Tagarchief: biecht

De heilige Charbel Makhlouf 

Standaard

categorie : religie

.

.

.

† 1898  Charbel Makhlouf

 

Charbel (ook Sjarbel; gedoopt JoessefMakhloef, Annaya, Libanon;

monnik; † 1898. Feest 24 juli & 24 & 25december.

 

.

 

 

.

.

Geografie

 

Ten noorden van Beyrouth, op 1600 m hoogte, bevindt zich Beqaa Kafra, het hoogstgelegen dorp van Libanon. Daar is het centrum van de Maronieten. Het zijn fiere, moedige en gastvrije mensen die sterk gehecht zijn aan hun christelijke overtuiging.

Sedert vele eeuwen vereren zij de H.Maagd Maria; ze bidden de Rozenkrans waar ze ook zijn: thuis, op het werk, op het veld. Ze hebben grote eerbied voor hun priesters. Als een Maroniet een priester ontmoet, kust hij zijn hand als uitdrukking van eerbied voor hem.

 

 

.

Youssef Anton Makhlouf

 

Youssef Anton Makhlouf is op 8 mei 1828 geboren, als vijfde kind van een arm gezin. Zijn ouders waren zeer vroom en godvrezend, inzonderheid zijn moeder, Brigitta. Zij vastte dikwijls. Vol genegenheid leerde zij haar kinderen de geloofswaarheden kennen en bracht ze elke avond samen voor het gezinsgebed. Ze ontbrak nooit in de dagelijkse H.Mis. Voor haar was dit het steunpunt van de dag. Ze ging ernaar toe met haar jongstgeborene in de armen.

Toen hij amper drie jaar was verloor Youssef zijn vader. Tanios, een oom aan moeders kant, deed zijn best om zijn zuster en de weeskinderen te helpen. Enkele jaren later besloot Brigitta opnieuw te huwen. Lahoud, de tweede man van Brigitta was zeer vroom. Hij nam het welzijn van het gezin ter harte. Hij droomde ervan priester te worden. Hij sprak erover met zijn vrouw. Zij stemde in. Na zijn studies werd hij priester gewijd. De orthodoxe godsdienst laat immers toe dat gehuwde mannen priester worden.

De jonge Youssef koesterde onmiddellijk genegenheid voor zijn stiefvader Lahoud. Toen deze priester werd kreeg hij de naam pater Dominicus. Hij nam het kind met zich mee overal waar hij ging om de mensen te helpen.

Als hij oud genoeg was werd hij zijn koorknaap en diende hem als hij de H.Mis opdroeg. Naast de dorpskerk werd er een school opgericht waar de jongens leerden lezen en schrijven, de H.Mis dienen en ze leerden er ook de H.Mis helemaal te zingen.

Naast zijn studies, moest de jonge Youssef de dieren hoeden en hij werkte op het veld. Zijn moeder leerde hem te bidden met het hart, maar ook bidden in de eenzaamheid. Hij nam de gewoonte zich terug te trekken in een grot, waar hij alleen was en waar hij bad voor een beeldje van O.L.Vrouw dat hij daar verborgen had. Aan de H.Maagd sprak hij zijn verlangen uit om in het voetspoor te treden van zijn twee ooms van moeders zijde, Augustin en Daniël die monniken en asceten waren. Vaak bracht hij hun een bezoek in het klooster en bad er met hen. Hij bewonderde hun leven van onthechting en volkomen overgave aan God.

Mariam, een jong meisje uit de buurt en zelfs een verre verwante van Youssef, werd verliefd op hem. Soms volgde ze hem ongemerkt tot aan de grot en sloeg hem gade terwijl hij in gebed verzonken was. In stilte leed ze eronder dat hij zo onthecht was aan het wereldse. Ze begreep dat hij zijn liefde enkel aan God zou geven. Het jonge meisje had de echte betrachting van Youssef begrepen.

Op de leeftijd van 23 jaar verliet Youssef zijn huis,’s nachts in het geheim, zich bewust dat zijn omgeving niet opgetogen zou zijn met zijn keuze. Zijn stiefvader en zijn oom rekenden op hem voor het werk op het veld en zijn moeder had twijfels in verband met zijn roeping. Mariam hield van hem en zijn broers en zussen verkozen dat hij bij hen bleef.

Om die reden nam Youssef afscheid van hen in de stilte van zijn gemoed. Zonder dat iemand het wist, ondernam hij een verre tocht naar het heiligdom van O.L.Vrouw van Mayfoug. Hij had besloten daar zijn eerste jaren noviciaat te doen.

Na enige ontreddering wegens het plotse vertrek van Youssef, gingen zijn oom Tanios en zijn moeder naar het klooster van Mayfoug om hem te overreden naar huis terug te keren. Maar dit bleek vergeefse moeite. Hij wilde monnik worden. Tenslotte zei zijn moeder:” Als je een slechte monnik wil worden, kom dan direct naar huis! Maar als je roeping van God komt, word dan een heilige.”

De jonge man was echter meer dan ooit overtuigd van zijn levenskeuze. Hij bleef in het klooster en kreeg de naam Charbel. Die naam verwijst naar een martelaar uit de tweede eeuw. Om God nog beter te dienen en Zijn Wil te doen, wijdde hij zich nog meer aan gebed en vasten, aan gehoorzaamheid en versterving.

Na dit eerste jaar noviciaat begaf de jonge Charbel zich naar het klooster van de heilige Maron (behoeder van de katholieke orthodoxie). Hij deed er zijn eeuwige geloften. Hij begon toen uitsluitend binnen de kloostermuren te leven. Het was aan vrouwen niet toegelaten er binnen te komen, zelfs niet aan familieleden. Zo kwam Brigitta, zijn moeder op zekere dag naar het klooster op bezoek bij haar zoon.

Maar ze kreeg hem niet te zien. Ze kon enkel zijn stem van achter de tralies horen en zei hem:

”Mijn jongen, wat doe je? Steek je je weg voor mij?”

“ Moeder, antwoordde Charbel, als God het wil, zullen we mekaar ontmoeten in de eeuwigheid en we zullen voor altijd verenigd zijn.”

 

 

 

.

Zijn leven als kluizenaar

 

Na zijn theologiestudies in het klooster van St Kobrianous en St Justin te Kfifan( Batroun), werd Charbel op 23 juli 1859 te Bkerkg priester gewijd.

Toen hij naar de stad Annaga werd gestuurd, kwamen alle familieleden en veel mensen uit zijn dorp daarheen.

Zij ontvingen er zijn zegen. Zo kwamen ook zijn oom Tanios en zijn oude moeder daar naartoe. Ook Mariam die intussen gehuwd was en vele anderen. Ze kusten zijn hand vol eerbied en vroegen hem naar het dorp te komen en er de H.Mis op te dragen. Maar hij weigerde. Hij was er zich van bewust dat de monnik die zijn klooster verlaat, het risico loopt de onthechting aan de voormalige levenswijze te schaden.

Onder leiding van zijn geestelijke leidsman, pater Hardini, wijdde hij zich aan de studie van de Heilige Schrift om zo te groeien in heiligheid. Hoe meer hij afstand nam van het leven, hoe meer zijn innerlijk leven groeide in eenheid met God.

Dit alles ging niet vanzelf. De duivel, de eeuwige vijand van de mens, kwelde hem voortdurend. Maar hij doorstond de pijnen, zuchtend en op de tanden bijtend. Wanneer de aanval van Satan voorbij was, herwon hij ogenblikkelijk zijn serene, onthechte ingesteldheid.

Charbel leidde een steeds ascetischer leven. Hij werd een voorbeeld van armoede, droeg de meest versleten kledij, altijd dezelfde en at geen vlees.

Op het veld deed hij het lastigste werk. Wanneer hij geld ontving om H.Missen op te dragen, gaf hij het onmiddellijk af aan zijn oversten, zonder zelfs te weten wat hij gekregen had. Hoewel hij voortdurend in de stilte leefde, in onthechting aan de wereld, kende men hem als een iemand die vol respect en liefde voor de medemens was.

Wanneer hij biecht hoorde, bleek dat hij de gave had om in de harten van de mensen te zien. Hij gaf strenge penitenties voor het herstel van de zonden, terwijl hij de biechteling met respect en liefde hielp om zijn levensstijl tegenover God en de naaste te verbeteren.

Op een zekere dag werd Charbel opgeroepen bij een zieke knaap. Hij begreep onmiddellijk dat het levenseinde van de jongen nabij was. Hij nam zijn biecht af en bereidde hem voor om sereen in Gods barmhartige Liefde te sterven. Naar verluidt heeft Charbel een andere jongeman genezen van typhus.

Bij een brutale aanval van de Turken werden 14.000 christenen samen met hun priesters gemarteld en gedood. Urenlang bleef hij geknield voor het tabernakel, bewegingloos, om God te bidden om hulp voor zijn volk. Hij smeekte de H.Maagd Maria om voorspraak bij haar Zoon om Libanon te redden.

 

.

Zijn toewijding aan de Moeder Gods was bekend.

Vaak zei hij : “ Als je wil dat je ziel gered wordt, bid dan tot de H.Maagd Maria opdat Zij voor jou ten beste spreekt. Zij zal je heil waarborgen.”

 

Na zestien jaar kloosterleven met de andere monniken, vroeg Pater Charbel de toelating om afgezonderd als kluizenaar te leven. Gedurende 23 jaar leefde hij in onthechting, strijdend tegen de zonde en tegen elke gedachte die niet op God was gericht. Hij at slechts éénmaal per dag en at slechts één soort voedsel tegelijk. Hij gebruikte geen vlees noch fruit.

Hij sliep ongeveer drie à vier uren per nacht op een schamele strozak op de grond; een houtblok diende als hoofdkussen. Hij kreeg toelating om in zijn cel slechts over een kan met water te beschikken. Tijdens zijn kluizenaarschap ging hij door met  eenvoudige en lastige handenarbeid. Hij bad veel. Om 11u , elke dag, droeg hij de Heilige Mis op. Die duurde drie uren. Daarna gebruikte hij zijn armoedige maaltijd. Als hij iets moest zeggen aan zijn confraters, sprak hij op gedempte toon en met weinig woorden. Hij stapte in stilte, met neergeslagen blik, terwijl hij de Rozenkrans of andere gebeden bad.

 

 

 

 

Anekdotes van zijn levensstijl

 

Op zekere dag kwam zijn broer op bezoek. Pater Charbel liet zijn broer binnenkomen, na toestemming van de overste, en stelde hem twee korte vragen: “ Hoe gaat het met de ganse familie? En beleven jullie de geboden van God?” Hiermede was het onderhoud afgelopen.

De kluizenaar gebruikte ook niet veel woorden als andere monniken hem kwamen bezoeken. Hij ontving hen met een glimlach die hun welkom betekende en zonder verder omhaal stak hij hun de biografie van een heilige in handen. Daarna wees hij hun een passage aan die ze moesten lezen als spirituele aansporing.

Verscheidene mensen kunnen getuigen dat Pater Charbel nooit een dier heeft gedood, zelfs niet als het om gevaarlijke dieren ging. In de wijngaard van het klooster vonden de monniken eens een grote giftige slang. Vol schrik riepen zij de kluizenaar te hulp. Hij kwam, stond recht tegenover de slang en terwijl hij zijn wijsvinger vooruit richtte, zei hij op kalme toon: “ Verdwijn van hier!” de slang kronkelde even en kroop weg in de richting die hij had aangewezen! Dit gebeurde volgens de manier van denken van de heilige. “Het behoort mij niet toe, maar alleen God, de Schepper, om al dan niet een slang van het leven te beroven.”

De overste van de kluizenarij, die vaststelde dat de lucht verduisterde door miljoenen dreigende sprinkhanen, vroeg aan Pater Charbel onmiddellijk water te wijden. Hij wijdde het en overal waar dit wijwater werd gebruikt waren de velden gered. Later hebben de bewoners van de nabij gelegen dorpen de gewoonte aangenomen wijwater van de Kluizenarij te gebruiken om ongedierte ( ratten, vossen) en ook muggen en andere schadelijke insecten te verdrijven.

 

Bij de christenen en de moslims was het vertrouwen in de macht van de wonderdoener, pater Charbel, zeer groot.

De genezing van een gevaarlijke mentaal zieke toont dit aan. Met veel moeite en met de hulp van verscheidene sterke mannen werd de zieke man tot aan de ingang van het klooster gebracht. Toen ze daar aankwamen was hij woest, hij beet, hij sloeg en schreeuwde en wou niet naar binnen. Maar toen de rijzige gestalte van de Kluizenaar aan de deur verscheen, knarsetandde de gekke man en hij snakte naar adem. Daarna werd hij rustig en liet zich naar de kapel leiden waar pater Charbel het Evangelieboek op zijn hoofd legde. Hij las er een bladzijde uit voor en de man was volkomen genezen.

 

 

.

De dood van de Kluizenaar

 

De laatste week van zijn leven lag hij vol pijn op een strozak op de grond. Ondanks het lijden en met de dood voor ogen, bad hij zonder ophouden. Hij weigerde versterkend voedsel en wilde trouw blijven aan zijn vroegere gelofte. In de heilige nacht even voor Kerstmis, na het sacrament van de zieken te hebben ontvangen, is hij gestorven om voor eeuwig in Gods Liefde opgenomen te worden.

Wenend droegen zijn medebroeders zijn lichaam op hun schouders. Stappend doorheen de tuin die met een laagje verse sneeuw was bedekt, brachten  ze hem binnen in de ijskoude kapel. Ze legden hem vóór het altaar en staken vier kaarsen aan. Bevend van de koude en helemaal verkleumd, hielden ze de hele nacht de wake bij de afgestorvene.

’s Anderendaags wikkelden zij het lichaam in een laken en begroeven het, zonder kist, in de grond van het kerkhof van Annaga, dat aan de kluizenarij paalt. Vijf maanden later werd een schitterende lichtstraal gezien tussen de begraafplaats van Pater Charbel en de kapel. De overste was hierover niet verbaasd. Hij wist dat pater Charbel reeds tijdens zijn leven een heilige was. Hij gaf opdracht het lichaam te ontgraven. Tot ieders verbazing bleek het lichaam ongeschonden.

Het laken was doordrenkt met een rooskleurig vocht dat op bloed geleek. Het leek alsof pater Charbel niet dood was, maar ingeslapen. Het lichaam was niet stijf maar soepel en beweeglijk alsof hij levend was. Ze trokken hem verse kleren aan. Kort daarna waren die kleren ook doordrenkt met hetzelfde eigenaardige vocht. Deze feiten konden niet onopgemerkt of onbesproken blijven. Weldra kwamen de mensen van overal toegelopen.

Er volgden toen tal van genezingen en duizenden bekeringen, en dit niet alleen bij de christenen.

Teneinde het lichaam te onttrekken aan de soms opdringerige mensen, legde men het in een stenen graf. Kort daarop begonnen de wanden van het graf bloederig zweet af te scheiden.

In 1927 werd een nieuwe opgraving bevolen. Opnieuw vond men een ongeschonden lichaam, soepel, dat hetzelfde mysterieus vocht afscheidde. Vanuit het klooster zond men een brief aan Paus Pius XI met verzoek tot zaligverklaring van Pater Charbel. Toen werd hij een derde maal begraven in een nieuwe graftombe.

 

 

 

.

Talrijke genezingen

 

Er werden talrijke genezingen door toedoen van de heilige uit Libanon vastgesteld. We staan even stil bij twee gevallen die met het oog op de zaligverklaring door de geneesheren nauwgezet onderzocht werden.

Het eerste geval betreft de plotse genezing van zuster Marie Abel Kamani. Door een landurige ziekte kon ze zich enkel in een rolstoel verplaatsen. Nadat ze het “ vocht” dat door de stenen wand van het graf naar buiten drong, had aangeraakt, was zij in staat uit haar rolstoel op te staan. Al 14 jaar leed zij aan de maag. Haar pancreas, blaas en nier waren aaneengekleefd en werkten bijna niet.

Ze moest dikwijls overgeven en ze was graatmager. Haar rechter arm was verlamd. Ondanks twee operaties voelde ze dat ze weldra zou sterven. Maar nadat ze het “ vocht” op de wand van het graf van Pater Charbel had aangeraakt, was ze ineens helemaal genezen. Toen de klokken luidden om dit heugelijk feit te verkondigen, was er ook een moslim naar de kerk gekomen; hij verklaarde meteen dat hij christen wilde worden. Hij zei tegen de genezen zuster:”uw genezing heeft me teruggebracht tot het christendom. Eigenlijk was ik naar hier gekomen om te genezen van mijn doofheid, maar God heeft mij geestelijk licht gegeven.”

De andere genezing betreft de heer Iskander Obeide die opnieuw kon zien nadat hij het graf van de heilige had bezocht. Nadat hij uit één oog blind was geworden, had hij vaak tot de heilige Charbel gebeden. Deze verscheen hem ‘s nachts in een droom en zegde hem zich naar zijn graf te begeven. Hij zou pijn voelen maar ook genezen. Toen hij daar aankwam, voelde die man een brandende pijn in zijn oog en toen hij zijn oog opende kon hij opnieuw zien.

Het nieuws over de buitengewone genezingen en bekeringen van vele mensen die het graf van Pater Charbel bezochten, ging tot ver over de grenzen van Libanon. Steeds meer mensen gingen er op bedevaart om meer van zijn leven te weten te komen en om zijn voorspraak te bekomen. Een jong meisje, Hosn Mohair had van toen ze nog klein was een been dat 5 à 6 centimeter korter was dan het andere. Hierdoor liep ze erg mank. Ze begaf zich naar Annaga en bracht wijwater en wat aarde, die ze nabij het graf van de heilige had genomen, mee naar huis. Met dit water en die aarde begon ze haar gebrekkig been te masseren. Haar verwanten probeerden haar daar vanaf te brengen omdat ze na verloop van enkele dagen geen enkel resultaat bespeurden. Maar het meisje was zo gedreven door een vast vertrouwen dat ze doorzette…. en stilaan werd het gebrekkige been langer tot het even lang was als het andere. De overheidspersonen van het dorp die tot de Druzen behoorden, kende haar persoonlijk. In 1950 verstrekten zij beëdigde verklaringen om dit wonderbare feit te bevestigen.

In de jaren 1950 werd het graf meerdere malen geopend. Eminente specialisten onderzochten het lichaam. Na meer dan een halve eeuw bleek het nog onaangetast. Er was geen enkel spoor van ontbinding en het was bedekt met een rooskleurig vocht, wat medisch onverklaarbaar was. Veel mensen die naar het graf kwamen werden genezen, niet alleen fysisch maar ook spiritueel.

Het nieuws over de talrijke mirakelen verspreidde zich als een lopend vuurtje. Er bestaat ook een miraculeuze foto. Deze kwam er tijdens één van de verschijningen van de heilige Charbel. Op die wijze kregen de komende generaties een duurzaam portret van de heilige.

 

 

 

Scapulier

 

 

 

Het scapulier van Sint Charbel (heeft de macht duivels te verdrijven).

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

De Katholieke Kerk kent zeven sacramenten

Standaard

categorie : religie

 

 

De Katholieke Kerk kent zeven sacramenten. Sacramenten zijn tekens van Gods nabijheid. Volgens de katholieke leer zijn de sacramenten ingesteld door Jezus. Op het moment waarop je een sacrament ontvangt kun je zeer sterk ervaren dat God een actieve rol speelt in je leven. Maar of je het ervaart of niet, op die momenten gebeurt er iets met je.

 

 

7_sacramenten

.

.

Drie soorten sacramenten

 

Om te beginnen kunnen we onderscheid maken in drie soorten sacramenten. Er zijn drie zogeheten initiatiesacramenten. Dit zijn sacramenten om opgenomen te worden in de kerk:

  • het sacrament van het doopsel,
  • het sacrament van de eucharistie
  • het sacrament van het vormsel.

Dan zijn er twee sacramenten voor ondersteuning in moeilijke tijden:

  • het sacrament van de biecht
  • het sacrament van de ziekenzalving.

Deze twee sacramenten worden ook wel de sacramenten van genezing genoemd.

Tot slot zijn er twee sacramenten die een levenswijze inhouden :

  • het sacrament van het huwelijk
  • het sacrament van de wijding.

Hieronder een opsomming met bij elk sacrament een korte uitleg

 

 

 

Het sacrament van het doopsel

 

Het doopsel is het fundamentele sacrament van de christelijke initiatie. Dopen betekent onderdompelen. Bij de doop wordt degene die gedoopt wordt overgoten met water. De doop maakt ons tot kind van God. Tevens wordt een mens door de doop opgenomen in de kerk.

Het doopsel wordt toegediend door een priester of een diaken. Hij spreekt hierbij de woorden: ‘Ik doop u in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.’ In geval van nood mag iedereen het doopsel toedienen. Voorwaarde is wel dat hij of zij de oprechte intentie heeft te doen wat de Kerk doet. Het sacrament van het doopsel kan slechts éénmaal in een leven ontvangen worden.

 

 

 

 

 

 

Het sacrament van de eucharistie

 

Het woord ‘eucharistie’ betekent letterlijk ‘dankzegging’. Een belangrijk moment tijdens de eucharistie is de communie, het moment waarop men de heilige Hostie, het heilig Brood tot zich neemt. Hierbij kan Jezus heel dichtbij worden ervaren. Meestal wordt de Eerste Communie gevierd rond de leeftijd van 7 of 8 jaar.

Een eucharistieviering wordt altijd voorgegaan door een priester. De mensen in de kerk komen als gemeenschap bij elkaar om brood en wijn te delen en om het leven, de dood en verrijzenis van Jezus te herdenken. Als de priester het eucharistisch gebed uitspreekt over het brood en de wijn worden deze omgevormd tot Lichaam en Bloed van Jezus Christus.

Het eucharistisch gebed bevat de woorden die Jezus uitsprak bij het laatste avondmaal: ‘Neemt en eet hiervan, gij allen, want dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt.’ En ‘Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe, altijddurende verbond; dit is mijn bloed dat voor u en voor alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.

Blijft dit doen om Mij te gedenken.’ Telkens als christenen eucharistie vieren, doen zij dus wat Jezus zijn leerlingen heeft opgedragen. De eucharistie kan elke dag gevierd worden, wat betekent dat het sacrament van de eucharistie dagelijks ontvangen kan worden.

 

 

Het sacrament van het vormsel

 

Dopen gebeurt vaak als men nog een klein kind is. Het is een keuze die door ouders/opvoeders wordt gemaakt. Bij het ontvangen van het sacrament van het vormsel kiest de vormeling er zelf voor om verder te gaan op de weg van het geloof. Meestal ontvangt men dit sacrament rond de leeftijd van 12 jaar. Dit sacrament is de voltooiing van de christelijke initiatie.

Bij het sacrament van het vormsel sterkt de vormheer (meestal de bisschop) de vormeling met de kracht van de Heilige Geest door handoplegging. Tevens geeft hij de vormeling een kruisje op het voorhoofd met gewijde olie (zalving) en bezegelt hiermee dat hij/zij op Christus gelijkt. De Heilige Geest helpt mensen om in geloof de weg van Jezus te volgen. Net zoals het doopsel kan men het vormsel slechts eenmaal ontvangen.

 

 

 

Het sacrament van boete en verzoening – De biecht

 

De biecht wordt ook wel het sacrament van de vergeving genoemd. In het leven komen mensen steeds weer voor keuzes te staan. Ook raken we wel eens verzeild in moeilijke situaties. We maken dan niet altijd de juiste keuzes. Soms gaat het om hele kleine dingen, maar soms gaat het ook behoorlijk mis, en komen we met andere mensen in de knoop te zitten en daarbij ook met onszelf en met God.

In het sacrament van boete en verzoening draait het om het herstellen van een door zonde beschadigde relatie met God en kerkgemeenschap. De priester kan in dit sacrament in Christus’ naam zonden vergeven. Na de begroeting in een biechtgesprek belijdt de boeteling zijn zonden. Het is belangrijk dat de boeteling het hele verhaal vertelt, daadwerkelijk berouw heeft over zijn of haar zonden en de intentie heeft zijn leven te veranderen.

Daarna legt de priester een passende penitentie op, meestal in de vorm van gebeden of goede werken. Vervolgens verleent de priester de boeteling vrijspraak en vrede. Hij gebruikt hierbij de woorden: ‘Ik ontsla u van uw zonden in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen.’ Aan het eind van het biechtgesprek ontvangt de boeteling de zegen van de priester.

De priester is overigens gehouden aan een streng biechtgeheim. Schending van het biechtgeheim is strafbaar. Als iemand een zware misdaad opbiecht kan de priester proberen deze persoon over te halen om dit openbaar te maken en een passende juridische straf te aanvaarden. De beslissing hierover ligt echter bij de biechtende persoon.

 

 

 

 

 

Het sacrament van de ziekenzalving

 

Het sacrament van de ziekenzalving heeft als doel een bijzondere genade te verlenen aan de christen die te kampen heeft met de moeilijkheden die verbonden zijn met een ernstige ziekte of met ouderdom. Vaak gebeurt dit op het moment dat de gelovige ten gevolge van deze ziekte of ouderdom in levensgevaar verkeert. Alleen een priester kan de ziekenzalving toedienen.

Bij het sacrament van de ziekenzalving zalft de priester het hoofd en de handen van de zieke met olie. Deze olie is speciaal voor dit sacrament door de bisschop gewijd. Tijdens de zalving spreekt de priester een liturgisch gebed uit, waarin hij bidt om de bijzondere genade van dit sacrament.

 

Deze bijzondere genade kan op de volgende manieren vrucht dragen:

  • de vereniging van de zieke met het lijden van Christus, tot zijn eigen welzijn en dat van heel de kerk
  • troost, vrede en bemoediging om op christelijke wijze het lijden te verdragen
  • vergeving van de zonden, als dit niet al is verkregen door het sacrament van de biecht
  • zo mogelijk, herstel van de gezondheid
  • voorbereiding op de overgang naar het eeuwig leven

Het sacrament van de ziekenzalving kan men meerdere keren in het leven ontvangen.

 

 

 

Het sacrament van het huwelijk

 

Het huwelijk is meer dan een samenlevingscontract, het is een levenskeuze in liefde voor elkaar. Voor Katholieken is het huwelijk niet alleen een verbond met elkaar, het is ook een verbond met God. Het kerkelijk huwelijk is binnen de christelijke traditie een verbintenis tussen een man en een vrouw die bezegeld wordt in het bijzijn God en zijn gemeenschap.

Binnen de Katholieke Kerk wordt het kerkelijk huwelijk beschouwd als de eigenlijke huwelijkssluiting en daarmee als gelijkwaardig aan het burgerlijk huwelijk. Het burgerlijk huwelijk wordt door katholieke paren vaak enkel als een administratieve handeling gezien.

Het sacrament van het huwelijk wordt in tegenstelling tot alle andere sacramenten, door de bruid en de bruidegom aan elkaar toegediend, waarbij de priester namens de kerk als getuige optreedt. In het bijzijn van de priester zeggen bruid en bruidegom officieel ‘ja’ tegen elkaar. Op dat moment worden zij door God met elkaar verbonden.

De priester neemt het ja-woord in naam van de kerk aan en spreekt er de zegen over uit. In de meeste gevallen vindt het kerkelijk huwelijk plaats binnen een eucharistieviering, maar dit is niet verplicht. Een kerkelijk huwelijk is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen te ontbinden. Wat God verbonden heeft, zal volgens de katholieke geloofsleer niet door de mens gescheiden worden.

Maar de kerk kan wel de vraag stellen of het oorspronkelijk kerkelijk huwelijk wel geldig werd afgesloten. Indien dat niet het geval is geweest kan het huwelijk door de kerk nietig worden verklaard. Hiermee heeft het huwelijk volgens de kerk nooit bestaan.

 

 

 

Het sacrament van de wijding

 

Een wijding is een rituele handeling waardoor personen, plaatsen of zaken aan een god worden toegeheiligd, hetzij om ze te bestemmen voor de eredienst, hetzij om de genade van de God van het christendom over de betrokken personen of zaken af te smeken. Iemand die door God geroepen wordt om diaken, priester of bisschop te worden, en gehoor geeft aan die roeping, kiest ervoor om zijn leven in dienst te stellen van Jezus Christus.

Hij treedt hiermee in het voetspoor van de twaalf apostelen: de leerlingen die het dichtst bij Jezus stonden, en die Hij heeft uitgezonden om na Zijn dood het evangelie overal te gaan verkondigen. De wijding vindt al sinds de apostelen plaats door handoplegging en is eenmalig en onuitwisbaar.

Een wijding tot diaken, priester of bisschop wordt altijd toegediend door een bisschop. Bij een priesterwijding roept de bisschop Gods kracht af over de nieuwe priester. De priester kan in de naam van Christus en als medewerker van de bisschop het woord van God verkondigen en de sacramenten toedienen. Bij een diakenwijding wordt de nieuwe diaken aangesteld tot een dienst binnen de geloofsgemeenschap in naam van de bisschop.

Hij staat de priester bij in de eredienst, bij pastorale taken en op het gebied van de liefdadigheid. Hij kan dopen en Gods zegen afroepen over een huwelijkspaar. Het sacrament van de wijding in zijn volheid is dat van de wijding van een bisschop. Het maakt de wijdeling tot een wettige opvolger van de apostelen. Bisschoppen zijn samen met de Paus verantwoordelijk voor de gehele Katholieke Kerk.

Omdat wijdelingen zich geroepen voelen om zich onverdeeld te wijden aan de God en Zijn werk, leven zij een celibatair leven. Dat wil zeggen dat zij geen huwelijk aangaan en geen intieme omgang hebben met een vrouw. Op deze manier kan de wijdeling zich geheel geven aan God en de mensen. De reden waarom alleen mannen gewijd kunnen worden, heeft te maken met de keuze van Christus zelf, die alleen mannen als zijn apostelen koos.

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

mijne-kop-a4

De duivel en Pater Pio

Standaard

categorie : religie

 

 

 

saint_padre_pio_postcard_004-p239242458678405622baanr_400

 

 

 

De Duivel

 

De duivel bestaat. Zijn actieve rol behoort niet tot het verleden en kan ook niet herleid worden tot het domein van de menselijke verbeelding. In werkelijkheid gaat de duivel vandaag onverminderd voort met het verleiden tot zonde. Om vele redenen moet de houding van de volgeling van Christus tegenover Satan er een zijn van waakzaamheid en van strijd en niet van onverschilligheid.

De huidige tijdsgeest heeft de figuur van de duivel verbannen naar de mythologie en de folklore. Baudelaire bevestigde juist dat het meesterwerk van Satan in deze moderne tijd er precies in bestaat te maken dat men niet meer in zijn bestaan gelooft. Bijgevolg is het niet gemakkelijk zich voor te stellen dat Satan toch blijk heeft gegeven van zijn bestaan toen hij gedwongen werd felle gevechten met pater Pio aan te gaan. Zulke ‘veldslagen’, die vermeld werden in de briefwisseling van de vereerde confrater met zijn geestelijke oversten, waren werkelijk echte gevechten op leven en dood.

 

 

 

Een van de eerste contacten die pater Pio had met de vorst van het kwaad gaat terug tot 1906 toen hij naar het klooster van Sant’Elia in Pianisi was teruggekeerd. Tijdens een zomernacht kon hij de slaap niet vatten door de drukkende hitte. Hij hoorde in de aangrenzende kamer voetstappen van iemand die heen en weer liep. “Die arme Anastasio kan ook niet slapen zoals ik”, dacht pater Pio. “Ik wil hem in ieder geval voorstellen dat we met elkaar wat zouden praten.”

Hij ging naar het venster en riep zijn metgezel maar zijn stem stokte in zijn keel. Op de vensterbank van van de aangrenzende kamer stond een rijzige afgrijselijke hond. Pater Pio vertelde: “Met ontzetting zag ik een grote hond langs de deur binnenkomen. Uit zijn muil kwam veel rook. Ik viel op mijn rug op het bed en hoorde hem zeggen: “Hij is het, hij is het!” Terwijl ik in die houding lag zag ik het beest een sprong maken naar de vensterbank vanwaar het zich naar het tegenoverliggende dak lanceerde om daarna te verdwijnen.

 

 

De listen van Satan om misbruik te maken van de doodkalme pater manifesteerden zich op allerlei manieren. Pater Agostino bevestigde ons dat Satan verscheen onder de meest uiteenlopende gedaanten: “onder de gedaante van naakte jonge meisjes die wellustig dansten, onder de gedaante van een gekruisigde, onder de gedaante van een jeugdige vriend van de broeders, onder de gedaante van de geestelijke vader of van pater provinciaal, van paus Pius X en van zijn engelbewaarder, van Sint-Franciscus, van de heilige Maria maar ook manifesteerde Satan zich in zijn afschuwelijke gelaatstrekken, met een leger van geesten uit de hel.

Soms was er geen enkele verschijning maar werd de arme pater geslagen tot bloedens toe, gekweld door oorverdovend lawaai, ondergespuwd, enz. Hij slaagde erin zich van deze aanvallen te bevrijden door de naam van Jezus te aanroepen.

 

 

De gevechten tussen pater Pio en Satan verbitterden vooral wanneer de pater de bezetenen van de duivel bevrijdde. Meer dan eens – zo vertelde Pater Tarcisio van Cervinara – schreeuwde de Boze alvorens het lichaam van een bezetene te verlaten: “Pater Pio, jij bezorgt ons meer last dan Sint-Michaël”. En ook: “Pater Pio, ontneem ons de zielen niet en wij zullen jou niet lastig vallen”.

 

 

 

 

Laat ons even kijken hoe pater Pio de aanvallen van Satan beschrijft in de brieven die hij naar zijn geestelijke oversten verstuurde.

 

 

 

 

Brief aan pater Agostino van 18 januari 1912:

“… Blauwbaard wil zich niet gewonnen geven. Hij heeft bijna alle mogelijke gedaanten aangenomen. Sedert verschillende dagen komt hij mij bezoeken met nog meer satellieten, gewapend met stokken en ijzeren werktuigen en wat het ergste is, onder hun eigen gedaanten. Wie weet hoeveel keer hij mij uit mijn bed geworpen heeft en mij door de kamer gesleept! Maar wacht! Jezus, moedertje Maria, het engeltje, Sint-Jozef en Sint-Franciscus zijn bijna altijd bij mij.”

 

 

Brief aan pater Agostino van 5 november 1912: 

“Dierbare vader, ook deze tweede brief van u, heeft –God zij dank – hetzelfde lot ondergaan als de vorige. Ik ben ervan overtuigd dat pater Evangelista u al op de hoogte heeft gebracht van de nieuwe fase van de oorlog die die vuile afvalligen tegen mij zijn begonnen. Omdat zij, vader, de volharding waarmee ik u hun hinderlagen rapporteer niet kunnen breken, hebben ze zich vastgeklampt aan dat andere extreem: ze zouden me in hun netten proberen te strikken door mij te beroven van de raadgevingen, die u mij geeft in uw brieven, mijn enige steun. Ter ere van God en om ze in verlegenheid te brengen zal ik dat verdragen.

Ik zeg u dan nog niet op welke manier die ellendelingen mij gaan treffen. Soms heb ik het gevoel dat ik ga sterven. Zaterdag leek het alsof ze me wilden afmaken. Ik was ten einde raad. Ik wendde me tot mijn engelbewaarder en nadat hij een tijdje op zich had laten wachten zweefde hij uiteindelijk rond mij. Met zijn engelachtige stem zong hij hymnen voor de goddelijke Majesteit. Er speelde zich dan een van die gewone scènes af: ik berispte hem streng omdat hij zolang op zich had laten wachten terwijl ik niet had opgehouden hem ter hulp te roepen.

Om hem te straffen wilde ik niet in zijn gezicht kijken. Ik wilde me verwijderen. Ik wilde hem mijden maar de arme raakte bijna huilend toch tot bij mij en vatte me bij de kraag. Ik richtte mijn blik omhoog, staarde hem in het gelaat en zag dat hij heel veel verdriet had.

 

 

Brief van 18 november 1912 aan de Eerwaarde Heer Augustin:

De vijand wil mij niet loslaten, hij belaagt mij voortdurend, hij doet alles om mij te vergiftigen  met zijn helse valstrikken. Het spijt mij enorm dat ik u deze feiten moet vertellen.Wel te verstaan, dat de duivel mij ervan wil weerhouden u van deze feiten op de hoogte te brengen, terwijl hij me voorstelt u slechts van zijn goede bezoeken te vertellen, deze die u kunnen behagen of verheffen.

De aartsbisschop, op de hoogte gebracht van deze aanvallen van onzuivere geesten, welke in uw brieven plaatsvinden, gaf mij de raad tegenover hem, uw laatste brief te openen. Welnu, terwijl wij hem openden, vonden wij de inhoud bedekt met inktvlekken. Was dat misschien op een andere manier de wraak van Blauwbaard ? Alhoewel, ik zou het niet kunnen begrijpen dat u een brief in zo een smerige staat  zou verzonden hebben, nochtans moet ik u bekennen dat ik moeite had deze brief te ontcijferen.

In het begin schenen de letters  onleesbaar, maar na dat ik op de brief een kruisbeeld had geplaatst en hem onder een sterk licht had gehouden, kwamen wij ertoe de inhoud van de brief te ontcijferen“.

 

 

Brief van 13 februari 1913 aan de E.H. Augustijn:

“ Het  is nu al 22 dagen dat “ze” me hardnekkig vervolgen. Mijn lichaam draagt de sporen van ontelbare slagen die “ze” mij hebben toegebracht. Meermaals, zijn “ze” zover gegaan, dat zij mijn hemd van mijn lichaam rukten om mij te slaan.

 

 

Brief van18 maart 1913 aan EH Benedetto:

“Deze duivels houden niet op me te slaan en mij uit mijn bed te doen vallen, ze slagen er zelfs in mijn hemd uit te trekken en mij te radbraken. Op dit ogenblik jagen ze mij geen angst meer aan. Soms, in zijn grote liefde, richt Jezus mij op en strekt mij uit in mijn bed.

 

 

Zekere dag, overschreed Satan de grens van het toelaatbare, door zich aan pater Pio voor te doen als een biechteling. Hierna volgt de getuigenis van Pater Pio: “Op een zekere morgen, wanneer ik in de biechtstoel zat, bood een heer zich aan. Hij was mager, slank, en gekleed met een zeker raffinement en hij was zeer minzaam. Hij begon met zijn zonden te biechten, zonden tegenover God, tegenover zijn evennaaste, tegenover de moraal en nog verschillende andere zonden.

Erg vreemd, maar een ding trof mij nochtans. Bij elk van zijn bekentenissen, nadat ik hem enkele terechtwijzingen had gedaan met betrekking tot zijn zonden, terechtwijzingen die ik had geformuleerd zoals het hoorde in Gods naam, naar kerkelijke traditie en naar de bevindingen van de Heiligen, nam de biechteling mijn woorden over en gebruikte hen met een buitengewone handigheid en bevoegdheid, om zich te verschonen van de zonden die hij zojuist gebiecht had.

Met een subtiele handigheid, trachtte hij telkens aan te tonen dat de immorele aktes die hij begaan had in feite natuurlijk waren, normaal en uit menselijk oogpunt begrijpelijk. Hij redeneerde op dezelfde wijze voor wat de zonden tegenover de Heer God  betrof, tegenover de H. Maagd of tegenover de Heiligen; en eveneens wat betrof de zonden met een onbeschrijfelijke morele smerigheid. Tegenover zulke bewijsvoering, naar voor gebracht om de beurt met een vriendelijkheid, handigheid en aandrang, stelde ik mij de vraag wie die man wel mocht zijn en vanwaar hij wel afkomstig was.

Ik observeerde hem met aandacht, naar enig teken van herkenning op zijn gelaat speurend, terwijl ik heel aandachtig naar hem luisterde teneinde niets van zijn argumenten te vergeten en in de mogelijkheid te zijn hen ten gepaste tijde te beredeneren. Op zeker ogenblik, ontving ik, door middel van een zeer intens innerlijk licht, de openbaring wie ik in feite voor mij had; op een autoritaire en gedecideerde toon, riep ik uit, “Leve Jezus, Leve Maria”. Nauwelijks had ik deze zoetklinkende en krachtige woorden uitgesproken, met als onmiddellijk gevolg dat de Duivel in een vuurbol verdween, een niet in te ademen stank achterlatend.

 

 

Eeerwaarde Heer Pierino, geestelijk directeur van pater Pio, bevond zich op een zekere dag nabij pater Pio, dag op dewelke Satan de pater uitdaagde, en waarvan zijn gewetensdirekteur hier getuigenis aflegt. “Op zekere morgen, nam e.h Pio de biecht af, ik kon het zien, want de gordijntjes van de biechtstoel waren niet volledig dicht geschoven. De biechtelingen wachtten hun beurt af, ze zaten op een rij aan een kant van de biechtstoel. Ik las mijn brevier en bij tussenpozen wendde ik mijn hoofd in de richting van e.h .PIO.

Een man met een imposante gestalte en een verleidelijk voorkomen kwam binnen onder de stijl van de kleine deur, rechts van het oude kleine kerkje. Hij droeg een donkere jas en een geruite broek. Zijn haren waren licht grijzend en zijn ogen levendig en duister. Ik wou verdergaan met mijn brevieren, maar een inwendige stem fluisterde mij in ,”stop en kijk”. De man ging zonder zijn beurt af te wachten enkele passen voorwaarts daarna enkele passen achteruit, hij ging voor de gordijntjes staan en terwijl de biechteling opstond om de biechtstoel te verlaten, plaatste hij zich voor de e.h. Pio, op die wijze dat hij mij het zicht op de biechtstoel ontnam.

Enkele ogenblikken later, zag ik de man verdwijnen met geopende benen, onder de planken, terwijl op de plaats waar een ogenblik geleden ik priester Pio gezien had, ik nu het gezicht van Jezus bemerkte, mooi, jong en blond, achter de rugleuning van de bank, terwijl hij toekeek hoe de man door de plankenvloer drong. Daarna zag ik e.h. Pio die uit de hoogte komend zich weerom neerzette op zijn plaats terwijl zijn persoon versmolt in deze van Jezus. Vervolgens zag ik nog enkel e.h. Pio.

Met zijn zware stem zegde hij, “Kom op kindertjes, willen jullie biechten” Niemand van de mensen die voor de biechtstoel wachtende waren, scheen iets van het voorval bemerkt te hebben, en de biechtviering verliep verder alsof er niets was gebeurd.

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Genezingen van Pater Pio

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

Genezingen

 

 

padre_pio

 

 

 

 

In 1919 was er een 62-jarige man uit Foggia die steunde op twee stokken om te lopen. Door van een koets te vallen had hij zijn benen gebroken en de dokters slaagden er niet in hem te genezen. Pater Pio hoorde zijn biecht en zei hem daarna: “Sta op en vertrek! Die stokken moet je wegwerpen”. De man gehoorzaamde terwijl allen met verbazing toekeken.

 

 

 

 

 

Een opzienbarende gebeurtenis die alles in rep en roer zette overkwam een veertienjarige in 1919. Op vierjarige leeftijd getroffen door tyfus, was hij slachtoffer gebleven van een vorm van Engelse ziekte (rachitis) die zijn lichaam misvormde en twee opzichtige bochels veroorzaakte. Op een dag hoorde pater Pio hem de biecht en raakte hem daarna aan met zijn gestigmatiseerde handen. De jongen stond op van de bidstoel, kaarsrecht, zoals nooit tevoren.

 

 

 

 

 

Een jonge boerin van 29 jaar, genaamd Grazia en die blind geboren was, bezocht al een tijdje regelmatig de kleine kerk van het klooster. Op een dag vroeg Pater Pio haar of ze niet graag zou zien. “Natuurlijk zou ik dat willen,” zei ze, ” indien dat me niet tot de zonde zou brengen.” Hij antwoordde haar: “Dan zal je genezen.”

En hij stuurde haar naar Bari (Italië) om de vrouw van een briljant oogarts te ontmoeten. Na Grazia onderzocht te hebben, zei de oogarts aan zijn vrouw: “Ik kan niets doen voor dit meisje. Als Pater Pio een mirakel wil vragen, kan hij haar genezen. Maar ik moet haar naar huis sturen zonder een operatie.” De vrouw van de dokter stelde voor: “Aangezien Pater Pio haar gestuurd heeft, kan je niet één oog opereren?”

De dokter liet zich overtuigen en opereerde eerst één oog, daarna het anderen en Grazia was genezen. Terug in San Giovanni Rotondo, liep Grazia naar het klooster en wierp zich aan de voeten van Pater Pio. Deze zweeg een ogenblik, starend in de verte, terwijl hij het meisje geknield liet zitten; daarna zei hij haar recht te staan. Maar het meisje vroeg hem onophoudelijk: “Zegen mij, vader, zegen mij.”

Zelfs nadat Pater Pio een kruisteken over haar gemaakt had, wachtte Grazia onbeweeglijk. Toen ze blind was, zegende Pater Pio haar door haar de handen op te leggen. Omdat ze bleef herhalen: “Zegen mij, vader, zegen mij.” zei hij tot haar: “Wat wil je als zegening, meisje? Een emmer water over je hoofd?”

 

 

 

 

 

Een vrouw vertelde: “In 1947 was ik 38 jaar en op de radiografie hadden ze een tumor in mijn ingewanden vastgesteld. Een chirurgische ingreep was noodzakelijk. Alvorens naar het ziekenhuis te gaan, ging ik te biechten bij Pater Pio. Mijn man, mijn dochter en haar vriendin gingen mee naar San Giovanni Rotondo. Ik wou mijn probleem aan Pater Pio toevertrouwen, maar op een gegeven moment verliet hij de biechtstoel en ging weg.

Teleurgesteld omdat ik niet had kunnen biechten bij hem, begon ik te wenen. Mijn man vertelde aan een andere monnik de reden van onze pelgrimstocht. De monnik beloofde er met Pater Pio over te praten. Kort daarna, in de gang van het klooster, riep men mij. Pater Pio, omringd door velen, luisterde aandachtig naar mij. Hij vroeg naar de reden van mijn bezoek en stelde me gerust, zeggend dat ik in goede handen was en dat hij voor mij zou bidden, wat me verwonderde want Pater Pio kende me niet noch de chirurg.

Ik onderging de ingreep met hoop en sereniteit. De chirurg was de eerste die van een mirakel sprak. Met de radiografie in de handen, nam hij de appendix uit want er was geen spoor meer van de tumor. De chirurg, die niet gelovig was, bekeerde zich en liet in alle kamers van het ziekenhuis kruisbeelden plaatsen. Na een korte herstelperiode ging ik terug naar San Giovanni Rotondo om Pater Pio te zien.

Hij was op weg naar de sacristie maar toen hij me zag, draaide hij zich om en zei glimlachend: “Zoals je ziet, ben je teruggekeerd…” Ik kuste zijn hand en door de emotie hield ik zijn hand tussen de mijne.

 

 

 

 

Een man vertelde: “ik had al enkele dagen een zeer pijnlijke zwelling aan mijn linkerknie. De dokter had me gezegd dat het vrij gecompliceerd was en had me een reeks injecties voorgeschreven. Vooraleer aan deze behandeling te beginnen, kwam ik op het idee Pater Pio te consulteren. Na gebiecht te hebben, vertelde ik hem over mijn knie en vroeg hem voor mij te bidden.

Tegen het einde van de namiddag, toen ik bijna ging vertrekken, verdween de pijn plots. Ik bestudeerde mijn knie. Hij was niet meer gezwollen en zag er net hetzelfde uit als mijn rechterknie. Ik keerde terug al lopend om Pater Pio te bedanken. “Je moet mij niet bedanken, maar God.” zei Pater Pio. En met een glimlach voegde hij erbij: “Zeg aan je dokter dat hij zijn injecties aan zichzelf toedient.”

 

 

 

 

Een vrouw vertelde: “In 1952, na een normale zwangerschap, waren er bij de geboorte wat complicaties zodat men de forceps moest gebruiken om mijn zoon ter wereld te brengen. Men diende me in allerijl een bloedtransfusie toe die van een verkeerde bloedgroep bleek te zijn: men gaf me bloed van de groep A terwijl ik bloedgroep O heb. Deze vergissing bracht serieuze complicaties met zich mee: hoge koorts, stuipen, een longembolie, flebitis aan de onderste ledematen en bloedvergiftiging.

Een priester kwam me de laatste sacramenten toedienen. Ik ontving de H. Communie die ik met een beetje water moest nemen. Mijn ouders vergezelden de priester tot aan de uitgang en ik bleef alleen achter in mijn kamer. Pater Pio verscheen aan mij en zei: “Ik ben Pater Pio. Je zal niet sterven. Bid het Onze Vader en kom me later eens opzoeken.” Zieltogend deed ik de moeite me rechtop te zetten. Toen mijn ouders terugkeerden, vertelde ik hen over mijn visioen en ik vroeg hen samen met mij het Onze Vader te bidden.

Vanaf dat moment begon ik me beter te voelen. De dokters onderzochten me en oordeelden, rekening houdend met de ernst van mijn toestand, dat er een mirakel gebeurd was. Enkele maanden later ging ik naar San Giovanni Rotondo om Pater Pio te bedanken die me zijn hand gaf om te kussen. Terwijl ik hem bedankte, nam ik een doordringende viooltjesgeur waar.

Pater Pio zei: “Je hebt een mirakel verkregen, maar je moet mij niet bedanken, maar het H. Hart van Jezus die jou aan mij heeft toevertrouwd omdat je Hem trouw bent en je je devoties van de eerste vrijdag van de maand gedaan hebt.”

 

 

 

 

 

Een dame vertelde : “Wegens buikpijn moest ik in 1953 onderzoeken ondergaan. De resultaten toonden aan dat een dringende chirurgische ingreep noodzakelijk was. Een vriendin, die ik van mijn ziekte op de hoogte had gesteld, raadde me aan om naar Pater Pio te schrijven om zijn advies en gebed te vragen. Pater Pio raadde me aan om naar het ziekenhuis te gaan, en voegde eraan toe dat hij voor mij zou bidden.

Vooraleer ze de ingreep uitvoerden, voerden de artsen nog andere tests uit en stelden, tot hun grootste verbazing, vast dat ik niets meer mankeerde. Dit gebeurde veertig jaar geleden en niet alleen bedank ik Pater Pio nogmaals hiervoor, ik raad ook iedereen aan deze heilige, van wie de bemiddeling geen enkele twijfel lijdt, te aanroepen.”

 

 

 

 

 

Een vrouw vertelde:  “In 1954 werkte mijn vader, toen 47 jaar, als spoorwegbeambte. Hij werd door een vreemde ziekte getroffen die hem het gebruik van zijn onderste ledematen deed verliezen. De zorgen die hij ontving brachten geen enkele verbetering en, na twee jaar, vreesde mijn vader om zijn job te verliezen. Aangezien de situatie steeds verslechterde, raadde een van mijn ooms aan om naar San Giovanni Rotondo te gaan, naar een kapucijn, die, naar zijn mening, van de Heer uitzonderlijke krachten had ontvangen.

Met veel moeite, trok mijn vader, vergezeld van en geholpen door mijn oom, naar het kleine centrum in Gargano. Aan de kerk gekomen zag hij Pater Pio. Deze merkte op dat mijn vader zich met moeite door de menigte bewoog en zei hardop: “Laat deze spoorwegbeambte voorbijgaan!” Nochtans kende Pater Pio mijn vader niet, en evenmin wist hij dat hij een spoorwegbeambte was.

Gedurende ongeveer een uur onderhield Pater Pio zich broederlijk met mijn vader. Hij legde de hand op zijn schouder, troostte hem met een glimlach en gaf hem enkele bemoedigende woorden. Toen hij wou vertrekken, merkte mijn vader niet onmiddellijk dat hij was genezen, maar mijn oom, totaal verrast, volgde hem, terwijl hij zijn beide stokken droeg!”

 

 

 

 

 

In Puglia, in Italië, stond een heel materialistisch ingestelde man bekend voor zijn heftigheid waarmee hij de godsdienst bestreed. Zijn echtgenote was religieus, maar hij had haar formeel verboden om naar de kerk te gaan, of zelfs hun zonen over God te spreken. In 1950 werd deze man ziek. De diagnose was verpletterend: “ongeneeslijk gezwel aan de hersenen en aan het rechteroor”. De zieke vertelt: “Ik werd naar het ziekenhuis van Bari gebracht. Ik had schrik om te lijden en om te sterven.

Ik was zo bang dat mijn ziel begon te verlangen zich tot God te wenden, iets wat ik niet meer had gedaan sinds mijn kinderjaren. Van Bari werd ik naar Milaan gebracht om er een chirurgische ingreep te ondergaan die mij misschien het leven ging redden. Mijn arts deelde me mee dat het om een heel gewaagde ingreep ging, waarvan het onmogelijk was om de afloop te voorzien. Terwijl ik in Milaan was, droomde ik op een nacht van Pater Pio.

Hij legde me de handen op en zei me: “Binnen afzienbare tijd zul je genezen.” ’s Ochtends voelde ik me beter. De artsen waren verbaasd om me in een betere toestand te zien, maar oordeelden toch dat een tussenkomst absoluut noodzakelijk was. Even  voor de ingreep sloeg ik in paniek en ik vluchtte het ziekenhuis uit. Ik ging naar mijn ouders in Milaan, waar mijn vrouw zich eveneens bevond. Na enkele dagen kwam de pijn terug en die werd zo hevig dat ik naar het ziekenhuis moest terugkeren.

De artsen, die verontwaardigd waren over mijn vlucht, wilden me niet behandelen, maar volgden tenslotte hun professionalisme. Niettemin, alvorens de ingreep te beginnen, voerden ze nog enkele tests op me uit. Tot hun grote verbazing stelden zij geen enkel spoor meer vast van het gezwel. Ik was eveneens verrast, hoewel minder verbaasd dan de artsen, want terwijl ik de onderzoeken onderging, had ik een hevige geur van violettes, het teken van de aanwezigheid van Pater Pio, waargenomen.

Alvorens het ziekenhuis te verlaten, vroeg ik de rekening van de honoraria. Men antwoordde me: “U moet ons niets betalen, aangezien wij niets gedaan hebben om u te genezen.” Na mijn ontslag uit het ziekenhuis, besloot ik naar San Giovanni Rotondo te gaan, samen met mijn echtgenote, om Pater Pio te bedanken. Ik was er zeker van dat hij het was die me had genezen. Maar toen ik de kerk van het klooster van Notre-Dame-de-Grâces binnenging, verloor ik door een helse pijn het bewustzijn.

Twee mannen droegen me naar de biechtstoel van Padre Pio. Toen ik weer bij bewustzijn was, zei ik hem, nauwelijks ziende en nog altijd heel zwak: “Ik heb vijf zonen en ik ben zeer ziek; red mij, Pater, red mijn leven.” Hij antwoordde me: “Ik ben God niet – ik ben evenmin Jezus Christus; ik ben een priester zoals de anderen, niet meer en niet minder. Ik verricht geen wonderen.” Maar ik smeekte en huilde: “Alstublieft, Pater, red mij…” Pater Pio hield een moment stilte, hief vervolgens de ogen ten hemel en ik zag dat hij bad.

Opnieuw nam ik een hevige geur van violettes waar. Vervolgens zei Pater Pio me: “Keer naar huis terug en bid. Ik zal voor jou bidden. Je zult genezen.” Ik keerde naar huis terug en mijn ziekte verdween.”

 

 

 

 

 

Een man vertelde: “Verschillende jaren geleden, in 1950, werd mijn schoonmoeder in het ziekenhuis opgenomen met de bedoeling een kwaadaardig gezwel chirurgisch te verwijderen in de linker zijde. Enkele maanden later, moest zij een andere ingreep ondergaan, deze keer aan de rechterzijde. Aangezien het gezwel zich begon uit te zaaien, gaven de artsen van het ziekenhuis van Milaan de zieke nog slechts drie of vier maanden te leven. In Milaan sprak iemand ons over Padre Pio en over de wonderen die aan zijn bemiddeling worden toegekend.

Ik vertrok onmiddellijk naar San Giovanni Rotondo. Wanneer het mijn beurt om te biechten was, vroeg ik Padre Pio om de gunst van de genezing voor mijn schoonmoeder. Padre Pio zuchtte tweemaal en zei “Laten we allemaal bidden en zij zal genezen”. Zo gebeurde het ook. Na de tussenkomst herstelde mijn schoonmoeder  en ze ging Padre Pio bedanken die haar glimlachend zei: “Ga in vrede, meisje! Ga in vrede!”

In plaats van drie of vier maanden die de artsen haar hadden gegeven, leefde mijn schoonmoeder nog negentien jaar, Padre Pio voor eeuwig dankbaar.”

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

JOHN ASTRIA