categorie : Boodschappen uit de kosmos
.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
WAT CHRISTUS GEEFT
.
NEEMT SATAN DIKWIJLS AF
.
ALS MEN DWAALT
.
.
WHAT CHRIST GIVES, SATAN OFTEN TAKES AWAY WHEN ONE ERRS
.
.
.
.

Satan, de leider van de demonen
Pasteltekening van John Astria
Helpen engelen mensen?
Hoe hebben boze geesten mensen beïnvloed?
Moeten we bang zijn voor boze geesten?
Als we iemand echt willen leren kennen, moeten we meestal ook iets over zijn familie weten. Zo is het ook met God. Om hem te leren kennen, moeten we meer weten over zijn gezin van engelen. De Bijbel noemt de engelen „zonen Gods” (Job 38:7). Welke rol spelen ze eigenlijk in Gods voornemen? Hebben ze ook een rol gespeeld in de geschiedenis van de mensheid? Hebben engelen invloed op uw leven? En hoe dan wel?
In de Bijbel wordt honderden keren over engelen gesproken. We zullen een paar van die vermeldingen bekijken om meer over engelen te weten te komen. Waar zijn de engelen vandaan gekomen? Kolossenzen 1:16 zegt: „Door bemiddeling van hem [Jezus Christus] werden alle andere dingen in de hemelen en op de aarde geschapen.” Alle geestelijke schepselen die engelen worden genoemd, werden dus afzonderlijk door God geschapen door tussenkomst van zijn eerstgeboren Zoon. Hoeveel engelen zijn er? Uit de bijbel blijkt dat er honderden miljoenen engelen werden geschapen, die allemaal heel machtig zijn. — Psalm 103:20.*
Gods Woord, de Bijbel, vertelt ons dat toen het fundament voor de aarde gelegd werd, „alle zonen Gods voorts juichend hun instemming betuigden” (Job 38:4-7). De engelen bestonden dus lang voordat de mensen geschapen werden en zelfs voordat de aarde gemaakt werd. Uit dit Bijbelgedeelte blijkt ook dat engelen gevoelens hebben, want er staat dat ze „te zamen een vreugdegeroep aanhieven”. Merk op dat „alle zonen Gods” zich samen verheugden. In die tijd maakten alle engelen deel uit van één groot gezin dat God verenigd diende.

demon in de mens
Pasteltekening van John Astria
Getrouwe geestelijke schepselen hebben vanaf het moment dat ze zagen hoe de eerste mensen geschapen werden, veel belangstelling getoond voor de groeiende menselijke familie en voor de vervulling van Gods voornemen (Spreuken 8:30, 31; 1 Petrus 1:11, 12). Maar de engelen zagen dat na verloop van tijd het grootste deel van de menselijke familie hun liefdevolle Schepper niet meer diende. Daar waren de getrouwe engelen ongetwijfeld bedroefd over. Als er daarentegen ook maar één mens tot God terugkeert, „ontstaat er vreugde bij de engelen” (Lukas 15:10). Engelen zijn heel bezorgd voor het welzijn van mensen die God dienen, dus is het geen wonder dat God vaak engelen gebruikt heeft om zijn getrouwe aanbidders op aarde aan te moedigen en te beschermen (Hebreeën 1:7, 14). We zullen daar een paar voorbeelden van bekijken.
„Mijn eigen God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen gesloten.” — Daniël 6:22
Twee engelen hielpen de rechtvaardige man Lot en zijn dochters om de verwoesting van de verdorven steden Sodom en Gomorra te overleven door hen uit dat gebied te leiden (Genesis 19:15, 16). Eeuwen later werd de profeet Daniël in een leeuwenkuil geworpen, maar hij bleef ongedeerd. Hij zei daarover: „Mijn eigen God heeft zijn engel gezonden en de muil der leeuwen gesloten” (Daniël 6:22). In de eerste eeuw bevrijdde een engel de apostel Petrus uit de gevangenis (Handelingen 12:6-11). Engelen steunden ook Jezus aan het begin van zijn bediening op aarde (Markus 1:13). En kort voor Jezus’ dood verscheen er een engel „die hem sterkte” (Lukas 22:43). Wat moet dat Jezus goed hebben gedaan op die cruciale momenten in zijn leven!
Gods machtige engelen beschermen zijn volk nog steeds, vooral tegen dingen die in geestelijk opzicht schadelijk kunnen zijn. De Bijbel zegt: „De engel van God legert zich rondom degenen die hem vrezen, en hij verlost hen” (Psalm 34:7). Waarom is dat zo’n geruststellende gedachte? Omdat er gevaarlijke, slechte geesten zijn die op onze ondergang uit zijn! Wie zijn dat? Waar komen ze vandaan? En hoe proberen ze ons kwaad te doen? Om daarachter te komen, gaan we het kort hebben over iets dat aan het begin van de menselijke geschiedenis is gebeurd.

de ware- en de valse Drievuldigheid
Pasteltekening van John Astria
Éen engel kreeg het verlangen om over anderen te heersen en keerde zich daarom tegen God. Later kwam deze engel bekend te staan als Satan de Duivel (Openbaring 12:9). Nadat Satan Eva bedrogen had, lukte het hem 1600 jaar lang om bijna iedereen van God af te keren, met uitzondering van een paar getrouwe personen zoals Abel, Henoch en Noach. — Hebreeën 11:4, 5, 7.
In Noachs tijd kwamen nog meer engelen tegen God in opstand. Ze verlieten hun plaats in Gods hemelse gezin, kwamen naar de aarde en namen een menselijk lichaam aan. Waarom? In Genesis 6:2 staat „dat de zonen van de ware God de dochters der mensen gingen gadeslaan en bemerkten dat zij mooi waren; en zij gingen zich vrouwen nemen, namelijk allen die zij verkozen.” Maar God liet deze engelen niet hun gang gaan, zodat ze de mensheid niet nog verder konden verderven. Hij bracht een wereldomvattende vloed over de aarde, waardoor alle slechte mensen vernietigd werden. Alleen degenen die hem trouw dienden, bleven in leven (Genesis 7:17, 23). Op die manier werden de opstandige engelen, de demonen, gedwongen hun menselijke lichaam af te leggen en als geest naar de hemel terug te keren. Ze hadden de kant van de Duivel gekozen, die daardoor „de heerser der demonen” werd. — Mattheüs 9:34.
Toen de ongehoorzame engelen naar de hemel terugkeerden, werden ze verstoten, net als hun heerser, Satan (2 Petrus 2:4). Ze kunnen geen menselijk lichaam meer aannemen, maar ze hebben toch nog steeds een buitengewoon slechte invloed op mensen. Het is zelfs zo dat Satan met de hulp van deze demonen „de gehele bewoonde aarde misleidt” (Openbaring 12:9; 1 Johannes 5:19). Hoe? De demonen maken daarvoor gebruik van allerlei methoden die erop gericht zijn mensen op een dwaalspoor te brengen (2 Korinthiërs 2:11). We zullen nu enkele van die methoden bespreken.

Wie Christus erkent wordt gered uit de klauwen van Satan
Pasteltekening van John Astria
De demonen gebruiken spiritisme om mensen te misleiden. Spiritisme is contact met de demonen, rechtstreeks of via een medium. De bijbel veroordeelt spiritisme en waarschuwt ons er niets mee te maken te hebben (Galaten 5:19-21). Spiritisme is te vergelijken met het aas van een visser. Een visser gebruikt verschillende soorten aas om verschillende soorten vis te vangen. Zo gebruiken boze geesten verschillende vormen van spiritisme om allerlei soorten mensen in hun macht te krijgen.
De demonen gebruiken bijvoorbeeld waarzeggerij als lokmiddel, omdat mensen graag de toekomst willen weten. Enkele vormen van waarzeggerij zijn astrologie, tarotkaarten, kristallen bollen, handlijnkunde en droomuitlegging. Veel mensen denken dat waarzeggerij geen kwaad kan, maar de Bijbel laat zien dat waarzeggers met boze geesten samenwerken. Zo staat in Handelingen 16:16-18 dat „een waarzeggende demon” een meisje in staat stelde „de kunst van het voorspellen te beoefenen”. Maar toen de demon uitgeworpen was, kon ze dat niet meer.
Nog een manier waarop de demonen mensen misleiden, is door hen aan te moedigen contact te zoeken met de doden. Mensen die treuren over iemand die ze in de dood verloren hebben, worden vaak misleid door verkeerde ideeën over degenen die gestorven zijn. Een medium vermeldt misschien specifieke details of spreekt met een stem die lijkt op die van de overledene. Als gevolg hiervan raken veel mensen ervan overtuigd dat de doden eigenlijk nog leven en dat contact met hen een hulp zal zijn om hun verdriet te verwerken. Maar dat is geen echte troost; het is bedrog en bovendien gevaarlijk. Waarom? Omdat de demonen de stem van een overledene kunnen nadoen en een medium informatie over hem of haar kunnen geven (1 Samuël 28:3-19). Bovendien zijn de doden, opgehouden te bestaan (Psalm 115:17). „Iemand die de doden ondervraagt” is dus door boze geesten misleid en doet iets wat tegen Gods wil is (Deuteronomium 18:10, 11; Jesaja 8:19). Dit gevaarlijke lokaas dat de demonen gebruiken, moeten we dan ook resoluut verwerpen.
Boze geesten misleiden mensen niet alleen, maar ze proberen hen ook bang te maken. Satan en zijn demonen weten dat ze nu nog maar „een korte tijdsperiode” hebben voordat ze uitgeschakeld worden, en ze zijn dan ook wreder dan ooit (Openbaring 12:12, 17). Maar toch hebben duizenden mensen die eens dagelijks in angst voor zulke boze geesten leefden, zich daarvan weten los te maken. Hoe hebben ze dat gedaan? Wat kan iemand doen die zich al bezighoudt met spiritisme?
De Bijbel vertelt ons hoe we boze geesten kunnen weerstaan en hoe we ons ervan kunnen bevrijden. Laten we het voorbeeld van de eerste-eeuwse christenen in de stad Efeze eens bekijken. Sommigen van hen hadden zich beziggehouden met spiritisme voordat ze christenen werden. Wat deden ze toen ze besloten met het spiritisme te breken? De Bijbel zegt: „Vrij velen van hen die magische kunsten hadden beoefend, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze ten aanschouwen van iedereen” (Handelingen 19:19). Door hun boeken over magie te vernietigen, gaven deze nieuwe christenen een voorbeeld aan degenen die in deze tijd boze geesten willen weerstaan. Mensen die God willen dienen, moeten alles wegdoen wat met spiritisme te maken heeft. Het zou kunnen gaan om boeken, tijdschriften, films, posters en muziek die tot spiritisme aanzetten en het aantrekkelijk en opwindend doen lijken. Ook amuletten en andere dingen die als bescherming tegen het kwaad worden gedragen, moeten worden weggedaan. — 1 Korinthiërs 10:21.
Enkele jaren nadat de christenen in Efeze hun boeken over magie hadden vernietigd, schreef de apostel Paulus hun dat ze nog steeds strijd moesten voeren „tegen de goddeloze geestenkrachten” (Efeziërs 6:12). De demonen hadden het niet opgegeven. Ze probeerden hen nog steeds in hun macht te krijgen. Wat moesten die christenen dus nog meer doen? Paulus zei: „Neemt bovenal het grote schild des geloofs op, waarmee gij alle brandende projectielen van de goddeloze [Satan] zult kunnen blussen” (Efeziërs 6:16). Hoe sterker ons „schild des geloofs” is, hoe beter we weerstand kunnen bieden aan boze geesten. — Mattheüs 17:20.

De wapenuitrusting van God tegen Satan
Pasteltekening van John Astria
Hoe kunnen we ons geloof dan versterken? Door de Bijbel te bestuderen. Hoe sterk een muur is, hangt vooral af van de stevigheid van het fundament. Zo is ook de kracht van ons geloof afhankelijk van de stevigheid van de basis ervan, namelijk nauwkeurige kennis van Gods Woord, de Bijbel. Als we elke dag de Bijbel lezen en bestuderen, zal ons geloof sterk worden. Zo’n geloof zal ons als een sterke muur beschermen tegen de invloed van boze geesten. — 1 Johannes 5:5.
Wat moesten die christenen in Efeze nog meer doen? Ze hadden verdere bescherming nodig omdat ze in een stad woonden waar veel demonisme was. Daarom moedigde Paulus hen aan om ’met elke vorm van gebed en smeking bij elke gelegenheid in geest te blijven bidden’ (Efeziërs 6:18). Ook wij leven in een wereld vol demonisme, dus is het heel belangrijk dat we God dringend om zijn bescherming vragen zodat we boze geesten kunnen weerstaan. Natuurlijk moeten we in onze gebeden God’s naam gebruiken (Spreuken 18:10). We moeten God dus blijven vragen of hij ons wil ’bevrijden van de goddeloze’, Satan de Duivel (Mattheüs 6:13). God zal zulke dringende gebeden verhoren. — Psalm 145:19.
Boze geesten zijn gevaarlijk, maar we hoeven niet bang voor ze te zijn zolang we de Duivel weerstaan en dicht tot God naderen door Zijn wil te doen (Jakobus 4:7, 8). De macht van boze geesten is beperkt. In Noachs tijd werden ze gestraft, en in de toekomst zullen ze hun uiteindelijke oordeel krijgen (Judas 6). Denk er ook aan dat we de bescherming hebben van God’s machtige engelen (2 Koningen 6:15-17). Deze engelen willen heel graag dat het ons lukt om boze geesten te weerstaan. De rechtvaardige engelen staan ons als het ware aan te moedigen. Laten we dus dicht bij God en zijn gezin van getrouwe geestelijke schepselen blijven. Laten we ook alle vormen van spiritisme vermijden en altijd de raad uit Gods Woord toepassen (1 Petrus 5:6, 7; 2 Petrus 2:9). Dan kunnen we zeker zijn van de overwinning in onze strijd tegen boze geesten.
.


Pasteltekening van John Astria

Satan, de opperbevelhebber van de demonen
Pasteltekening van John Astria
In Genesis 6:2 wordt gesproken over de ‘zonen Gods’. De Septuaginta vertaalt hier in het Hebreeuws voor ‘zonen Gods’ met het Griekse woord voor engelen. De Hebreeuwse term ‘zonen Gods’ komt zes maal in het Oude Testament voor:
* 2x in Genesis – Hs. 6: 2 en 4;
* 3x in het boek Job – Hs. 1:6, 2:1 en 38:7, waar het heel duidelijk betrekking heeft op engelen;
* 1x in Daniel – Hs. 3:25 in het enkelvoud, waar koning Nebukadnezar tot zijn ontzetting constateert, dat er geen drie, maar vier mannen wandelen in de brandende oven. Het uiterlijk van de vierde geleek op dat van een zoon der goden.
Dat de zonen Gods van Genesis 6:2 engelen waren, wordt in het Nieuwe Testament bevestigd door 1 Pet. 2:4-5 en Judas, vers 6:
“…en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; zoals Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, die op gelijke wijze als genen haar hoererij hebben botgevierd en ander vlees achternagelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur.”
Judas laat in zijn brief (geheel in lijn met Gen. 6:1-4) zien, dat de engelen hun oorsprong ontrouw werden en dat zij ander (menselijk) vlees achterna liepen. Zij vierden hun hoererij bot op dezelfde wijze als Sodom en Gomorra. Deze engelen werden hun oorsprong ontrouw, ja, zij verlieten hun eigen woning. Het woord voor ‘woning’ komt slechts twee keer in de Bijbel voor. Hier in Judas, vers 6 en in 2 Korinthe 5, vers 2:
“Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt; een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.”
Deze tekst leert ons, wat Judas precies bedoelde. Deze ‘eigen woning’ was geen gebouwd huis ergens in de hemel, maar een woonstede in de betekenis van 2 Korinthe 5:2. Het was een geestelijk lichaam, behorende tot lichamen van een hogere orde dan de aardse lichamen, die Paulus hier vergelijkt met een aardse tent. Paulus verlangt hier in 2 Korinthe 5:2-3 met zo’n geestelijk lichaam overkleed te worden.
Het was Bullinger die aantoonde dat de engelen, en dus ook de zonen Gods van Genesis 6, hun geestelijke woning, hun lichaam, verlieten. Zij materialiseerden zich op aarde, werden aards, om zo seksuele omgang met de dochters der mensen te kunnen hebben. Vrijwillig verlieten deze engelachtige wezens hun geestelijk lichaam en gaven al de privileges en kenmerken op die aan deze hogere lichamen verbonden zijn. Zij gebruikten hun intrinsieke macht om te materialiseren en zich hierna op ongerijmde wijze te verenigen met de vrouwen op aarde.
Uit de verbintenis tussen deze engelen en de dochters der mensen kwamen de Gibbor, de geweldigen, de machtigen, voort: ‘mannen van naam’. Het was een geslacht van reuzen, van half-goden: half engel, half mens.
De Griekse mythologie vertelt uitvoerig, hoe de ‘zonen Gods’ Zeus en de goden van de Olympus zich op aarde gedroegen. Zij worden afgeschilderd als wezens belust op seks en genot. Met name Zeus gaat de andere goden hierin voor . Zijn seksuele avonturen en uitspattingen zijn talrijk, evenals die van zijn mede-goden.
De beroemde Griekse schrijvers, Sophocles, Plutarchus, Euripides, Homerus, enz., informeren ons uitvoerig over welke intriges, moord, overspel tussen de goden van de Olympus en hun nakomelingen de ‘halfgoden’ voorkwamen. De wereld van de voortijd, de wereld van Noach, was zo boos en zo verdorven (Gen. 6:5, 11-13), dat God die wereld oordeelde door de zondvloed. Petrus maakt hier melding van en laat ons zien, dat God de engelen (2 Pet. 2:4) en de mensen (vers 5) niet spaarde:
“Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen bracht…”
Dit houdt in dat alle mensen de dood vonden, behalve de acht mensen in de ark. De engelen, die hun oorsprong ontrouw geworden waren, werden volgens Petrus en Judas niet gedood! Hun nakomelingen, de Gibbor, de geweldige mannen van naam (half engel, half mens) vonden de dood evenals de (gewone) mensen, maar zij niet. De Griekse mythologie vertelt ons, dat deze nakomelingen sterfelijk waren, maar de goden van de Olympus zelf waren onsterfelijk. Dat engelen inderdaad onsterfelijk zijn, laat ook de Here Jezus zien in Lukas 20, waar Hij in een gesprek is met de Sadduceeën over de opstanding:
“…maar die waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuwen aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen. Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk…”

De engelen die geheel vrijwillig hun geestelijke lichaam verlaten hadden stierven niet bij de zondvloed. Er is niets in de tekst van 2 Petrus 2:4 dat daarop wijst. Petrus laat ons zien dat God hen niet spaarde, maar zij vonden niet de dood. Petrus zegt in hoofdstuk 2:4 dat zij verwezen werden naar de afgrond.
Het normale woord voor ‘afgrond’ is in het Grieks: ‘Abyss’. Het komt vele malen voor in de Bijbel. Het woord dat hier echter gebruikt wordt is: ‘Tartarus’. Dit woord komt maar één keer in de Bijbel voor en wel hier in 2 Petrus 2:4.
In de Griekse mythologie is de Tartarus de gevangenis van Cronos en de Titanen. Het is een verschrikkelijke, duistere afgrond.
Volgens theologen duidt het woord Tartarus op de laagste delen in de atmosfeer, die de aardbol omhult, namelijk de lucht. De engelen, die hun oorsprong ontrouw waren geworden en die hun geestelijk lichaam uit eigen beweging verlaten hadden (vermoedelijk verleid door satan, dat zij door verbintenis met de mens ‘de boom des levens’ op de cherubs konden veroveren), zaten nu voortaan gekluisterd op aarde.
Hun geestelijk lichaam hadden zij eens zelf verlaten door zich aards te materialiseren, en hun vernederd lichaam waar zij nu in verbleven, verloren zij door de zondvloed, hoewel zij niet – zoals de mens – konden sterven. Het gevolg was dat zij nu als geesten, demonen (Grieks: Daimonion, Hebreeuws: Seirim en Shedhim) gekluisterd waren in de tartarus, waar er voor hen geen ontkomen is.
In de tartarus, de lucht om deze aarde, wachten deze gevallen engelen, deze Nephilim, nu ontlichaamd, als geesten, boze geesten, demonen, op het oordeel van de grote Dag. Als gevolg van het verlies van hun lichaam zoeken zij belichaming, zoals de Here Jezus o.a. in Mattheüs 12:43-45 laat zien en in al die gevallen waarin Hij demonen uitdrijft.
De demonen vormen met elkaar de boze geesten in de lucht, de wereldbeheersers dezer duisternis (Efe. 6:12). Hun overste is satan, die hen aanvoert als de overste van de macht der lucht (Efe. 2:2). Zij bezetten de lucht en verontreinigen als demonen de nederste delen van de atmosfeer rond de aarde. Hun aantal is onbekend. In de dagen van de rondwandeling van Christus op aarde zien wij herhaaldelijk hoe Christus hun werken verbreekt en hen uitwerpt als zij belichaming in mensen hebben gezocht. Zij zijn zich ervan bewust dat hen het oordeel wacht op de grote Dag, maar desondanks zullen zij in de toekomst onder aanvoering van hun overste zich verenigen in Babylon (Openb. 18:2) en tegen het Lam oorlog voeren.

demon in de mens
Pasteltekening van John Astria
In verband met het oordeel t.a.v. de gevallen engelen en t.a.v. het verdorven menselijk ras, is het goed om stil te staan bij de moeilijke vraag, wie toch de geesten in de gevangenis zijn, waarover Petrus spreekt in 1 Petrus 3, vers 19 en 20:
“Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, Die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest, in welke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden.”
De verklaring die gewoonlijk gegeven wordt van 1 Petrus 3:18-20 is dat de Geest van Christus na Zijn sterven het Evangelie in het dodenrijk gepredikt heeft aan de geesten van mensen uit Noachs dagen, die eertijds het Evangelie ongehoorzaam waren. Deze verklaring is gebaseerd op de veronderstelling, dat de geest van vers 18 de Geest van Christus is in het graf en dat de geesten in de gevangenis van vers 19 de geesten van mensen zijn uit de dagen van Noach. Dit dit is niet correct.
In de eerste plaats is het duidelijk in de tekst dat het woord geest tegenover het woord ‘vlees’ wordt gebruikt. Christus kwam in het vlees als het vleesgeworden Woord met het doel om te sterven voor de zonde. En Hij stierf ook in het vlees. Echter Hij werd opgewekt uit de dood en verrees in een geestelijk lichaam en Hij is nu een levendmakende Geest (1 Kor. 15:44-45). De geest van vers 18 slaat niet op de Geest van Christus in het graf, maar op de levendmakende Geest, waarin Hij opstond.
Uit de tekst van 1 Petrus 3:18-19 wordt dus duidelijk dat Christus niet, toen Hij in de dood was, ‘in het graf’ gepredikt heeft, maar dat Hij gepredikt heeft nadat Hij levend gemaakt is in een geestelijk lichaam, “in welke Hij ook heengegaan is” naar de hemel. Uit de tekst blijkt dat onze Heiland werkelijk “heenging” naar een andere plaats.
In de tweede plaats lijkt niets te staven dat de geesten in de gevangenis (vers 19) geesten van mensen zijn. Het woord pneuma wordt gebruikt voor demonen (zie Matt. 8:16; Luk. 10:20; 11:18) en engelen (Hebr. 1:7,14), maar nooit voor de geesten van mensen, als dit er niet uitdrukkelijk bij wordt vermeld. En er is geen enkele aanwijzing dat dit het geval is in 1 Petrus 3:19. Wij hebben hier niet te maken met geesten van mensen uit de dagen van Noach, maar met de gevallen engelen uit de dagen van Noach, die nu als “geesten in hun gevangenis” begrensd zijn tot de lagere delen in de atmosfeer rond de aarde.
In de derde plaats wordt hier in 1 Petrus 3:18-20 niet gezegd, dat Christus een Evangelie (een blijde boodschap van verlossing) predikte. De boodschap, die de opgestane Heer richtte tot de gedetineerde geesten, die wegens hun ongehoorzaamheid gestraft waren, was niet een boodschap van genade en vergeving, maar één van berisping en oordeel. Satanisch geïnspireerde engelen hadden een misdaad begaan van zo’n enorme omvang in Gods ogen, dat zij als geesten (demonen) gekluisterd werden in de laagste delen van onze atmosfeer.

Aanbidding van de geldgod, de mammon
Aan deze geesten, aldus gevangen in onze atmosfeer, wordt ook gerefereerd in Efeziërs 4, vers 8-10:
“Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.”
Ook dit is een tekst, waar vaak vragen over zijn. Meestal leert men dat Christus in het dodenrijk is nedergedaald en dat hij bij Zijn opstanding zielen heeft vrijgemaakt uit de banden des doods en deze heeft meegevoerd naar den hoge. Met de uitdrukking ‘de lagere aardse gewesten’ (NBG) of ‘de nederste delen der aarde’(SV) wordt niet het dodenrijk, maar de aarde bedoeld.
Verder is er niets in deze tekst of in Psalm 68:19, waaruit deze tekst geciteerd is, om aan te nemen dat de krijgsgevangenen verloste zielen zijn die vastzaten in het dodenrijk. Deze krijgsgevangenen zijn vijanden van Christus. Zij zijn door Christus gevangen genomen, net zoals zij in de psalm gevangen genomen waren door de God van Israël. De Statenvertaling heeft: “Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven.” Dit staat veel dichter bij de grondtekst.
Christus is op aarde gekomen om het werk, dat de Vader Hem te doen had gegeven, te volbrengen. Hij kwam niet alleen om de zonde weg te doen op het kruishout, maar Hij kwam ook om de dood te overwinnen, de werken des duivels te verbreken en de duivel teniet te doen. Christus heeft met Zijn opstanding bewezen, dat de dood Hem niet kon houden en dat Hij de zonde en de dood overwonnen had. Hij bracht onvergankelijk leven aan het licht.
Met Zijn hemelvaart toonde Hij aan dat Hem alle macht gegeven was in de hemelen en op aarde, en dat de duivel en zijn werken absoluut teniet gedaan zullen worden. Dit was de boodschap, die Hij proclameerde aan “de geesten in de gevangenis”, de demonen die gevangen en gekluisterd zijn aan deze aarde ( 1 Pet. 3:19). Christus overwon en Hij heeft hun gevangenis gevangen genomen, wat zeggen wil in het licht van Kolossenzen 2:15 “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.”
Christus heeft bij Zijn opstanding en bij Zijn hemelvaart laten zien dat niet satan alle macht heeft, maar dat Hij alle macht bezit in de hemelen en op aarde. Hij bezit de sleutels van de dood en het dodenrijk, en de overheden en de machten der duisternis zullen hun oordeel niet ontlopen. De “Meesters der Wijsheid” waar Satanisten, Kabbalisten, Gnostici, Mystici, New Agers, enz., zo lovend over spreken, zijn niets anders dan gevallen engelen, die als boze geesten, demonen, op aarde gekluisterd, wachten op hun oordeel.
Bij de hemelvaart van Christus konden ze de Here Jezus niets doen. Hij zegevierde openlijk over hen toen Hij de vijandelijke linies doorging. Zij doen zich voor als “Verhoogde Meesters”, maar er is niets verhogends aan. Zij zijn geworpen op de grond, op de aardbodem en wachten op hun definitief oordeel op de grote oordeelsdag. Dit oordeel zullen zij niet kunnen ontlopen.

Het einde van de draak (666) door het kruis
Pasteltekening van John Astria
De hogere geestelijke wereld, waar New Agers over spreken, is in werkelijkheid een demonische wereld, die zich dicht om ons heen bevindt. Deze demonische wereld is een realiteit. De invloed van demonen door middel van valse leer en met behulp van geestesmanifestaties in de New Age Beweging, de Oecumenische Beweging en Charismatische kringen is enorm. De realiteit van demonen kan men niet zomaar wegredeneren, zoals sommigen doen.
Demonen zijn boze geesten die in feite achter elke vorm van afgoderij staan. De afgod is van zichzelf niets. Die is gemaakt van hout, steen of edelmetaal. Maar achter de aanbidding van deze beelden staan wel degelijk demonen, die mensen tot afgoderij verleiden met als uiteindelijk doel: de aanbidding van hun overste, satan (1 Kor. 10:19-21; Openb. 9:20; Deut. 32:17).
Waar de NBG ‘boze geesten’ vertaalt in 1 Korinthe 10, daar staat letterlijk ‘demonen’:
“Wat wil ik hiermede dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan demonen en niet aan God en ik wil niet, dat gij in gemeenschap komt met de demonen. Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der demonen, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben en aan de tafel der demonen.”
Deze demonen zijn een realiteit achter de afgodendienst. Als zij niet zouden bestaan, dan had de apostel Paulus dit hier ongetwijfeld aan de Korintiërs gezegd. Maar hij waarschuwt met nadruk voor het gevaar, dat gelovigen in gemeenschap met de demonen kunnen komen, als zij niet oppassen. De Schrift verbiedt het de demonen te raadplegen (Lev. 19:31; 20:6; Deut. 18:9-14). Onder Israël stond daar de doodstraf op (Lev. 20:27). Demonen sidderen voor God (Jak. 2:19): “Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wel, maar dat geloven de demonen ook en zij sidderen.”
Zij erkennen Christus als Heer en zien Hem als hun toekomstige Rechter: “Van velen voeren ook demonen uit, roepende en zeggende: Gij zijt de Zoon van God. En Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.” (Luk. 4:41) “En zie, zij schreeuwden, zeggende: Wat hebt Gij met ons te maken, Zoon van God? Zijt Gij hier gekomen om ons voor de tijd te pijnigen?” (Matt. 8:29)
Deze demonen zijn reëel en hun bestaan berust niet op fictie. De wereld om ons heen is een demonische wereld, die wij niet kunnen waarnemen. God heeft die aan ons oog onttrokken na de zondeval, maar dat wil nog niet zeggen dat die wereld niet bestaat. Helaas kan de mens die wereld wel binnentreden, ook al heeft God dit verboden (Exod. 20:3-5; Lev. 19:31; 20:6,27; Jes. 8:19-22; 2 Kron. 33:6).
In de Schrift maken demonen deel uit van het rijk der duisternis. Er is sprake van een hiërarchie binnen dit rijk bestaande uit: demonen, engelen, en luchtvorsten. Satan staat aan het hoofd als de ‘overste van de macht der lucht” (Efe. 2:2; Matt. 25:41; Openb. 12:7). Satan is dus overste van een luchtmacht. Alle aardse overheden, machten en koninkrijken worden door deze luchtmacht gecontroleerd.
Het rijk der duisternis is in hoge mate georganiseerd (Matt. 12:26; Joh. 18:36; Matt. 4:8-11; Luk. 4:5-8; Joh. 14:30). Het staat achter de aardse overheden en beïnvloedt die (2 Sam. 24: 1; 1 Kron. 21: 11; 1 Kon. 22:19-23; Job 1:6-7; 2:1-2). Dit is Satans engelen- en demonenwereld. De apostel Paulus spreekt hen gezamenlijk aan als: ‘de overheden, de machten, de wereldbeheersers dezer duisternis, de boze geesten in de hemelse gewesten’. (Efe. 6) Hun machtsgebied is de duisternis. De wereld bevindt zich in die duisternis en satan is “de overste van deze wereld.” Alleen God kan de mens uit deze macht der duisternis verlossen en hem overbrengen in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde (Hand 26:18, Kol. 1:13).

De wapenuitrusting van God
Pasteltekening van John Astria
De vijanden waartegen wij hebben te worstelen zijn niet van bloed en vlees, maar geestelijk:
“…want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.” (Efe. 6:12)
Deze worsteling is een geestelijke strijd. Het is de goede strijd des geloofs. De inzet is hierbij altijd de verkondiging van het Evangelie (Efe. 6:19-20), de gezonde leer (2 Tim. 4:3-5), het Woord der Waarheid (2 Tim. 2:15-26), waarin Christus overwint en satan teniet gedaan wordt:
“En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad, dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.” (Gen. 3:15)
Tegen deze boodschap brengen de boze geesten, de demonen, altijd hun valse leringen in. Zij verspreiden dwalingen onder de mensen en trachten de gelovigen te verleiden met valse leringen over God en Zijn Woord, over satan en het kwaad, over de mens en de dood, over Christus en Zijn verlossing, enzovoort (1 Tim. 4:1-2).
“Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van demonen volgen, door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn.” (1 Tim. 4)
De demonen vinden altijd leugensprekers door wie zij heen kunnen spreken. Als wij niet blijven staan in de volle wapenrusting Gods met o.a. het zwaard des Geestes in de hand (dat is het Woord van God, Efe. 6:17), dan lijden wij de nederlaag. Dan raken wij verstrikt in valse leer. Dan raken wij het spoor des geloofs bijster. Ons geloof kan daardoor zelfs schipbreuk lijden (1 Tim. 1:19). Maar wij hoeven niet te vrezen. Wij mogen de wapenrusting Gods aandoen om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels. En wij mogen er verzekerd van zijn, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, noch krachten, noch enig ander schepsel, ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here.” (Rom. 8:38-39)



.

Satan, de slang
Pasteltekening van John Astria
.
De geschiedenis van Satan, de duivel, wordt in de Bijbel beschreven in Jesaja 14:12-15 en Ezechiël 28:12-19. Deze twee passages bevatten ook verwijzingen naar de koning van Babylon, de koning van Tyrus en de geestelijke kracht die achter deze koningen zat.
Waarom werd Satan uit de hemel verstoten? Zijn val werd veroorzaakt door hoogmoed. Deze hoogmoed kwam voort uit zijn verlangen om zelf God te zijn in plaats van een dienaar van God te zijn. Satan was de hoogste van alle engelen, maar hij was niet gelukkig. Hij verlangde ernaar om zelf God te zijn en over het universum te heersen. God wierp Satan uit de hemel, als een gevallen engel.
Jesaja 14: 12-15
12 Morgenster, zoon van het ochtendlicht, wat ben je diep gevallen!
Jij die over de volken heerste, bent neergeslagen.
13 En je dacht nog wel: ‘Ik zal opstijgen naar de hemel,
en hoog boven de sterren van God mijn troon neerzetten.
Ik zal op mijn troon zitten op de berg
waar de engelen voor de troon van God samenkomen,
ver in het noorden.
14 Ik zal hoog boven de wolken op mijn troon zitten.
Ik zal net zo machtig zijn als de Allerhoogste God.’
15 Maar wat is er van je geworden?
Je bent in het dodenrijk neergestort,
in het diepst van de aarde!
Ezechiël 28: 12-19
11 De Heer zei tegen mij: 12 “Mensenzoon, zing dit treurlied over de koning van Tyrus:
.
U was volmaakt.
U was vol van wijsheid en volmaakt mooi.
13 U woonde in Eden, de tuin van God.
U was helemaal bedekt met allerlei edelstenen:
sardis, topaas, diamant,
turkoois, sardonyx, jaspis,
saffier, robijn, smaragd.
Al die stenen waren met gouden zettingen op u vastgezet.
Op de dag dat u gemaakt werd, werden ze voor u gemaakt.
14 Ik had u een taak gegeven: u was een beschermende engel.
Ik had u een plaats gegeven op mijn heilige berg.
U mocht tussen de vurige stenen komen.
15 Vanaf de dag dat Ik u maakte, leefde u zoals Ik het wil.
U was volmaakt.
Totdat u op een dag slecht werd.
16 Want doordat u zo rijk werd, kreeg het kwaad u in zijn macht.
U leefde niet langer zoals Ik het wil.
Daarom stuurde Ik u weg van mijn heilige berg.
U, beschermende engel, mocht niet langer tussen de vurige stenen komen.
17 U was er trots op geworden hoe prachtig u er uitzag.
Daardoor verloor u uw wijsheid.
Ik wierp u neer op de aarde.
Koningen van andere landen liet Ik zien hoe het slecht met u afliep.
18 Door uw slechte en oneerlijke manier van leven
heeft u uw heiligdommen bedorven.
Daarom heb Ik uw stad tot aan de grond afgebrand.
Er is alleen nog as van over.
19 Alle volken die u hebben gekend,
zijn geschokt over wat er met u gebeurd is.
Het is vreselijk met u afgelopen.
U bent voor altijd van de aardbodem verdwenen.”

de ware- en de valse Drievuldigheid
Pasteltekening van John Astria
De duivel wordt vaak als een karikatuur afgeschilderd: een stripboekachtige boef met rode horentjes en een drietand; het is daarom niet verwonderlijk dat mensen de geschiedenis van Satan in twijfel trekken. Maar, zijn bestaan is niet op fantasie gebaseerd. Het wordt bevestigd door hetzelfde boek dat het leven en dood van Jezus beschrijft (Genesis 3:1-16, Jesaja 14:12-15; Ezechiël 28:12-19; Matteüs 4:1-11).
Genesis 3: 1-16
1 De slang was sluwer dan alle andere wilde dieren die de Heer God had gemaakt. Hij zei tegen de vrouw: “God heeft toch gezegd dat jullie van geen enkele boom in de tuin mogen eten?” 2 De vrouw antwoordde: “We mogen van alle vruchten van alle bomen in de tuin eten. 3 Alleen niet van de vruchten van de boom die in het midden van de tuin staat. Daarvan heeft God gezegd: ‘Van die boom mogen jullie niet eten. Jullie mogen hem zelfs niet aanraken. Want anders zullen jullie sterven.’ ” 4 Maar de slang zei tegen de vrouw: “Jullie zullen helemaal niet sterven. 5 God weet dat als jullie daarvan eten, jullie de waarheid zullen zien. Jullie zullen net als God weten wat goed en wat kwaad is.” 6 Toen wilde de vrouw erg graag van de vruchten in de boom eten. Ze zagen er zó aantrekkelijk uit! Ze wilde er zo graag van eten omdat ze dan wijs zou worden. Ze plukte een vrucht van de boom en at hem op. Ze gaf er ook één aan haar man, die bij haar stond. Hij at de vrucht op. 7 Toen zagen ze de waarheid: ze zagen dat ze naakt waren. Daarom maakten ze twee schorten van de bladeren van een vijgenboom. Zo hadden ze iets om aan te trekken.
8 Toen hoorden ze de stem van de Heer God, die door de tuin wandelde in de avondwind. Haastig verstopten de man en zijn vrouw zich voor de Heer. Ze verborgen zich tussen de bomen van de tuin. 9 Maar de Heer God riep Adam en zei: 10 “Waar zit je?” Adam antwoordde: “Toen ik uw stem in de tuin hoorde, werd ik bang. Want ik ben naakt. Daarom heb ik me verstopt.” 11 De Heer zei: “Wie heeft jou verteld dat je naakt bent? Heb je van de boom gegeten waarvan Ik had gezegd dat jullie daar niet van mochten eten?” 12 Adam zei: “De vrouw die U aan mij heeft gegeven, gaf mij een vrucht van de boom. Die heb ik opgegeten.” 13 Toen zei de Heer tegen de vrouw: “Waarom heb je dat gedaan?” De vrouw zei: “De slang heeft mij bedrogen. Hij zei dat ik ervan moest eten en toen heb ik dat gedaan.”
14 Toen zei de Heer God tegen de slang: “Omdat je dit hebt gedaan, ben je voortaan zwaar vervloekt. Je hele leven zul je op je buik kruipen en stof eten. 15 En jij en de vrouw zullen elkaars vijanden zijn. En jouw kinderen en haar kind zullen elkaars vijanden zijn. Haar kind zal jouw kop verpletteren en jij zal de hiel van haar kind verpletteren. ”
16 Tegen de vrouw zei Hij: “Voortaan zul je veel meer problemen hebben als je in verwachting bent. En als je kinderen worden geboren, zal dat veel pijn doen. Altijd zul je naar je man verlangen en hij zal over je heersen.”
Mattheüs 4: 1-11
1 Daarna stuurde de Heilige Geest Jezus naar de woestijn. Daar moest Jezus door de duivel op de proef worden gesteld. 2 Hij bleef 40 dagen in de woestijn. Al die tijd at Jezus niets. Tenslotte kreeg Hij honger.
3 Toen kwam de duivel. Hij zei tegen Hem: “Als U Gods Zoon bent, zeg dan tegen deze stenen dat ze in broden moeten veranderen.” 4 Maar Jezus antwoordde: “In de Boeken staat: ‘Je kan niet alleen van brood leven. Alles wat God zegt, heb je óók nodig om te leven.’ ”
5 Toen nam de duivel Hem mee naar Jeruzalem. Daar zette hij Hem op de rand van het dak van de tempel. 6 En hij zei tegen Jezus: “Als U Gods Zoon bent, spring dan naar beneden. Er staat toch in de Boeken: ‘God zal zijn engelen de opdracht geven dat ze U op hun handen moeten dragen. Dan zult U uw voeten niet aan een steen stoten.’ ” 7 Jezus antwoordde: “Maar er staat ook in de Boeken: ‘Je mag je Heer God niet uitdagen.’ ”
8 Daarna nam de duivel Jezus mee naar een hoge berg. Vanaf die berg liet hij Jezus alle koninkrijken van de wereld zien, met al hun macht en rijkdom. 9 En hij zei tegen Jezus: “Dat geef ik allemaal aan U, als U voor mij neerknielt en mij aanbidt!” 10 Toen zei Jezus: “Ga weg, duivel! Er staat toch ook in de Boeken: ‘Aanbid je Heer God en dien alleen Hém.’ ”
11 Toen liet de duivel Hem met rust. En er kwamen engelen om Hem te dienen.
Christenen geloven dat Satan de leider is van de gevallen engelen. Deze demonen, die in de onzichtbare geestenwereld bestaan maar toch op onze stoffelijke wereld inwerken, kwamen tegen God in opstand, maar staan uiteindelijk toch onder Zijn heerschappij. Satan vermomt zichzelf als een “engel van het licht” en bedriegt zo de mensheid, net zoals hij in het begin Eva bedroog.
Jezus getuigde Zelf van het bestaan van Satan. Tijdens Zijn bediening kwam Hij persoonlijk oog in oog te staan met de verleidingen van de duivel (Matteüs 4:1-11), dreef Hij demonen uit die mensen hadden bezeten (Lucas 8:27-33), en versloeg hij deze kwaadaardige engel en zijn legioen demonen aan het kruis. Christus hielp ons ook om de voortdurende geestelijke strijd tussen God en Satan te begrijpen; de strijd tussen goed en kwaad (Jesaja 14:12-15; Lucas 10:17-20).
Lucas 8: 27-33
Daar gingen ze aan land. Er kwam uit de stad een man naar Hem toe, die al jaren in de macht van duivelse geesten was. Hij droeg geen kleren meer en woonde niet in een huis, maar in de graven. 28 Toen hij Jezus zag, begon hij te schreeuwen en liet zich voor Jezus op de grond vallen. Hij riep luid: “Wat moet U van Mij, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? Ik smeek U mij geen kwaad te doen!” 29 Want Jezus had de duivelse geest het bevel gegeven uit de man weg te gaan. Want de geest had de man al heel vaak met geweld meegesleurd. Om hem te bewaken werd hij wel eens met ijzeren ketenen en voetboeien vastgezet. Maar dan brak hij de boeien weer stuk en werd hij door de geest naar eenzame plaatsen gejaagd.
30 Jezus vroeg hem: “Hoe heet je?” Hij zei: “Ik heet ’t Leger.” Hij zei dat, omdat er heel veel geesten in hem zaten. 31 De geesten smeekten Hem dat Hij hen niet naar de bodemloze put zou sturen. 32 Nu werd er op de berg een kudde varkens gehoed. En de geesten smeekten Hem of ze in de varkens mochten gaan. Dat vond Hij goed. 33 De geesten vertrokken uit de man en gingen in de varkens. En de hele kudde sloeg op hol. De varkens stortten van de steile berghelling af, het meer in. Alle dieren verdronken.
Lucas 10: 17-20
17 Na een poos kwamen de 70 leerlingen heel blij weer bij Jezus terug. En ze zeiden: “Heer, ook de duivelse geesten gehoorzamen ons in uw naam!” 18 Jezus zei: “Ik zag de duivel als een bliksem uit de hemel vallen. 19 Ik heb jullie de macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen. Ik heb jullie macht gegeven over het hele leger van de vijand. Niets zal jullie kwaad kunnen doen. 20 Maar wees er niet blij over dat de duivelse geesten jullie gehoorzamen. Wees er liever blij over dat jullie naam staat opgeschreven in de hemel.”
Met Jezus Christus aan onze zijde hoeven we niet bang te zijn voor de beperkte macht die Satan heeft (Hebreeën 2:14-15). Maar we moeten wijs zijn en zijn tactieken weerstaan:
“We leven wel in deze wereld, maar vechten niet met de wapens van deze wereld. De wapens waarmee wij ten strijde trekken dienen niet ons eigen belang, maar zijn er om met hun kracht bolwerken te slechten voor God. We halen spitsvondigheden neer en iedere verschansing die wordt opgetrokken tegen de kennis van God, we maken iedere gedachte krijgsgevangene om haar aan Christus te onderwerpen.” (2 Korintiërs 10:3-5)
Hebreeën 2: 14-15
14 Die kinderen zijn van vlees en bloed. Daarom is ook Jezus een mens van vlees en bloed geworden. Zo kon Jezus door zijn dood de duivel zijn macht afnemen. De duivel heeft niet langer de macht over de dood. 15 En zo kon Hij alle mensen bevrijden die hun leven lang slaven van het kwaad waren door hun angst voor de dood.
2 Korintiërs 10: 3-5
3 Want we zijn wel gewone mensen die in deze wereld leven, maar we gebruiken geen menselijke wapens. 4 De wapens van onze strijd zijn geen menselijke wapens, maar geestelijke wapens. Het zijn sterke wapens van God, die elke geestelijke muur kunnen afbreken. 5 Als mensen God niet willen gehoorzamen, kunnen we met die wapens elke redenering van hen uit de weg ruimen. Alles wat in de weg staat om God werkelijk te leren kennen, kunnen we als het ware gevangen nemen: alle verkeerde gedachten, redeneringen en ideeën. En daarna kunnen we die gehoorzaam maken aan Christus.

demon in de mens
Pasteltekening van John Astria
Door de geschiedenis van Satan heen is hij geïdentificeerd met het kwaad, omdat hij het tegenovergestelde is van Gods karakter. Gods heilige standaard, die we in de Bijbel kunnen vinden, brengt kwaad aan het licht. Als we niet op de waarheid van de Bijbel vertrouwen, dan kunnen we gemakkelijk gaan dwalen:
Elk van deze benaderingen behaagt de duivel. Hij wil dat we hem ontkennen, vrezen, gehoorzamen of aanbidden. Tenzij we de betrouwbare bron, de Bijbel, volgen, zal hij ons bedriegen (Efeziërs 6:10-11).
Johannes 3: 18-19
18 Iedereen die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Maar iedereen die níet gelooft, ís al veroordeeld. Want hij heeft niet geloofd in de enige Zoon van God. 19 Die mensen zullen worden veroordeeld omdat het Licht in de wereld is gekomen, en ze liever het donker hadden dan het Licht. Dat is omdat ze slechte dingen doen.
2 Korintiërs 11: 14-15
14 Maar dat is niets vreemds. Want de duivel zélf doet alsof hij een engel van het licht is. 15 Dan is het niet vreemd dat zijn dienaren ook doen alsof ze dienaren van de waarheid van God zijn. Maar aan het eind zullen ze hun verdiende loon krijgen voor wat ze doen.
Efeziërs 6: 10-13
10 Tenslotte, broeders en zusters: wees sterk in de kracht van de Heer. 11 Doe de hele wapenrusting van God aan. Dan kan de duivel jullie met zijn sluwe streken geen kwaad doen. 12 Want we strijden niet tegen mensen, maar tegen de onzichtbare leiders, machten en heersers van deze donkere wereld. Dus tegen de duivelse geesten in de geestelijke wereld. 13 Doe daarom de hele wapenrusting van God aan. Dan kun je je verdedigen als het kwaad je aanvalt. En dan kun je ook blijven staan als je alles hebt gedaan wat je moest doen.

De wapenuitrusting van God
Pasteltekening van John Astria
In ons wetenschappelijk, rationeel tijdperk worden geestelijke overtuigingen als bespottelijke mythen van de hand gewezen. Maar Satan heeft absoluut geen moeite met mensen die de realiteit van gevallen engelen of demonen ontkennen. Door zichzelf te vermommen kan hij mensen verleiden en bedriegen zonder herkend te worden. De wijzen onder ons zullen nooit vergeten dat Satan en zijn demonen vastberaden zijn om mensen te bedriegen en een werkelijke strijd aan te gaan met de hemelse engelen.
Satan overtuigt of verleidt zijn prooi om hem te volgen, of zij zich dat nu realiseren of niet. Misschien zijn ze wel gewoon onwetend of verward. Velen geloven liever menselijke theorieën dan de Goddelijke openbaring en de natuurwetten. Ongeacht of ze blind, bedrogen of bereidwillig zijn, ze volgen Satan allemaal naar een fatale bestemming. Ze veroordelen zichzelf tot een eeuwigheid in de hel.
Hoewel Satan machtiger is dan wij mensen, laat God ons niet hulpeloos aan hem over (Efeziërs 6:10-11). Toen de Heer hem terechtwees, sidderden Satan en zijn demonen en zij ontvluchtten Hem (Jakobus 2:19; Judas 1:9). Toen Jezus stierf, overwon Hij hen (Kolossenzen 2:15). Alleen onder het gezag van Jezus heeft een mens de macht om zich tegen de duivel te verweren. Mensen die van hun zonden gered zijn, door de dood van Jezus aan het kruis, worden beschermd; mensen die niet van Satans macht zijn gered zullen met hem vergaan (Johannes 3:16; 1 Petrus 5:8-10).
Met wie zul jij de eeuwigheid doorbrengen? Heb jij het feit aanvaard dat je een zondaar bent en dat Jezus aan het kruis stierf en uit de dood is opgestaan?
Jacobus 2: 19-20
Jullie geloven dat God Eén is? Dat is goed, maar dat geloven de duivelse geesten ook, en ze beven van angst voor Hem. 20 Wat zijn jullie toch dwaas! Waarom begrijpen jullie niet dat het geen zin heeft om te geloven, als jullie verder niet doen wat God van jullie vraagt?
Judas 1: 9-10
9 De engel Michaël had ooit ruzie met de duivel over het lichaam van Mozes toen Mozes gestorven was. Michaël is één van de belangrijkste engelen. Toch wilde hij de duivel niet zelf veroordelen. Hij zei alleen: “De Heer zal je straffen!” 10 Maar die mensen over wie ik het heb, maken alles belachelijk wat ze niet kennen of begrijpen. Ze gedragen zich als domme dieren die niet kunnen nadenken. Ze begrijpen alleen dat wat ze kunnen zien. Het loopt dan ook slecht met hen af
Kolossenzen 2: 15
15 We waren ongehoorzaam doordat het kwaad macht over ons had. Maar nu heeft Hij aan het kruis het kwaad ontwapend, overwonnen en voor iedereen te kijk gezet.
Johannes 3: 16-18
16 Want God houdt zoveel van de mensen, dat Hij zijn enige Zoon aan hen heeft gegeven. Iedereen die in Hem gelooft, zal niet verloren gaan, maar zal het eeuwige leven hebben. 17 Want God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om de mensen te veroordelen, maar om door Hem de mensen te redden. 18 Iedereen die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Maar iedereen die níet gelooft, ís al veroordeeld. Want hij heeft niet geloofd in de enige Zoon van God.
1Petrus 5: 8-10
8 Wees verstandig en let goed op. Jullie vijand, de duivel, loopt rond als een brullende leeuw die een prooi zoekt. Hij zoekt wie hij kan verslinden. 9 Verzet je tegen hem, sterk in je geloof. Vergeet niet dat je broeders en zusters over de hele wereld dezelfde problemen meemaken als jij.
10 Maar de God die één en al liefde en goedheid is, heeft jullie in Christus geroepen om voor eeuwig bij Hem te zijn. Hij zal jullie, na een korte tijd van lijden, volmaakt en sterk maken. 11 Van Hem is alle eer en macht, voor eeuwig! Amen! Zo is het!

Helend bloed van Christus
Pasteltekening van John Astria


.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Ken je dat gevoel? Het gevoel dat niets nog zin heeft, dat jou leven geen zin meer heeft? Soms zie je het allemaal niet meer zitten. Je ziet als een berg tegen alles op. Je bent moe en je hebt nergens zin in. De meeste mensen hebben hier wel eens last van. Meestal gaat het vanzelf weer over. Maar soms duurt het langer – bijvoorbeeld al weken – en heb je het gevoel dat het niet meer over gaat.
Als jij je zo voelt, dan voel je je ‘depressief’. Gelukkig is er uitkomst voor je, er is een God die je liefheeft, je begrijpt en Hij is instaat om te helpen. Hij zegt in de Bijbel:
“Vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand.”Jesaja 41:10)
Misschien herken je deze klachten? Je voelt je al lange tijd niet happy en je hebt vaak klachten zoals:
– Je eet ineens anders: heel veel of juist heel weinig
– Je wilt meer slapen dan normaal en je voelt je toch bijna elke dag moe
– Je bent zonder aanwijsbare reden rusteloos
– Je voelt dat je niks waard bent
– Je voelt je vaak schuldig
– Je kan je moeilijker concentreren
– Feitelijk zie je het leven niet meer zo zitten

Verlossing van het lijden
pasteltekening van John Astria
Er zijn mensen die voortdurend negatieve boodschappen in hun gedachten horen zoals:
‘je bent een nul’
‘stommeling, waarom heb je dat nou weer gedaan’
‘je mag er eigenlijk niet zijn’
‘jij hebt niet wat anderen wel hebben’
‘je bent lelijk’
‘anderen moeten je niet’
‘hou maar op, het wordt niks’
‘je bent een zondaar en je gaat naar de hel’
Ook zijn er die zichzelf bewust of onbewust steeds opnieuw vergelijken met anderen en dit kan leiden tot ontmoediging. Al die veroordelende gedachten werken als een moker op de ziel. Al deze negatieve gedachten zijn feitelijk leugens van satan.
Je denkt wellicht ook:
“God houdt niet van mij. God is onverschillig ten opzichte van mijn pijn, misschien kent Hij mijn lijden niet.”
Maar dit kan allemaal niet waar zijn, want de Bijbel spreekt heel andere taal. Jezus heeft ons juist lief en begrijpt ons als geen ander. Jezus heeft ook de diepste pijn en de diepste verlatenheid ondergaan die een mens kan ondergaan. Dus niets van het menselijk lijden is Hem als schepper van alle dingen vreemd, ook daarom kwam Hij naar deze aarde als onze verlosser, Hij begrijpt ons dus.

Jezus, de leeuw en het lam, als redder van de mensheid
pasteltekening van John Astria
Eén van de leugens van satan is ook, dat er voor jou niets meer is, dat het nog waard maakt om voor te leven en dat een einde maken aan je leven de beste oplossing is. Maar we hebben dan vaak uit het oog verloren, dat er beslist nog mensen om ons heen zijn die van ons houden en waarvoor we wel degelijk betekenis hebben. Daarbij heeft God ook een plan met elk leven en dat is, opdat anderen iets van Gods genade en liefde in ons leven zien. God werkt dus aan ons en Hij verlangt het werkstuk ook af te maken (Filip.1:6). Het is ook een leugen dat we een willoos slachtoffer zijn van die negatieve gedachten. Jezus heeft overwonnen aan het kruis van Golgotha en Hij staat aan jou kant, daarom is bevrijding wel degelijk mogelijk.
Als we last hebben van een depressie, moeten we wel strijdbaar blijven, d.w.z. ons niet te gemakkelijk overgeven aan de symptomen van depressie, hopeloosheid en wanhoop. Vaak is het net of mensen hun problemen niet te lijf gaan, maar ze hebben het gewoon geaccepteerd. Het lijkt dan alsof men zich overgeeft aan depressief zijn en als we depressieve gedachten niet meer bestrijden dan maakt het ons steeds negatiever, het vreet onze energie weg.
We hebben het dan laten uitgroeien tot een levensgroot monster wat we niet meer baas kunnen en nu zitten we met het probleem. Het achtervolgt ons en wordt voor onze belevenis steeds groter en groter. En onze energie-accu wordt steeds leger en leger, tot ze tenslotte helemaal leeg is en als je niet snel ingrijpt, word je ziek en ga je tenslotte ten onder.
Daarom is er maar één ding belangrijk: grijp in zolang het nog kan, val je depressiviteit aan, noem de naam Jezus en roep de kracht van Zijn bloed aan, de duivel is er bang van. Ga dat monster te lijf alsof het je grootste vijand is en dat is het ook, want dit is een vijand die het op je totale ondergang gemunt heeft, hij wil je verwoesten. En jij denkt wellicht dat hij de sterkste is, maar dat is ook al weer een leugen, want jij kunt ‘met Jezus’ je depressiviteit de baas. Je kunt het verjagen, opruimen, wegwerken. Maar niet door aan de kant te staan kijken.
Sommige mensen hebben een seizoensgebonden depressie, of een depressie die kan voorkomen na de zwangerschap (dat noemen we ‘postnatale depressie’) en soms een depressie die wordt afgewisseld met hele vrolijke periodes (dat noemen we ‘manisch depressief’), depressies ten gevolge van het overlijden van iemand die men lief heeft etc.. Je bent niet de enige, depressies zijn een wijd verspreide toestand waar miljoenen mensen last van hebben, christenen net zo goed als niet-christenen.
Mensen die aan een depressie lijden kunnen intense gevoelens van droefheid, woede, hopeloosheid, vermoeidheid en een verscheidenheid aan andere symptomen ervaren. Ze kunnen zich nutteloos voelen en zelfs zelfmoordneigingen hebben en hun interesse verliezen in mensen en dingen waar ze eerst altijd van genoten hadden. Depressies worden vaak in gang gezet door omstandigheden in het leven, zoals een baanverlies, de dood van een naaste, een echtscheiding, of psychologische problemen zoals misbruik of een gering zelfrespect.

De mens in geloof
pasteltekening van John Astria
Toch overkomt het ons niet zomaar, er zijn demonen van ontmoediging en depressiviteit die ons aanvallen. Zij komen bij ons binnen zodra ze een opening vinden en ze zijn op de hoogte van onze zwakste momenten. Achter elke depressie staat een demon die ons wil binden en op zo´n moment hebben we bevrijding nodig. De duivel heeft maar één doel en dat is ons ongeluk en tenslotte de dood. Vandaar dat er nog steeds zoveel mensen zijn die met zelfmoord gedachten rondlopen. Jezus is echter gekomen om ons een vrij en vreugdevol leven te geven. Nogmaals, Hij heeft aan het kruis de macht van depressiviteit verbroken, je kan dus vrij worden.
In Jesaja 61 staat een profetie over Jezus:
“Hij heeft Mij gezonden om aan armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken van hart zijn om aan gevangenen vrijlating te prediken en aan blinden het gezichtsvermogen, om verslagenen weg te zenden in vrijheid, om het jaar van het welbehagen van de Heere te prediken.”
Het is duidelijk dat God de bedoeling heeft dat we allemaal vreugdevolle leven hebben in deelname met God. Op een andere manier is dit onmogelijk. Dit is niet gemakkelijk te vatten voor iemand die aan een depressie lijdt, maar dit kan verholpen worden door de bevrijdende kracht van de Heer. Daarnaast helpt het ons, als we ons gaan openstellen voor de Bijbel en voor Bijbelstudies met andere gelovigen. We moeten een bewuste inspanning doen om niet te zeer in onszelf op te gaan. Onze inspanningen moeten veeleer naar buiten gericht zijn. Depressieve gevoelens kunnen worden tegen gegaan, wanneer degene die er aan lijdt zich niet meer op zichzelf concentreert, maar op Christus en anderen mensen om hem of haar heen.
Er zijn dingen die mensen, die aan een depressie lijden kunnen doen, om hun pijn te verlichten. Vooral als de symptomen nog niet zo hevig zijn, moet men niet gelaten afwachten tot het erger wordt. Zoek zo mogelijk hulp, vooral als je je vaak depressief voelt heb je hulp nodig, daar hoef je je niet voor te schamen. Het is niet altijd als bij een griepje, waar je zo weer vanaf kan komen. Soms is het voldoende om er zelf mee naar de Heer Jezus toe te gaan en Hem te vragen je te helpen, maar heel vaak heb je daarvoor ook hulp nodig.
Praat er met iemand over die in de Bijbel gelooft en die voor je kan bidden, dat is in ieder geval een goede stap in de richting van bevrijding. Doe dus iets, blijf in ieder geval niet verslagen toekijken hoe dat monster van depressiviteit je leven verwoest. Blijf vasthouden dat er uitkomst is bij Jezus en dat Hij nooit beproevingen toelaat in je leven, die boven je vermogen gaan. De Bijbel zegt in 1 Kor. 10:13:
“Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.”
God zorgt dus altijd voor de uitkomst, hou dat vast. Dit betekent niet dat God de beproevingen altijd direct wegneemt, maar dat Hij kracht geeft om de beproevingen te doorstaan en overwinning te krijgen over demonen die jou aanvallen. Het kan hopeloos voelen in het begin, maar blijf vasthouden dat er hoop is. Er is altijd hoop. Geloof dat God je kan en wil bevrijden. Je hoeft geen slaaf te blijven van je ellende en wanhoop.


.
.
.
.
.
.
.
Om de oorsprong van Lucifer te kunnen vinden, richten we ons tot het Oude Testament. De naam Lucifer is vertaald uit het Hebreeuwse woord “helel”, wat “helderheid” betekent. Deze aanduiding, die dus op Lucifer betrekking heeft, is de uitlegging van de “morgenster” of “zoon des dageraads” die in Jesaja wordt voorgesteld.
“O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste” (Jesaja 14:12-14).
De context van deze passage slaat op de koning van Babylon zoals hij in zijn trots, zijn pracht en zijn val wordt voorgesteld. Maar de tekst is feitelijk gericht aan de macht die achter de boosaardige Babylonische koning steekt. Geen enkele sterfelijke koning zou beweren dat zijn troon zich boven die van God bevindt of dat hij de Allerhoogste evenaart. De boze macht achter de Babylonische koning is Lucifer, de “zoon des dageraads”.
.
.
.
Lucifer is gewoon een andere naam voor Satan, die als hoofd van het boosaardige wereldbestel de werkelijke, maar onzichtbare macht is achter de opeenvolgende heersers van Tyrus, Babylon, Perzië, Griekenland, Rome en alle andere kwaadaardige heersers die we in de geschiedenis van de wereld hebben zien komen en gaan. Deze passage gaat verder dan de menselijke geschiedenis en markeert het begin van de zonde in het universum en de val van Satan in het reine, zondeloze firmament vóór de schepping van de mens.
We zien ditzelfde thema in Ezechiël: “De HEER richtte zich tot mij: ‘Mensenkind, hef over de koning van Tyrus een dodenklacht aan:
“Dit zegt God, de HEER: Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen.
Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande ik je van de berg van God en verdreef ik je van je plaats tussen de vurige stenen. Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld.
Daarom heb ik je op de aarde neergeworpen, als een schouwspel voor andere koningen. Door je grote schuld, door je oneerlijke handel, waren je heiligdommen ontwijd. Daarom liet ik een vuur in je oplaaien dat je heeft verteerd, ik maakte van jou een hoop as op de grond, voor ieder die het wil zien. Alle volken die je kenden staan verbijsterd; je bent een schrikbeeld geworden, tot in eeuwigheid zul je er niet meer zijn.”‘” (Ezechiël 28:11-19).
.
Deze passage lijkt gericht tot de “koning van Tyrus”. In werkelijk is het echter gericht aan degene die achter de boosaardige koning van Tyrus schuilgaat. Deze passage bevat profetieën over Lucifer/Satan, omdat zijn laatste einde nog niet heeft plaatsgevonden en pas na het laatste oordeel zal plaatsvinden (Openbaring 20:7-10), ook al is het zeker dat dit einde op deze manier zal plaatsvinden.
Deze passages in Jesaja en Ezechiël hebben beide niet zozeer betrekking op Lucifer/Satan zelf, maar op zijn werk en zijn planning via aardse koningen en heersers die zichzelf een goddelijke eer toekennen. Zij heersen, bewust of onbewust, feitelijk in de geest van Satan en voor de doelen van Satan.
“Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen” (Efeziërs 6:12).
Satan is de vorst achter de machten van dit bedorven wereldbestel.
Let vooral eens op de volgende uitspraak in de passage uit Ezechiël: “de gezalfde cherub”. Een dergelijke uitspraak zou nooit van toepassing kunnen zijn op een menselijke koning. Nee, deze heeft betrekking op Lucifer/Satan die achter de menselijke koning zit. Deze engel is het hoogste wezen dat de HEER ooit heeft geschapen. De HEER zegt over hem: “Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid”.
Satan was het meest wijze schepsel dat God ooit had geschapen. Geen enkele andere engel en geen enkel ander wezen werd geschapen met de intelligentie die God aan dit schepsel had gegeven. God zegt dat dit schepsel “volmaakt van schoonheid” is. Na de Heilige Drie-eenheid – de Vader, de Zoon en de Heilige Geest – is dit wezen tegenwoordig het hoogste wezen.
In Ezechiël 28:14 lezen we:
“Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub”. Dit vertelt ons dat we het niet over een menselijke koning hebben.
Het woord cherub is enkelvoud voor cherubim. De cherubim zijn een symboliek voor Gods Heilige aanwezigheid en Zijn onbereikbare grootheid. Deze cherubim nemen een unieke positie in. De “gezalfde, overdekkende cherub” is het beeld dat in de Hof van Eden voor ons geschetst wordt, nadat Adam en Eva waren weggestuurd en God de cherubim had opgesteld om de weg naar de levensboom te bewaken.
Ook toen Mozes de verzoeningsplaat maakte en deze in het Allerheiligste van de tabernakel plaatste, kwam Gods heerlijkheid er naartoe en ontmoette Hij Mozes tussen de cherubim. Zij “overdekten” de verzoeningsplaat met hun vleugels.
We zien dus dat Satan een cherub was en dat zijn taak bestond uit het bewaken van de troon van God Zelf. Zijn taak was de bescherming van Gods heiligheid. Satan nam de hoogste van alle posities in, een positie die hij verachtte en verloor.
We zien hier in Ezechiël een beschrijving van de hoogste van Gods schepsels, een musicus met perfecte wijsheid en onbeschrijflijke schoonheid, en bovendien met een verheven functie. Maar, dit schepsel met al zijn prachtige eigenschappen had ook een vrije wil. Op een dag zei God tegen dit schepsel:
“Er is ongerechtigheid in jou gevonden”.
.
.
Wat voor ongerechtigheid werd er in hem gevonden? In het boek Ezechiël laat God ons in het prille begin als het ware over Zijn schouder meekijken, zodat we de oorsprong en de schepping van Satan kunnen zien. Maar waarom zegt God dit? Wat is deze ongerechtigheid?
We moeten naar Jesaja 14:13-14 teruggaan, de verzen die ons over de keuze van Lucifer/Satan vertellen. “Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste.” Heb je gemerkt hoe vaak Satan in deze passage eigenlijk “ik zal” zegt? Hij zegt dat hij zijn troon boven Gods sterren zal plaatsen. Het woord “sterren” verwijst hier niet naar de sterren die we ’s nachts kunnen waarnemen. Hiermee worden de engelen van God bedoeld. Met andere woorden: “Ik zal de hemel overnemen, ik zal God zijn”.
Dat is de zonde van Lucifer/Satan en dat is de ongerechtigheid die er in hem werd gevonden. Hij wil geen dienaar van God zijn. Hij wil de dingen niet doen waar hij voor geschapen werd. Hij wil zelf gediend worden en er zijn miljoenen mensen die ervoor gekozen hebben om juist dat te doen: hem dienen. Zij hebben naar zijn leugens geluisterd en ervoor gekozen om hem te volgen. Eva geloofde de leugen dat zij net als God zou zijn. De reden dat Lucifer/Satan haar met die leugen verleidde was dat dit precies datgene is wat hij zelf wil: God zijn.
.
.
.
.
.
.
Eén daarvan is zonde. Jezus zei in Johannes 5:14, nadat Hij de man bij het bad Betesda had genezen: ‘Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkome.’ Hij maakte het hier dus heel duidelijk dat deze ziekte en het terugkeren van deze ziekte of zelfs iets nog ergers dan de verlamming die deze man had, hem kon overkomen als hij zondigde. Jezus verbond hier dus ziekte aan zonde. Dat is niet de enige reden dat mensen ziek worden, maar het is één reden.
Als iemand bijvoorbeeld alcoholist is en hij drinkt zich een leverziekte, dan heeft Hij zichzelf dat aangedaan. Ik bedoel dat satan zijn handelingen gebruikte om zich toegang tot hem te verschaffen. Hij heeft een leverziekte, niet omdat God hem dat heeft aangedaan, of doordat de duivel dat rechtstreeks deed, maar het is gewoon zonde. Hij oogst de vruchten van zijn zonde; druggebruikers lopen hersenbeschadigingen op, en ziekten die door gedeelde naalden worden overgebracht. Seksueel actieve personen krijgen seksueel overdraagbare ziekten. Dat komt niet doordat satan hen oordeelt of aanvalt. Zij doen het zichzelf aan. Zij zetten de deur open door zonde.

De tweede hoofdreden dat mensen ziek worden, komt doordat wij in een oorlog zijn met de duivel. Sommige mensen zijn zich dat niet bewust, maar niet alles wat er gebeurt is maar fysiek. Er woedt een geestelijke oorlog. Er zijn goddelijke engelen die Gods wil uitvoeren en er zijn demonische geesten die satans wil uitvoeren. Er is een veldslag gaande. Je kunt op een bepaalde manier wel stellen dat het op zonde is gebaseerd, omdat satan door zonde op deze aarde is losgelaten, maar dat is niet per se jouw individuele zonde.
Dit is waar Jezus het over had in het 9e hoofdstuk van Johannes toen er een man aan de poort van de tempel zat. Hij was blind vanaf zijn moeders schoot. En de discipelen vroegen: ‘Wie heeft gezondigd, deze man of zijn ouders dat hij blind geboren is.’ En Jezus zei: ‘Geen van beide.’ Je weet heus wel dat Hij niet zegt dat deze man of zijn ouders niet gezondigd hadden. Want de Schrift zegt in Romeinen 3:23: ‘Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods.’
Er was dus wel degelijk zonde in hun leven, maar hier zegt Hij dat het niet hun zonde was die de oorzaak was dat deze jongen blind werd geboren. Dat gebeurde gewoon. Er is een geestelijke oorlog gaande en satan gaat rond, zoekende wie hij kan verslinden. Zonde is dus één reden dat mensen ziek worden. En een andere reden is dat het niet een zonde is, maar dat je gewoon leeft in een gevallen wereld, dat er geestelijke veldslagen zijn en satan je soms gewoon met dingen aanvalt.

De derde hoofdoorzaak dat mensen ziek worden, is de gewoon natuurlijke dingen. Dat is iets waar veel christenen geen rekening mee houden. Zij erkennen wel dat zonde een toegang is van satan in ons leven, en dat dit hem in staat stelt dingen aan te richten. Ze erkennen ook dat we in een geestelijke oorlog zijn en dat satan ons aanvalt. Maar soms vergeestelijken christenen alles zozeer dat ze niet beseffen dat er ook dingen zijn die gewoon natuurlijk gebeuren.
Bijvoorbeeld, als jij gewoon niet oplet en van de trap afloopt en struikelt en valt, kun je een been breken. Je kunt je sleutelbeen breken, je kunt je nek breken. Allerlei dingen kunnen je overkomen en het is niet de duivel, het is niet zonde, het is gewoon een natuurproces, je hebt jezelf bezeerd. Je kunt ook bepaalde ziekten oplopen, een infectie, een zwelling en allerlei dingen. Als mensen van een klip in een waterplas zijn gedoken en een rotsblok hebben geraakt en hun rug hebben gebroken en nu verlamd zijn, is het helemaal niet noodzakelijk de duivel was die hen dat aandeed.
De duivel heeft hen misschien verleid om iets te doen wat niet verstandig was. Of ze hebben iets tegen beter weten in gedaan, maar het is een natuurlijk verschijnsel. Als je bij een auto-ongeluk betrokken raakt en je arm wordt eraf gerukt, dan kun je niet zeggen dat het per se de duivel is. Het is gewoon iets natuurlijks. Vanaf de zondeval zijn er allerlei dingen, bacteriën, virussen, schimmels, dingen die nu verdorven zijn, maar die van oorsprong niet verdorven waren. En die vallen het menselijke lichaam aan. En sommige dingen zijn gewoon natuurlijk. Mensen zijn niet volmaakt en maken fouten.

Dit zijn dus drie hoofdgebieden. Je kunt een ingang voor ziekte geven door zonde. En je kunt door satan aangevallen worden wat niet jouw schuld is. Vaak is het feit dat satan je aanvalt en je dingen aandoet het bewijs dat je met iets goeds bezig bent. Satan probeert mensen die gevoelig voor God zijn te belemmeren, evenals mensen die hem bestrijden. Je weet pas dat je in het beloofde land loopt als je de reuzen tegenkomt.
Als er reuzen zijn, als je tegen problemen aanloopt, is dat vaak een indicatie dat je de dingen goed doet in plaats van verkeerd. En ten derde gebeuren er soms dingen die natuurlijk zijn. Als je van het dak valt, kun je jezelf bezeren, je kunt iets breken of beschadigen. Maar dat is niet noodzakelijk demonisch, dat is geen zonde, dat is gewoon iets natuurlijks dat plaatsvindt.
Maar er is altijd iets wat wij eraan kunnen doen. Omdat wij zijn verlost van ziekte en gebrek, kunnen wij onze autoriteit nemen en ons geloof gebruiken en een genezing bewerken of het nu een demonische aanval is, of iets wat gewoon natuurlijk is gebeurd. En zelfs als het onze eigen zonde is die het heeft veroorzaakt, kunnen wij ons daarvan bekeren, ons ervan afkeren en de vergeving van God in ons leven vrijzetten. Ongeacht hoe deze ziekten en gebreken zijn veroorzaakt, er is altijd iets dat wij er aan kunnen doen.

Jezus ging dus verder, nadat Hij in vers 17 zijn discipelen had bestraft. Vers 18: ‘En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af. 19 Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?’
Dit is de vraag waar wij ons nu mee bezig houden. Als het Gods wil was om hem te genezen en Jezus genas deze jongen, waarom konden de discipelen deze jongen dan niet genezen? Als wij geloven dat het Gods wil is dat iedereen geneest, hoe komt het dat wij niet altijd iedereen zien genezen? Wat zijn de oorzaken waarom iemand niet geneest?
Je moet begrijpen dat deze discipelen die deze vraag stelden, ‘waarom konden wij hem niet uitdrijven’, geloofden dat het Gods wil was, én geloofden dat zij de macht van God in hun leven hadden ontvangen om deze demonen uit te drijven. Zij hadden al macht en autoriteit ontvangen om demonen uit te drijven. In het tiende hoofdstuk van Matteüs, en ook in Lukas 9 en andere plaatsen, staat dat Jezus hen macht gaf over alle onreine geesten, over alle ziekte en gebreken. En zij gingen er op uit en ze kwamen terug en verheugden zich dat de demonen zich aan hen onderwierpen in de naam van Jezus.
Ze hadden toen geen enkele vraag. Dit betekent dat nu de discipelen die deze vraag stelden, ‘waarom konden wij hem niet uitdrijven?’ dit niet deden omdat ze niet geloofden. Zij geloofden wel degelijk en ze hadden die macht al uitgeoefend. En ze hadden ook resultaten geboekt. Maar dát was juist de reden waarom ze in de war waren. Als deze discipelen hadden gezegd: ‘Nou, wij geloven niet dat je een maanzieke jongen, iemand met toevallen, kunt genezen,’ dan hadden zij deze vraag nooit gesteld. Het feit alleen al dat zij deze vraag stelden, toont aan dat zij wel degelijk geloofden, maar toch niet de resultaten verkregen die zij verlangden.



.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
.
.
.
.
.
.
Een van de schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’ Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.’
De schriftgeleerde zei tegen hem: ‘Inderdaad, meester, wat u zegt is waar: hij alleen is God en er is geen andere god dan hij, en hem liefhebben met heel ons hart en met heel ons inzicht en met heel onze kracht, en onze naaste liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere offers.’ Jezus vond dat hij verstandig had geantwoord en zei tegen hem: ‘U bent niet ver van het koninkrijk van God.’ En niemand durfde hem nog een vraag te stellen.
.
.
.
.
.
.