Tagarchief: majesteit

Ezechiël: 25-48 / met video

Standaard

Categorie: religie

Ezechiël 25–48

 

In de komende hoofdstukken krijgen we een diepe inkijk in de wereld van de geestelijke machten. In het boek Ezechiël wordt een grote tip van de sluier opgetild, waardoor wij een heldere glimp van de metahistorische werkelijkheid achter de geschiedenis te zien krijgen. Willen we iets meer gaan begrijpen van de majestueuze verschijning van de heerlijkheid des Heren aan het begin van het boek van Ezechiël dan moeten we goed luisteren naar de rest van de boodschap van Ezechiël.
In de hoofdstukken uit Ezechiël (25-32) die in deze les worden behandeld, richt de Heer God zich ten eerste tot de volken rondom Israël. Wegens de houding die zij hebben gehad ten opzichte van het volk Israël zegt de Heer God al deze volken het oordeel aan. Eerst komen kort de ‘kleine’ volken rond Israël aan bod: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen. Daarna worden er meerdere hoofdstukken gewijd aan zowel Tyrus (en Sidon) als aan Egypte.
Laten we om te beginnen ons richten op de hoofdstukken die de profetieën tegen Tyrus (en een kort stukje Sidon) behandelen. Dit begint in hoofdstuk 26, waar wordt voorzegd dat Tyrus zal vergaan. In hoofdstuk 27 is in de vorm van een klaaglied te lezen hoe groot en belangrijk Tyrus was. Tot slot treffen wij in hoofdstuk 28 een opmerkelijke dubbele laag aan die ons een bijzonder inzicht biedt over de werkelijke macht achter Tyrus.

 

 

 

 

Wie is de vorst van Tyrus en wat was zijn rol?

Samen met steden als Sidon en Biblos vormden Tyrus het gebied van de Phoeniciërs. Tussen deze steden bestond geen politieke eenheid, eigenlijk waren het verschillende afzonderlijke stadstaten die ieder hun eigen gang gingen. Tot aan 1000 vC was Sidon de belangrijkste stad, maar daarna nam Tyrus deze positie over. Koning David en met name koning Salomo hadden in die periode belangrijke betrekkingen met Hiram, de koning van Tyrus (1Sm 5:11, 1 Kn 5, 7, 9, 10).
Het gebied van de Phoenicische steden als Tyrus en Sidon is tegenwoordig bekend als het land Libanon. Een land dat tot voor kort verscheurd werd door een dramatische burgeroorlog tussen christenen en moslims. Tyrus was een economisch en politiek sterke handelsmacht die op een treurige wijze aan haar einde gekomen is. In de Bijbel vinden we echter een enkele aanwijzing dat Tyrus een slecht buurvolk was voor het volk Israël en dat zij uit was op haar ondergang (Ps 83:8, Jl 3:4-8). Naast deze fysieke dreiging ging er ook een sterke geestelijke dreiging van de Phoeniciërs uit.
Het grondgebied van de steden als Tyrus en Sidon was de bakermat voor de heidense vruchtbaarheidsgodsdienst met gruwelen als sacrale prostitutie en kinderoffers voor afgoden als Baäl en Asjera (of Astharte). Hoe groot en verderfelijk de invloed van de Phoenicische godsdienst was in het land Israël kunnen we zien aan het optreden van de beruchte koning Izebel, die een dochter was van de Phoenicische koning Etbaäl.
Als we deze aspecten van de steden Tyrus en Sidon bezien dan begrijpen wij meer van het oordeel dat de Heer God uitspreekt tegen dit volk. Maar als hoofdstuk 28 goed lezen, dan zien we dat er een dubbele laag zit in het oordeel dat de Heer God uitspreekt tegen Tyrus. In de verzen 2-10 spreekt de Heer tegen de ‘vorst van Tyrus’ en in de verzen 11-19 tegen de‘koning van Tyrus’. Op grond van de tekst zien we heel duidelijk het onderscheid dat in het eerste gedeelte een menselijke vorst aangesproken wordt, maar in het tweede gedeelte een hemelse/goddelijke vorst.
Ik heb niet kunnen achterhalen welke menselijke vorst bij name bedoeld wordt in het eerste gedeelte. Maar dat het om een menselijke vorst gaat, kunnen we concluderen uit de zinsnede ‘je achtte jezelf een god gelijk, terwijl je een mens bent en geen god’ (vs 2). Juist deze hoogmoed zal deze vorst duur komen te staan, want hierom zal hij overvallen en gedood worden door vreemdelingen en sterven als een heiden (‘een onbesnedene’, vs 10).
In het tweede gedeelte wordt echter een wezen van een totaal andere orde aangesproken. Er is duidelijk sprake van een wezen dat niet tot de mensen gerekend kan worden. Een korte opsomming: ‘je leefde in Eden’ (vs 13), ‘je was een cherub’ (vs 14, 16), ‘je was neergezet op de heilige berg van God’ of ‘heilige berg der goden’ (vs 14, 16), ‘neergeworpen op aarde’ (vs 17). Als we de tekst van Ezechiël lezen, dan wordt er duidelijk gesproken over een cherub, een engel die al leefde in de hof van Eden en die heeft vertoeft op de berg der goden, oftewel de berg waar de hemelwezens wonen. Hier wordt ons dus getoond dat achter de aardse vorst van Tyrus een geestelijke vorst schuilgaat.
Wie is deze vorst? In Lukas 10:18 zegt de Heer Jezus wanneer de tweeënzeventig enthousiast terugkeren van hun rondgang in het land en Hem vertellen over de macht die zij hadden over demonen, dat Hij ‘de satan als een bliksem uit de hemel zag vallen’. Ook in de Apocalyps die Johannes heeft gezien, wordt verhaald hoe een ster uit de hemel op de aarde valt (Op 9:1). Deze beschrijvingen komen overeen met de morgenster die uit de hemel valt (Js 14:12) en de cherub die van tussen de vlammende stenen van de berg der goden (een mogelijke metafoor
voor de hemel) wordt verbannen (Ez 28:16).
De vorst achter Tyrus, dat zoals we zagen Israël overspoelde met afgodische onreinheid en ook het bestaan van het volk bedreigde, is dus satan. Hiermee hebben we een belangrijk bewijs voor de metahistorisch werkelijkheid waarin de strijd tussen de Heer God en de satan duidelijk naar voren komt.
Nu we dat weten is het goed om de associatie tussen de vorst uit de verzen 2-10 en de koning uit de verzen 11-19 te bekijken. We weten dat de aardse vorst zich identificeerde met ‘zijn’god. Hij ziet zichzelf als mens dus in strijd met de goden en zelfs met de God van Israël, de Heer God. Dat de koning geassocieerd werd met de godheid van zijn land, is in de antieke oudheid een gebruikelijk verschijnsel en het juist dit waarover de Heer God zich uitspreekt in Ezechiël 28:2-10 tegen de koning van Tyrus, die zichzelf ook associeerde met een god.
De Heer God verbood Israël uitdrukkelijk om zich neer te buigen voor de hemellichamen. Wij kunnen daaruit concluderen dat heidense volken hemellichamen vereren als goden en dat deze hemellichamen meer zijn dan menselijke afgodische ideeën, maar werkelijke wezens. Ook uit een vergelijking tussen de twee teksten 2 Kn 17:16 en 1 Kn 22:19 kunnen we concluderen dat het ‘heer des hemels’, engelen zijn die geassocieerd worden met de hemellichamen.
Het boek Openbaring is een boek waarin de Bijbel ons een heel duidelijk beeld geeft van de geestelijke strijd die speelt achter de zichtbare historische gebeurtenissen. In Openbaring 12 zien we hoe de engel Michaël strijd voert tegen de satan en zijn engelen. Hier uit kunnen we concluderen dat satan ook beschikt over engelen.
conclusies:
1.Heidense volken vereren afgoden die geassocieerd worden met hemellichamen.
2.Engelen worden geassocieerd met hemellichamen.
3.Er zijn gevallen engelen van satan en er zijn engelen van de Heer God tussen deze twee groepen is er strijd.
4.Afgoden zijn gevallen engelen.
Als we met deze kennis opnieuw naar de verschijning van de heerlijkheid des Heren kijken dan springt direct de heerschappij van de Heer God over de hemelwezens in het oog. Hij troont op een troonwagen die is samengesteld uit hemelse wezen. Hij is niet gelijk aan deze hemelwezens, maar deze wezens dienen Hem.
Het is alsof de Heer God de gevallen hemelwezens die in het boek Ezechiël aangesproken worden als vorsten achter de aardse machten die Israël bedreigen, herinnert aan Zijn Majesteit. Al proberen zij zich steeds weer te verheffen tegen de Almachtige ze zullen falen. Zij zijn slecht schepselen en Hij is de Machtige Schepper. Zo wordt ook het volk Israël door de indrukwekkende verschijning van de heerlijkheid des Heren met hun neus op de feiten gedrukt. Zij vereren geschapen en gevallen engelen, terwijl zij de Schepper als Zijn eigen volk toebehoren, zoals de Heer God in Deuteronomium 4:20 stelt in contrast tot de andere volken.

 

 

 

 

 

Heilshistorie in Ezechiël

In hoofdstuk 33 wordt de opdracht van Ezechiël hernieuwd. Opnieuw wordt hij gewezen op de belangrijke taak die hij heeft als wachter. Ezechiël was verantwoordelijk als wachter over Israël om te waarschuwen voor het oordeel. Deed hij dat niet dan werd hij verantwoordelijk gehouden voor de dood van de mens die hij niet had gewaarschuwd. De ernst van deze boodschap mogen wij niet aan ons voorbij laten gaan. We hebben een geweldige boodschap niet alleen van oordeel, maar juist van verlossing. Deze boodschap klinkt ook heel duidelijk in het boek Ezechiël. De Heer God zegt dat Hij geen vreugde heeft aan de dood van een slecht mens, maar dat Hij wil dat de mensen zich bekeren en leven (33:11).
Als contrast tegenover de wachter worden in hoofdstuk 34 de slechte herders van Israël geplaatst. Wat heel belangrijk is in dit hoofdstuk is de belofte van de Goede Herder. Vanaf vers 7 volgt er een indrukwekkende opsomming van de dingen die de Heer God zelf gaat doen en in vers 23 zien we hoe Hij dat gaat doen. Hij zal ‘Zijn knecht David’ aanstellen als Herder. Uit Johannes 10:11 kunnen wij concluderen dat de Heer Jezus, dé Zoon van David, deze Goede Herder is.
In Ezechiël 36 zien we een tragische schildering van de verstrooiing van de joden onder de volken (16-21). Het is opmerkelijk hoe deze teksten in de verleden tijd staan geschreven en de rest van het hoofdstuk voornamelijk in de toekomende tijd. Het is dus alsof de Heer God terug kijkt, wanneer Israël hersteld is, op de periode dat ze verstrooid waren. Als wij denken aan de diaspora (de verstrooiing) dan denken wij niet aan de periode vanaf 70 (vernietiging Jeruzalem door de Romeinen) tot 1948 (heroprichting staat Israël). Dit is een lange periode waarin de donkere middeleeuwen hevige pogroms op de joden hebben voorgebracht en waarin de fel antisemitische negentiende eeuw is uitgelopen op de verschrikkelijke holocaust onder nazi-Duitsland. Met de kennis die wij nu hebben, zien wij heel duidelijk de dubbele laag in de profetie van Ezechiël.
De profetie heeft niet alleen betrekking op de situatie van de joden toen, maar ziet vooruit op de komende eeuwen tot de tijd dat Israël weer volledig hersteld zal worden. Dit wordt in Ezechiël 37 indrukwekkend uitgebeeld in het visioen van de dorre doodsbeenderen. Ik denk dat wij met het nationale herstel van Israël in 1948 al een begin van de vervulling van deze profetie hebben gezien. Bij al deze ontwikkelingen moeten wij echter goed in de gaten waar het echt om draait. Op drie plaatsen in Ezechiël 36 spreekt de Heer God uit dat het gaat om Zijn naam (vers 21, 22, 23). De Heer God zegt letterlijk dat Hij het niet doet om Israël, maar om Zijn heilige naam.
In Ezechiël 38 en 39 zien we vervolgens een loodzware strijd tegen Gog. Deze strijd wordt ook aangehaald in de Openbaring 20:8, waarin de satan ná het duizend jarige rijk zal uittrekken met o.a. Gog en Magog tegen de heiligen en de geliefde stad. Er zijn allerlei theorieën over wie Gog is. Met name Rusland is hiervoor in de laatste decennia vaak genoemd. De Bijbel zelf zegt hier natuurlijk niets over.  Vooralsnog is er geen aanleiding om bepaalde landen aan te wijzen als mogelijkheden voor Gog. Het enige waar de Bijbel met betrekking tot deze vorst iets over zegt is de afkomst. In Ezechiël 38:2 wordt gezegd: ‘Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesek en Tubal’. Het opvallende is dat Magog, Mesek en Tubal alledrie kinderen waren van Jafeth (Gn 10:2). Hij is één van de drie stamvaders van de hedendaagse mensheid, die overigens door veel uitleggers als de stamvader van de Indo-Europese volkeren wordt beschouwd.
De laatste acht hoofdstukken van het boek Ezechiël zijn gewijd aan de nieuwe tempel. Gezien de gedetailleerde bouwkundige beschrijvingen denkt men dat de tempel van Ezechiël daadwerkelijk gebouwd gaat worden. Er zijn ook meerdere Bijbelteksten waaruit we kunnen concluderen dat er in de eindtijd weer een tempel zal zijn. Het belangrijkste is dat het een tempel zal zijn waar de heerlijkheid des Heren weer in zal kunnen wonen (Ezechiël 43).
Daarbij moeten we echter de geestelijke vervulling van de nieuwe tempel in de Heer Jezus niet voorbij gaan. Hijzelf sprak namelijk over Zijn lichaam als de tempel (Jh 2:21).Ook de beschrijving van het levende water in Ezechiël 47 zien we verklaard in de persoon van de Heer Jezus (Jh 4; 7:38).
Zo zien we dat de profetie van Ezechiël op meerdere plaatsen heen wijst naar de Heer Jezus. Dat Hij de vervulling is van Gods heilsplan is de geweldige boodschap die wij bij Ezechiël horen. In dat verband is het ook indrukwekkend om te horen hoe de Heer Jezus de plaatsen Tyrus en Sidon bezoekt en daar zijn volgelingen van Hem (Mk 3:8, 6:17) en ook Paulus treft later discipelen aan te Tyrus (Hd 21:3, 4). Het werk van de Heer Jezus beperkt zich niet tot het volk Israël. Het gaat dus niet meer om het volk waartoe mensen behoren, maar het gaat erom wat iedereen persoonlijk met de boodschap van de Heer Jezus doet.

