Vooralsnog is er geen aanleiding om bepaalde landen aan te wijzen als mogelijkheden voor Gog. Het enige waar de Bijbel met betrekking tot deze vorst iets over zegt is de afkomst. In Ezechiël 38:2 wordt gezegd: ‘Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesek en Tubal’. Het opvallende is dat Magog, Mesek en Tubal alledrie kinderen waren van Jafeth (Gn 10:2). Hij is één van de drie stamvaders van de hedendaagse mensheid, die overigens door veel uitleggers als de stamvader van de Indo-Europese volkeren wordt beschouwd.
De laatste acht hoofdstukken van het boek Ezechiël zijn gewijd aan de nieuwe tempel. Gezien de gedetailleerde bouwkundige beschrijvingen denkt men dat de tempel van Ezechiël daadwerkelijk gebouwd gaat worden. Er zijn ook meerdere Bijbelteksten waaruit we kunnen concluderen dat er in de eindtijd weer een tempel zal zijn. Het belangrijkste is dat het een tempel zal zijn waar de heerlijkheid des Heren weer in zal kunnen wonen (Ezechiël 43).
Daarbij moeten we echter de geestelijke vervulling van de nieuwe tempel in de Heer Jezus niet voorbij gaan. Hijzelf sprak namelijk over Zijn lichaam als de tempel (Jh 2:21).Ook de beschrijving van het levende water in Ezechiël 47 zien we verklaard in de persoon van de Heer Jezus (Jh 4; 7:38).
Zo zien we dat de profetie van Ezechiël op meerdere plaatsen heen wijst naar de Heer Jezus. Dat Hij de vervulling is van Gods heilsplan is de geweldige boodschap die wij bij Ezechiël horen. In dat verband is het ook indrukwekkend om te horen hoe de Heer Jezus de plaatsen Tyrus en Sidon bezoekt en daar zijn volgelingen van Hem (Mk 3:8, 6:17) en ook Paulus treft later discipelen aan te Tyrus (Hd 21:3, 4). Het werk van de Heer Jezus beperkt zich niet tot het volk Israël. Het gaat dus niet meer om het volk waartoe mensen behoren, maar het gaat erom wat iedereen persoonlijk met de boodschap van de Heer Jezus doet.

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

Dommer dan de dieren

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

In het eerste hoofdstuk van het boek Jesaja staat in vers 2 en 3 het volgende:

 

 

‘Hoort, hemelen en aarde, neigt uw oor, want de Here spreekt: Ik heb kinderen groot gebracht en opgevoed, maar zij zijn van Mij afvallig geworden. Een rund kent zijn eigenaar, en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, Mijn volk geen inzicht’.

 

Als u het begin van de Bijbel de beide boeken van Genesis en Exodus leest, ziet u hoe God alles geschapen heeft. Hoe God de mens een pracht plekje op aarde gaf, waar geen voedsel of ruimteprobleem heerste. U leest daar ook hoe de mens ontrouw is geworden en hoe het kwaad in deze schepping is binnengedrongen. In Exodus kunt u lezen hoe God Z’n volk verlost uit de slavernij in Egypte en het brengt naar het land Kanaän of Palestina. God had grote plannen met dat volk. Uit Israël zou namelijk de Verlosser geboren worden. Het moest laten zien wat het betekent een volk van God te zijn. Maar het volk faalde hopeloos.

Hier in Jesaja trekt God een vergelijking tussen hen en het vee, en dan blijkt het vee verstandiger te zijn dan de mensen. Een rund kent immers zijn eigenaar, het loopt in de wei al naar de boer toe als hij er aan komt. Een ezel weet tenminste waar en van wie hij zijn voedsel krijgt. Israël dacht echter niet aan de zorgen die God aan hen besteed had. Wij mensen doen alsof er geen God in de hemel is. We doen alsof we eigen baas zijn hier op aarde. We hebben de evolutietheorie uitgevonden, we zijn uit de dieren geëvolueerd en zijn zogezegd ontwikkeld. Dat moet echter wel een neerwaarts gerichte evolutie zijn geweest.

Diep in ons hart weten we natuurlijk wel dat er een God is, maar we willen aan Hem liever niet denken. Want als er een God is, dan zullen we eenmaal voor Hem rekenschap hebben af te leggen. De stem van ons geweten leggen we daarom het zwijgen op. En hoe beroerd ’t in de wereld ook toegaat – en het gaat steeds beroerder – we kloppen onszelf trots op de schouder, want we kunnen toch heel wat. Onderwijl echter is iedere koe in de wei een aanklacht. Zo’n beest is verstandiger dan de mens, die God de rug heeft toegekeerd.

Heeft u God gedankt voor uw gezondheid? ‘Daar zorgt de dokter toch voor!’ zegt u misschien. Heeft u God gedankt voor uw eten? ‘Daar werk ik toch voor!’ Zo kunnen we doorgaan. En toch houdt diezelfde God, waar u geen gedachte aan wilt wijden, die Schepper, die u niet wenst te erkennen, deze schepping nog in stand en zorgt nog dat uw voedsel groeit. Bovenal zond diezelfde God Zijn Zoon, Jezus Christus, om voor uw zonde te sterven, opdat wanneer wij ons niet meer dommer dan de dieren zouden willen gedragen, u met Hem weer in contact zou kunnen komen.

Diezelfde God roept u op om u tot Hem te bekeren vóór het te laat is en Hij de afrekening aan deze wereld gaat presenteren. Dit is geen dreigement, maar realiteit. In het verleden heeft de wereld ook de rekening van haar ontrouw en zonde gepresenteerd gekregen in de zondvloed. In de toekomst zal het weer gebeuren in het eindoordeel, dat deze wereld zal treffen.

 

 

Daarom roepen we u op uw schuld voor God te belijden en Jezus Christus als uw Heiland te aanvaarden.

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

Exodus 17-18 / Water uit rots, Jethro bij Mozes

Standaard

Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video

 

Exodus 17: 1-7 > water uit rots

                  8-16 > Israël verslaat de Amalekieten

Exodus 18: 1-12 > Jethro bij Mozes

                  13-27 > oversten over het volk

Exodus 17-18  > Skip Heitzig

 

 

 

 

 

 

 

 

 

7 Bijbelfiguren, een symbool van Jezus

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Met kerst vieren we weer dat de Heere Jezus naar de aarde is gekomen om ons te verlossen. Maar in het Oude Testament komen al meerdere figuren voor die vooruitwijzen naar Jezus.

 

 

Jezus in en uit Maria

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

1. Simson

 

In Richteren : 13 lezen we over de geboorteaankondiging van Simson. De moeder van Simson was altijd onvruchtbaar geweest en had dan ook geen kinderen. Maar dan spreekt God: Want zie, u zult zwanger worden en een zoon baren. En waar kennen we die zin ook alweer van? God belooft bij de geboorteaankondiging van Simson verder dat hij een begin zal maken om Israël te verlossen, het werk dat de Heere Jezus uiteindelijk zal voltooien.

 

 

2. Jozef

 

Het bekendste symbool van Jezus in het Oude Testament is misschien wel Jozef. Veel Bijbel uitleggers zien in het leven van Jozef veel terug van de Heere Jezus: hij wordt door zijn broers afgewezen, door een ander volk als verlosser binnengehaald en later alsnog door zijn broers erkend. Dat wijst vooruit naar het leven van Jezus. Hij wordt door Zijn eigen volk uitgeleverd in dienst van de andere volken, die Hem daarna als Verlosser erkennen. Uiteindelijk zal Hij ook door Zijn eigen volk worden erkend als Messias.

 

 

3. Adam

 

Zelfs de eerste mens wees al op de komst van de Messias. In Romeinen 5:14 staat: Toch heeft de dood geregeerd van Adam tot Mozes toe, ook over hen die niet gezondigd hadden met eenzelfde overtreding als Adam, die een voorbeeld is van Hem Die komen zou.

Adam is de enige Bijbelse figuur waarover in de Bijbel zelf wordt geschreven dat hij een symbool is van Jezus. Opmerkelijk, want je zou zeggen dat de eerste zondaar nou niet direct een voorbeeld is van de Messias. Toch wordt Adam door Paulus zo genoemd. Een uitleg hiervan is dat Adam zichzelf vernederde voor zijn vrouw Eva, zoals Christus Zich vernederde voor de mens. (lees in dat verband ook Efeze : 5)

 

 

4. Melchizedek

 

In Genesis 14:18 wordt voor het eerst melding gemaakt van een zekere Melchizedek. Zijn naam betekent Koning van de Gerechtigheid. Hij was de koning van Salem (= vrede), dus was hij ook de Koning van de Vrede. Dat is een wel heel duidelijke vooruitwijzing naar Jezus. In Hebreeën : 7 wordt verder van Melchizedek gezegd dat hij, net als Jezus, geen oorsprong en einde kent.

 

 

5. Izaak

 

In Genesis lezen we dat Abraham een merkwaardige opdracht krijgt van God: hij moet zijn zoon Izaäk offeren. Dat moest gebeuren op de berg Moria (Genesis 22:2). De opdracht blijkt gelukkig alleen maar een test te zijn van Abrahams geloof, maar de offerlocatie blijft opvallend. Op de uitlopers van de berg Moria vinden we namelijk Golgotha: de plek waar God Zijn eigen Zoon heeft geofferd.

 

 

6. Het Pesachlam

 

In het Paasevangelie zijn er een aantal opmerkelijke verbanden te zien tussen het lijden van de Heere Jezus en de manier waarop Israël het Pesachfeest viert:

  • tijdens Pesach werd in Jeruzalem altijd een Paaslam geslacht om de zonden van het volk Israël weg te nemen
  • Jezus stierf op hetzelfde moment als dat het Pesachlam altijd werd geslacht: om drie uur ’s middags op de 14e dag van de maand Niesan
  • de benen van het Pesachlam mochten niet worden gebroken worden, net als bij Jezus (Johannes 19:33)
  • men stak na het slachten een spies door het Pesachlam heen, via de bek dwars naar de achterkant. Daarna brachten ze een dwarsspies aan, van de ene naar de andere voorpoot: een gekruisigd lam dus, net als Jezus.

 

 

7. Israël

 

Ook de geschiedenis van het volk Israël is een vooruitwijzing naar het leven van Jezus:

  • beiden kennen een wonderlijke geboorte. Israël komt voort uit Abraham en Sara, die lange tijd onvruchtbaar waren. Jezus komt voort uit Maria, die als maagd zwanger werd.
  • beiden zijn geroepen uit Egypte (Hosea 11:1 en Mattheüs 2:19,20)
  • beiden worden de Knecht des Heeren genoemd in Jesaja 41 t/m 53
  • beiden worden het Licht voor de wereld genoemd (Jesaja 42:6 en Johannes 8:12)

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget