Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
Matthew 5 (Part 9) : 17-20 – Christ, the fulfillment of the Law
.
Mattheüs 5 (deel9) : 17-20 – Christus, de vervulling van de wet
.
Paul LeBoutillier
.
.




.
.
1 Strooi je brood op het water, want je zal het na een poos weer terugvinden.
2 Verdeel het in zeven, nee, in acht delen, want je weet niet wat voor ellende je nog zal overkomen.
3 Als de wolken vol zijn, gieten ze regen uit over de aarde. En als een boom valt, naar het zuiden of naar het noorden, dan blijft hij liggen op de plaats waar hij valt.
4 Iemand die steeds op de wind let, zal nooit zaaien. En iemand die steeds op de wolken let of het niet gaat regenen, zal nooit maaien.
5 Je weet niet waar de wind vandaan komt en waar hij naartoe gaat. En je weet niet hoe een kind groeit in de buik van zijn moeder. Zo weet je ook niet wat God aan het doen is.
6 Zaai ’s morgens en ’s middags. Want je weet niet welk deel zal opkomen.
7 Het licht is prettig. Het is heerlijk om het zonlicht te zien.
8 Daarom moet je, hoelang je ook leeft, van elke dag genieten. Vergeet niet dat de tijd die je in het donker van de dood zal doorbrengen, nog veel langer zal zijn. Dan blijkt dat alles wat je hebt gedaan maar lucht is.
9 Als je jong bent, geniet dan van je jeugd. Doe wat je graag wil doen. Maar weet wel dat God zal oordelen over alles wat je doet.
10 Maak dus geen ruzie en zorg dat je gezond blijft. Bedenk dat je jeugd voorbijgaat: het is maar lucht. (lees verder)
1 Denk aan je Maker zolang je nog jong bent. Denk aan Hem vóórdat de tijden komen dat je niet meer van het leven genieten kan.
2 Want op een dag wordt het licht van de zon, de maan en de sterren donker (je ogen worden slecht). Geniet, voordat de wolken terugkomen na de regen (voordat je veel verdrietige dingen hebt meegemaakt).
3 Want op een dag zullen de bewakers van het huis (je armen) beverig worden en de sterke mannen (je benen) krom worden. Je slavinnen (je tanden en kiezen) zullen ophouden met malen omdat er te weinig over zijn. Op een dag zullen zij die uit de ramen kijken (je ogen) niet goed meer kunnen zien.
4 De deuren naar de straat (je lippen) zullen dicht gaan, en het geluid van de molen (het kauwen) zal zwakker worden. Je stem wordt zo hoog als de stem van een vogel, en alle geluiden worden zacht (je wordt doof).
5 Op een dag ben je al bang om een heuvel te beklimmen. Je bent bang voor gevaar op de weg. De amandelboom zal bloeien (je haar wordt wit), de sprinkhaan sleept zich voort (je komt niet meer mee, je bent traag geworden) en je hebt nergens meer zin in. Want je bent op weg naar je eeuwige huis. De klaagvrouwen staan al klaar om over je dood te klagen en te treuren.
6 Denk aan je Maker voordat het zilveren koord (van het leven) wordt losgemaakt en je gouden lamp (je ziel) breekt. Denk aan Hem, voordat je kruik bij de bron wordt stukgeslagen en het waterrad in de put (je hart) wordt gebroken (en je hele bloedsomloop komt stil te liggen).
7 Het stof waarvan je gemaakt was, gaat terug naar de aarde. En je geest gaat terug naar God die jou je geest gegeven had.
8 Alles is maar lucht en leegte, zegt Prediker. Niets heeft werkelijk zin! Het hele leven is maar lucht en iets onbegrijpelijks!
9 Ik ben niet alleen een wijs man geweest, maar ik heb ook veel aan het volk geleerd. Ik heb veel nagedacht en veel wijsheden opgeschreven.
10 Ik heb geprobeerd om woorden te vinden waar de mensen iets aan hebben, een boek te schrijven met nuttige spreuken.
11 De woorden van wijze mensen lijken op scherpe spijkers. Als je hun woorden één keer hebt gehoord, zitten ze zó stevig in je vast als een spijker in een plank. Ze zijn gegeven door één Herder.
12 Tenslotte nog deze waarschuwing, mijn zoon: Er worden eindeloos veel boeken geschreven en van al het studeren word je alleen maar moe.
13 Van alles wat ik hier gezegd heb, is de conclusie: Heb diep ontzag voor God en houd je aan zijn wet. Want dat is het belangrijkste voor elk mens.
14 Want God oordeelt over alles wat we gedaan hebben, goed of slecht. Ook over de dingen die geen mens van je weet.


Het is moeilijk om te groeien in het geloof zonder de juiste antwoorden. Je moet er doelgericht moeite voor doen om Gods karakter te leren kennen en begrip te ontwikkelen voor wie Hij is. Het vergt toewijding om de antwoorden te vinden op de belangrijkste vragen over God.
Een van de bekendste Bijbelteksten is Johannes 3:16:
“Want God had de wereld zo lief dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”
Dit vers geeft veel inzicht in het karakter van God. Zijn karakter bestaat niet uit haat of boosheid, maar uit liefhebbende opoffering. Hij wil zegenen in plaats van vervloeken. Hij heeft dit laten zien toen Hij Zijn Zoon gaf om als offer te sterven voor de zonden van de mens, zodat de mensen niet zelf de prijs hoefden te betalen. Dat is liefde. God Zelf is alles waar liefde voor staat.
“Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde” (1 Johannes 4:8).
Om Gods karakter te kennen moeten mensen Hem willen kennen, Hem zoeken middels gebed, Hem aanbidden en de Bijbel bestuderen. Ze moeten godvruchtig onderricht en mentorschap opvolgen en rustig luisteren naar Zijn stem wanneer Zijn geest tot hun geest spreekt. Je zou moeten ontevreden zijn totdat je God kent, hoe Hij is, wat Hij graag wil, wat Hij niet wil, wat Hij gezegd heeft en wat Hij niet gezegd heeft.
Wanneer je Gods persoonlijkheid kent, weet je ook dat God heilig is. Als je weet en begrijpt wat het betekent om heilig te zijn, begrijp je dat God hoge maatstaven hanteert.
Matteüs 5:17-19 : “Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Want voorwaar, Ik zeg u: eerder nog zullen hemel en aarde vergaan, dan dat één jota of haaltje vergaat uit de Wet, voordat alles geschied is. Wie dus een van die voorschriften, zelfs het geringste, opheft en zo de mensen leert, zal de geringste geacht worden in het Rijk der hemelen. Maar wie ze onderhoudt en leert, zal groot geacht worden in het Rijk der hemelen.”
Jezus vertelt ons dat Hij ons grootste probleem opgelost heeft, namelijk de vervulling van de vereisten van Gods wet. Wat voor mensen onmogelijk is, heeft Jezus gedaan. Maar, Hij zegt ons ook dat we een gezonde geestelijke leefwijze moeten hebben als we Hem willen volgen. Hebben we die niet, dan onteren wij God. Als we echter in overeenstemming leven met Gods plan, dan eren wij Hem en plaatsen wij Hem op de troon van ons hart.
“Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.” (Matteüs 5:48).
Ook dat is een onmogelijkheid. Maar God is bereid om ons ons hele leven lang te onderwijzen zodat we Hem steeds naderbij komen. Het gaat er om dat we er naar streven om meer zoals Hem te zijn, en als we dat proberen, leidt Hij ons verder vooruit.
Hebreeën 12: 5-7 vertelt ons dat God onze Vader is en dat wij Zijn kinderen zijn. De tekst leert ons dat zoals wij onze kinderen terechtwijzen, onze Vader ook ons terechtwijst:
“‘Mijn zoon, je mag een vermaning van de Heer nooit terzijde schuiven en nooit opgeven als je door hem terechtgewezen wordt, want de Heer berispt wie hij liefheeft, straft elke zoon van wie hij houdt.’ Houd vol, het betreft hier immers een leerschool, God behandelt u als Zijn kinderen.”
Kinderen van God hoeven niet bang te zijn voor de Heer. Hij is er niet op uit om hen val te brengen, en Hij zit ook niet te wachten op een gelegenheid om hen te veroordelen. God is een goede Vader die het beste wil voor Zijn kinderen (Psalm 100).
Hij weet dat er in deze wereld dingen zijn die Zijn volk zullen schaden wanneer ze zich daarmee bezig houden. Die dingen vinden we aantrekkelijk en worden verleidingen die de vijand (Satan) gebruikt om mensen weg te lokken van God (1 Korintiërs 10:13).
Daarom berispt God ons voor onze eigen bestwil en waarschuwt ons om te leren van Zijn terechtwijzing om ons te laten delen in Zijn heiligheid (Hebreeën 12:10).
Een begrip van het doel van Gods berispingen openbaart Zijn liefdevolle karakter en brengt kracht en rust in het leven van een gelovige. (Hebreeën 12: 11):
“Een vermaning lijkt op het moment zelf geen vreugde te brengen, slechts verdriet, maar op den duur plukt wie erdoor gevormd is er de vruchten van: een leven in vrede en gerechtigheid.”
“De Heer berispt wie hij liefheeft” (Hebreeën 12:6).
Gods tucht is een realiteit. Maar Zijn liefde is dat ook. Gods terechtwijzingen zijn genade. Door Zijn terechtwijzingen leren we om schade te voorkomen op geestelijk, emotioneel, relationeel en zelfs lichamelijk gebied. Titus 2:11-13 :
“Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen. Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld moeten leven, in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus.”
Jezus heeft onze zonden bedekt en de boete voor die zonden betaald middels Zijn dood en opstanding. Hij heeft ons gered. Daarom passen de berispingen die wij krijgen niet bij de misdrijven die we plegen. Wie dat beseft valt op zijn knieën in nederigheid.
Door Zijn genade gaan we nog meer van Hem houden en valt onze liefde voor de wereld en al haar verlokkingen weg. Het resultaat daarvan is dat we een leven gaan leiden dat beter aansluit op Gods roeping en plan.
Gods genade is Zijn gunst op onze levens. Hij is vóór ons, en daarom kan niets tegen ons zijn (Romeinen 8:31). Hij loopt op elk moment van elke dag met ons mee. Hij is liefde. Zijn boosheid is rechtvaardig en komt als terechtwijzing in onze levens tot uiting.
Hij zal alle mensen op hun daden beoordelen, maar dat gebeurt pas na dit leven. Daarom leven wij tot dat moment in Zijn liefde en genade en leren van Zijn tucht, zodat wij op de dag van het oordeel Zijn liefdevolle stem zullen horen zeggen:
“Voortreffelijk, je bent een goede en betrouwbare dienaar” (Matteüs 25).
Zo leert Jezus in de bergrede:
Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en u zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden (Matteüs 7:7).
We moeten bidden, zoeken en kloppen hier opvatten als een continue actie, niet als een eenmalige handeling. Jezus vertelt hier niet dat een eenmalig gebed voldoende is om te krijgen wat je wil hebben, maar dat wie verhoord wil worden, voortdurend tot God moet smeken.
Niet dat God anders niet zou luisteren, of niet de moeite zou willen nemen op zo’n verzoek in te gaan. Maar door voortdurend op de zaak terug te komen, toon je dat het je inderdaad ter harte gaat, en je leert je ook af te vragen of je zelf de zaak echt wel zo belangrijk vindt.
Dat is ook de betekenis van zijn gelijkenis over de ‘onrechtvaardige rechter’ (Lucas 18:1-8). Ook daar gaat het om blijven volharden en dag en nacht tot God roepen. Evenzo is zoeken niet even rondkijken maar net zolang blijven zoeken, tot je het gevonden hebt, zoals de herder in de gelijkenis van het verloren schaap (Lucas 15).
En dat kloppen is ook niet maar een bescheiden klopje op de deur, maar er net zolang op blijven bonzen tot er eindelijk iemand open doet: zoals Petrus toen hij voor de deur stond en de slavin Rhode hem vergat binnen te laten (Handelingen 12:16).
Paulus betoogt dat de Wet niet kan redden, en daar ook nooit voor bedoeld was. De Wet liet de Israëlieten zien dat ze tekortschoten. Redding is er alleen door het verlossingswerk van Christus. Maar de apostel is kennelijk voor de voeten geworpen dat zo’n standpunt er op neer komt dat het dan helemaal niet meer uit zou maken hoe we leven; wanneer we eenmaal verlost zijn, zouden we die hele Wet dan aan onze laars kunnen lappen, en alles doen wat God verboden heeft.
Dat is uiteraard een drogreden, maar wel een verleidelijke, omdat de aard van de denkfout niet onmiddellijk duidelijk is. Paulus geeft het antwoord in twee ‘etappen’. Het argument van zijn tegenstanders was in feite dat je dan, door te zondigen, God de kans zou geven des te meer genade te tonen. Dat formuleert hij als volgt:
Betekent dit nu dat we moeten doorgaan met zondigen om de genade te laten toenemen? Dat in geen geval. Hoe zouden wij, die dood zijn voor de zonde, nog in zonde kunnen leven? (vs 1-2).
Hij legt dan uit dat de doop een symbolisch sterven met Christus is, waar je als een volkomen nieuwe mens weer uit op dient te staan. Wie dan maar doorgaat met zijn oude leven, is geen nieuwe mens, en dus niet in Christus. En die oude mens was en is niet verlost.
We kunnen niet doorgaan met ons oude leven, zelfs niet met als argument dat we daarmee God de gelegenheid zouden geven meer genade te betonen. Maar we zouden toch in elk geval niet zo verschrikkelijk ons best hoeven te doen, want onze fouten worden ons toch wel vergeven omdat we nu recht hebben op Gods genade:
Betekent dit nu dat we zonder bezwaar kunnen zondigen omdat we toch niet onder de wet staan, maar onder de genade leven? Absoluut niet (vs 15).
Dat argument bestrijdt hij door erop te wijzen dat wij zijn als slaven die uit het eigendom van de ene meester (de zonde) zijn losgekocht, en zijn overgegaan in eigendom van een andere meester (gehoorzaamheid). En een slaaf is nu eenmaal verplicht zijn huidige heer met alle loyaliteit te dienen. Hij kan zich niet permitteren af en toe nog wat bij te klussen voor zijn vroegere meester: het is alles of niets! In hoofdstuk 8 zal hij dan uitleggen dat aankomt op onze mentaliteit, die hij aanduidt als de geest of de gezindheid van Christus.
We moeten ons er goed van bewust zijn dat het hier gaat om hetwillens en wetens zondigen. Paulus zegt niet dat Gods genade begrensd is, maar dat wij van onze kant wel de plicht hebben ons best te doen. Wij kunnen niet maar onze gang gaan en vervolgens een beroep doen op Gods genade.
Dat was nu juist het argument van zijn tegenstanders in die zin dat zij hem die opvatting in de schoenen schoven, om er dan vervolgens op te wijzen dat een dergelijke opvatting te zot voor woorden is, en dat Paulus dus onzin verkondigde. Wat Paulus in werkelijkheid bestreed, was de opvatting dat je alleen behouden kon worden door het stipt in acht nemen van de Wet, dus precies het tegenovergestelde.
Zijn tegenstanders proberen zijn leer tot in het belachelijke door te trekken, om die dan als absurd ter zijde te kunnen schuiven. Paulus probeert hier niet de omvang van Gods genade in te perken, maar bestrijdt het valse argument dat je er dan zonder bezwaar op los zou kunnen leven.
Na zijn uitspraak over bidden, vinden en kloppen in de bergrede vermaant Jezus zijn gehoor:
Gaat in door de enge poort, want wijd is de poort en breed de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort, en smal de weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden (Matteüs 7:13-14)
Wanneer we, met bovenstaande taalles in ons achterhoofd, eens naar de werkwoordsvormen kijken, constateren we het volgende:
Jezus zegt, ‘zoekt en u zult vinden’ waarmee hij bedoelt dat men daar continu, zijn hele leven lang, mee bezig moet zijn om dan aan het eind voor de goede poort te staan. Maak niet de fout achter de grote massa aan te lopen, want die gaan met zijn allen juist door de verkeerde poort naar binnen.
De groep die bereid is serieus op zoek te gaan, zal maar uit weinigen bestaan, dus wees je daar van bewust. Het argument dat ‘zoveel miljoenen die zich gelovigen noemen kunnen het toch niet allemaal mis hebben’ is letterlijk levensgevaarlijk. Het kan niet alleen, het zal zelfs met zekerheid zo zijn, want Jezus vertelt ons dat hier. Wij moeten voortdurend blijven zoeken en dan zullen we ook vinden. Want ook dat heeft Hij ons met nadruk verzekerd.
“Dit is het uiterste van vriendelijkheid en liefde: doe niets bij de ander waarvan je niet wilt dat het ook jezelf gebeurt.”
bron: Analects, XV, 23
“Wat je zelf als haat ervaart, doe dat de ander niet aan. Dat is de enige Wet.”
bron: Talmoed, Shabbat 31a
“Niemand van jullie is een gelovige als je niet voor je broeder hetzelfde wenst als voor jezelf.”
bron: Sunnah
“Doe de ander geen pijn op een manier die je ook zelf pijnlijk zou vinden.”
bron: Undana-vargua: 5.18
“Behandel de ander zoals jij zelf ook behandeld zou willen worden.”
bron: Lucas 6:31
“Dat natuur alleen goed is als het niets doet bij een ander, dat jet zelf niet zou willen ondergaan.”
bron: Dadistan-I Dinik, 94:5
“Dit is de optelling van al het rechtvaardige; behandel anderen zoals je zelf ook behandeld zou willen worden. Doe niets bij uw buurman waarvan u het zelf niet wilt.”
.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Pasteltekening van John Astria
.
Het op een na belangrijkste is dit: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.
Tot slot vraag ik u: Wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn.
Dus troost elkaar en wees elkaar tot voorbeeld, zoals u trouwens al doet.
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.
Houd de onderlinge liefde in stand en houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen.
Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen, maar neem u voor, uw broeder en zuster geen aanstoot te geven en hen niet te ergeren.
Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.
Verdraag elkaar en vergeef elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven.
Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden.
De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde.
Natuurlijk, u veroordeelt dit alles. Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook.
Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.
Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf.
Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u.
Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’
De een beschouwt bepaalde dagen als een feestdag, voor de ander zijn alle dagen gelijk. Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen.
Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven.
Dit is immers wat u vanaf het begin hebt horen verkondigen: dat we elkaar moeten liefhebben.
Dit zegt de Heer van de hemelse machten: Spreek eerlijk recht, wees goed en zorgzaam voor elkaar; onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen, en wees er niet op uit om een ander kwaad te doen.
Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.
Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen.
Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.
Wat liefde is, hebben we geleerd van hem die zijn leven voor ons gegeven heeft. Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters.
Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden?
Daarop kwam Petrus bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’ Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.’
Terwijl Petrus onder zware bewaking zat opgesloten, bleef de gemeente vol vuur voor hem bidden tot God.
.
Pasteltekening van John Astria
.
Het op een na belangrijkste is dit: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.
Tot slot vraag ik u: Wees allen eensgezind, leef met elkaar mee, heb elkaar lief als broeders en zusters, wees barmhartig en bereid de minste te zijn.
Dus troost elkaar en wees elkaar tot voorbeeld, zoals u trouwens al doet.
Handel niet uit geldingsdrang of eigenwaan, maar acht in alle bescheidenheid de ander belangrijker dan uzelf.
Behandel anderen dus steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.
Houd de onderlinge liefde in stand en houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen.
Laten we elkaar daarom niet langer veroordelen, maar neem u voor, uw broeder en zuster geen aanstoot te geven en hen niet te ergeren.
Laten we dus, in de tijd die ons nog rest, voor iedereen het goede doen, vooral voor onze geloofsgenoten.
Verdraag elkaar en vergeef elkaar als iemand een ander iets te verwijten heeft; zoals de Heer u vergeven heeft, moet u elkaar vergeven.
Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden.
De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde.
Natuurlijk, u veroordeelt dit alles. Maar u bent evenmin te verontschuldigen. Het oordeel dat u over anderen velt, velt u over uzelf, want de dingen die u veroordeelt doet u zelf ook.
Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.
Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf.
Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u.
Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’
De een beschouwt bepaalde dagen als een feestdag, voor de ander zijn alle dagen gelijk. Laat iedereen zijn eigen overtuiging volgen.
Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven.
Dit is immers wat u vanaf het begin hebt horen verkondigen: dat we elkaar moeten liefhebben.
Dit zegt de Heer van de hemelse machten: Spreek eerlijk recht, wees goed en zorgzaam voor elkaar; onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen, en wees er niet op uit om een ander kwaad te doen.
Aanvaard elkaar daarom ter ere van God, zoals Christus u heeft aanvaard.
Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen.
Als ik, jullie Heer en jullie meester, je voeten gewassen heb, moet je ook elkaars voeten wassen.
Wat liefde is, hebben we geleerd van hem die zijn leven voor ons gegeven heeft. Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters.
Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden?
Daarop kwam Petrus bij hem staan en vroeg: ‘Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken? Tot zevenmaal toe?’ Jezus antwoordde: ‘Niet tot zevenmaal toe, zeg ik je, maar tot zeventig maal zeven.’
Terwijl Petrus onder zware bewaking zat opgesloten, bleef de gemeente vol vuur voor hem bidden tot God.
Pasteltekening van John Astria
.
De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan.
.
En bovenal, kleed u in de liefde, dat is de band die u tot een volmaakte eenheid maakt.
Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.
Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.
Moge hij vanuit zijn rijke luister uw innerlijke wezen kracht en sterkte schenken door zijn Geest, zodat door uw geloof Christus kan gaan wonen in uw hart, en u geworteld en gegrondvest blijft in de liefde.
Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.
Mannen, heb uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad en zich voor haar heeft prijsgegeven om haar te heiligen, haar te reinigen met water en woorden.
Heb elkaar lief met de innige liefde van broeders en zusters en acht de ander hoger dan uzelf.
Moge de Heer uw wil en verlangen richten op de liefde voor God en de standvastige trouw aan Christus.
Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden.
Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief,’ maar hij haat zijn broeder of zuster, is hij een leugenaar. Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, liefhebben als hij de ander, die hij wel ziet, niet liefheeft.
Maar het is zoals geschreven staat: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’
De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.
Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u.
Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus.
Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.
Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde.
Het op een na belangrijkste is dit: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’ Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.
Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.
Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal.
Immers: Wie het leven liefheeft en gelukkig wil zijn, moet geen laster of leugens over zijn lippen laten komen, hij moet het kwaad uit de weg gaan en het goede doen, en voortdurend vrede nastreven.
Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid.
God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.
Wees niet haatdragend. Als je iemand iets te verwijten hebt, roep hem dan ter verantwoording en laad niet omwille van een ander schuld op je door je te wreken of wrok te blijven koesteren. Heb je naaste lief als jezelf. Ik ben de Heer.
Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden.
Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
De liefde berokkent uw naaste geen kwaad, dus de wet vindt zijn vervulling in de liefde.
En ga de weg van de liefde, zoals Christus, die ons heeft liefgehad en zich voor ons gegeven heeft als offer, als een geurige gave voor God.
De wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.’
Dit is immers wat u vanaf het begin hebt horen verkondigen: dat we elkaar moeten liefhebben.
Houd de onderlinge liefde in stand en houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen.
Wie mijn geboden kent en zich eraan houdt, heeft mij lief. Wie mij liefheeft zal de liefde van mijn Vader en mij ontvangen, en ik zal mij aan hem bekendmaken.
Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.
En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven.
Ik geef jullie een nieuw gebod: heb elkaar lief. Zoals ik jullie heb liefgehad, zo moeten jullie elkaar liefhebben.
Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.
Maar de vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Er is geen wet die daar iets tegen heeft.
Maar omdat God zo barmhartig is, omdat de liefde die hij voor ons heeft opgevat zo groot is, heeft hij ons, die dood waren door onze zonden, samen met Christus levend gemaakt. Ook u bent nu door zijn genade gered.
En wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede.
Broeders en zusters, wij moeten God altijd voor u danken. Het past ons dit te doen, omdat uw geloof sterk groeit en uw liefde voor elkaar groter wordt.
Iedereen die ik liefheb wijs ik terecht en bestraf ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt.
‘Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’
Jezus antwoordde: ‘Wanneer iemand mij liefheeft zal hij zich houden aan wat ik zeg, mijn Vader zal hem liefhebben en mijn Vader en ik zullen bij hem komen en bij hem wonen.’
Want: ‘Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet uw zinnen niet op wat van een ander is’ – deze en alle andere geboden worden samengevat in deze ene uitspraak: ‘Heb uw naaste lief als uzelf.’
Broeders en zusters, u bent geroepen om vrij te zijn. Misbruik die vrijheid niet om uw eigen verlangens te bevredigen, maar dien elkaar in liefde.
Span daarom al uw krachten in om uw geloof te verrijken met deugdzaamheid, uw deugdzaamheid met kennis, uw kennis met zelfbeheersing, uw zelfbeheersing met volharding, uw volharding met vroomheid, uw vroomheid met liefde voor uw broeders en zusters, en uw liefde voor uw broeders en zusters met liefde voor allen.
‘Ik heb hun uw naam bekendgemaakt en dat zal ik blijven doen, zodat de liefde waarmee u mij liefhad in hen zal zijn en ik in hen.’
We hebben dan ook dit gebod van hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook de ander liefhebben.
Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God.
Wat ons drijft is de liefde van Christus, omdat we ervan overtuigd zijn dat één mens voor alle mensen is gestorven, waardoor alle mensen zijn gestorven, en dat hij voor allen is gestorven opdat de levenden niet langer voor zichzelf zouden leven, maar voor hem die voor de levenden is gestorven en is opgewekt.
Wat liefde is, hebben we geleerd van hem die zijn leven voor ons gegeven heeft. Daarom horen ook wij ons leven te geven voor onze broeders en zusters.
Je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf.
Deze hoop zal niet worden beschaamd, omdat Gods liefde in ons hart is uitgegoten door de heilige Geest, die ons gegeven is.
Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de HEER, jullie God, want hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.
In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent.
Tot slot, broeders en zusters, groet ik u. Beter uw leven, neem mijn vermaningen ter harte, wees eensgezind, leef in vrede met elkaar – dan zal de God van de liefde en de vrede met u zijn.
Hoe kan Gods liefde in iemand blijven die meer dan genoeg heeft om van te bestaan, maar zijn hart sluit voor een broeder of zuster die hij gebrek ziet lijden?
‘Pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’
.
.