Tagarchief: kelkbladen

Kleine veldkers ; Cardamine hirsuta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met 4 (soms 5) meeldraden en
– de 15 tot 25 mm lange vruchten, die ruim boven de bloemetjes  uitsteken

 

 

 

 

Kleine veldkers is een overblijvend, zeer algemeen voorkomend, eenjarig plantje, dat groeit op open, vochtige tot droge grond aan wegen en dijken, in tuinen, plantsoenen en in de duinen.

Ze wordt 5 tot 35 cm hoog en bloeit vanaf maart tot en met juni met kleine witte bloemetjes, die aan het einde van de stengel in een trosje bij elkaar staan.

Vanuit het rozet, gevormd door de onderste bladeren, komen één of meerdere stengels. De stengels en de bladeren zijn min of meer behaard. Hoger aan de stengel zitten meestal 2 tot 4 oneven geveerde bladeren met 5 tot 9 lijnvormige of langwerpige deelblaadjes. De deelblaadjes van de rozetbladeren zijn ronder.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 5 tot 35 cm

Bloem
– wit
– vanaf maart t/m juni
– tros
– stervormig
– 3 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– bovenste verspreid
– onderste rozet
– samengesteld
– oneven veervormig
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig
– verspreid behaard

Stengel
– rechtop
– niet of weinig vertakt
– kaal of weinig behaard
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

Liggende ganzerik : Potentilla supina

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtgele bloemetjes, waarvan de 5 kroonbladen elkaar niet raken
– en korter dan of even lang zijn als de kelkbladen en
– de oneven geveerde, van onderen groene bladeren en
– de liggende, behaarde, ronde, niet wortelende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Liggende ganzerik is een eenjarige plant die groeit op open, natte, ’s zomers droogvallende, voedselrijke grond aan rivieroevers en op omgewerkte grond.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Liggende ganzerik bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen staan in de bladoksels. Ze hebben 5 lichtgele, omgekeerd eironde kroonbladen die elkaar duidelijk niet raken en die hoogstens zo lang zijn als de kelkbladen. Naast 5 kelkbladen hebben de bloemen ook 5 bij-kelkbladen, die langer zijn dan de kelkbladen. De bloemstelen buigen zich na de bloeitijd naar beneden.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De zacht behaarde bladeren zijn oneven veervormig met 3 tot 7 blaadjes. Naar boven toe wordt het aantal deelblaadjes minder. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste hebben een aflopende voet. De deelblaadjes zijn eirond tot langwerpig, hebben een gezaagde of diep gekartelde rand en zijn aan de onderkant groen; dit in tegenstelling tot de bladeren van zilverschoon, die aan de onderkant zilverwit zijn. De niet wortelende stengels zijn afstaand of iets aangedrukt, zacht behaard en meestal groen, soms iets paarsig aangelopen. Ze zijn slap, liggen op de grond of hangen op omringende vegetatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In de Lage Landen komen 12 soorten voor, waarvan sommigen op het eerste gezicht veel op elkaar lijken. Samen met zilverschoon onderscheidt liggende ganzerik zich van de andere Potentilla’s door de oneven veervormig samengestelde bladeren.

 

 

zilverschoon

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– eenjarig
– vrij tot zeer zeldzaam
– 5 tot 45 cm

Bloem
– lichtgeel
– vanaf juni t/m september
– alleenstaand
– stervormig
– 5 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– veervormig oneven
– top spits of stomp
– rand gezaagd of diep gekarteld
– voet wigvormig
– veernervig
– zacht behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gele plomp : Nuphar lutea

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de plaats waar ze groeit … in water en
– de grote, gele, stevig ogende, onaangenaam ruikende bloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gele plomp is een waterplant, die groeit in diep tot vrij diep, stilstaand of zacht stromend water met een voedselrijke bodem. Ze komt zeer algemeen voor in de lage landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juni tot en met augustus. De gele bloemen hebben 5 kelkbladen, die elkaar overlappen en een kom rond de rest van de bloem vormen. De binnenkant van de kelkbladen is geel. De buitenkant is eerst groen, later geelgroen. De onopvallende gele kroonbladen zijn kleiner dan de kelkbladen en vormen onderin de bloem een cirkel rond de vele meeldraden, die rond het flesvormige vruchtbeginsel staan.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad 

 

De bladeren onder water zijn zacht en kronkelig samengevouwen, lijken op slabladeren. Naarmate de bladeren dichter bij de oppervlakte komen gaan ze zich uitspreiden. De drijvende bladeren zijn 10 tot 30 cm groot, glanzend, leerachtig en hebben een waslaagje.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

In bloei is gele plomp niet te verwarren met een andere plant. Niet in bloei lijken de bladeren op die van witte waterlelie. Ze zijn ongeveer even groot, qua vorm zijn de bladeren van gele plomp wat smaller. Het duidelijkst zijn ze van elkaar te onderscheiden door de nervatuur. De nerven van het blad van gele plomp zijn niet onderling verbonden. Die van het blad van witte waterlelie zijn wel onderling verbonden.

 

 

witte waterlelie

 

 

 

Algemeen

 

waterleliefamilie (Nymphaeaceae)
– waterplant
– zeer algemeen tot zeer zeldzaam

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m augustus
– gesteeld alleenstaand
– 3 tot 6 cm
– stervormig
– 7 tot 24 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– stempelschijf met 10 tot 20 stralen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond
– top stomp
– rand gaaf
– voet hartvormig
– veernervig
– leerachtig

Stengel
– onder water
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone hoornbloem : Cerastium fontanum subsp. vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

zijkant-bloem-gewone-hoornbloem

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met 5 tot ongeveer de helft ingesneden kroonbladen en
– de 5 stijlen per bloem en
– de behaarde, maar niet kleverige stengels

 

 

11608

 

 

.

Algemeen

 

Gewone hoornbloem is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende (soms eenjarige), geheel behaarde plant van vochtige, voedselrijke, grazige grond.

 

 

 

 

.

Bloem

 

Ze wordt 4 tot 45 cm hoog en bloeit vanaf april tot in de herfst met kleine witte bloemetjes, die in een losse tros staan en 5 tot de helft ingesneden kroonbladen hebben. De kroonbladen zijn iets korter tot iets langer dan de kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Het blad is donkergroen, langwerpig en aan beide zijden behaard. Ook de vaak paarsachtige stengel is behaard, maar niet met klierharen, zoals de stengel van een aantal andere soorten hoornbloemen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend, soms eenjarig
– zeer algemeen
– 4 tot 45 cm

Bloem
– wit
– vanaf april tot in de herfst
– losse tros
– stervormig
– 4 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig
– top stomp
– rand gaaf
– voet vergroeid
– 1-nervig
– aan beide zijden zacht behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond
– vaak paarsachtig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria

Drienerfmuur

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_3975-gr-drienerfmuur

 

 

Goed te herkennen aan
– de onopvallende, kleine, witte, stervormige bloemetjes, waarvan
– de spitse kelkbladen duidelijk groter zijn dan de kroonbladen en
– de smal eironde, spitse bladeren met 3 nerven, soms 5

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Drienerfmuur is een eenjarige plant van 15 tot 30 cm. Ze is algemeen voorkomend in Europa en Azië. Drienerfmuur groeit op droge, matig voedselarme grond in loofbossen en onder struikgewas. Ze groeit in pollen.

 

 

578281752

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot in de herfst met onopvallende, kleine, witte bloemetjes. De ronde kroonbladen zijn duidelijk kleiner dan de spitse kelkbladen, die een vliezige, behaarde rand hebben.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn smal eirond met spitse punt en gewimperde, gave rand. Ze hebben 3 (soms 5) duidelijke, parallel lopende nerven, waaraan de plant haar naam dankt. De behaarde, sterk vertakte stengels zijn slap, liggend en aan de top opstijgend.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 30 cm

Bloem
– wit
– vanaf mei tot in de herfst
– alleenstaand
– 4 tot 7 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– smal eirond
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– parallelnervig
– onderste gesteeld
– bovenste zittend

Stengel
– liggend en opstijgend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

266px-illustration_moehringia_trinervia0

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Winterakoniet ; Eranthis hyemalis

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-Winterakoniet

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de vroege bloei en
– de gele bloemen met vlak daaronder een krans van diep ingesneden stengelbladeren

 

 

 

winterakoniet_0394

 

 

 

Algemeen

 

Winterakoniet is een plant, die in de eerste helft van de 19e eeuw in de Lage Landen is ingevoerd vanuit Midden- en Zuidoost-Europa. Ze verspreidt zich niet spontaan, maar kan zich, waar ze is aangeplant, goed handhaven en vermeerderen. Ze bloeit in februari en maart met gele bloemen en wordt 5 tot 15 cm hoog. In zachte winters kan ze al in januari bloeien. Winterakoniet doet het goed op licht beschaduwde, vaak grazige plaatsen. Ze wordt ook als tuinplant aangeboden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Elke vaak roodbruin aangelopen bloemsteel draagt één bloem. Aan het einde van de stengel zitten drie diep handvormig ingesneden stengelbladeren en direct daarboven zes tot acht langwerpige tot eironde gele bloemdekbladen. Die gele bloemdekbladen zijn de kelkbladen. De kroonbladen zijn vergroeid tot nectariën, de gele kokertjes vol met nectar die in het hart van de bloem zitten.

 

 

 

 

 

Blad

 

Aan het einde van de bloemsteel, net onder de bloem, zitten drie diep handvormig ingesneden, glanzend donkergroene stengelbladeren. Daarnaast zijn er ook 1 of meerdere lang gesteelde wortelbladeren.

 

 

 

 

 

vergelijkbare soort

 

Vergelijkbaar met winterakoniet is gewoon speenkruid. Ze groeien en bloeien op dezelfde plaatsen en op hetzelfde moment en hebben allebei gele bloemen. Speenkruid heeft echter ronde blaadjes, terwijl winterakoniet een kraag van diep ingesneden blaadjes direct onder bloem heeft staan.

 

 

speenkruid

 

 

 

Algemeen

 

– ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeldzaam
– 5 tot 15 cm

Bloem
– geel
– (januari) februari en maart
– gesteeld alleenstaand
– 2 tot 3 cm
– stervormig
– 6 tot 8 bloemdekbladen
– 6 tot 8 nectariën
– meer dan 20 meeldraden
– 6 stijlen

Blad
– wortelstandig of onder bloem
– samengesteld
– handvormig ingesneden
– top spits
– rand gaaf
– handnervig
– wortelbladeren gesteeld
– stengelbladeren zittend
– glanzend donkergroen

Stengel
– rechtop
– vaak roodbruin aangelopen
– rond

zie wilde bloemen

 

 

winterakoniet1

 

 

 

 

  

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA