Tagarchief: slang

Liber Divinorum Operum : visioen 5

Standaard

categorie : Hildegard Von Bingen

 

 

 

Liber Divinorum Operum

 

Het boek van de goddelijke werken

met visioenen van

Hildegard van Bingen

 

 

Hildegard

 

.

“Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn.”

 

Liber divinorum operum (Boek van goddelijke werken) is een werk uit de tweede helft van de 12e eeuw van de Duitse Benedictijner Abdis en mystica Hildegard von Bingen. Het is haar laatste visionaire werk en het werd geschreven tussen 1163 en 1174. Het bevat tien visioenen waarin de liefde van God tot uitdrukking komt in de mensen en in de relatie van de mensen tot God.

 

.

Liber Divinorum Operum 5

 

 

Het vijfde visioen sluit aan bij de Apocalyps, die daarin nadrukkelijk wordt geciteerd. De beschrijving van het voornaamste beeld in dit visioen verschilt nogal van die in de andere.

“Ik zag de aardse kring onderverdeeld in vijf zones: de eerste in het oosten, de tweede in het westen, de derde en vierde in het zuiden en het noorden, de vijfde in het midden.”

Elk van deze zones ziet eruit als een gespannen boog.

Een van de zones, de oostelijke, straalt helderheid uit, terwijl de westelijke zone gedeeltelijk in duisternis is gehuld. De zuidelijke zone is onderverdeeld in drie sectoren.

“In twee daarvan vinden kastijdingen plaats, in de middelste is dat niet het geval, maar daar zijn afschuwelijke monsters te zien die hem iets schrikwekkends geven. In oostelijke richting zag ik op zekere hoogte boven de boog van de aarde een rode bol, omgeven door een hemelsblauwe kring. Uit de linker- en rechterkant van deze bol kwamen twee vleugels te voorschijn die zich opwaarts hieven, om zich vervolgens te buigen en tegenover elkaar te bevinden; ze verlengden zich tot halverwege de omtrek van de aarde die ze omringden. Vanuit de bol liep tot halverwege de vleugels een weg waarboven een schitterende ster straalde.”

Uit de uitleg die volgt maken we op dat het om de in vijf zones onderverdeelde aardbol gaat. Het geheel vormt overigens een mensengestalte.

“De aarde stelt de mens voor. De mens wordt, door de vijf zinnen die hem in staat stellen in al zijn behoeften te voorzien, tot zijn zieleheil geleid.”

Vervolgens baseert Hildegard zich op citaten uit de Apocalyps, om de verschillende tijdperken ter sprake te brengen. Er was een tijdperk van Adam, van de zondvloed en van het wachten op de komst van Christus.

Ten slotte verschijnt in de figuur van het zwarte paard de tijd die volgde op het lijden en sterven van Christus.

Daarna volgt het groenachtige paard:

“dat duidt op de tijd waarin alles wat beantwoordt aan de wet en de volheid van Gods gerechtigheid, in een soort uitzonderlijke bleekheid niet zal tellen. In die tijd zullen er overal op aarde degengevechten plaatsvinden, de vruchten der aarde zullen verdwijnen, de mensen zullen een plotselinge dood sterven, de dieren zullen hen dodelijke beten toebrengen. De oude slang verheugt zich in alle kastijdingen die de ziel en het lichaam van de mens zullen treffen; de slang zelf heeft de hemelse glorie verloren en zou willen dat ook de mens die niet bereikt. De slang verheugt zich en roept uit: “Schande aan hem die de mens geschapen heeft; de man geeft zijn eigen gedaante op, hij wijst de natuurlijke liefde, de liefde voor de vrouw, af.”

De duivelse verleiding zal dan ook misdadigers en verleiders, haat en de misdaad van de duivel, schurken en dieven voortbrengen. Maar in de ‘gelijkgeslachtelijkheid’ zal de zonde het onzuiverst en de wortel van alle ondeugden zijn. Als deze zonden bij alle volkeren in aantal zullen zijn toegenomen, zal de instelling van Gods wet verdeeld raken en zal de Kerk als een weduwe worden getroffen. De prinsen, edelen en rijken zullen door hun onderdanen worden verdreven, zij zullen van stad tot stad vluchten, de adel zal worden opgeheven en de rijken zullen arm worden. Zeker, de oude slang en de andere nietswaardige geesten hebben de schoonheid van hun uiterlijke verschijningsvorm verloren, maar de verheffing van hun verstand hebben zij niet opgegeven.”

Hildegard besluit deze opsomming overigens door nogmaals aan de Apocalyps te herinneren.

“Toen de tijd van de rode dageraad aanbrak, dat wil zeggen: de tijd van de volle gerechtigheid dank zij mijn Zoon, zei de oude slang, verbijsterd en versteld, dat ze volkomen door een vrouw, de Maagd, was misleid. Haar razernij richtte zich dan ook op haar. Maar de vrouw bevrijdde zich met behulp van de aarde, want mijn Zoon ontving van haar de kleren van de mens, mijn Zoon, die met de grootste smaad en het ergste lijden werd overladen om de slang tot zwijgen te brengen.”

Gerechtigheid en barmhartigheid zijn als het ware de mannelijke en de vrouwelijke kant van God. In de mens, die geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis, zijn die beide hoedanigheden ingeprent in de man en de vrouw, die samen de mens zijn. In Liber Divinorum Operum is de verhouding tussen man en vrouw uiteengezet in het kader van het scheppingsverhaal.

Als Gods laatste ‘werkstuk’ op de ‘zesde dag’ is de mens gemaakt als eenheid van man en vrouw, om samen het mensengeslacht voort te brengen. Nuchter constateerde de ‘stem’: ‘Wanneer de man alleen zou zijn, of de vrouw alleen zou blijven, zou er geen mens (meer) kunnen ontstaan.’

In de twee-eenheid van het mensenpaar zal de man de gerechtigheid vertegenwoordigen, de vrouw de barmhartigheid. Beiden zijn zij geschapen met intelligentie begiftigd, de engelen gelijk. Samen zijn zij meer dan de engelen, omdat aan hen het beheer van de aarde is toevertrouwd. Deze gelijkenis van de mens met de Schepper is niet beperkt tot de verbondenheid van man en vrouw in huwelijk en voortplanting, maar omvat de totale samenwerking van man en vrouw, ook nadat zij hun paradijselijke staat verloren hebben door beiden Gods gebod te overtreden.

“De aarde stelt de mens voor. De mens wordt, door de vijf zinnen die hem in staat stellen in al zijn behoeften te voorzien, tot zijn zieleheil geleid.” Door de ervaringen die de mens opdoet, vindt geestelijke groei plaats.

Rood/blauwe bol: de menselijke geest op aarde.

Vleugels: de geestelijke vermogens (gerechtigheid, barmhartigheid).

Weg naar het oosten: geestelijke ontwikkelingsweg.

Ster: de ontwikkelde toestand.

Aarde: leerschool voor geestelijke ontwikkeling door beproevingen. Op aarde is licht en duisternis tegelijkertijd aanwezig.

Twintig jaar later: een gesloten stad

In de visioenbeelden van Scivias staat de heilsgeschiedenis van God met de mensen in het teken van verwachting en belofte. Weliswaar heeft Hildegard toen al gezien, dat er een definitieve scheiding zal komen tussen degenen die het geloof van de katholieke, christelijke Kerk trouw bewaren en degenen die de Mensenzoon in ongeloof verwerpen. Maar het Heilsgebouw is nog onvoltooid en open naar het zuiden, de toekomst. Binnen de muren gaan mensen af en aan, zij komen binnen door de spiegelkennis naar de toren van de Kerk toe. Zij blijven daar of vertrekken weer. De Mensenzoon waakt over het heil. Hij vermaant de mensen, maar veroordeelt alleen de verstokten.

In Hildegards laatste grote werk, Liber Divinorum Operum, is in drie visioenbeelden de betekenis van de heilsgeschiedenis beschreven. Hildegard schreef het boek na 1163, toen de pauselijke Stoel van Rome bezet was door handlangers van de op wereldmacht beluste Frederik I, die door Hildegard ‘de roomse Keizer’ genoemd werd. Zij zag alles wat zij in Scivias en later reeds beschreven had opnieuw, maar nu in het licht van het mysterie van de Incarnatie. Zij zag het wakend met de innerlijke ogen van de geest. Zij zag de scheiding der geesten scherper dan ooit tevoren. Zij zag de Stad van God bedreigd.

Hildegard zag een gesloten stad. Eén poort was er in het oosten, één ingang uitgehouwen in een harde rots. Binnen de stad zijn de muren licht waar het heil is. Buiten de stadsmuren is het duister. De bouwsels van de heilswerken, in Scivias vrij op de muren geplaatst, staan nu binnen de muren van de stad. Het is een gesloten stad, die verdedigd moet worden.

 

ldo25

.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

JOHN ASTRIA

Advertenties

Bestaat Satan echt?

Standaard

categorie : religie

.
.
.
Problemen waar we mee te maken hebben
.
.
.

 

Wie is Satan? Bestaat hij echt?

 

Sommige moderne wetenschappers zeggen dat Satan niet echt bestaat. Ze beweren dat hij gewoon aan de fantasie van mensen is ontsproten. Deze controverse is niet nieuw. „De sluwste streek van de Duivel”, schreef de negentiende-eeuwse dichter Charles Baudelaire, „is dat hij ons ervan probeert te overtuigen dat hij niet bestaat.”

Bestaat Satan echt? En zo ja, wat is dan zijn oorsprong? Is hij de onzichtbare kracht achter de problemen die onze wereld teisteren? Hoe kunnen we zijn slechte invloed vermijden? Is Satan de onzichtbare kracht achter de problemen die onze wereld teisteren?

 

 

Wat de Bijbel zegt

 

De Bijbel beschrijft Satan als een bestaand persoon die zich in het onzichtbare geestenrijk bevindt ( Job 1: 6 ). Er wordt in verteld over zijn kwaadaardige en meedogenloze eigenschappen en zijn slechte daden ( Job 1: 13-19 ;  Job 2: 7 en 8 ; 2 Timotheüs 2 : 26 ). Er staan zelfs gesprekken in die Satan met God en met Jezus heeft gevoerd. (  Job 1 : 7 – 12 ; Mattheüs 4: 1 – 11 ).

Wat is de oorsprong van dit slechte wezen? Lang voordat de mens bestond, schiep God zijn ’eerstgeboren’ Zoon, die ten slotte bekend kwam te staan als Jezus ( Kolossenzen 1: 15 ). Na verloop van tijd volgde de schepping van andere „zonen Gods”, engelen genoemd ( Job 38: 4 – 7 ). Die waren allemaal volmaakt en integer. Maar een van die engelen werd later Satan.

De naam Satan kreeg hij niet toen hij werd geschapen. Het is een beschrijvende naam die  „Tegenstander, Vijand of Beschuldiger” betekent. Hij werd pas later Satan genoemd omdat hij een levenswijze koos waarmee hij tegen God in opstand kwam.

In het hart van dit geestelijke schepsel ontwikkelden zich gevoelens van trots en wedijver tegenover God. Hij wilde dat anderen hem gingen aanbidden. Toen Gods eerstgeboren Zoon, Jezus, op aarde was, probeerde Satan hem zelfs zover te krijgen dat hij „een daad van aanbidding” voor hem verrichtte ( Mattheüs 4: 9 ).

Satan „stond niet vast in de waarheid” ( Johannes 8: 44 ). Hij suggereerde dat God een leugenaar was, terwijl hij in feite zelf de leugenaar was. Hij zei tegen Eva dat ze als God kon zijn, terwijl hij zelf als God wilde zijn. En door zijn leugenachtige gedrag verwezenlijkte hij zijn zelfzuchtige verlangen. Voor Eva werd hij iemand die hoger was dan God. Door Satan te gehoorzamen, aanvaardde Eva Satan als haar god ( Genesis 3: 1 – 7 ).

Door tot opstand aan te zetten maakte deze engel, in wie ooit vertrouwen werd gesteld, zichzelf tot een tegenstander en vijand van God en de mens. Ook de naam „Duivel”, die „Lasteraar” betekent, werd aan de beschrijving van dit goddeloze wezen toegevoegd.

Deze aanstichter van de zonde beïnvloedde ten slotte andere engelen op zo’n manier dat ze God ongehoorzaam werden en zich bij hem aansloten in zijn opstand ( Genesis 6: 1 en 2 ; 1 Petrus 3: 19 en 20 ). Die engelen maakten de situatie van de mensheid er niet beter op. Omdat ze Satans zelfzuchtige gedrag navolgden, werd de aarde „met geweldpleging vervuld” ( Genesis 6: 11 ; Mattheüs 12 : 24 ).

 

 

Satan in de sport

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Hoe krachtig is Satans invloed?

 

Een misdadiger zal op de plaats van een misdrijf misschien zijn vingerafdrukken verwijderen in een poging geen sporen van zijn identiteit achter te laten. Maar als de politie arriveert, weten ze dat als er een misdaad is gepleegd, er ook een misdadiger moet zijn. Satan, de oorspronkelijke „doodslager”, probeert te voorkomen dat hij sporen van zijn identiteit achterlaat ( Johannes 8: 44 ; Hebreeën 2: 14 ).

Toen hij met Eva sprak, verborg hij zijn identiteit achter een slang. In deze tijd probeert hij zich nog steeds te verbergen. Hij heeft ’de geest van de ongelovigen verblind’, zodat de reikwijdte van zijn krachtige invloed wordt verhuld ( 2 Korintiërs 4: 4 ).

Maar Jezus zei dat Satan het criminele meesterbrein is achter de corrupte wereld waarin we leven. Hij noemde hem „de heerser van deze wereld” ( Johannes 12: 31 en 16: 11 ). „De gehele wereld ligt in de macht van de goddeloze”, schreef de apostel Johannes ( 1 Johannes 5: 19 ).

Satan ’misleidt de gehele bewoonde aarde’ en maakt daarbij een doeltreffend gebruik van „de begeerte van het vlees en de begeerte der ogen en het opzichtige geuren met de middelen voor levensonderhoud die men heeft” ( 1 Johannes 2: 16 ; Openbaring 12: 9 ). Hij is degene die door de mensheid in het algemeen wordt gehoorzaamd.

Net als Eva maken degenen die Satan gehoorzamen, hem eigenlijk tot hun god. Daarom is Satan „de god van dit samenstel van dingen” ( 2 Korintiërs 4: 4 ). De gevolgen van zijn overheersing omvatten huichelarij en leugens; oorlog, marteling en vernieling; misdaad, hebzucht en corruptie.

 

 

Satan, de tegenstrever

 

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Hoe we zijn invloed kunnen vermijden

 

De Bijbel waarschuwt: „Houdt uw zinnen bij elkaar, weest waakzaam, omdat ’uw tegenstander, de Duivel, rondgaat als een brullende leeuw, op zoek om iemand te verslinden ” ( 1 Petrus 5: 8 ). Hoewel dit een ernstig stemmende Schriftplaats is, is het geruststellend te weten dat alleen degenen die niet hun zinnen bij elkaar houden — zij die niet waakzaam blijven — „door Satan zullen worden overmeesterd” ( 2 Korintiërs 2 : 11 ).

Het is van levensbelang dat we erkennen dat Satan echt bestaat en dat we ons door God ’standvastig en sterk laten maken’. Op die manier kunnen we ons standpunt tegen Satan innemen en ons aan Gods kant opstellen ( 1 Petrus 5: 9 en 10 ).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Waarom laat God de duivel mensen kwellen?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Het einde van de draak (666) door het kruis

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Als u het lijden van een ander kon verlichten, dan zou u dat vast doen. Reddingswerkers haasten zich vaak naar de plaats van een natuurramp om lijden te verlichten en het leven van volslagen onbekenden te redden. Iemand zou zich daarom kunnen afvragen: waarom bevrijdt God ons eigenlijk niet van de Duivel, die verantwoordelijk is voor onnoemelijk veel menselijk leed?

Die vraag zou beantwoord kunnen worden aan de hand van een illustratie over een belangrijke rechtszaak. De moordenaar, die wanhopig probeert het proces stil te leggen, beweert dat de rechter zijn gezag in de rechtbank op een oneerlijke manier uitoefent. Hij zegt zelfs dat de rechter getuigen heeft omgekocht. Daarom worden er talloze extra getuigen aan het woord gelaten.

De rechter weet dat de uitgebreide procedures veel moeite gaan kosten en hij wil graag dat de zaak zonder onnodig uitstel afgehandeld wordt. Tegelijkertijd beseft hij dat als hij tot een oordeel wil komen dat een precedent schept voor mogelijke toekomstige zaken, beide partijen voldoende tijd moeten krijgen om hun kant van het geschil te laten horen.

Om tot een oordeel te komen dat een moreel precedent schept, moeten beide partijen voldoende tijd krijgen om hun kant van het geschil te laten horen.

Wat heeft deze illustratie te maken met een beschuldiging die de Duivel, ook „draak”, „slang” en „Satan” genoemd, inbracht tegen God, ’de Allerhoogste over heel de aarde’? (Openbaring 12:9 ; Psalm 83:18) Wie is de Duivel eigenlijk? Waarvan heeft hij God beschuldigd? En wanneer zal God zich van hem ontdoen?

 

 

De Alfa en de Omega : strijd met de duivel

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Er wordt een moreel precedent geschapen

 

Oorspronkelijk was degene die de Duivel werd een volmaakt geestelijk schepsel, een van Gods engelen (Job 1:6, 7). Hij maakte zichzelf tot de Duivel toen hij geobsedeerd raakte door een egoïstisch verlangen naar aanbidding door mensen. Daarom trok hij Gods recht om te regeren in twijfel en insinueerde hij zelfs dat God het niet verdient gehoorzaamd te worden. Hij beweerde dat mensen God alleen dienen wanneer ze met zegeningen omgekocht worden. Volgens Satan zouden alle mensen hun Schepper „vervloeken” als ze te maken kregen met moeilijkheden (Job 1:8-11; 2:4, 5).

Om die beschuldigingen van Satan te weerleggen, was een simpel machtsvertoon niet voldoende. Als Satan meteen was terechtgesteld, zou dat voor sommigen misschien zelfs een aanwijzing zijn geweest dat hij gelijk had. Daarom ondernam God, die absolute autoriteit bezit, gerechtelijke stappen om die kwesties in de geest van alle toeschouwers op te lossen.

God gaf aan dat er, in overeenstemming met zijn beginselen en met volmaakte gerechtigheid, door beide partijen getuigen zouden worden opgeroepen om een ondersteunende verklaring af te leggen van hun kant van de controverse. In de toegestane tijd hebben Adams nakomelingen de gelegenheid gekregen te leven en bij te dragen aan dit getuigenis ten gunste van God door hem uit liefde trouw te blijven ondanks moeilijkheden.

 

 

 

Hoe lang duurt het nog?

 

God is zich er sterk van bewust dat het lijden van mensen voortduurt terwijl deze gerechtelijke stappen plaatsvinden. Maar hij is vastbesloten de zaak zo snel mogelijk af te handelen. De Bijbel beschrijft hem als „de Vader der tedere barmhartigheden en de God van alle vertroosting” (2 Korinthiërs 1:3).

Het is duidelijk dat „de God van alle vertroosting” de Duivel niet langer zal laten leven dan nodig is, en ook niet zal toelaten dat de gevolgen van zijn invloed blijven bestaan. Aan de andere kant zal Hij de Duivel niet vroegtijdig vernietigen, dus niet voordat de universele rechtszaak volledig ten einde is.

Wanneer de kwesties ten slotte opgelost zijn, zal Gods recht om te regeren volledig gerechtvaardigd zijn. Het rechtsgeding tegen Satan zal tot in alle eeuwigheid als toetssteen dienen. Als iemand dat recht om te regeren ooit weer zou aanvechten, kan er naar Satans voorbeeld verwezen worden als een precedent dat niet herhaald hoeft te worden.

Te zijner tijd zal God zijn Zoon Jezus opdracht geven de Duivel te verwijderen en alles wat hij veroorzaakt heeft ongedaan te maken. De Bijbel heeft het over een tijd waarin Jezus „het koninkrijk aan zijn God en Vader overdraagt, wanneer hij alle regering en alle autoriteit en kracht heeft tenietgedaan. Want hij moet als koning regeren totdat God alle vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. Als laatste vijand wordt de dood tenietgedaan” (1 Korinthiërs 15:24-26).

Gelukkig belooft de Bijbel dat er wereldwijd paradijselijke omstandigheden zullen zijn. In overeenstemming met Gods oorspronkelijke bedoeling zullen mensen in een vredig paradijs leven! Psalm 37:11 zegt: „De zachtmoedigen  zullen de aarde bezitten, en zij zullen inderdaad hun heerlijke verrukking vinden in de overvloed van vrede.” En in vers 29 staat: „De rechtvaardigen, die zullen de aarde bezitten, en zij zullen er eeuwig op verblijven.”

Sta eens stil bij het prachtige vooruitzicht dat de Bijbel schetst voor Gods aanbidders: „Zie! De tent van God is bij de mensen, en hij zal bij hen verblijven, en zij zullen zijn volken zijn. En God zelf zal bij hen zijn. En hij zal elke traan uit hun ogen wegwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschreeuw, noch pijn zal er meer zijn. De vroegere dingen zijn voorbijgegaan” (Openbaring 21:3, 4).

 

 

 

 

 

 

Liber Divinorum Operum: visioen 1

Standaard

categorie : Hildegard Von Bingen

 

 

 

 

Liber Divinorum Operum

 

 

Het boek van de goddelijke werken

met visioenen van

Hildegard van Bingen

 

 

 

Hildegard

 

 

 

“Der gläubige Mensch richtet sein Trachten immer auf Gott, dem er in Ehrfurcht begegnet. Denn wie der Mensch mit den leiblichen Augen allenthalben die Geschöpfe sieht, so schaut er im Glauben überall den Herrn.”

 

 

Liber divinorum operum (Boek van goddelijke werken) is een werk uit de tweede helft van de 12e eeuw van de Duitse Benedictijner Abdis en mystica Hildegard von Bingen. Het is haar laatste visionaire werk en het werd geschreven tussen 1163 en 1174. Het bevat tien visioenen waarin de liefde van God tot uitdrukking komt in de mensen en in de relatie van de mensen tot God.

 

 

 

ldo eerste

 

 

 

De woorden van Hildegard

 

“In het midden van de zuidelijke windstreek aanschouwde ik in de geheimen Gods een prachtige gestalte: zij leek op een mens. De schoonheid en helderheid van het gezicht was zo mooi, dat het gemakkelijker zou zijn geweest in de zon te kijken dan naar dit gezicht. Het hoofd was met een gouden kring omgeven. In deze kring domineerde een tweede gezicht, dat van een grijsaard. Zijn kin en baard raakten de top van zijn schedel.

Aan beide zijden van de hals van de eerste gestalte was een vleugel te zien. Deze vleugels waren geheven en raakten elkaar boven de gouden kring. Uit de uiterste punt van de kromming van de rechtervleugel kwam de kop van een adelaar (Schorpioen: water, voelen). Zijn ogen van vuur straalden als in een spiegel de engelachtige pracht uit. Op hetzelfde punt in de linkervleugel was een mensenhoofd (Waterman: lucht, denken) te zien dat schitterde als een ster. Beide figuren waren met het gezicht naar het oosten (naar God) gekeerd.

Vanuit de twee schouders van de gestalte raken de vleugel tot de knieën. De gestalte was bekleed met een gewaad dat straalde als de zon. In haar handen droeg ze een lam dat schitterde als een met licht overgoten dag. Met de voet verbrijzelde de gestalte een schrikwekkend, lelijk, zwart monster en een slang. De slang hield het rechteroor van het monster tussen haar tanden. Het lijf van de slang kronkelde om het hoofd van het monster, haar staart reikte aan de linkerkant van de gestalte tot haar voeten.”

 

 

 

De woorden van de gestalte

 

“Ik ben de hoogste kracht, de eruptieve (uitademende, scheppende) kracht. Ik ben degene die elk levensvonkje heeft ontstoken. Uit mij komt niets sterfelijks voort. Ik beslis over alles wat is. Mijn bovenste vleugels omringen de aardbol, ik bestier de universele wijsheid. Van mij gaat het leven uit. Aangezien God kennis is, moet Hij uitwerking hebben. In de mens verwezenlijkt Hij de volle bloei van al Zijn werken. Want Hij heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen.

Hij heeft in hem met vaste hand en maat de som van Zijn werken verwezenlijkt. Vanaf alle eeuwigheid was de schepping van dit werk, de schepping van de mens, in Zijn raadsbesluiten opgenomen. Toen het werk was voltooid, gaf Hij de mens de hele schepping in handen, opdat hij ermee kon handelen op de manier waarop God de mens had gevormd. Ik ben dus dienaar en toeverlaat.

Door Mij komt alles tot leven. Ik ben zonder begin en zonder einde, Ik ben het leven dat op dezelfde wijze eeuwig voort bestaat. Dat leven is God. Het is voortdurend in beweging, voortdurend werkzaam en zijn eenheid blijkt uit een drievoudige kracht. De eeuwigheid is de Vader, het Woord is de Zoon, de adem die beiden met elkaar verbindt is de Heilige Geest. God heeft dit in de mens tot uitdrukking gebracht, want de mens heeft een lichaam, een ziel en een geest.

Mijn vlammen heersen over de schoonheid der velden en de aarde is de materie waaruit God de mens heeft gevormd. Ik doorstraal de wateren met mijn licht, maar de ziel bewoont het hele lichaam, zoals het water door zijn loop de hele aarde bevloeit. Als ik zeg dat ik het vuur in zon en maan ben is dat een toespeling op de geest. Zijn de sterren immers niet de ontelbare woorden van de geest? En als mijn adem, het onzichtbare leven, de universele beschermer, het heelal tot leven brengt, is dat een symbool: de lucht en de wind onderhouden alles wat groeit en rijpt, en niets wijkt af van zijn eigen natuur.”

 

 

 

Dezelfde stem spreekt tot Hildegard

 

Vanuit de hemel richtte zij zich tot mij in de navolgende bewoordingen: “God, de Schepper van het heelal, heeft de mens naar Zijn beeld en gelijkenis geschapen. In de mens verbeeldde Hij elk schepsel, hoog of laag. Hij hield dermate veel van hem, dat Hij hem de plaats voorbestemde vanwaar de gevallen engel was verbannen. Hij gaf hem alle glorie, alle eer die de genoemde engel had verloren. Hij gaf hem tevens Zijn heil. Dat is hetgeen je ziet in het gezicht dat je aanschouwt.

De schitterende gestalte die je in het centrum van de zuidelijke windstreken en in Gods geheim aanschouwt, en wier uiterlijk dat van een mens is, symboliseert inderdaad de liefde van de hemelse Vader. De gestalte is de liefde. In de kracht van de altijddurende godheid en in het mysterie van haar gaven, is zij een wonder van zeldzame schoonheid. Als zij een menselijke gestalte heeft aangenomen, is dat omdat de Zoon van God vlees is geworden, om in naam van de liefde de mens van zijn ondergang te redden.

Daarom is dit gezicht van zo’n grote schoonheid. Daarom zou het gemakkelijker voor je zijn in de zon te kijken dan naar dit gezicht. Want de overvloed aan liefde straalt en schittert zo helder en lichtend, dat hij ons menselijk verstand, dat voor onze ziel gewoonlijk de meest uiteenlopende zaken kan verklaren, te boven gaat. Wij tonen het hier aan de hand van een symbool, waardoor men in het geloof kan herkennen wat onze lichamelijke ogen niet werkelijk kunnen aanschouwen.”

Hildegard opent haar visioenen dus met de Heilige Drieëenheid. De Eeuwigheid, het Woord en de Adem worden hier verzinnebeeld en betekenen dat God Leven en Liefde is. De opperste kracht, de kracht van vuur, ligt ten grondslag aan de schepping van de mens, die met een lichaam, een ziel en een geest geboren wordt. Alles spruit voort uit dit leven, waardoor een drievoudige liefdeskracht vrijkomt waarvan de mens een afspiegeling is. Het geheel wordt uitgedrukt met een levendigheid en een zin voor schoonheid waarvan Hildegard zegt dat de mens ze niet kan aanschouwen. Zij zelf slaat in het vierkante miniatuurtje onder aan de pagina in extase haar ogen op naar dit visioen.

.

 

ldo3

 

 

 

ldo3

 

 

 

ldo4

 

 

 

ldo5

 

 

 

ldo6

 

 

 

ldo7

 

 

 

ldo8

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

De Nephilim, reuzen in de Bijbel

Standaard

 categorie : religie

 

 

 

In de Thora en in sommige vroege christelijke  geschriften zoals het Eerste boek van Henoch zijn nephilim (Hebreeuws:  ‘de gevallenen’) een volk van reuzen ontstaan door de vermenging van de beney ha’elohim (Hebreeuws: ‘de zonen van Goden’) met menselijke vrouwen.

 

 

maxresdefault

opgravingen van Nephilim

 

 

 

Nephilim voor de zondvloed

 

 

Genesis 6 : 4

“De reuzen (Nephilim) waren op de aarde in die dagen, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen en zij hun kinderen baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam”.

 

De ‘zonen Gods’ wordt uitgelegd als  gevallen engelen, omdat elders in de Bijbel over hen gezegd wordt dat ze hun oorsprong ontrouw geworden zijn.

Het woord nephilim wordt in sommige Bijbelvertalingen onvertaald gelaten maar meestal weergegeven als reuzen, giganten of titanen.

Een van de belangrijkste redenen voor de zondvloed was dat de ‘aarde vol geweldenarij en godslastering’ was door toedoen van onder andere de Nephilim. Met de zondvloed worden ze dan ook vernietigd.

 

 

giant-nephilim-skelleton-found

 

.

.

Nephilim na de zondvloed

 

Na de zondvloed wordt bericht dat er nadien toch nog ‘Nephilim’ waren. Volgens sommige Bijbelverklaringen komt dat omdat God niet verhinderde dat de zonen van God (die immers geestelijke wezens zijn en dus niet gehinderd werden door de zondvloed die wel hun aardse nakomelingen vernietigde) na de zondvloed hun ‘oneerbare’ praktijken opnieuw oppakten en weer (reusachtige) nakomelingen bij menselijke vrouwen verwekten. Toen de Israëlieten het beloofde land verkenden, kwamen ze tot hun schrik deze ‘reuzen’ tegen:

 

Numerie 13 : 33

We hebben daar zelfs reuzen gezien, de Enakieten. Vergeleken bij dat volk van reuzen voelden wij ons maar nietige sprinkhanen, en veel meer zullen we in hun ogen ook niet geweest zijn.

 

 

De Kanaänieten waren grotendeels afstammelingen van Nephilim en moesten daarom uitgeroeid worden door de Israëlieten toen ze het beloofde land binnentrokken. Bij monde van Mozes kregen ze daarvoor uitdrukkelijk opdracht van God:

 

Deuterononium 20 : 16-17

Maar daarbinnen, in de steden van het land dat de Heer, uw God, u als grondgebied zal geven, mag u geen mens in leven laten. AlleHetieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten moet u doden, zoals de Heer, uw God, u heeft opgedragen…”.

 

 

Het nageslacht van deze Nephilim was bekend onder diverse namen. Wij lezen van

  • Anakim (Enakieten), die van Anak afstammen ;

 

Numeri 13 : 28

Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.

  • Refaim, die van Rafa (Refaïeten) afstammen;
  • Zamzummims, Emims (Emieten), Avims enz.

Iedereen deelde de kenmerken van reusachtig, lang en sterk te zijn.

 

Deuterononium 3 : 11

Koning Og van Basan was de enig overgebleven afstammeling van de Refaïeten. Zijn bed – te zien in Rabba, de hoofdstad van Ammon – is van ijzer en negen el lang en vier breed, gemeten in de gewone el. 

 

Als we voor deze el ongeveer 52 cm nemen dan zou dit bed 4,68 meter lang en 2,08 meter breed moeten zijn geweest.

Maar de Israëlieten volbrachten de opdracht tot uitroeien niet helemaal en gedoogden sommigen van deze volkeren. In latere tijden na de intocht wordt daarom soms nog over Nephilim of reuzen verhaald. Sommige van deze reuzen droegen speren die tussen de vijf en vijftien kilo wogen.

De reus Goliath uit de tijd van David, waarschijnlijk ook nog een van de Nephilim, droeg een pantser dat bijna honderd kilo woog en het werd gezegd dat hij ongeveer negen voet (± 2,70 meter) lang moest zijn geweest.

Sommige van die reuzen hadden volgens de Bijbel zes vingers aan elke hand en zes tenen aan elke voet. Dit komt tegenwoordig ook nog voor, enkele per duizend, bij mensen met een bepaalde genetische afwijking. Overigens zijn deze mensen meestal van gewone lengte.

 

 

1

nephilim skeletten

 

 

 

Zaad van de slang en zaad van de vrouw

 

Bij de bestudering van al deze Bijbelteksten over de reuzen komen we tot de conclusie dat zij echt wel hebben bestaan! De eerste reuzen kwamen we reeds in Genesis 6:4 tegen, dus vóór de zondvloed. Wij lazen in talrijke Schriftgedeelten, dat er ook na de zondvloed weer reuzen hebben bestaan tot aan de tijd van de koningen toe. De laatste reuzen werden door koning David en zijn leger uitgeroeid.

God kon deze bastaards en hun moeders beslist niet in leven  laten omdat voor Hem de vermenging tussen de afvallige zonen Gods en de dochters der mensen een gruwel was. Maar waarom eigenlijk? Wat zat daar meer achter? Het kon toch niet zo zijn dat het hierbij puur om seksueel genot ging, ook al stond erbij vermeld dat de dochters der mensen mooi waren? Dat klopt! Er schuilt inderdaad meer achter!

Het was ook absoluut geen spontane actie van deze hemelwezens, maar van tevoren heel zorgvuldig door een kwaad brein bedacht en gepland! Achter dit hele scenario zat niemand anders dan de satan zelf! Maar wat was precies zijn doel? Voor het antwoord op deze vraag moeten we  terug naar de zondeval van Adam en Eva.

De reactie van God op de zondeval lezen wij in de verzen :

 

“Daarop zeide God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen!”

 

Vanaf dat moment wist de satan dat uit het zaad van de vrouw zijn Tegenstander zou opstaan, die volgens deze profetie uiteindelijk satans kop zal vermorzelen, ook al zal hij zich fel daartegen verzetten. Om dit te voorkomen wilde de satan ervoor zorgen, dat het zaad van de vrouw vermengd zou worden met zijn zaad, zodat er geen sprake meer kon zijn van het zaad van de vrouw. Dientengevolge kon ook nooit sprake zijn van het vermorzelen van zijn hoofd!

Daarom hebben afvallige zonen Gods, die de kant van de satan hadden gekozen, zich op diens bevel bewust vermengd met de dochters der mensen, en zo ontstonden de reuzen. Als God derhalve een basis wilde verschaffen om de mensheid te laten voortbestaan, dan kon Hij geen besmet menselijk nageslacht toestaan dat niet van Adam afkomstig was, en was het voor Hem nodig om de zondvloed over de aarde te brengen.

Het is verbijsterend om te zien hoe de satan al vanaf het begin getracht heeft om Gods heilsplannen te dwarsbomen, want wat zou anders het dieper liggende motief van deze ontrouwe zonen Gods geweest zijn, dan een poging om het menselijk ras dermate genetisch te manipuleren dat de komst van de Messias Yeshua (Jezus) in het vlees hierdoor onmogelijk zou worden.

Yeshua zou nooit geboren kunnen worden uit een demonisch gedrocht, maar het is ronduit geweldig om te zien hoe God in Zijn wijsheid steeds weer alles in de goede banen weet te leiden. Tegen alle menselijke verwachtingen in konden de sterke machten die tegen Israël streden, het niet verslaan en vernietigen. In de Bijbel staat dat de reuzen zo hoog als de ceders waren en zo sterk als de eiken. En toch waren de Israëlieten in staat om deze reuzen te verslaan, want de Eeuwige was met hen en had hen de overwinning belooft.

Daarom zegt Hij tegen de kinderen van Israël: “Al waren die groot als ceders en sterk als eiken, Ik heb hen met wortel en tak uitgeroeid!”. De God van Israël is een God die wonderen doet, ook in uw en in mijn leven. Als wij volledig op Hem vertrouwen en ons geheel aan Hem overgeven, dan kunnen ook wij al die ‘reuzen’ verslaan, die wij in ons leven tegenkomen.

 

1 Johannes 4:4

“want Hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst!”

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

John Astria

 

 

De Wonderbare Medaille

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Catherine Labouré en de Wonderdadige medaille

 

Catherine wordt geboren op 2 mei 1806 te Fain-les- Moustiers. Haar vader is boer. Zij is de 9de telg uit 19 kinderen. Haar moeder overlijdt op 9 jarige leeftijd. In 1830 treedt ze in het klooster van de Dochters van Liefde te Parijs, gelegen in de Rue du Bac. Het klooster is een congregatie die door Vincentius a Paulo in 1633 werd gesticht. De religieuze krijgt in 1830 drie Mariaverschijningen. Ze ontvangt de opdracht voor het slaan van de Wonderdadige Medaille.

 

 

 

 

                       

De voorgeschiedenis

 

Vincentius a Paulo

 

De heilige Vincentius a paulo is geboren op 24 april 1581 in Pouy bij Dax. In 1600 wordt hij tot priester gewijd. 12 jaar later wordt hij priester in Clichy-Parijs. Daar legt hij de gelofte af om zijn leven te wijden aan de armen. In 1625 sticht hij de missiecongregatie die zich de Lazaristen noemt. Hun klooster is het melaatsenhuis St Lazare. De leden worden de wereld ingestuurd om het evangelie te prediken.

 

 

 

 

 

De Dochters van Liefde

 

Enkele jaren later (1633) sticht hij met de Heilige Louise Legras de Marillac een zustercongregatie, de “Dochters van Liefde”. Het zijn zusters die zorgen voor de armen, zieken, bejaarden en wezen. Deze congregatie bestaat nog tot op heden. De feestdag van de Heilige Vincentius is op 27 september.

 

 

 

 Catherine Labouré

 

Catherine wordt geboren op 2 mei 1806 te Fain-les- Moustiers. Haar vader is boer. Zij is de 9de telg uit 19 kinderen. Haar moeder overlijdt op 9 jarige leeftijd. In 1830 treedt ze in het klooster van de Dochters van Liefde te Parijs, gelegen in deverschijning . Op 18 juli 1830 geeft de directrice van het klooster aan elke zuster een stuk linnen van het koorkleed van de Heilige Vincentius nadat ze een groot eerbetoon had gegeven aan de Heilige Maagd. Catherine scheurt het stukje linnen in twee, steekt er eentje van in haar mond en slikt het door in de hoop ooit de Heilige Maagd te mogen zien. Die avond valt ze in gedachten daaraan in slaap.

 

 

 

     De 1ste verschijning op 19 juli 1830

 

 

De vooravond van 18 juli

 

Het is 18 juli 1830. De directrice van het klooster geeft aan elke zuster een stuk linnen van het koorkleed van de Heilige Vincentius nadat ze een groot eerbetoon had gegeven aan de Heilige Maagd. Catherine scheurt het stukje linnen in twee, steekt er eentje van in haar mond en slikt het door in de hoop ooit de Heilige Maagd te mogen zien. Die avond valt ze in gedachten daaraan in slaap.

 

 

 

Een boodschapper

 

In de nacht van 18 op 19 juli wordt Catherine wakker geroepen door een stem van een klein kind dat naast haar bed staat. Het kind (ongeveer 5 jaar) draagt een wit, lichtgevend kleed en maant de zuster aan om zich naar de kapel te begeven. Zij kleedt zich snel aan en volgt het kind naar de deur van de kapel die zich met een vingeraanraking opent. Het kind wijst naar het altaar en zegt “ziehier de Heilige Maagd”.

 

 

De dame

 

Catherine hoort het geruis van een mantel en ziet een dame in een blauwe mantel en een witte sluier naderen. De dame knielt voor het altaar en zet zich in een fluwelen zetel. Omdat de zuster niet direct reageert verheft de stem van het kind zich gelijk die van een man en zegt nogmaals “ziehier de Heilige Maagd”. Een oogwenk later is Catherine geknield voor het altaar. Daarop volgt een onderhoud tussen de maagd en de zuster van 2 uur.

 

 

 

De taak

 

De Maagd vertelt dat God haar met een taak wil belasten waarbij ze veel moeilijkheden zal ondervinden. Op een bedroevende manier deelt ze de zuster mee dat de wereld erge tijden gaat meemaken, dat het kruis veracht zal worden en dat daardoor de zijde van Christus weer zal geopend worden. Dan deelt de maagd een hoopvolle boodschap mede aan Catherine, ”kom aan de voet van dit altaar, daar worden de genaden uitgestort over alle personen die erom vragen , groot en klein”. Daarop verdwijnt de Maagd. Het gelukkigste moment in het leven van de zuster is geschied.

 

 

 

De 2de verschijning op 27 november 1830

 

                    

De bol en het kruis 

 

Zaterdag 27 november. Het is half 6 en de zusters zitten in de kapel om te mediteren. Catherine hoort het geruis van een kleed en weet direct dat het de Heilige Maagd is. De Maagd blijft staan op de hoogte van het schilderij van St Jozef. Maria ‘staande in de ruimte’ draagt een rood, lichtgevend gewaad. In haar handen heeft ze een gouden bol met een kruis erop. Zelf staat ze nog op een grotere halve bol. Het is alsof ze de kleine bol (de wereld) God aanbiedt, terwijl haar ogen hemelwaarts gericht genade afsmeken.

 

 

 

De edelstenen

 

Aan haar vingers draagt Maria ringen met glanzende edelstenen. Terwijl de kleine bol verdwijnt schieten er uit de edelstenen fonkelende, waaiervormige stralen die in druppels neervallen op de halve bol onder haar voeten. De Maagd laat Catherine weten dat de halve bol de wereld vertegenwoordigt en dat de plek die de meeste stralen ontvangt Frankrijk is. De lichtstralen zijn een symbool van genaden die uitgestort worden over hen die erom vragen. De precieze woorden van de maagd zijn :”zie daar het symbool van de genaden, die ik verleen aan hen die erom vragen”.

 

 

 

 

 

 

 

De voorkant van de medaille

 

Catherine vraagt aan de Maagd waarom sommige edelstenen meer schitteren  dan de anderen. Maria zegt dat dat komt door genades die niet worden gevraagd. Dan vormt zich een ovalen lijst rond het tafereel met aan de rand in gouden letters de zin: o Maria zonder zonden ontvangen, bid voor ons die onze toevlucht tot u nemen.

 

 

 

Pasteltekening van John  Astria

 

 

 

De achterkant van de medaille

 

Dan keert het ovaal zich om. Catherine ziet in het midden de letter M waaruit een kruis opstijgt. Daaronder staan de 2 harten van Jezus en Maria, de één met doornen gekroond , de andere doorstoken met een zwaard. Het geheel is omgeven door een krans van 12 sterren. Maria geeft de zuster de opdracht een medaille te slaan: ” laat een medaille slaan naar dit model.

Zij die haar dragen zullen grote genade ontvangen, vooral als zij haar om de hals dragen en met eerbied het gebed bidden, dan zullen zij de bijzondere bescherming van de moeder van God ontvangen en zal de genade overvloedig zijn “. Wanneer Catherine  meer uitleg vraagt over de medaille antwoordt de Maagd ,”het kruis, de letter M en de 2 harten zeggen voldoende”. Daarmee bevestigt ze dat de mens moet nadenken over de medaille en ze leert begrijpen.

 

 

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 De betekenis van de achterzijde van de medaille

 

De letter M is verweven met het kruis. Christus en Maria zijn altijd samen en met elkaar verbonden. Christus’ hart is met doornen gekroond, symbool voor het lijden dat hij op zich nam om zoenoffer te worden voor de zonden van de gelovigen. Het hart van Maria is doorstoken met een zwaard en staat onder het kruis, symbool voor haar lijden op Golgotha waar ze haar zoon zag sterven.

Beide harten vertellen het geheim van de medaille. Het is een geheim van liefde, bewaard voor ons en dat leven geeft van de hemel naar de aarde. De 12 sterren in het ovaal verwijzen naar de Apocalyps of De Openbaring, het laatste profetische boek van het Nieuwe Testament. In Openbaring hoofdstuk 12 zien we eenzelfde tafereel, Maria met 12 sterren rond haar hoofd. De sterren zijn de 12 toekomstige leiders van de stammen van Israël en de wereld. Het getal 12 geeft de volmaaktheid weer van Goddelijk bestuur na de wederkomst van Christus op aarde.

 

 

                   

         De 3de verschijning in december 1830

 

Nog geen maand na de 2de verschijning ziet Catherine de Maagd weer. Het is december. Ze staat opnieuw op een bol. Onder haar voeten kronkelt een slang die door haar verpletterd wordt. Daarmee voltooit zich een profetie. In Genesis staat geschreven :”door de vrouw (Eva) kwam de zonde, door een vrouw (Maria) wordt de duivel overwonnen”. Om de duivel te overwinnen heeft de mens God nodig. Satan heeft nooit het laatste woord.

 

 

 

Bronnen en referenties

* Saint Catherine Labouré of the Miraculous Medal -I Dirvin

* www.CatherineLabouréendeWonderbareMedaille

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

De tactiek van de duivel

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

De tactiek van satan, de duivel

 

Satan is één van de belangrijkste engelen in de hemel die in opstand kwam tegen God en uit de hemel verwijderd werd. Het karakter van satan is beschreven a.d.h. van het woordgebruik in het Hebreeuws en het Grieks. Hieruit wordt geleerd dat satan een kwaadspreker, een roddelaar en een tegenstander van God is.

.

 

 

Hoe gaat satan te werk?

 

De tegenstander van God werkt vanuit de duisternis en kan God die het licht is niet verdragen. Hij zal God dan ook op alle mogelijke manieren tegenwerken. Zijn actieterrein is de aarde en in het bijzonder de mensen die willen leven in gehoorzaamheid aan God. Gods tegenstander zal op alle mogelijk manieren proberen deze mensen van God af te houden.

Elke discipel van Jezus, iedereen die op Jezus vertrouwt, in elk facet van het leven, zal de tegenstander op zijn weg tegenkomen. Paulus schrijft:

Allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden.   (2 Timotheüs 3:12)

 

‘Zullen vervolgd worden’ is de vertaling van het Griekse woord ‘dioko’. Enkele andere vertalingen zijn:

  • verdrijven / op de vlucht drijven / hard rennen om iets of iemand te vangen / achter iets aan rennen / iemand op elke mogelijke manier dwarszitten.

 

 

 

Satan, de tegenstander, probeert mensen in de val te lokken

 

Jezus zei tegen de satan, de tegenstander:

Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op (gij hebt geen begrip van) de dingen van God (dat wat van God is), maar op die van de mensen.   (Mattheüs 16:23)

 

In het Grieks wordt ‘skandalon’ vertaald als aanstoot of

  • het losse stuk hout dat een val voor dieren openhoudt.

Gods  tegenstander probeert in te spelen op menselijke verlangens, om iemand op die manier in de val te lokken en zo van God weg te houden.

 

 

 

De duivel, de kwaadspreker, is een moordenaar

.

 

De apostel Petrus schrijft:

Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.
(1 Petrus 5:8)

 

De duivel gaat in de wereld rond als een brullende leeuw. Hij kan niet zomaar iedereen verslinden. Hij moet zijn prooi zoeken en vindt dat in mensen die hij kan intimideren en bang maken, zodat ze een gemakkelijke prooi worden. Iemand die verstart van angst door het brullen van de leeuw, wordt snel overmeesterd.

Zoals de leeuw zal hij proberen een dier te isoleren door middel van angst, in de hoop dat het de verkeerde kant op vlucht. Daarna zal hij er net zo lang achteraan jagen, totdat zijn prooi moe wordt en verslapt, zodat hij die kan bespringen.

 

 

666 en de antichrist

 

Pasteltekening van John Astria

.

 

 

De duivel, de kwaadspreker, is een leugenaar

.

 

Jezus zei over hem:

Die was een mensenmoordenaar van in het begin en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader van de leugen.   (Johannes 8:44)

 

In deze uitspraak geeft Jezus aan, dat de tegenstander een mensenmoordenaar is, omdat hij zich tot doel stelt, te voorkomen dat zijn prooi in de eeuwigheid bij God zou zijn. Zijn middel is de leugen. Een voorbeeld is de eerste leugen die uitgesproken werd in het paradijs, door de slang (die ook genoemd wordt de duivel en de satan – Openbaringen 12:9 / 20:2) toen hij zei:

God heeft zeker wel gezegd: Gij zult van geen enkele boom in de hof eten.
(vrij vertaald naar Genesis 3:1)

 

God had gezegd dat Adam en Eva van alle bomen in de hof mochten eten, uitgenomen één, waar ze niet van mochten eten (Genesis 2:16-17). De tegenstander, draait de waarheid om, zodat Eva onzeker wordt, gaat twijfelen over wie God is en wat Hij gezegd heeft. Daardoor maakt ze de verkeerde keuze.

 

 

 

De juiste ontsnappingsroute

 

De Psalmist schrijft:

Red mij van mijn vijanden, Here, tot U vlucht ik.   (Psalmen 143:9)

 

 

 

De juiste houding tegenover de tegenstander

 

Daarover schrijft de apostel Jacobus:

Onderwerpt u (maakt u ondergeschikt, gehoorzaamt) dus aan God, maar biedt weerstand aan (stelt u op tegenover) de duivel, en hij zal van u vlieden (wegvluchten).   (Jakobus 4:7)

 

Wie zich onderwerpt aan God, wie Jezus gehoorzaamt en wandelt in het Licht, heeft niets te vrezen van deze brullende leeuw, die leeft in de duisternis en het Licht haat:

  • duisternis moet wijken voor het licht
  • duisternis vlucht voor het licht.

 

 

.

Jezus bood weerstand aan de duivel 

 

 

Mattheüs 4: 1 – 10

 

1 Daarna stuurde de Heilige Geest Jezus naar de woestijn. Daar moest Jezus door de duivel op de proef worden gesteld. 2 Hij bleef 40 dagen in de woestijn. Al die tijd at Jezus niets. Tenslotte kreeg Hij honger.

3 Toen kwam de duivel. Hij zei tegen Hem: “Als U Gods Zoon bent, zeg dan tegen deze stenen dat ze in broden moeten veranderen.” 4 Maar Jezus antwoordde: “In de Boeken staat:

‘Je kan niet alleen van brood leven. Alles wat God zegt, heb je óók nodig om te leven.’ “

5 Toen nam de duivel Hem mee naar Jeruzalem. Daar zette hij Hem op de rand van het dak van de tempel. 6 En hij zei tegen Jezus: “Als U Gods Zoon bent, spring dan naar beneden. Er staat toch in de Boeken: ‘God zal zijn engelen de opdracht geven dat ze U op hun handen moeten dragen. Dan zult U uw voeten niet aan een steen stoten.’ ” 7 Jezus antwoordde: “Maar er staat ook in de Boeken:

‘Je mag je Heer God niet uitdagen.’ “

8 Daarna nam de duivel Jezus mee naar een hoge berg. Vanaf die berg liet hij Jezus alle koninkrijken van de wereld zien, met al hun macht en rijkdom. 9 En hij zei tegen Jezus: “Dat geef ik allemaal aan U, als U voor mij neerknielt en mij aanbidt!” 10 Toen zei Jezus:

“Ga weg, duivel! Er staat toch ook in de Boeken: ‘Aanbid je Heer God en dien alleen Hém.’ “

11 Toen liet de duivel Hem met rust. En er kwamen engelen om Hem te dienen.

 

 

De verzoeking van Jezus door de duivel

 

 

 

Een waarschuwing

 

De satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.   (2 Corinthiërs 11:14)

Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan.   (1 Johannes 4:1)

Doordat zij de rechte weg verlaten hebben, zijn zij verdwaald   (2 Petrus 2:15)

 

Het is dus noodzakelijk om alles te toetsen aan Het Woord, de Bijbel en aan Jezus, Het Levende Woord om zo het goede te behouden.

 

Zalig is de man (de mens), die in verzoeking (ook: beproeving / inwendige verleiding tot zondigen) volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.   (Jakobus 1:12)

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

Satan bestaat echt!

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Het aanbidden van de Mammon, de geldduivel

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 De duivel  bestaat

 

De Bijbel schildert de duivel af als een echte persoon. Alleen kunnen mensen de duivel niet zien, net zomin als ze God kunnen zien. De Bijbel zegt namelijk: „God is een Geest” (Johannes 4: 24). Ook de duivel is een onzichtbare geest. Maar in tegenstelling tot de Schepper heeft de duivel een begin gehad.

 

 

Lang voordat God mensen schiep, had hij een groot aantal geestelijke schepselen gemaakt (Job 38:4, 7). In de bijbel worden deze geesten engelen genoemd (Hebreeën 1:13, 14). God schiep hen allemaal volmaakt, niet één was een duivel of had een slechte eigenschap.

Het woord duivel betekent lasteraar en verwijst dan ook naar iemand die boosaardige leugens over anderen vertelt. Satan betekent tegenstrever of tegenstander. Eén van de volmaakte geestenzonen van God werd Satan de Duivel door toe te geven aan een verkeerd verlangen.

De Bijbel verklaart het proces van ontaarding als volgt: „Een ieder wordt beproefd doordat hij door zijn eigen begeerte meegetrokken en verlokt wordt. Vervolgens baart de begeerte, als ze vruchtbaar is geworden, zonde; de zonde op haar beurt, wanneer volbracht, brengt de dood voort.”  Jakobus 1:14, 15.

Dat is kennelijk wat er gebeurd is. Toen God het eerste mensenpaar, Adam en Eva, schiep, keek de engel die op het punt stond tegen God in opstand te komen oplettend toe. Hij wist dat God Adam en Eva had geboden de aarde te vullen met rechtvaardige mensen, die de Schepper zouden aanbidden (Genesis 1:28).

Deze engel zag zijn kans schoon om eer te behalen en belangrijk te worden. Gedreven door hebzucht hunkerde hij naar wat alleen de Schepper toekomt: de aanbidding van mensen. In plaats van dit onjuiste verlangen te verwerpen, koesterde deze geestenzoon van God het totdat het een leugen en daarna opstand baarde.

De opstandige engel gebruikte een slang om met de eerste vrouw, Eva, te spreken. Hij vroeg aan Eva:

Is het werkelijk zo dat God heeft gezegd dat gij niet van elke boom van de tuin moogt eten?

 

Toen Eva Gods gebod en de straf op het overtreden ervan aanhaalde, zei de slang:

Gij zult volstrekt niet sterven. Want God weet dat nog op de dag dat gij [van de boom die in het midden van de tuin staat] eet, uw ogen stellig geopend zullen worden en gij stellig als God zult zijn, kennend goed en kwaad (Genesis 3:1-5).

 

Met deze woorden beweerde de slang in feite dat God Adam en Eva niet de waarheid had verteld. Door de vrucht van die boom te eten zou Eva zogenaamd net als God worden en het recht hebben om zelf te bepalen wat goed en wat slecht was. Dat was de allereerste leugen. Door te liegen maakte die engel zich tot een lasteraar. Hij werd ook een tegenstander van God. De Bijbel noemt deze vijand van God dan ook de oorspronkelijke slang, die duivel en Satan wordt genoemd. — Openbaring 12:9.

 

 

 

Wees waakzaam

 

De leugen die de duivel Eva vertelde, had precies de beoogde uitwerking. De bijbel zegt:

Dientengevolge zag de vrouw dat de boom goed was tot voedsel en dat hij iets was waarnaar het verlangen der ogen uitging, ja, de boom was begeerlijk om naar te kijken. Zij nam dan van zijn vrucht en ging ervan eten. Daarna gaf zij er ook van aan haar man, toen deze bij haar was, en hij ging ervan eten (Genesis 3:6).

 

Eva geloofde Satan en was God ongehoorzaam. Het lukte haar om ook Adam over te halen Gods wet te overtreden. Zo slaagde de duivel erin het eerste mensenpaar tegen God op te zetten. Van toen af aan heeft Satan een onzichtbare invloed op het doen en laten van mensen uitgeoefend. Met welk doel? Hij wil dat mensen hem gaan aanbidden in plaats van de ware God (Mattheüs 4:8, 9).

De bijbel waarschuwt daarom terecht:

Houdt uw zinnen bij elkaar, weest waakzaam. Uw tegenstander, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek om iemand te verslinden — 1 Petrus 5:8.

 

De Bijbel schildert de duivel dus heel duidelijk af als een echt bestaand geestelijk wezen — een engel die verdorven en gevaarlijk werd! Om alert te blijven, moeten we om te beginnen erkennen dat hij echt bestaat. Maar onze zinnen bij elkaar houden en waakzaam zijn omvat meer. Het is ook belangrijk dat we niet onwetend zijn van Satans „bedoelingen” en van de manieren waarop hij mensen misleidt (2 Korinthiërs 2:11).

 

 

De duivel als de antichrist of de valse profeet en Christus, de Messias

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De Duivel buit een aangeboren menselijke behoefte uit

 

De duivel observeert mensen al sinds de schepping van de mens. Hij weet hoe de mens in elkaar zit — wat zijn behoeften, interesses en verlangens zijn. Satan beseft heel goed dat de mens geschapen werd met een geestelijke behoefte, en hij heeft die behoefte sluw uitgebuit. Hoe? Door de mensheid te voeden met religieuze onwaarheden (Johannes 8:44).

Veel religieuze leringen over God zijn tegenstrijdig en verwarrend. Veel religieuze leringen zijn specifiek door Satan ontworpen en gebruikt om mensen te misleiden. In feite noemt de Bijbel hem „de god van dit samenstel van dingen”, die de geest van mensen heeft verblind. — 2 Korinthiërs 4:4.

Goddelijke waarheid biedt bescherming tegen religieus bedrog. De Bijbel vergelijkt de waarheid van Gods Woord met de gordel die een soldaat in de oudheid droeg om zijn lendenen te beschermen (Efeziërs 6:14). Als u kennis opdoet van de bijbel en stevig vasthoudt aan de erin vervatte boodschap, alsof die een gordel was, zal Gods Woord u tegen misleiding door religieuze leugens en dwalingen beschermen.

De religiositeit van de mens brengt hem ertoe het onbekende te verkennen. Hierdoor wordt hij blootgesteld aan een andere bedrieglijke list van Satan. De Duivel slaat munt uit de nieuwsgierigheid van mensen naar vreemde en mysterieuze dingen, door spiritisme te gebruiken om velen in zijn macht te krijgen.

Zoals een jager lokaas gebruikt om prooi aan te trekken, werkt Satan met middelen als waarzeggerij, astrologie, hypnotisme, hekserij, handlijnkunde en magie om overal mensen aan te trekken en in de val te lokken. — Leviticus 19:31; Psalm 119:110.

Hoe kunt u zich tegen de valstrik van spiritisme beschermen? Deuteronomium 18:10-12 merkt op:

Er dient onder u niemand te worden gevonden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, niemand die aan waarzeggerij doet, geen beoefenaar van magie, noch iemand die voortekens zoekt, noch een tovenaar, noch iemand die anderen door een banspreuk bindt, noch iemand die een geestenmedium of beroepsvoorzegger van gebeurtenissen raadpleegt, noch iemand die de doden ondervraagt. Want iedereen die deze dingen doet, is iets verfoeilijks voor God, en wegens deze verfoeilijkheden verdrijft Jehovah, uw God, hen van voor uw aangezicht.

 

 

 

Satan buit menselijke zwakheden uit

 

Een volmaakte engel werd Satan, de duivel, omdat hij toegaf aan het verlangen naar zelfverheffing. Ook in Eva wekte hij een trots, egoïstisch verlangen op om als God te zijn. Tegenwoordig houdt Satan velen in zijn greep door een gevoel van trots in hen op te wekken. Sommigen voelen zich bijvoorbeeld op grond van hun ras, etnische achtergrond of nationaliteit beter dan anderen. De bijbel verklaart duidelijk:

God heeft uit één mens elke natie van mensen gemaakt. — Handelingen 17:26.

 

Een effectieve verdediging tegen Satans beroep op trots is nederigheid. De Bijbel geeft ons de raad:

Niet meer van onszelf te denken dan nodig is  -(Romeinen 12:3).

God weerstaat de hoogmoedigen, maar hij geeft onverdiende goedheid aan de nederigen  – (Jakobus 4:6).

 

Een andere menselijke zwakheid waar de Duivel maar al te graag misbruik van maakt, is toegeven aan onjuiste zinnelijke verlangens. God wil dat mensen van het leven genieten. Als verlangens binnen de grenzen van Gods wil vervuld worden, leidt dat tot echt geluk.

Satan verlokt mensen ertoe zich op immorele manieren aan hun begeerten over te geven. – (1 Korinthiërs 6:9, 10).

Het is veel beter om onze geest voortdurend te richten op dingen die eerbaar en deugdzaam zijn. – (Filippenzen 4:8).

 

 

De ware- en de valse Drievuldigheid

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

Blijf de duivel weerstaan

 

De mens kan de Duivel weerstaan. De Bijbel verzekert ons:

Weerstaat de Duivel en hij zal van u wegvluchten  (Jakobus 4:7).

 

Zelfs als u Satan weerstaat, betekent dat nog niet dat hij het meteen opgeeft en het u, terwijl u kennis van God in u opneemt, nooit meer lastig maakt. Nee, de Duivel zal het nog eens proberen:

Op een andere geschikte tijd   (Lukas 4:13).

 

Maar u hoeft niet bang te zijn voor de Duivel. Als u hem blijft weerstaan, zal het hem niet lukken u van de ware God af te trekken.

Om de Duivel te kunnen weerstaan, moeten we weten wie hij is en hoe hij mensen misleidt, maar ook wat we kunnen doen om ons tegen zijn listen te beschermen. Er is slechts één nauwkeurige bron van die kennis: Gods Woord, de Bijbel.

Besef echter wel dat als u de Bijbel bestudeert, Satan tegenstand of vervolging kan gebruiken om u ervan af te brengen de waarheid uit Gods Woord te leren kennen. Sommigen zouden boos op u kunnen worden omdat u de Bijbel bestudeert, anderen maken u misschien belachelijk.  Zo wil de duivel u ontmoedigen zodat u ermee stopt meer over de ware God te leren.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

De duivel, de uit de hemel gevallen Morgenster

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

de duivel in de antichrist

 

Pasteltekening van John Astria

 

De duivel

 

Als er één persoon uit de hele geschiedenis van het christendom is die tot de verbeelding spreekt, dan is het de duivel wel. Als hoogmoedige Morgenster uit de hemel gevallen, komt hij al millennia lang in opstand tegen de almachtige God. Satan is de intrigerende tegenstander, de fascinerende tester en aanklager van mensen.

 

 

De duivel in de Bijbel

 

De duivel wordt talloze malen genoemd door de Bijbel heen, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Er is echter niet op één plek een alomvattende definitie gegeven van de duivel. Wie dus een goed beeld wil krijgen van de duivel, zal verschillende Bijbelteksten van Genesis tot Openbaring met elkaar moeten combineren en deze plaatsen in het licht van de theologische traditie.

Het Vierde Lateraans Concilie (1215) stelde dat God in de beginne twee schepselen maakte, het spirituele en het lichamelijke, het engelachtige en het aardse, en tenslotte de mens, die tegelijkertijd geest en lichaam was. Het concilie vervolgt hierop:

“Diabolus enim et alii dæmones a Deo quidem naturâ creati sunt boni, sed ipsi per se facti sunt mali.” Vertaald:

 

“De duivel en de andere demonen zijn door God gemaakt, van nature goed, maar slecht door zichzelf.”

 

God maakte de duivel en de andere demonen als spirituele en engelachtige wezens. Hij maakte hen goed, maar door hun eigen daden werden ze slecht. Door hun val werden ze duivels van aard. Dit gebeurde vóór de zondeval van Adam en Eva, die immers veroorzaakt werd door de misleidende, sluwe slang in de hof van Eden (Genesis 3). Het is dan ook opmerkelijk dat het verhaal over de val van de engelen pas gevonden wordt in het laatste boek van de Bijbel. In Openbaring staat geschreven:

“Toen brak er een oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid.” (Openbaring 12:9)

In Job 4:18 is een korte referentie te vinden van de val: “(…) ook bij zijn engelen bespeurt hij [God] nog gebreken.”

 

Uitgebreider wordt over de val gesproken in twee klassieke teksten in de profeten: Jesaja 14: 12-15

 

“O morgenster, zoon van de dageraad,
hoe diep ben je uit de hemel gevallen.
Overwinnaar van alle volken,
hoe smadelijk lig je daar geveld.
Je zei bij jezelf: ik stijg op naar de hemel,
boven Gods sterren plaats ik mijn troon.
Ik zetel op de toppen van de Safon,
de berg waar de goden bijeenkomen.
Ik stijg op tot boven de wolken,
ik evenaar de Allerhoogste.
Nee! Je daalt af in het dodenrijk,
in de allerdiepste put.”

 

 

de duivel in de sport

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De profeet Jesaja spreekt deze woorden tegen de koning van Babylon, maar erin verborgen ligt een diepere laag die refereert aan de val van Satan, de rebellerende aartsengel. De tekst hieraan parallel is Ezechiëls klaagzang over de Koning van Tyrus:

  • “Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen.
  • Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg.
  • Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God en verdreef ik je van je plaats tussen de vurige stenen. Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld. Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen.” (Ezechiël 28: 12-17)

 

 

Waaraan hebben de gevallen engelen zich bezondigd, dat ze uit de hemel werden verbannen? Engelen zijn niet gevoelig voor lichamelijke verlokkingen en gaan niet ten onder aan de zwakheid van het vlees. De zonde die Lucifer en zijn volgelingen begingen tegen God, was hoogmoed. Het verlangen om onafhankelijk te zijn van God en gelijk te zijn aan hem. Vóór zijn val zou Lucifer een hoge positie in de hiërarchie van de hemel hebben bekleed.

Hij stond dichtbij God. Uit de geschiedenis blijkt dat degene die het dichtst bij de troon staat, het meest vatbaar is voor gevoelens van ambitie. Lucifer, de morgenster en zoon van de dageraad, wilde hoger stijgen dan God en viel in de allerdiepste put.

In zijn val nam hij de engelen mee die hem hadden gevolgd in zijn opstand tegen God. De duivel heeft blijvende macht over deze engelen. Dat blijkt uit deze Bijbelteksten:

“de duivel en zijn engelen” (Matteüs 25:41)

“heerser over de machten in de lucht” (Efeze 2:2)

“de draak en zijn engelen” (Openbaring 12:7).

 

Niet alleen zijn engelen, maar ook de wereld valt binnen de invloedssfeer van de duivel. Jezus typeert de duivel als “de heerser van deze wereld” (Johannes 14:30). En Paulus spreekt hierover in de brief aan de gemeente in Efeze:

“de god van deze wereld, de heerser over de machten in de lucht, de geest die nu werkzaam is in hen die God ongehoorzaam zijn” (Efeze 2:2).

 

In het eerdergenoemde gedeelte van Openbaring staat dit bevestigd: “Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt.” Na zijn val trok hij Adam en Eva met zich mee, en sindsdien is hij niet gestopt met het verleiden en misleiden van hun kinderen.

 

 

de duivel in de politiek

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Adam en Eva en het verloren paradijs.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

adam-and-eve1

Adam en Eva : de zondige, afvallige mens

 

 

Wanneer we de namen Adam en Eva horen, dan denken we dan aan het verloren paradijs, ongehoorzaamheid, zonde en het kwaad dat in de wereld kwam? Maar wanneer we het boek Genesis goed lezen, zien wij ook een andere kant van het eerste mensenpaar. Want zij hebben God niet vaarwel gezegd.

Na hun overtreding mochten ze niet meer in de tuin van Eden wonen. Het klinkt misschien vreemd, maar het was een straf uit liefde. God wilde niet dat ze na de overtreding nog van ‘de boom des levens’ zouden eten, waardoor ze eeuwig zouden voortleven in hun moeiten. Hij liet hen echter niet aan hun lot over. Als een liefdevolle Vader leerde Hij hen te leven buiten de beschermde tuin.

God zorgde voor de eerste levensbehoeften, zoals kleding. Maar eerst werd de verleider aangepakt. “God, de Heer, zei tegen de slang:

‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan. Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel’ ” (Genesis 3:14-15).

 

Zo beloofde God Adam en Eva, nog voordat Hij over hen een oordeel uitsprak, dat eens de gevolgen van hun zonde uitgewist zouden worden. Pas daarna hoorden Adam en Eva wat het gevolg van hun overtreding was voor henzelf.

“Tegen de vrouw zei Hij:  ‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last. Je zult je man begeren, en hij zal over je heersen.’ Tegen de mens zei Hij: ‘Je hebt geluisterd naar je vrouw, gegeten van de boom die ik je had verboden. Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan, zweten zul je voor je brood totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug’” (Genesis 3:16-19).

 

In vers 20 komen we voor het eerst de naam Eva tegen. Adam had zijn vrouw mannin genoemd, gewoon de vrouwelijke vorm van mens of man. Nu gaf hij haar dus de naam ‘Eva’, wat leven betekent. Hiermee liet hij zien dat hij God geloofde: uit zijn vrouw zou nieuw leven geboren worden. Het leven was voor Adam en Eva nu totaal anders geworden, ze zullen vaak met weemoed hebben gedacht aan het leven in de tuin. Maar de liefde voor God hadden zij niet verloren.

Bij de geboorte van hun eerste kind zei Eva: “Met de hulp van de Heer heb ik het leven geschonken aan een man” (4:1). Zij dankte God dus voor het nieuwe leven dat zij ontving. Zij noemden hun eerste zoon Kaïn (bezit), de tweede Abel (adem). Naast hen kregen zij nog andere zonen en dochters. Ze leerden hen alles over God. Het leek alsof Kaïn en Abel de Heer liefhadden.

De Bijbel vertelt dat zij Hem een offer brachten. God zag de gezindheid van Abel en zijn offer; hij was rechtvaardig in Gods ogen, en Hij zegende hem. God zag de gezindheid van Kaïn en zijn offer; hij was vervuld van jaloezie en hebzucht, en God zegende hem niet.

De oudste zoon, waar ze zo blij mee waren, en waar ze God voor gedankt hadden, liet toen zien hoe erg de zonde is. Zijn jaloezie werd haat en hij doodde zijn broer. De dood was toen voor Adam en Eva werkelijkheid geworden. Het gevolg van de zonde drong steeds meer tot hen door. Zij zagen wat het betekent: ‘stof ben je, tot stof keer je terug’.

Vol verdriet zagen zij het lichaam van Abel. Kaïn was door God weggestuurd. Zo verloren zij twee zonen op één dag. Maar Adam en Eva kregen meer kinderen. Ze bleven hen de weg van God leren. Vol vreugde zagen zij dat één van hen in gezindheid op Abel leek. Ook hij gehoorzaamde God. Ze noemden hem Set (vervanging), “want”, zei Eva, “God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven” (Genesis 4:25). Zij zei niet in de plaats van Kaïn, nee in de plaats van Abel.

In die tijd werden de mensen erg oud. Van Adam lezen we: “In totaal leefde Adam 930 jaar”. Het eerste mensenpaar bracht vele kinderen groot. Zij zagen twee soorten mensen ontstaan: nakomelingen van Set, die voor hen een vreugde waren en nakomelingen van Kaïn, die goddeloos en gewelddadig waren.

Voor Adam en Eva moet dat laatste een groot verdriet zijn geweest, wetende dat zij verantwoordelijk waren voor het kwaad dat in de wereld was gekomen. Het was een troost dat nakomelingen van Set waren als Abel. Over Abel wordt dan ook lovend gesproken als over een rechtvaardige:

“… en door zijn geloof klinkt zijn stem nog steeds, ook al is hij gestorven.” (Hebreeën 11:4)

 

en in vers 39:

“Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan” (Hebreeën 11:39).

 

Deze belofte, waar ook Adam en Eva naar uitkeken, is vervuld in het ware nageslacht van de vrouw: Jezus Christus.

 

 

Jezus en Maria, de perfecte Adam en Eva

Jezus en Maria, de perfecte Adam en Eva

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria