Tagarchief: kiel

Witte honingklaver : Melilotus albus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

.

Goed te herkennen aan
de witte vlinderbloemen, die los gerangschikt zitten in smalle langgerekte trossen

 

 

.

 

 

Algemeen

 

Ze houdt van zon en groeit op open, droge tot vochtige, omgewerkt grond in bermen, langs spoorwegen, indus-trieterreinen en braakliggende terreinen. Witte honingklaver is een tweejarige plant, die tot 1,5 meter hoog kan worden. Ze wordt ook uitgezaaid en is algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

Witte honingklaver

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf juli tot en met september. Witte honingklaver heeft witte geurende vlinderbloemen, die gerangschikt staan in een losse, langgerekte, smalle tros. De vlag van de bloemen is duidelijk langer dan de zwaarden, die ongeveer even lang zijn als de kiel.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De meerkantige stengels zijn wijd vertakt, waardoor witte honingklaver een struikachtig uiterlijk kan krijgen. De bladeren zijn samengesteld en bestaan uit drie lancetvormige scherp getande deelblaadjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

vergelijkbare soorten

 

Vergelijkbare soorten zijn kleine honingklaver, goudgele honingklaver en citroengele honingklaver. Witte honing-klaver is de enige met witte bloemen, de andere drie hebben gele bloemen.

.

 

kleine honingklaver

 

 

goudgele honingklaver

 

 

citroengele honingklaver

.

 

.

Algemeen

 

– vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– tweejarig
– algemeen tot zeldzaam
– 30 tot 150 cm

Bloem
– wit
– vanaf juli t/m september
– losse langgerekte tros
– vlinderbloem
– 4 tot 5 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– handvormig
– deelblaadjes lancetvormig
– top stomp
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

.

 

 

 

Klein springzaad : Impatiens parviflora

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, lichtgele bloemen met nagenoeg recht spoor aan rechtopstaande stelen en
– de in verhouding tot de bloemen grote, donkergroene bladeren met fijn gezaagde rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein springzaad is eenjarige, kale plant, die groeit op vochtige, matig voedselrijke (omgewerkte) grond in loofbossen, parken en ook tussen riet. Ze wordt 20 tot 60 cm hoog. Oorspronkelijk is ze afkomstig uit Midden- en Zuid-Azië en heeft zich inmiddels verspreid over grote delen van Europa.

 

 

Klein springzaad

 

 

 

Bloem

 

Klein springzaad bloeit vanaf juni tot en met oktober met lichtgele bloemen, die met 4 tot 10 bij elkaar op rechte stelen in okselstandige trossen staan. De bloemen hebben een kort, nagenoeg recht spoor, dat aan het onderste kelkblad zit. Dat kelkblad heeft dezelfde kleur als de bloem. De overige 2 kelkbladen zijn kleiner en groen en zitten aan de zijkant van de bloem. Het bovenste kroonblad heeft een groene kiel. Op de twee onderste kroonbladen en wat dieper in de bloem (aan het begin van de spoor) zitten donkergele vlekken met rode streepjes of stippen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan verspreid aan de stengel. De bovenste zijn groter dan de onderste.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De zaden kunnen rauw of gekookt gegeten worden. Het verzamelen van zaad is echter lastig, omdat rijpe vruchten bij aanraking openspringen en het zaad wegschieten.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

klein springzaad : lichtgele kleine bloemen, nagenoeg recht spoor (niet teruggekromd), rechtopstaande bloemstelen.

groot springzaad : gele bloemen, krom spoor, hangende bloemstelen.

oranje springzaad : oranje bloemen met roodachtige vlekken, krom spoor, hangende bloemstelen.

reuzenbalsemien : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, krom spoor.

tweekleurig springzaad : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, nagenoeg recht spoor, recent ingeburgerd in stedelijke gebieden.

 

 

groot springzaad

 

 

 

oranje springzaad

 

 

 

reuzenbalsemien

 

 

 

tweekleurig springzaad

 

 

 

Algemeen

 

balsemienfamilie (Balsaminaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 20 tot 60 cm

Bloem
– lichtgeel
– vanaf juni t/m oktober
– tros, 4 tot 10 bloemen
– gespoord
– incl. spoor tot 1,5 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 3 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top toegespits
– rand fijn gezaagd
– voet wigvormig
– veernervig
– donkergroen
– iets glanzend

Stengel
– rechtop
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Kattendoorn : Ononis repens subsp. spinosa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– struikvormige plant met roze vlinderbloemen
– scherp gedoornde korte zijtakjes
– onaangename geur

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kattendoorn is een onaangenaam ruikende, 30 tot 60 cm hoge struikachtige overblijvende plant met doorns. Ze komt vrij algemeen voor in in de Lage Landen. Kattendoorn groeit op zonnige, droge tot vochtige plaatsen, zoals langs schorren en kwelders, in de uiterwaarden en zandige graslanden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met talrijke helder roze, gesteelde vlinderbloemen, die afzonderlijk of met 2 of 3 in de bovenste bladoksels staan. De vlag van de bloemen is donker geaderd. De punt van de kiel steekt voorbij de zwaarden. De vrucht is een eivormige peul, net zo lang of iets langer dan de kelk.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren van kattendoorn zijn samengesteld en bestaan uit drie weinig behaarde deelblaadjes met een gezaagde rand en spitse punt. Het eivormige eindblaadje van een blad is gesteeld, de andere twee zijn met elkaar vergroeid. De bovenste bladeren, waar de bloemen staan, zijn enkelvoudig. Jonge takken zijn bezet met verspreid staande haren en met twee rijen haren, die per stengeldeel verspringen. Hoewel de stengels deel verhouten sterft de plant in de winter toch tot de grond toe af.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort is kruipend stalkruid.

 

 

  kattendoorn
– stekelig gedoornd
– vrucht is net zo lang of iets langer dan de kelk
– jonge takken behaard met twee rijen haren, verspringend
– weinig behaarde blaadjes met spitse punt
  kruipend stalkruid
– doorns zwak of afwezig
– vrucht is kleiner dan de kelk
– jonge takken rondom behaard
– bladeren dicht bezet met klierharen, (meestal) een stompe   punt

 

 

 

 

 

 

 

kruipend stalkruid

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 30 tot 60 cm

Bloem
– helder roze, zelden wit
– vanaf juni t/m september
– gesteeld alleenstaand of tros
– vlinderbloem
– 1 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden, vergroeid met elkaar
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– bovenste enkelvoudig
– onderste 3-tallig
– eivormig
– top spits
– rand getand
– veernervig
– met weinig klierharen

Stengel
– rechtop of opstijgend
– deels verhout

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brede lathyrus : Lathyrus latifolius

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Brede Lathyrus, Montenach

 

 

Goed te herkennen aan
– de rozerode tot helder roze vlinderbloemen met brede vlag en
– de uit 2 deelblaadjes bestaande, gerankte, blauwgroene bladeren
– en de gevleugelde, blauwgroene stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Brede lathyrus is een overblijvende plant oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Zuid-Europa. In de Lage Landen wordt ze aangeboden als tuinplant. Vanuit tuinen is ze verwilderd (via tuinafval) en kan zich hier en daar goed handhaven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met opvallende, grote, aangenaam ruikende vlinderbloemen, die in lang gesteelde trossen van 5 tot 15 bloemen staan. De vlag en zwaarden zijn gelijk van kleur, rozerood tot helder roze, zelden wit. De kiel is wit.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren hebben een gevleugelde bladsteel en bestaan uit twee elliptische tot lancetvormige deelblaadjes met daar tussen een vertakte rank. De deelblaadjes hebben 5 parallel lopende nerven (onderling verbonden door middel van kleinere nerven), zijn 1 tot 4 cm breed en 4 tot 12 cm lang. Zowel de bladeren als gevleugelde stengels zijn blauwgroen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

aardaker : stengel kantig en niet gevleugeld, hele bloem rozerood tot helder rood.
boslathyrus : vleugels bladsteel 0,5 tot 1,8 mm, gevleugelde stengel, vlag roze, zwaarden roodpaars, kiel geelgroen.
brede lathyrus : vleugels bladsteel 2 tot 4 mm, gevleugelde stengel, vlag en zwaarden rozerood tot helder roze en witte kiel.

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– verwilderd vanuit tuinen
– 90 tot 180 cm

Bloem
– rozerood tot helder roze, soms wit
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– vlinderbloem
– (15) 20 tot 30 mm breed
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– elliptisch tot lancetvormig
– top stomp met kort spitsje
– rand gaaf
– voet afgerond of wigvormig
– parallel- en netnervig
– rank
– vleugels bladsteel (1,5-) 1,8 – 4 mm

Stengel
– liggend of klimmend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Bont kroonkruid : Securigera varia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de wit/roze bolvormige bloeiwijze en de rijke bloei

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bont kroonkruid is een overblijvende giftige plant van 30 tot 120 cm hoog, die zeldzaam is en voornamelijk te vinden is in de duinen en in stedelijke gebieden. Bont kroonkruid komt van nature voor in Midden- en Zuid-Europa en is van daaruit verspreid naar West- en Noord-Europa. Inmiddels is de plant een geaccepteerde inheemse soort. Je vindt haar op matig vochtige, kalkrijke grond op dijkhellingen, langs wegen, spoorwegen en in de duinen. Behalve in het wild voorkomend wordt bont kroonkruid ook ingezaaid voor bodemverbetering, het tegengaan van erosie en als bermbeplanting.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met mooie wit/roze bolvormige 10- tot 20-bloemige schermen, die aan het einde van lange stelen staan. De schermen tonen op afstand roze, maar de individuele bloemetjes in het scherm bestaan uit drie kleuren: een donkerroze vlag, witte zwaarden en lichtroze kiel met donkere punt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bont kroonkruid heeft liggende en opstijgende stengels en kan daarmee grote stukken grond bedekken. De bladeren zijn oneven geveerd met 7 tot 12 paar deelblaadjes en een topblaadje. De ovale blaadjes zijn 6 tot 16 mm lang.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Hoewel bont kroonkruid giftig is, schijnt thee gezet van de plant verlichting te bieden bij astma en nerveuze hartklachten.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 30 tot 120 cm

Bloem
– roze en wit
– vanaf juni t/m september
– bolvormig scherm
– vlinderbloem
– 10 tot 15 mm
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– 1 nervig

Stengel
– liggend en opstijgend
– glad en kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Ringelwikke : Vicia hirsuta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_2286-gr-ringelwikke

 

 

Goed te herkennen aan
– de trosjes hele kleine blauwachtig witte onopvallende bloemetjes
– en de behaarde peulen, meestal 2-zadig

 

 

vicia-hirsuta-ringelwikke-01

 

 

 

Algemeen

 

Ringelwikke is eenjarige, verspreid behaarde plant van 15 tot 60 cm hoog, die bloeit vanaf mei tot en met juli op open, droge, matig voedselrijke grond in akkers, bermen en duinen. Ze is zeer algemeen voorkomend.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze van ringelwikke is een lang gesteeld trosje van 1-8(-10) blauwachtig witte bloemetjes. Vlag en zwaarden zijn meest wit, alleen de kortere kiel heeft een blauwe top. De kelk is ruw behaard en heeft ongelijke tanden.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan verspreid aan de sterk vertakte stengel, zijn samengesteld uit 4-10 paar deelblaadjes en eindigen in een vertakte rank.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

De peulen zijn 7 tot 11 mm lang, behaard en bevatten meestal 2 zaden. Aan het einde van de rijping zijn ze bruin/zwart.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 15 tot 60 cm

Bloem
– wit
– vanaf mei t/m juli
– tros
– vlinderbloem
– 2 tot 4 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– even veervormig
– top rankend
– deelblaadjes :
– lijnvormig tot langwerpig
– top rond of uitgerand, soms met een     stekelig puntje
– rand gaaf
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig

Stengel
– klimmend of liggend
– weinig behaard
– stomp vierkantig of gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

Brem.

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-cytisus_scoparius1

 

 

 

Goed te herkennen aan

de altijd groene takken, kleine blaadjes (2 cm), grote gele bloemen en de bezemvorm van de plant

 

 

 

geheel1-g

 

 

 

Algemeen

 

Brem is een zeer decoratieve, struikvormige plant van 0,6 tot 2 meter hoog die bloeit in mei en juni. Brem komt zeer algemeen voor, vooral op zandgrond, heidevelden, in duinen en langs spoordijken. Elders is ze aangevoerd met zand of aangeplant. Ze groeit op allerlei droge, kalkarme, vaak omgewerkte grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

In de oksels van de bladeren groeien de grote gele vlinderbloemen, meestal 1 soms 2. De geurende bloemen hebben 5 kroonbladen waarvan de bovenste de vlag wordt genoemd, de twee zijdelingse heten zwaarden. De kiel wordt gevormd door de twee onderste kroonbladen die aan de rand vergroeid zijn.

Op de vlag van de bloem zit een honingmerk, oranjebruine lijntjes die de bezoekende insecten de weg naar de nectar wijzen. Het is een manier om te zorgen voor bestuiving, want de bloemen bevatten geen nectar.
Van de 10 meeldraden zijn er vier langer, de stijl is opgerold.

De bloem ontploft bij bezoek van de juiste insecten. Dat houdt in dat het insect door zijn gewicht een proces op gang brengt, waarbij de kiel aan de bovenkant open gaat. Zodra die opening tot de helft is gekomen springen de kortere meeldraden uit de kiel en slingeren hun stuifmeel tegen de buik van het insect.

Gaat de kiel nog verder open, dan komt ook de stijl, die als een veer opgeborgen zit in de kiel, naar buiten en slingert zich op de rug van het insect, waar reeds stuifmeel zou kunnen zitten van de langere meeldraden van een vorige bloem. Tegelijkertijd geven ook de langere meeldraden hun stuifmeel af aan het insect.

 

 

 

 

 

Blad en takken

 

De bladeren van brem zijn klein (2 cm) en vallen ook spoedig af. De onderste zijn samengesteld uit drie deelblaadjes en gesteeld. De bovenste zijn enkelvoudig en zittend. Ze zijn aan de onderkant zacht behaard. De beharing loopt iets door over de rand op de bovenkant. De takken zijn groenblijvend en vijfkantig. De oudere takken van de plant zijn rond en met een grijsbruine schors bedekt.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

In de kruidengeneeskunde worden de gedroogde takken, bladeren en bloemen van brem gebruikt in preparaten tegen hartritmestoornissen, te lage bloeddruk en aandoeningen van het bloedvatenstelsel.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 60 tot 200 cm

Bloem
– goudgeel
– mei en juni
– vlinderbloem
– vlag 1,5 tot 2 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 opgerolde stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig of samengesteld
– smal eirond tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– 1-nervig
– onderkant zacht behaard

Stengel
– rechtop
– sterk vertakt
– vijfkantig
– groen blijvend

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-extragr-brem

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

John Astria