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

Openbaring les 1: Johannes ontmoet een bruisende Christus

Standaard

Categorie: religie

 

 

Openbaring les 1: Johannes ontmoet een bruisende Christus

 

 

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

ACHTERGROND

 

Bij het benaderen van het boek Openbaring komen we aan bij het laatste hoofdstuk uit Gods verlossingsverhaal dat ons vertelt hoe alles eindigt. Van in het Oude Testament tot aan dit punt hebben we God Zijn verlossingsplan zien uitwerken doorheen Adam, de aartsvaders, de profeten en uiteindelijk Zijn geliefde Zoon Jezus Christus. Nu dat we aan het einde van dit verlossingsplan zijn geraakt, zien we deze Jezus weer opnieuw. Eigenlijk is het deze Jezus die het centrale thema vormt van het gehele boek. Het boek Openbaring onthult bovenal de majesteit en glorie van de Here Jezus. Doorheen het boek Mattheüs lezen we van Zijn geboorte als de Zoon van David, Zijn onderwijs en onderwijs, terwijl Hij hier op aarde verbleef en evenzeer Zijn dood en opstanding. Al deze dingen bevestigen Zijn goddelijkheid en dat Hij de Messias is. Maar waar het boek Mattheüs Christus presenteerde in Zijn eerste nederige komst, geeft het boek Openbaring Hem nu in Zijn tweede komst hoog en verheven weer. Ieder visioen en beschrijving van Hem in het boek Openbaring is vol van majesteit, macht en glorie. In dit boek worden de hemelen geopend en kunnen de lezers net zoals Stefanus (Hand.7:56) vooruitziende beelden zien van de opgestane verheerlijkte Zoon van God.

De context geeft aan dat we in het jaar 96n.C. zitten, tijdens de regeerperiode van Domitianus van Rome. De Gemeente onderging in deze periode een grote vervolging. Johannes was verbannen naar een eiland dat gekend stond als Patmos (Op.1:9). Ondanks deze vervolging groeide de Gemeente verder en verspreidde ze zich op een snel tempo doorheen de provincie Asia (niet beperkt tot de steden die genoemd worden in Openbaring). Het is aan deze lijdende gemeente in Asia dat het boek Openbaring is geschreven (1:4). Dit getuigenis over de komende heerlijkheid van Jezus Christus werd opgeschreven en de wereld in gestuurd door de apostel Johannes om Zijn lijdende gemeente aan te moedigen om te volharden te midden van deze vervolging. Hun harten en gedachten werden bepaald bij de bevestigende waarheid dat Christus op een dag zal komen en voor eens en altijd zal overwinnen, regeren en de zijnen tot Zichzelf nemen.

 

Christus’ openbaring ingeleid (Openbaring 1:1-3)

 

De discipel Johannes had een speciale plaats in het hart van Jezus. Hij had veel met Hem gewandeld en gepraat hier op aarde en wordt in de Evangeliën verschillende keren beschreven als de discipel die de Here liefhad (Joh.13:23; 20:2; 21:7,20). In het Evangelie van Johannes zien we veel van deze speciale relatie. Vele jaren zijn nu voorbij gegaan sinds de dood en opstanding van de Here Jezus en Johannes blijft trouw zijn Heer volgen (Joh.19:35; 21:24; 1 Joh.1:2; 4:14). Johannes is nu zelfs zijn oudere dagen al lijdend aan het doorbrengen omwille van zijn getuigenis van Christus (1:9). Doordat hij het onderwijs en de wonderen van Jezus van dichtbij had kunnen mee volgen, is Johannes nu een trouwe getuige van Gods Woord en Zijn Zoon Jezus Christus (Op.1:2). Met dit allemaal in gedachten is het haast vanzelfsprekend dat Jezus nu net hem, Zijn geliefde vriend en discipel, verkiest om deze openbaring van de komende dingen bekend te maken.

Johannes begint het weergeven van deze openbaring met een erg informatieve inleiding en vermaning. Deze brief is de openbaring die God heeft gegeven aan Zijn Zoon Jezus betreffende de dingen die in de toekomst nog staan te gebeuren. Christus, die reeds gekruisigd en opgestaan was, zit nu op Zijn plaats bij de Vader in de hemel (Heb.1:3). Het eerste bewijs dat de Vader het gehoorzaam leven van Zijn Zoon behaagde was Zijn opstanding; het tweede de hemelvaart en het derde was het sturen van de Heilige Geest. Doordat Hij Zijn Vader op elk mogelijke manier had behaagd, had God Jezus nu een openbaring gegeven om bekend te maken aan Zijn dienaren op aarde. Jezus had Zijn geliefde vriend Johannes gekozen om deze boodschap aan Zijn volk te delen.

Na deze boodschap door een engel van de Heer te hebben ontvangen, schreef Johannes trouw op wat hij over de verrezen Christus had gehoord en gezien. Omdat de gebeurtenissen die hierin beschreven staan spoedig zullen plaatsvinden, vermaant Johannes anderen die Christus volgen om deze woorden luidop te lezen, er gehoor naar te geven en ze te bewaren tot de wederkomst van Christus. De wetenschap dat de gebeurtenissen die worden weergegeven in het boek Openbaring spoedig zullen plaatsvinden zou iedere christen moeten motiveren (zowel nu als toen) om voor de Heer een heilig en gehoorzaam leven te leiden (2Pet.3:14). Degenen die gehoorzaam zijn aan zulk een waarschuwing worden in de ogen van God als gezegend aanschouwd.

 

 

Christus die verheerlijkt hoort te worden onder de 7 gemeenten te Asia (Openb1: 4-8)

 

Na de verzen 1-3 gaat Johannes verder met het uitbreiden van de inleiding van zijn brief. Het is in deze uitbreiding dat we aanwijzingen vinden over de verdere inhoud van de brief. Dat Johannes zo uitbreidt over de rol van Jezus in 1:5-6 suggereert de centrale plaats die Christus inneemt in dit boek en in de eindtijd. Een deel van die rol zal bestaan uit het meedelen van genade en vrede aan de zeven gemeenten van de Romeinse provincie Asia. Johannes herkende hier de vervolging die die Gemeente destijds meemaakte. Omwille van die vervolging begreep de apostel hoe nodig de zegen van zowel genade als vrede was in moeilijke tijden als deze. Nog interessanter is dat deze zegen van de complete drie-eenheid komt.

Hij “Die is en Die was en Die komt” omkadert de bron van de gehele zegen (1:4, 8). Dit was een punt dat Johannes graag benadrukte door dit gedeelte van het hoofdstuk in te kapselen met deze zin. “De zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn” verwijst mogelijk naar de zevenvoudige Geest uit Jesaja 11:2 of een andere analogie voor de Geest van God. De interpretatie laat ons toe om de “zeven Geesten” hier te zien als de derde persoon van de Drie-eenheid; het werk van de Heilige Geest in de 7 gemeenten!  Als we de zeven Geesten hier lezen als Gods Geest houden de verzen 4 en 5 een zegening in van de Drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Ongeacht of Johannes al dan niet hiernaar verwijst, hij sluit op zijn minst af met Jezus omdat Zijn rol het centrale element is. Uiteindelijk is het ook net door hun trouw aan Jezus dat de lezers van Johannes tegenstand ondervinden uit de synagoge en van Rome.

Johannes geeft hier in vers 5 drie benamingen die weer die de persoon van Jezus beschrijven en in verzen 5-6 drie uiteenzettingen over Zijn werk. Iedere benaming van Jezus in vers 5 geeft een speciale bemoediging aan de lijdende Gemeente: Jezus had getuigd, was uit de dood verrezen en regeert nu. Dat Jezus “de Eerstgeborene uit de doden” wordt genoemd wil zeggen dat Hij de eerste was die ooit verrezen is uit de doden, en dat Hij van al degenen die ooit uit de dood zullen zijn verrezen Hij de grootste plaats inneemt. Deze opstanding was vooral relevant voor de christenen die weldra omwille van Zijn Naam de dood tegemoet zouden treden.

Als de “Eerstgeborene was Jezus’ opstanding een garantie dat degenen die Hem volgden in de dood ook verrezen zouden worden (1 Kor.15:20) – daarom hadden ze niets te vrezen, zelfs niet de dood (Op.1:17-18). Dat Christus ook heerst over de koningen van de aarde was ook verfrissend voor de Gemeente. Dit taalgebruik zinspeelt op Psalm 89:27 waar Gods “eerstgeboren zoon” regeert over “de koningen van de aarde.” Voor de gelovigen die leden onder de vertegenwoordigers van de machtige Caesar was deze benaming van Jezus inderdaad een grote bemoediging!

Bij het opsommen van drie benamingen van Jezus somt Johannes ook drie daden van Jezus op in verzen 5-6: Hij heeft ons lief; Hij bevrijdde ons van onze zonden; en Hij maakte ons tot koningen en priesters. Jezus’ liefde voor ons komt tot uiting in Zijn plaatsvervangende dood. Deze zekerheid van de liefde van Christus zou de lijdende gelovigen bemoedigen; Zijn dood geeft ook een voorbeeld aan degenen die geroepen werden om deel te hebben aan het offer van het Lam in dienst voor Gods missie in de wereld (Op.6:9).

In de verklaring dat Jezus ons tot koningen en priesters heeft gemaakt, herinnert Johannes zijn publiek aan wat God voor hen bewaard heeft; dat is om vertegenwoordigers en aanbidders te zijn (1:6). Als priesters zullen de volgelingen van Jezus aanbidden (Op.4:10-11, 5:8-10) en offeren, zowel de geur van gebed (5:8; 8:4) als het offer van hun eigen levens (6:9). Het plaatsvervangend werk van Jezus voor alle gelovigen gaf dat Johannes los barstte in lofzang voor de verrezen Christus. Door Zijn daad aan het kruis hadden Johannes en zijn lezers alle reden om zich te verheugen. Christus’ vergoten bloed had hun uiteindelijk verlost van hun zonden. Nu waren ze door het offer van Christus door God vergeven zondaren, bevrijd van zonden, dood en hel.

Johannes eindigt zijn groet aan de zeven gemeenten met een bemoedigende belofte (1:7), nog een andere bevestiging van Gods karakter (1:8). De belofte, dat Jezus komt! Dat Jezus zou terugkomen op de wolken geeft Daniël 7:13 en dat degenen die Hem doorstoken hebben rouw zullen hebben weerspiegelt Zacharia 12:10. Jezus zal komen om alles terug recht te zetten en de vervolgers van de Gemeente zullen dat moeten erkennen. Deze hoop dat Christus op een dag terug zal keren en de gelovigen mee zal nemen naar de hemel om voor eeuwig in Zijn nabijheid te leven geeft hoop en troost (Joh.14:1-3; Thess.4:18).

Aan het einde bevestigd Johannes nogmaals dat de gehele geschiedenis in de handen van de Heer is – zowel de toekomst als het heden (1:8). Zijn volk moeten dus niet vrezen dat er ook maar iets zal gebeuren dat buiten Gods plan valt. Hun God is “de Alfa en de Omega” een benaming die zinspeelt op het boek Jesaja waar God wordt aangegeven als de Eerste en de Laatste (Jes.41:4; 44:6; 48:12). Net als “Die is en Die was en Die komt”, is voor God de gehele geschiedenis van begin tot aan het einde hetzelfde.

God is niet enkel Heer over de tijd, maar regeert ook over het universum: Hij is “de Almachtige”, in dit boek een gebruikelijke naam voor God (1:8; 4:8; 11:17; 15:3; 16:7, 14; 19:6, 15; 21:22). Voor de christenen die leden onder Caesar, was de wetenschap dat ze “de Almachtige” dienden iets wat hun kracht verleende. Caesar mag dan wel zijn rijk voor een bepaalde periode hier op aarde regeren, maar God regeert zowel de wereld als haar verloop in de geschiedenis.

 

 

 

 

Christus voorzien (Openbaring 1:9-16)

 

Onmiddellijk na zijn groeten aan de zeven gemeenten begint Johannes met het beschrijven van zijn visioen van de verrezen Christus. Hier identificeert de apostel zichzelf nederig als iemand die het lijden van de Gemeente op dat moment deelde. Om wille van de getuigenis van Jezus was het christendom binnen het Romeinse Rijk een gehate en verachte religieuze sekte geworden. Johannes nam deel aan dit lijden is duidelijk omdat hij door de Romeinen verbannen werd op het het eiland Patmos. De leiders uit Johannes’ gemeenschap hadden hem verstoten uit alles wat hem bekend was.

Terwijl hij op de dag des Heren aanbad hoorde Johannes een luide stem hem instrueren: “Wat u ziet, schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea.” Johannes moest de openbaring van Jezus Christus op een strategische wijze bezorgen aan deze gemeenten, omdat dit zou zorgen voor een snelle en efficiënte verspreiding van de boodschap. Toen Johannes zich omkeerde en een stem “als van een bazuin” hoorde, zag hij ook “zeven gouden kandelaren” (1:12), die in vers 20 benoemt worden als de zeven gemeenten.

Deze kandelaren waren van goud, omdat goud het meest kostbare metaal was. De Gemeente is voor God de meest prachtige en waardevolle entiteit op aarde – zo waardevol dat Jezus bereid was om het te kopen met Zijn eigen bloed (Hand.20:28). Terwijl dit wezenlijke gemeenten waren op echte locaties, staan de zeven kandelaren symbool voor de soorten gemeenten doorheen de gehele kerkgeschiedenis.

In het midden van de gouden kandelaren zag Johannes “Iemand Die op de Zoon des mensen leek” (1:13). Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de Gemeente, Jezus Christus. Wat het meest van belang is hier is dat Jezus verschijnt tussen de kandelaren (1:12-13; 2:1). Omdat Christus deze kandelaren uitlegt als zijnde de Gemeente in haar volheid (1:20), is Zijn verschijning in het visioen tussen de kandelaren een belangrijke bemoediging voor degenen die leden omwille van Zijn Naam. De bemoediging zit in het feit dat Hij hun niet verlaten heeft. Hij is trouw gebleven aan Zijn belofte die Hij maakte in het Evangelie naar Mattheüs: “Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matth.28:20; Heb.13:5).

Het eerste wat Johannes meedeelde was dat Christus gekleed was “in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel” (1:13b). Het gewaad en de gordel verwijzen terug naar de hogepriester in de tempel in het Oude Testament (Ex.28:4; 39:29; Lev.8:7) en suggereert dat Jezus de Hogepriester is van Zijn volk (Rom.8:33-34). De wetenschap dat hun Hogepriester zich medelevend begaf in hun midden om hun te beschermen en verzorgen gaf extra hoop en troost aan de vervolgde gemeenten.

De rest van Johannes’ visioen van de Mensenzoon licht de goddelijkheid van de verrezen Christus toe, waarvan veel was voorzegd in het boek Daniël. Daniël 7:13-14 verwijst naar een figuur die lijkt op een “zoon des mensen” die zou regeren als Gods vertegenwoordiger. De haren als wol en vergelijking met witte sneeuw (1:14) zinspeelt op God zelf, de “Oude van Dagen” uit hetzelfde gedeelte in Daniël. De stem “als het geluid van vele wateren” (1:15; 19:6) verwijst naar de stem van God zelf als vele wateren in Ezechiël 1:24; 43:2.

Het punt van Jezus’ vlammende ogen, witte haar en bronzen voeten (1:14-15) was dat Hij licht of vuur straalde – enorm gelijkaardig aan vele andere visioenen van God in de Bijbel (Ez.1:27; Dan.7:9-10; Op.21:33; 22:5). Om die reden kon Johannes zijn gezicht enkel beschrijven “zoals de zon schijnt in haar kracht” (1:16c). Johannes’ visioen van de verheerlijkte Heer van de Gemeente bereikte haar hoogtepunt in deze beschrijving van de stralende heerlijkheid van Zijn gezicht. De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte staat was van groot belang voor christenen van eender welke afkomst.

De verrezen Heer is machtig, zelfs goddelijk en kan Zijn volk daarom beschermen en kracht geven voor hun vervolgers. Dit is duidelijk in het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij in Zijn rechterhand zeven sterren vasthoudt (of boodschappers/leiders van de Gemeente) (1:16a, 20a). Het doel van Jezus’ omschrijving was niet om aan de gemeenten Zijn voorkomen mee te delen, maar om Zijn macht te verkondigen. Hij was de regerende Heer van het universum, Degene met de macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef naar de vervolgde christenen om hen eraan te herinneren dat God groter dan hun verzoekingen was.

 

 

Christus’ boodschap (Openbaring 1:17-20)

 

Terwijl het vooruitzicht van Christus bemoedigend zal zijn geweest voor de gemeenten, was Zijn boodschap van nog groter belang. Op een wijze gelijk aan zijn ervaring met de verheerlijking van Jezus op de berg (cf. Matt.7:6) werd Johannes opnieuw met schrik overweldigd bij de verschijning van Christus’ glorie en viel hij “als dood aan Zijn voeten” (1:17). Jezus “legde Zijn rechterhand op” Johannes en sprak tot de bange apostel de rustgevende woorden “wees niet bevreesd” (1:17). Overweldigd door de glorie en majesteit van Christus kon Johannes rust vinden in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving. Deze rustgevende boodschap en zekerheid die Jezus gaf is gebaseerd op zowel wie Hij is en het gezag dat Hij bezit.

Allereerst noemt Jezus Zichzelf “Ik ben” – de verbondsnaam van God (Ex.3:14). Het was met deze naam dat Hij de bevreesde discipelen die Hem op het meer van Galilea zagen lopen geruststelde (Mattheüs. 14:27). Daarna noemt Jezus Zichzelf “de Eerste en de Laatste” wat nog een andere benaming is die in het Oude Testament gebruikt wordt voor God (Jes.44:6; 48:12). Deze benaming bevestigd opnieuw aan Johannes en zijn lezers de goddelijkheid van Christus. Afgeleid van deze naam is het feit dat Jezus al bestond voor alle dingen er waren en zal blijven bestaan tot in de eeuwigheid. Jezus is veel groter en hoger verheven dan eender welke valse god van de omliggende volkeren. Wanneer deze allen zijn gekomen en gegaan, zal enkel Hij nog overblijven.

De hele boodschap van 1:18 heeft ook betrekking op Jezus’ overwinning van de dood. In de Bijbel en Joodse traditie is God de “Levende.” Jezus wordt hier specifiek de “Levende” genoemd omdat Hij, ondanks dat Hij stierf, Hij voor eeuwig leeft. Paulus schreef zelfs dat “Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem” (Rom.6:9). Door uit de dood op te staan garandeerde Jezus eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen ze omwille van Zijn naam de dood in de ogen (20:4). Omdat Christus nu “altijd leeft om voor hen (Zijn volk) te pleiten,” “kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan” (Heb.7:25). Ondanks zijn zondigheid in de aanwezigheid van de glorieuze hemelse Heer had Johannes (en al degenen die in Hem geloofden) niets te vrezen, omdat diezelfde Heer de straf voor zijn zonden had betaald met Zijn dood en verrezen was om nu voor eeuwig zijn advocaat te zijn.

Door Zijn overwinning over de dood heeft Jezus ook “de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf” (Op.1:18). Dat Jezus de sleutels van het dodenrijk bezit geeft aan dat Hij alle macht heeft over de dood. Het zien van zulk een visioen van Christus moet voor Johannes en de Gemeente in de eerste eeuw van grote waarde zijn geweest. In de oude paleizen destijds waren degenen die de sleutels in handen hadden voorname gezagsdragers die konden bepalen of mensen al dan niet in de aanwezigheid van de koning mocht vertoeven. Christus heeft op gelijkaardige wijze het gezag om te beslissen wie sterft en wie leeft; Hij regeert over leven en dood. Door dit te bevatten hadden Johannes en al de verlosten niets te vrezen, omdat Christus hun al van de dood en het dodenrijk had bevrijd door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood gaf aan hen die tot de Gemeente behoren rust en zekerheid, omdat gelovigen niets meer te vrezen hebben.

Aan het eind van het visioen wordt aan Johannes een herinnering gegeven van Zijn goddelijkheid. Op het eerdere gebod van Christus om te schrijven (Op.1:11), wordt nu verder gegaan en aan Johannes wordt gevraagd om drie aspecten op te schrijven. Als eerst “wat u (Johannes) hebt gezien”, het visioen dat hij dus net al gezien en opgeschreven had in verzen 10-16. Ten tweede “wat is”, wat een verwijzing is naar de brieven naar de zeven gemeenten die de toestand van de gemeenten weergaf. En als laatst moest Johannes opschrijven “wat hierna zal geschieden”, de profetische openbaring van de toekomstige dingen die zich ontvouwden in komende visioenen. Christus sluit hier het visioen met Zijn geliefde volgeling door hem te herinneren aan zijn plicht, om de waarheid die hij had geleerd door de visioenen, door te geven.

 

 

Conclusie

 

In het boek Openbaring heeft Christus Zijn Gemeente een erg bemoedigende, maar ook ontnuchterende boodschap gegeven. Doordat de apostel Johannes deze openbaring trouw heeft opgeschreven heeft de vervolgde Gemeente uit die tijd veel rust en zekerheid mogen ontvangen in het feit dat Christus, hun Messias, nu verheerlijkt is. Terwijl ze tegenstand ondervonden, of zelfs de dood door de hand van Caesar, werden ze bemoedigd in het feit dat Christus nog steeds leeft en regeert met Zijn Vader. Hij heeft de dood overwonnen door Zijn leven te geven voor de zonden van mensen. Nu de dood verslagen is blijft enkel de uiteindelijke dag over dat Hij voor de zijnen zal terugkeren. “Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend” (Mc.13:32- 37; 1 Thess.5:2).

Om die reden roept Christus allen uit die tijd op om op Hem te wachten, wat zelfs de dag zelf kan betekenen. De terugkeer van Jezus zal uiteindelijk een einde brengen aan de rebellie van mensen – een gelukkig einde voor Gods volk, maar een tragisch einde voor allen die er voor kiezen om Hem te verwerpen. Omdat deze specifieke tijd onbekend en dichtbij is, mag niemand zijn bekering uitstellen. Er is nooit een goede gelegenheid voor de christenen om zich te hechten aan wereldse bezittingen of voorkomens, omdat Christus op eender welk moment kan terugkeren om rekenschap te vragen voor onze keuzes.

 

 

BEGELEIDENDE VRAGEN

 

 Wie kiest Christus om Zijn openbaring te geven?

 

Christus had van Zijn Vader een openbaring gekregen om aan de gemeente te geven. De boodschapper die Jezus koos om Zijn openbaring te geven, was niemand minder dan Zijn geliefde apostel Johannes. Hem zou de taak toevertrouwd worden van het brengen van deze openbaring van de dingen die zouden gebeuren aan de kerk. Wie in de toekomst deze openbaring luidop zou lezen, ernaar zou luisteren en het gehoorzaamt, zou in de ogen van God gezegend geacht worden.

 

 

 Wat ervoeren Johannes en de kerkelijke gemeente gedurende deze tijd?

 

Terwijl hij deze openbaring ontving, leed Johannes gevangenschap op een klein eiland, genaamd Patmos. Daar hielde de Romeinse overheid hem, omdat hij getuigenis had gegeven van Jezus Christus. Net als Petrus en Paulus voor hem, leed Johannes voor zijn toewijding aan Christus de Messias. De kerk ervoer een gelijke vervolging. Net als Stefanus jaren daarvoor, bleef de kerk te maken hebben met de tegenstand wegens hun trouw aan de Messias. Over de gehele wereld werden gelovigen gehaat voor het volgen van Jezus Christus.

 

 

 Naar waar stuurt de apostel Johannes de openbaring van Jezus Christus?

 

Terwijl Johannes op de dag des Heren aan het lofprijzen was, hoort Johannes een luide stem die tegen hem zegt: “Schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea” (1:11). Deze zeven gemeenten waren gekozen, omdat ze in de zeven belangrijkste steden gelegen waren waarin Asia verdeeld was. Johannes moest de Openbaring van Jezus Christus strategisch aan de gemeenten brengen, omdat dit een doeltreffende en snelle manier was om de boodschap te sturen.

 

 

 Met welke boodschap groet Johannes de zeven gemeenten?

 

Aan het begin van de brief stuurt Johannes een zeer bemoedigende groet van God en Jezus zelf. De Heer God almachtig, de Alfa en Omega wilde dat ze wisten dat Hij nog de eeuwige Soevereine was. Hij had alles nog in Zijn hand, ongeacht de situatie. Christus wilde dat ze wisten dat Hij van hen hield, Hij hen van zonde bevrijdt had en hen koningen en priesters voor God maakte. Vanwege Zijn werk aan het kruis, hadden Johannes en zijn lezers de grootste reden om verheugd te zijn. Het gevloeide bloed van Christus had hen tenslotte bevrijd van hun zonden. Zij stonden nu als zondaren vergeven voor God, vrijgemaakt van zonden, dood en hel door het offer van Jezus Christus. Daarbij zou Jezus terugkomen voor Zijn volgelingen. Geen andere zekerheid zou een betere bemoediging geweest zijn voor de lijdende gelovigen, dan de wetenschap dat Jezus zou komen om dingen recht te zetten en dat de verdrukkers van de kerk tot de erkenning zullen komen van het verkeerde dat zij gedaan hebben aan Gods dienaren. Deze hoop, dat Christus op een dag zal terugkeren en gelovigen mee naar de hemel zal nemen om voor altijd in Zijn aanwezigheid te zijn, voorzag hen zowel van hoop als wel troost gedurende hun lijden.

 

 

 Wat zag Johannes toen hij zich naar de stem, die sprak, keerde?

 

Toen Johannes zich keerde naar de stem die was als een bazuin, zag hij een als “de Zoon des mensen” die te midden van zeven gouden kandelaren was. Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de gemeente, Jezus Christus. Wat veelbetekenend hier is, is dat Jezus te midden van de kandelaars verschijnt (1:12-13; 2:1). Aangezien Christus uitlegt dat deze kandelaars zijn als de gemeenten in hun volheid (1:20), is Zijn verschijning te midden van de kandelaren Jezus aanwezigheid bij Zijn kerk (Joh.20:19). Dat Jezus in dit visioen aanwezig was bij de kerken, zou een geweldige bemoediging geweest zijn voor degene die lijden voor Zijn naam. De bemoediging hier is dat Christus hen niet verlaten had. Hij was getrouw geweest aan Zijn belofte die Hij in het evangelie van Mattheüs gemaakt had, “En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matt.28:20; ook Heb.13:5).

 

 

 Hoe zag de Zoon des mensen er uit in het visioen van Johannes?

 

De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte toestand, zou voor iedere christen van groot belang zijn. De Een die wij dienen is de Een wiens haar als wit wol is en wiens stem is als geluid van vele wateren. Alles van Hem, van Zijn vurige ogen tot Zijn bronzen voeten straalde Zijn heerlijkheid af. Dat zulk een heerlijkheid gezien kon worden, betekende dat de verrezen Heer machtig is, zelfs God zelf en daarom kan Hij zijn kinderen beschermen en in staat stellen te midden van hun verdrukkers. Dit wordt zichtbaar bij het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij de zeven sterren in Zijn rechterhand vasthoudt (of boodschappers/leiders van de kerk) (1:16a, 20a). Het punt van Jezus’ beschrijving hier was niet om de gemeenten van Zijn verschijning te vertellen, maar om Zijn macht te bekent te maken. Hij was de heersende Heer van het heelal, de Een met macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef over de vervolgde christenen, hen eraan herinnerende dat God groter was dan hun beproevingen.

 

 

 Hoe reageert de apostel Johannes wanneer hij de Zoon des mensen ziet?

 

Op een manier gelijk aan zijn ervaring met de heerlijkheid van Jezus op de berg van de verheerlijking (cf. Matt.17:6), was Johannes weer overweldigd door angst bij de voorstelling van Gods heerlijkheid. De apostel Johannes schrijft dat hij als dood neerviel voor Zijn magnifieke Verlosser Jezus Christus. En net als Hij lang geleden gedaan had bij de verheerlijking op de berg (Matt.17:7), plaatste Jezus Zijn rechterhand op Johannes en gaf de bange apostel de bemoedigende woorden “Wees niet bevreesd” (1:17). Terwijl hij overweldigd is door de glorie en majesteit van Christus, kreeg Johannes de troost in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving.

 

 

 Hoe laat Christus weten wie Hij is, terwijl Hij troost schenkt aan de apostel Johannes?

 

Om Johannes te troosten zegt Jezus, “Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid” (1:17-18). Jezus maakt zichzelf bekend als de Een die de dood heeft overwonnen. Hoewel Hij aan het kruis stierf, kon het graf Hem niet vasthouden. Christus, die uit de doden is opgestaan, zal nooit weer sterven. Dus door op te staan uit de dood heeft Christus niet alleen de dood verslagen, maar garandeerde Hij eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen zij de dood tegemoet vanwege Zijn naam. Dus ondanks Zijn zondeloosheid in de aanwezigheid van de glorieuze Heer van de hemel, hoefde Johannes niet bang te zijn, omdat dezelfde Heer de straf voor zijn zonden had gedragen (en voor degene die in Hem geloofden) en opgestaan was om zijn eeuwige Verlosser te zijn.

 

 

 Wat zegt de verheerlijkte Christus nu over wat Hij nu in bezit heeft?

 

Door Zijn overwinning over de dood, houdt Jezus ook de “sleutels van de dood en van het dodenrijk zelf” in handen (1:18). De mensen in die dagen geloofden dat het dodenrijk (Hades) een Griekse god was die heerste over het rijk van de dood, “het huis van Hades.” “Dood en Hades” vertegenwoordigen daarom de macht van de dood over de schepping. Dat Jezus de sleutel van het dodenrijk had, duidt het feit aan dat Hij alle macht en gezag over de dood heeft. Door dit begrepen te hebben, had Johannes geen angst, evenals al de verlosten, aangezien Christus hem al verlost had van de dood en het dodenrijk door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood, voorzag grote zekerheid voor degene van de gemeenten, aangezien gelovigen niet langer een reden hebben om bang te zijn.

 

 

SAMENVATTING

 

Voordat God de Bijbel eindigde, verlangde Hij dat er nog een openbaring gegeven werd over de dingen die in de toekomst zouden plaatsvinden. Voor degenen uit de vroege gemeenten, zou zijn boodschap een grote bemoediging zijn tijdens de vervolging. Ondanks hun moeilijke omstandigheden blijft God over alle dingen de controle houden. Hij is de Almachtige, de Alfa en Omega, het begin en het einde. Zelfs Christus Zijn Zoon is daar om een bemoediging te geven. Hij die Hem liefheeft en hen bevrijdt heeft van zonden, blijft bij hen. Dit wordt gezien in het visioen van Johannes van de Mensenzoon. Christus, in Zijn volle glorie, verschijnt aan de apostel. In deze ontmoeting bevestigd Christus dat Hij de Levende is, die zonde en dood heeft overwonnen. Johannes schrijft alles wat Christus hem openbaart over de toekomst, getrouw en in gehoorzaamheid op. Van groot belang is het feit dat Christus spoedig zal komen om alle dingen nieuw te maken. Wat er nog rest is de openbaring van Jezus Christus zoals we kunnen zien in het laatst vermelde boek van het Nieuwe Testament.

Dat Christus stierf, is opgestaan en nu leeft blijft een wonderbare waarheid voor vele christenen vandaag. Ieder van ons zou dankbaar moeten zijn dat Christus ons heeft vrijgemaakt van onze zonden door Zijn bloed en dat Hij zijn gemeente blijft liefhebben en er zorg voor draagt. Nu dat de dood is verslagen, is de laatste dag dat Hij voor de Zijnen zal terugkomen, alles wat overblijft. Deze tijd komt spoedig en zal onverwacht zijn. Het is om die reden dat Christus degene oproept om gereed te zijn, want het kan vandaag zijn. Voor degene die niet bij Gods familie behoren, raakt het moment, om zich naar God te keren, op. Christus zal komen en snel, wanneer Hij komt terwijl men Hem nog afwijst, zal hun einde tragisch zijn. Omdat die tijd onbekend is en nader, zou niemand berouw moeten uitstellen.

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

JOHN ASTRIA

 

Twintigste Miniatuur : eerste visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

.

.

Twintigste Miniatuur: Eerste visioen van het Derde Boek

 

 

Scivias%20T%2020_Boek%20III,1

 

 

Voor de soevereine majesteit van God stond Lucifer als een grote Ster te schitteren. We hebben in de tiende miniatuur gezien, dat de engelen zijn geschapen toen God sprak: “Het worde licht.” Hier worden zij voorgesteld als gouden sterren tegen een zilveren achtergrond.

Dit zilver heeft in de voorgaande miniaturen twee bijzondere betekenissen: het wijst op de almacht van God de Vader, het ondoorgrondelijk licht, maar ook op het licht van het geloof waaraan ieder schepsel zich onderwerpt dat God gehoorzaamt, zowel engel als mens.

Maar de hemelse geesten bleven niet allemaal engelen van het licht. Een aantal onder hen hield op de Goddelijke Schoonheid te aanbidden en keek naar zichzelf. Zij raakten verstrikt in de zonde van de hoogmoed. Daarom werden zij neergeworpen in de afgrond van het Noorden vèr van het aanschijn van God. Hun schittering veranderde in duisternis.

Het licht dat zij verloren werd bestemd voor de gelukzaligen die God mettertijd vormen zou uit het leem der aarde. We merken dat de gouden sterren van de gevallen engelen in een soort kolk naar beneden getrokken worden. Daarbij doven de sterren uit en worden zij meer en meer verduisterd. Door haar eenvoud van compositie, klaarheid van symboliek en harmonie van kleuren is deze miniatuur één van de mooiste van heel de serie.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA