Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
Psalm 105 • A celebration of Israel’s history
.
Psalmen 105 . Een viering van de geschiedenis van Israël
.
Paul LeBoutillier
.




Sinds ongeveer 1880 tot op de dag van vandaag zijn uit allerlei landen ruim 5,5 miljoen Joden teruggekeerd naar Israël (Ezech. 11:17). Het profetisch Woord is er duidelijk over dat veel Joden in de eindtijd weer in Israël zullen wonen. Bijna het gehele volk is helaas in ongeloof teruggekeerd. De profeten voorzeggen dat Israël in de eindtijd bekering nodig heeft. Het is daarom niet vreemd dat zij in ongeloof terugkeren (Joël 2:12-17). De terugkeer van de Joden naar Israël is een belangrijk teken van de tijd! Dat zal niemand ontkennen, die ook maar enigszins kennis heeft van het profetisch Woord.
In Ezech. 37 lezen we over een profetie van een dal met dorre doodsbeenderen. We zien hierin dat er twee fasen zijn voor Israëls herstel. De eerste is lichamelijk. Dit herstel is al geruime tijd bezig, zoals de terugkeer van het volk en dat Israël weer als volk en natie op de kaart staat. De tweede fase is dat Israël geestelijk hersteld zal worden. Maar daar moet eerst bekering aan vooraf gaan (Hos. 3:4,5). Dan, als zij Jezus hebben aangenomen, aan het einde van de Grote Verdrukking, zal het overblijfsel het Land voor altijd in vrede bezitten:
“Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!” (Matt. 23:39).
Als Jezus komt zullen alle Joden, die dan nog in verstrooiing zijn, in geloof terugkeren en zal het volk geheel uit rechtvaardigen bestaan!:
“Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan, voor altoos zullen zij het land bezitten: een scheut die Ik geplant heb, een werk mijner handen, tot mijn verheerlijking” (Jes. 60:21).
Dan zal Israël zowel fysiek als geestelijk volledig worden hersteld. De grenzen van het Land worden dan niet meer door politieke leiders bepaald, maar door de Messias Zelf (Ezech. 47, 48). Nu leeft het volk nog in angst voor aanslagen en oorlogen. Ook leeft het volk achter een grote muur om haar veiligheid te waarborgen. Als Jezus komt en “gans Israël” behouden is, dan zal het volk echt in vrede wonen en over de gehele wereld in aanzien zijn!:
“en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem” (Jes. 2:3).
De terugkeer van de Joden naar Israël is voor de gemeente een belangrijk teken wat laat zien dat deze huidige “bedeling der genade” ten einde loopt en dat de Grote Verdrukking nabij is. De gemeente kan daarom elk moment worden opgenomen (1 Tess. 1:10).
De oprichting van de staat Israël in 1948 (welke door David Ben-Goerion werd uitgeroepen) en het heroveren van Jeruzalem in 1967, zijn belangrijke tekenen van de tijd. We weten dat Israël wordt gedwongen om vrede te sluiten met de Palestijnen in ruil voor Land. Bijna de gehele wereld bemoeit zich hiermee. Maar het Land is niet van de Palestijnen en ook niet van de Verenigde Naties. Het Land is van God dieide God van Israël is.
In Lev. 25:23 lezen we dat God zegt: “Want het Land is van Mij”.
Niemand minder dan God Zelf brengt Zijn volk terug naar Israël. God wil dat zij daar wonen in de eindtijd, zodat de laatste Jaarweek straks kan gaan beginnen (Dan. 9:27). Daarna zal de Here Jezus de vervallen hut van David gaan oprichten en zullen de heerlijke Messiaanse zegeningen komen, althans voor het gelovig overblijfsel (Hand. 15:16-18). Die zegeningen komen door niemand minder dan Jezus Christus Zelf (2 Kor. 1:20). Paulus zegt:
“en aldus zal gans Israël behouden worden” (Rom. 11:26).
De Bijbel is er duidelijk over dat Israël nog steeds Gods oogappel is en dat God niet wil dat het Land wordt verdeeld en ingenomen door vreemdelingen. Zijn toorn zal over die volken komen:
Als we naar Israël kijken, dan zien we dat het omsingeld is door vijanden. Israël wordt steeds meer in het nauw gedreven door haar islamitische buurlanden. De Jodenhaat onder de Arabische volken en het Palestijnse volk is zo groot dat er zelfs islamitische groeperingen zijn die Israël van de kaart willen vegen, of het volk in de Grote Zee willen drijven! In Ps. 83:3-9 lezen we:
“Want zie, uw vijanden tieren, uw haters steken het hoofd op; zij smeden een listige aanslag tegen uw volk en beraadslagen tegen uw beschermelingen. Zij zeggen: Komt, laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam van Israël niet meer wordt gedacht. Want zij hebben eensgezind beraadslaagd, tegen U een verbond gesloten: de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagrieten, Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de inwoners van Tyrus; zelfs Assur heeft zich bij hen gevoegd, zij zijn de zonen van Lot tot steun”.
Wereldwijd komt er steeds meer verzet tegen de Joden. Het antisemitisme is niet alleen groot rondom de buurlanden van Israël, ook in de westerse maatschappij neemt dit drastisch toe. En zo ook in Rusland en bijvoorbeeld in Polen. Zo zijn er zelfs in ons land schuilsynagoges, waar de Joden ongestoord hun diensten kunnen houden, omdat zij anders bedreigd worden. Doordat het antisemitisme sterk toeneemt keren veel Joden terug naar Israël.
We kunnen niets anders dan concluderen dat Christus’ tegenstander een hekel aan de Joden heeft. Dat komt omdat hij weet dat God nog een plan heeft met Israël (Ezech. 36:26-28; 39:29; Hos. 2:13-22). Maar bovenal omdat het heil uit de Joden is, dat is de Here Jezus (Rom. 9:5). Hij is Israëls Messias, de komende Vredevorst die vanuit Jeruzalem op de troon van David over de gehele aarde zal regeren.
Israël hoorde vroeger bij het oude Romeinse Rijk. Ook de Noordelijke Afrikaanse landen hoorden daar bij. Zo heeft enkele jaren geleden de toenmalige Franse president Sarkozy zich uitgesproken over een Mediterrane Unie, van het Middellandse Zeegebied. Die is er gekomen op 13 juli 2008, opgericht in Parijs. Het moet een samen-werkingsverband vormen tussen de landen van de Europese Unie en de landen aan het Middellandse Zee gebied. Het is duidelijk zichtbaar dat de wereld wordt klaargemaakt voor het laatste wereldrijk (het herstelde Romeinse rijk) en voor de komst van de antichrist :
(Openb. 6:2; 13:1,2; 17:11): “Het beest, dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve”
pasteltekening van John Astria
Ongetwijfeld zal het laatste wereldrijk ongeveer dezelfde landen omvatten als het oude Romeinse Rijk. Het zal echter nooit een (h)echte eenheid vormen, zoals ijzer en leem zich niet met elkaar laten vermengen (Dan. 2:43). Wellicht omdat de verschillen tussen het z.g. christendom en de islam te groot zijn.
Bijna dagelijks horen we over aardbevingen, overstromingen, bosbranden, vulkaanuitbarstingen, hongersnoden (de voedseltekorten en voedselprijzen zijn de afgelopen jaren enorm gestegen, vgl. Openb. 6:6), besmettelijke ziekten en allerlei diersoorten die uitsterven. Dit laatste is volgens velen ook een oorzaak van onze klimaat-verandering:
“en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn. Doch dat alles is het begin der weeën” (Matt. 24:7,8).
pasteltekening van John Astria
Het is noodzakelijk waakzaam te blijven en door middel van het lezen van de Bijbel de tekenen der tijden te gaan zien. Het lijkt wel of het door velen niet meer wordt opgemerkt.
Luc. 12:54-56 zegt de Here Jezus het volgende:
“Wanneer gij een wolk ziet opkomen in het westen, zegt gij dadelijk: Er komt regen, en het gebeurt. En wanneer gij de zuidenwind ziet waaien, zegt gij: Er zal hitte komen, en het gebeurt. Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderscheiden, waarom onderkent gij de tijd niet?”
Door tv. en internet kan er allerlei onreinheid onze huiskamers binnenkomen en zo ook in onze geest. Voor som-mige christenen is dit een geestelijke strijd, vooral onder mannen. Verkeerd tv.- en internetgebruik kan een open riool worden. Het is en sterk wapen van de boze, wat tussen God en christenen instaat.
God is heilig en daarom behoren ook christenen een rein en zuiver leven te leiden (1 Petr. 1:15,16).
De wereld kijkt al niet meer op van homofeesten, zoals de jaarlijkse Gay parade in Amsterdam. Veel mensen vin-den dat dit wel moet kunnen en zien dit als ultieme vrijheid. Maar in wezen zijn zij gebonden door de machten van de duisternis. In Openb. 22:10,11 waarschuwt een engel van God dat de tijd nabij is en wat de tekenen daar-van zijn:
“want de tijd is nabij. Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; en wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”.
In dit Schriftgedeelte wordt er gesproken over de kinderen van God en de kinderen van de boze. In de eindtijd zal het zichtbare verschil steeds groter worden.
De hebzucht is een belangrijk tekenen van de tijd, waarin menigeen tevergeefs hun geluk hopen te vinden. Helaas zijn er ook christenen moe geworden van de hebzucht en de stress en houden zich daardoor niet meer met de dingen van God bezig, zoals: Bijbellezen, bidden, Bijbelstudies volgen, kerkdiensten bezoeken en andere mensen helpen:
pasteltekening van John Astria
Veel mensen zijn angstig geworden. Er zijn nu al die dreigingen met chemische wapens en terrorisme zoals bij-voorbeeld de terroristische aanlag in New York op 11-09-2001 die de hele wereld veranderd heeft. Dagelijks wor-den we er via de media over geïnformeerd, dat we in roerige tijden leven. Veel oorlogen zijn er de afgelopen decenia’s geweest, zoals in het Midden-Oosten:
“Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet. Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk“ (Matt. 24: 6,7).
Laten we ook naar ons eigen land kijken, waar we helaas regelmatig horen over slachtoffers door zinloos geweld en seksueel misbruik. Ook neemt de liefdeloosheid naar buitenlanders toe, bijvoorbeeld naar asielzoekers, Joden en moslims.
Het gezag van de overheid wordt steeds minder, bijvoorbeeld van de politie, ambulancepersoneel en leerkrach-ten. Samenwonen wordt ook door christenen bijna volledig geaccepteerd. Trouwen wordt ouderwets gevonden en het aantal scheidingen neemt toe. Ook de ongehoorzaamheid aan de ouders is een teken van de eindtijd :
“En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen” (Matt. 24:12).
Niet elk wonder, profetie of lering komt van Gods Geest. Gods Woord waarschuwt ons dat er altijd al verkeerde leringen en valse profeten zijn geweest en dat dit tot de wederkomst zal toenemen.
In Openb. 13 staat dat er tijdens de Grote Verdrukking een valse profeet zal zijn. Hij zal grote wonderen doen. Ook zal hij de mensen verleiden om de schijn-messias, dat is de antichrist, te volgen en aanbidden.
pasteltekening van John Astria
Tegenwoordig is het niet gemakkelijk om als Bijbelgetrouwe christen je rug recht te houden. Veel kerken lopen leeg. Aan hetgeen de Bijbel zegt wordt helaas door veel christenen getwijfeld, bijvoorbeeld wanneer we het over het volbrachte werk van Christus aan het kruis hebben. Dan wordt er al gauw aan Zijn opstanding getwijfeld en over hoe God door het bloed van het Lam zonden kan vergeven (Jes. 53).
Het wonder van de wedergeboorte is voor vele gelovigen nog geen realiteit in hun leven geworden. Ook wordt de Here Jezus door velen slechts gezien als een profeet, goed mens, of een grote leraar. Maar dat Hij God de Zoon is, gaat er bij velen niet in (Joh. 1:1).
Als we de Bijbel geloven, geloven we God. Want God spreekt tot ons door Zijn Woord. Paulus zegt in 2 Tim. 2:23-26:
“Maar wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen; gij weet immers, dat zij twisten teweegbrengen; en een dienstknecht des Heren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, geduldig, met zachtmoedigheid de dwarsdrijvers bestraffende. Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren en, ontnuchterd, zich te wenden tot de wil van Hem, losgekomen uit de strik des duivels, die hen gevangen hield”.
In de omgang met deze mensen moeten we vol liefde en geduld zijn. Het is belangrijk dat we ze door liefde en waarheid weten te winnen. Zo zijn er nog veel meer tekenen te noemen, die betrekking hebben op de eindtijd, zoals: de economische crisis. De sterke toename van occultisme en de opkomst van New Age in allerlei christelijke stromingen.
pasteltekening van John Astria
Het is duidelijk dat het roerige tijden zijn en dat er reden toe is Hem te verwachten (Openb. 3:10). Laten we in die hoopvolle verwachting blijven getuigen van de Here Jezus, want nu is het nog genadetijd. Wie reeds gekozen heeft is niet alleen gered, maar zal ook worden verlost van de komende toorn, dat is de Grote Verdrukking (1 Tess. 5:9).
Johannes 17 : 3 > ‘’dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus”.
Openbaring 1 : 3 > ‘’gelukkig is hij die deze profetische woorden van de Here voorleest; en dat geldt ook voor de mensen die ernaar luisteren en het zullen onthouden. Want de tijd dat deze dingen werkelijkheid worden, komt steeds dichterbij”.
Openbaring 22 : 7 > Jezus zegt : ‘’ja, ik kom gauw. Gelukkig is hij die de profetische woorden van dit boek onthoudt”.
Dit zijn enkele citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar.
In het eerste en het laatste hoofdstuk van de Openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft. Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.




Van de veldhoenders (patrijsachtigen) is de kwakkel, of kwartel, de kleinste. Het is een trekvogel, zo groot als een leeuwerik. Rond de Middellandse Zee kan men er soms duizenden oprapen, die door hun overtocht uitgeput raakten. De kwakkels die men in Israël of de Sinaï uit tropisch en Oost-Afrika ziet komen, zijn op weg naar Mid-den- en Oost-Europa. In de Bijbel komen kwakkels twee keer voor. In beide gevallen dienden zij als voedsel voor de Israëlieten op weg van Egypte naar Kanaän. In Exodus 16:1 – 3 lezen wij hoe het volk tegen Mozes en Aäron morde dat het geen eten had, waarop God het vlees en brood beloofde. Maar hoe? Het was juni en de trektijd voor kwakkels was voorbij.
Toch bracht God er genoeg bijeen om het hele volk te verzadigen. Hij was niet van plan dit wonder elke dag te herhalen, want Hij had Zijn volk een andere kost bereid, het manna. Dat was het hemelse brood, met een geestelijk les, zie Deuteronium 8: 3.
“Ja, Hij verootmoedigde u, deed u honger lijden en gaf u het manna te eten … om u te doen weten, dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat de mond van de Here uitgaat.”
Het manna stelt dus het geestelijke voor, en de kwakkels het vleselijke. Israël moest leren op God, en niet op vlees, te vertrouwen. Veelzeggend is het commentaar van de Psalmist, zie Psalm 105: 40.
“Zij vroegen en Hij deed kwakkelen komen, met brood uit de hemel verzadigde Hij hen.”
Slechts het ware brood uit de hemel kan ons verzadigen. Twee jaar later kwamen de Israëlieten weer tegen Mozes in opstand. Zij waren het manna zat, en verlangden vlees te eten (Numeri 11: 4 – 6). Gods toorn ontbrandde en Hij gaf hen een onvergetelijke les, zie Numeri 11: 18 – 20.
4 De vreemdelingen die met hen uit Egypte meegereisd waren, begonnen terug te verlangen naar Egypte. Toen gingen ook de Israëlieten weer mopperen en klagen: “Hadden we maar vlees te eten! 5 En weet je nog hoeveel vis we in Egypte zomaar konden eten! En wat hadden we een lekkere komkommers en meloenen, preien, uien en knoflook! 6 Maar nu drogen we uit. Er is helemaal niets te eten. We hebben alleen maar dat manna.”
“De Here zal u vlees geven … een volle maand lang, totdat het uw neus uitkomt en gij ervan walgt … omdat gij de Here hebt veracht.”
Mozes kon zijn oren niet geloven, maar Gods hand is niet beperkt. Uit twee richtingen bracht God grote vluchten kwakkels samen, één uit Arabië (O), de andere uit Oost-Afrika (Z) (Psalm 78: 26 – 29). Maar dat hielp hen niet want terwijl zij het vlees nog aan het kauwen waren, sloeg God hen met een zware slag (of, plaag) en velen kwamen om (Psalm 106: 15).
26 Hij zorgde ervoor dat er een oostenwind ging waaien. Ook zorgde Hij voor een sterke zuidenwind. 27 De wind bracht vogels mee, zo ontelbaar als het zand langs de zee. 28 Het regende vogels in het kamp, rondom hun tenten. 29 Ze aten zoveel ze wilden. Hij gaf hun waar ze om hadden gevraagd.
15 U gaf hun het eten waar ze om vroegen, maar een groot aantal mensen stierf daaraan.
.
.
Was het vertalen en uitgeven van Bijbels ten tijde van de reformatie vooral een zaak van particulier initiatief, in de tweede helft van de zestiende eeuw begon de behoefte op te komen aan officiële, door de kerk geautoriseerde vertalingen. In Nederland leidde dit tot het ontstaan van de Staten-vertaling, die drie eeuwen de standaard Bijbel werd van protestants Nederland. De katholieken kregen hun Moerentorfbijbel, die zich echter nooit een verge-lijkbare status heeft verworven. De reformatie had de Bijbel hersteld als maatstaf van het geloof. Maar na verloop van tijd begon men te beseffen dat een nauwkeurige vertaling daarvoor een eerste voorwaarde was. Hoe kon men een strijdpunt beslissen, als men niet zeker kon zijn dat de Nederlandse vertaling de juiste weergave was van het origineel.
Het probleem was dat vertalingen het werk waren van één man, en vaak het resultaat van particulier initiatief. Reeds halverwege de zestiende eeuw begon de kerk te beseffen dat zij hier een eigen verantwoordelijkheid bezat. De kerk betekende Nederland de calvinistische, hervormde kerk. Maar er kwam niets van de grond. Men wilde het werk niet overlaten aan één enkele vertaler, en het lukte niet om een aantal vertalers bijeen te krijgen, die zich volledig aan deze zaak konden wijden. De zaak werd op diverse synodes besproken, maar er kwam niets gereed. Op de eerste nationale synode, te Dordrecht in 1618, kwam de zaak opnieuw ter tafel. Het feit dat een aantal jaren tevoren (1611) in Engeland een officiële vertaling was uitgekomen onder auspiciën van de koning (de zgn. King James vertaling), zal wel voor een extra stimulans hebben gezorgd.
Men besloot om ook in het Nederlandse geval de overheid om hulp te vragen. Als zij het project financieel wilde steunen, kon men een aantal predikanten vrijstellen van hun gewone dienst, zodat zij zich geheel aan deze zaak konden wijden. Het duurde tot 1625 voordat de “Hoogmogende Heeren” overstag gingen en besloten het werk financieel te steunen. De vertalers moesten zich dan wel in Leiden vestigen, om daar in de nabijheid van de unive-rsiteit gezamenlijk hun werk te doen. De vertaling van het Oude Testament begon in 1626 en die van Nieuwe Tes-tament in 1628. Aan elk der beide Testamenten werd door drie predikanten gewerkt, die regelmatig vergaderden en alles in onderling overleg deden.
Wanneer een deel gereed was, werd het in overleg met een aantal revisoren besproken en uiteindelijk goed-gekeurd. Het duurde tot 1635-36 voordat op deze manier alles doorgenomen was. Om na dit vele werk te voor-komen dat er door onzorgvuldig drukken toch weer fouten zouden insluipen in de definitieve Bijbel, werd be-paald dat de druk eveneens te Leiden diende te geschieden, onder supervisie van de vertalers. De Amsterdamse drukker van Ravensteyn verplaatste zijn drukkerij naar Leiden, en begon aan het karwei, waarvoor hij een octrooi kreeg van 15 jaar. In 1637 werd het eerste exemplaar, in fluweel gebonden, aangeboden aan de Staten- Generaal. Het was, evenals alle latere edities, voorzien van een opdracht aan de Staten-Generaal, en de vertaling is dan ook de geschiedenis ingegaan als ‘de Staten-vertaling’.
Men schat dat deze de Staten ca. 75.000 gulden (ongeveer 35.000 euro) heeft gekost. De Staten eisten dat de uitgave voor een redelijke prijs op de markt zou worden gebracht. Dit werd ca. 27,50 gulden (12,50 euro) in een tijd dat een jaarloon van een geschoold vakman ca. 300 gulden bedroeg; dus ca. een maand loon. Het vertaalwerk was zo grondig gedaan, dat de Statenvertaling 300 jaar lang de standaard-vertaling van protestants Nederland is geweest.
Helaas bleek al spoedig na het in gebruik nemen van de nieuwe vertaling, dat er ondanks alle zorgvuldigheid toch fouten in de tekst waren ingeslopen. Omdat van de oorspronkelijke vertalers en revisoren intussen de meesten waren overleden, leidde dit tot nieuwe heftige discussies over de juistheid van de uitgave. Een uitgebreide her-ziening leidde tenslotte tot een register van verbeteringen, dat in 1655 door van Ravensteyn werd uitgegeven. Aan de hand hiervan werd in 1657 een herziene uitgave gedrukt, die daarna als standaard werd beschouwd waaraan alle latere uitgaven dienden te worden getoetst.
Er werd bovendien een predikant aangewezen, die de drukker hierop moest controleren, en die elk exemplaar van een goedgekeurde editie van zijn handtekening moest voorzien, als een waarmerk van betrouwbaarheid. De ver-plichting hiertoe is door de nationale synode eerst in 1867 ingetrokken.
Het privilege dat van Ravensteyn verkreeg om gedurende 15 jaar als enige de geautoriseerde uitgave te drukken, werd later nog eens 25 jaar verlengd. Dit zette andere drukkers langdurig buiten spel. Die hadden toch al te lijden gehad van het feit, dat de verwachte komst van een nieuwe vertaling de kopers aarzelend had gemaakt een Bijbel aan te schaffen. En nu viel er nog steeds niets te verdienen. Dit leidde er vooral in Amsterdam toe dat er talloze ongeautoriseerde uitgaven verschenen. Het feit dat deze met minder zorgvuldigheid waren gezet, en vaak talloze fouten bevatten, leidde tot heftige discussies tussen de kerk en de plaatselijke gemeentebesturen.
Het was tevens een van de redenen de officiële edities exemplaar voor exemplaar te signeren. Wel werden zulke piratenuitgaven vaak eenvoudiger uitgevoerd, en tegen een lagere prijs op de markt gebracht, wat bijdroeg aan een grotere verspreiding van de Statenvertaling. Tussen 1637 en 1900 zijn 675 uitgaven bekend, waarvan 395 complete Bijbels en 268 Nieuwe Testamenten.
Het uitgeven van een complete Bijbel was een kostbare onderneming, Het vereiste een grote investering. Er moest veel gedrukt worden voordat er kon worden uitgegeven. En als het zetsel moest worden bewaard, lag er veel kapitaal vast in loden letters. Dit bracht in betere tijden de drukkers er toe de handen ineen te slaan en het karwei gezamenlijk aan te pakken. Elk drukte dan een deel en ieder gaf het totale resultaat uit, voorzien van een eigen titelblad. Zulke samen-werkingsverbanden werden Bijbelcompagnieën genoemd. Deze constructie is tot in onze dagen blijven bestaan.
De Statenvertaling is tot in onze dagen in gebruik gebleven, zij het in de loop van de tijd niet onveranderd. Vooral aan het eind van de 19e eeuw ontstond er ontevredenheid met het verouderde taalgebruik. De taal van de Sta-tenvertaling, die beslist modern was in de zeventiende eeuw, begon na 250 jaar wat sleets te worden. Dit leidde tot een aantal revisies. De spelling is enkele malen drastisch aangepast en een aantal verouderde woorden is ver-vangen door modernere varianten.
Wat het eerste betreft vergelijke men de variant van 1637:
Ende hy seyde, Een seker mensche hadde twee soonen: Ende de jonghste van haer seyde tot den vader, Vader geeft my het dele des goets dat my toekomt.
met die van de NBG-editie van 1977:
En hij zeide: Een zeker mens had twee zonen. En de jongste van hen zeide tot de vader: Vader geef mij het deel van het goed, dat mij toekomt.
Wat het tweede betreft zijn woorden als ‘wijf’ en ‘onnozel’ vervangen door ‘vrouw’ en ‘onschuldig’, ‘bagge’ werd ‘ring’ en ‘herre’ werd ‘scharnier’.
Niet iedereen is hierin overigens even ver gegaan. De Gereformeerde Bijbelstichting streeft naar een vertaling die zo dicht mogelijk aansluit bij de Ravensteyn-editie van 1657, terwijl de laatste revisie van het NBG bijvoorbeeld weer wat verder gaat. Zo handhaaft de GBS het woord ‘geweer’ in Nehemia 4:17 terwijl de NBG- editie van 1977 hiervoor ‘wapen’ geeft, kennelijk omdat een geweer in onze taal een vuurwapen is gaan aanduiden (de NBG51 vertaling heeft hier, evenals een aantal andere vertalingen: ‘werpspies’).
Daarentegen handhaaft ook de NBG-editie van de Statenvertaling de beschrijving van de Ethiopiërs in Jesaja 18:2 als een ‘volk van dat getrokken is en geplukt’ (NBG-vertaling: ‘een rijzig en glanzend volk’); wijziging hiervan zou neerkomen op wijziging van de vertaling.
In 1548 verscheen te Leuven een officiële katholieke vertaling van de Vulgaat. Al snel bleek echter dat de ge-bruikte tekst verre van foutloos was. Na een grondige herziening hiervan werd een nieuwe vertaling gemaakt door Jan Moerentorf (Jan Moretus). Deze verscheen op de drempel van de nieuwe eeuw in 1599. Het is eeuwen-lang de standaardvertaling van de Nederlandse katholieken geweest. Moerentorf was de schoonzoon van de Vlaamse drukker Plantijn, en het drukkersgeslacht Plantijn-Moretus is tot laat in de negentiende eeuw in Ant-werpen actief geweest. Toch heeft deze Bijbel nooit de status kunnen evenaren die de Statenvertaling bij de protestanten had. Tussen 1599 en 1846 zijn er maar 18 edities verschenen van de volledige Bijbel, en 45 van het Nieuwe Testament.
De laatste groot-formaat complete Bijbel is uitgegeven in 1743. Daarna is er nog zes keer een Nieuw Testament uitgegeven en twee keer een Oud Testament. Tenslotte is er in 1837 nog een octavo-uitgave van de complete Bijbel geweest. Na het midden van de 19e eeuw is het stil geworden rond de Moerentorfbijbel. Katholieken werden niet geacht de Bijbel te lezen. Deze situatie bleef bestaan tot na de eerste wereldoorlog.




.
Mediteren komt zo’n twintig keer in de Bijbel voor. Het stamt van het Latijnse meditari, dat in de antieke cultuur het woord was voor militaire oefening en training. In de Latijnse Bijbelvertaling is het een vertaling van het He-breeuwse HGH, dat een herhaaldelijk half luid lezen van Gods Woord aanduidt, zoals in Jozua 1:8 en Psalm 1:2. Het was toen gebruikelijk de heilige teksten halfluid te mompelen en door continue herhaling uit het hoofd te leren. In het Grieks werd het vertaald met meletao (zorg dragen voor, aandacht wijden aan, koesteren, beharti-gen). In het Nederlands is de vertaling vaak zoiets als overpeinzen. Meer dan het verstand was bij meditari be-trokken zoals bijv. de adem, de mond, de tong, het verstand, het geheugen en het hart.
De joodse mondelinge traditie is model geworden voor de christelijke persoonlijke overweging van de Bijbeltekst. Deze geestelijke lezing maakte ruim gebruik van de allegorische uitleg, zoals die met name in Alexandrië geleerd werd door Clemens van Alexandrië en Origenes. De christelijke meditatie putte vooral uit de bijbel en was vaak het biddend overwegen van Bijbelteksten. Jezus leerde zijn discipelen het Onzevader bidden. Dit staat centraal in de christelijke gebedspraktijk. Daarnaast hadden en hebben de Psalmen een fundamentele betekenis voor het christelijke gebed. Hoewel Jezus zei dat men tot God de Vader moest bidden, in zijn naam, werd het gebruikelijk om tot Jezus zelf te bidden.
Daarbij speelde het gebed van de blinde Bartimeüs (zie Marcus 10: 48) een grote rol: `Heer Jezus, Zoon van God, ontferm u over mij zondaar’. Dit ‘Jezus-gebed’, is een mantra-gebed, de eindeloze herhaling van een gebedstekst. Het doel is om het rationele denken tot zwijgen te brengen en het hart te openen voor de aanwezigheid van Christus. Het gezamenlijk, liturgisch gebed speelde ook een belangrijke rol. Net als in de joodse traditie van drie-maal daags bidden, werd het in de christelijke kerken een gewoonte om geregeld getijdengebeden te bidden. Daarbij werden psalmen gereciteerd en christelijke hymnen gezongen. De kloosters speelden hierbij een grote rol.
Een belangrijke geestelijk leider van de kluizenaars was Origenes, die van 185-254 leefde en de catechetenschool in Alexandrië leidde. Later deed hij dat in Caesarea waar hij bij een vervolging gemarteld werd. Hij schreef over het gebed en pleitte voor staande bidden, met opgeheven handen, of, desnoods, zittend, liggend of geknield. Hij gaf als aanwijzing dat men daarbij het hoofd leeg moest maken van alle andere gedachten. Hij bepleitte een ge-wijde plek thuis om te bidden, gericht op het oosten. Daarbij moest men vasten, aalmoezen geven en het doen van gerechtigheid. Op die manier kon het leven `een groot, ononderbroken gebed’ zijn.
Het Bijbellezen en bidden moest minstens driemaal daags gedaan te worden. `De voorkeur moet gegeven wor-den aan ervaringen die optreden door het verheffen van de ziel tot God, gepaard met zelfonderzoek, boven de zichtbare weldaden die de bidders hier en nu te beurt vallen’ . Hij moedigt aan het gebed te beginnen door eerst God te loven, dan te danken voor zijn weldaden, en vervolgens om vergeving voor zonden te vragen. Men mag om grote en hemelse dingen bidden om vervolgens het gebed af te sluiten met het verheerlijken van God.
Bij de kluizenaars in de woestijn was meditatie en gebed één, zij reciteerden de Psalmen, het Onze vader en het Jezus-gebed terwijl zij handwerk verrichtten. Zij probeerden Paulus’ gebod om onophoudelijk te bidden (1Thess. 5, 17) uit te voeren. Zij kenden naast dit gebed ook het morgen- en avondgebed en de nachtwake. De lezing van de Heilige Schrift deden zij biddend en leerden grote stukken uit het hoofd. De hele dag door prevelden zij gebe-den en noemden dat meditari (Latijn) of (Grieks) meletao.
Cassianus, (365-435) beschrijft hoe de woestijnmonniken leven en denken. Hij gebruikt het woord meditari voor het persoonlijke, ononderbroken gebed. Tijdens het werk reciteert men uit het hoofd een psalm of een schrift-tekst waardoor intriges en boze raadgevingen geen enkele kans krijgen om het hart binnen te dringen. De stille overweging betreft het louter inwendig, woordeloos met God bezig zijn. In dat ene ogenblik vangt de ziel zoveel op dat dit alle menselijk voelen te boven gaat. De geest drukt zich niet uit in enge, menselijke bewoording, maar wordt door een hemels licht overstraald.
Dikwijls brengt de geest de weldadige vruchten van een vurig gebed voort in onuitsprekelijke vreugde en blijd-schap, zozeer dat ze zelfs kreten doet slaken van onverdraaglijke, onmetelijke blijdschap. Soms echter wordt de ziel gehuld in het geheim van een grote stilte en een diep zwijgen. De plotselinge verlichting doet de stem dan totaal verstommen. De geest geraakt in verrukking en stort zijn verlangens uit bij God. Soms wordt de geest zo hevig getroffen door smart dat er hevige tranen kan vloeien.
Dit vurige gebed kan men bereiken door een kort gebed te bidden, namelijk `God kom mij te hulp; Heer, haast U mij te helpen’ (Ps 69). Door het voortdurend herhalen van deze woorden worden alle andere gedachten tot zwijgen gebracht en bereikt men de door Christus zalig gesproken armoede van geest.
Ook Evagrius van Pontus (ca. 345-399) heeft grote invloed gehad op de leer van het gebed. Hij leefde zelf de laat-ste veertien jaar van zijn leven in de woestijn en werd sterk beïnvloed door Origenes. Zijn visie schreef hij in een religieuze verhandeling en is een vormende factor geweest voor de plaats van het gebed en de meditatie in de kloosters. Het geschrift bestaat uit 153 spreuken, woorden die woestijnvaders spraken tot leerlingen. Het funda-ment om dicht bij God te komen is de beoefening van de deugden die leiden tot vrij zijn van hartstochten en tot liefde. Dit gaat een belangrijke rol spelen in het contemplatieve gebed. Zelfzuchtige begeerten komen tot rust en de zuiverheid van hart wordt gevonden. Dit is volgens Evagrius de voorwaarde om God te zien, (verg. Jezus in de zaligsprekingen).
Het is het fundament waarbij men in de schepping de Schepper zelf ziet. Men komt in de staat van gebed, wat een voortdurende geestesgesteldheid met God is zowel bij het bidden, mediteren als andere bezigheden. Ook kan men, als God het geeft, God zelf aanschouwen. De kerk noemt dit de contemplatie. Evagrius waarschuwt voor schijngestalten van de contemplatie omdat demonen dit kunnen bewerkstelligen. Hij wijst met nadruk op de noodzaak van geestelijke onderscheiding. De beste voorbereiding voor de contemplatie is het psalmengebed, want dat brengt de geest tot rust. Als de psalmen rustig gereciteerd worden, leiden ze tot het stilzwijgende ge-bed.
Augustinus (354-430) heeft veel geschreven over het gebed. In zijn boek De grootte van de ziel beschrijft Augustinus zeven niveaus van het zielenleven.
1-3: de biologische, zintuiglijke en vakbekwame capaciteiten van de mens
4: de morele orde met corresponderende deugden of ondeugden
5: de ziel komt tot rust door inkeer in zichzelf
6: het oog van de ziel wordt gereinigd van alle begeerlijkheid
7: de contemplatie, het schouwen van de goddelijke waarheid
Augustinus beschrijft het gebed als een opgang tot God, net als Origenes en Evagrius. Bidden volgens Augustinus is het lezen en be-mediteren van Gods Woord in vier fasen:
Maar wij moeten boven de meditatie in ons eigen hart uitstijgen naar de contemplatie, een opvlucht naar God zelf toe, die tijdens dit aardse leven gebrekkig blijft, maar toch al een voorsmaak van de eeuwigheid bevat.
De middeleeuwse kloosters die zich hielden aan de regel van Benedictus (circa 480-550) praktiseerden meditatie in het getijdengebed en in de gezamenlijke of persoonlijke lectio divina. Het getijdengebed hield in dat men zevenmaal per dag en een keer ’s nachts samen kwam in de kapel om hymnen te zingen, Psalmen te reciteren en naar de Schrift te luisteren. Benedictus heeft meerder hoofdstukken in de regel aan het getijdengebed, ofwel het officie, gewijd. Daarin was ook ruimte voor persoonlijk stil gebed. Ook hadden de monniken en nonnen elke dag gelegenheid tot geestelijke lezing, lectio divina.
Men las bij de lectio divina in de bijbel of in boeken van kerkvaders, niet vanwege te verwerven kennis, maar om het persoonlijke geestelijk leven te voeden. Men las met het hart, minder met het hoofd en mediteerde daar per-soonlijk over. Soms mondde de schrift meditatie spontaan uit in gebed en hun gebed mondde soms uit in een eenvoudige concentratie op God. Deze woordeloze liefde voor God noemden ze Contemplatie. Mediteren ge-beurt vanuit de menselijke inspanning, contempleren is een gave van God, die plaats vindt in rust in een sfeer van verwondering en vreugde. De hoogste vormen van contemplatie zijn een vorm van extase.
Vanaf Bernardus van Clairvaux (1090-1153) neemt de betekenis van beelden bij de meditatie toe. Bernardus gaf meer aandacht voor Jezus als mens en gaf er aanleiding toe dat de meditatie zich verdiepte in allerlei details van Jezus’ leven en lijden. Na zijn tijd werd dit versterkt door het gebruik van beeldende kunst, zowel in de getijden-boeken als in het koor van abdijkerken, maar ook in de eigen cel van de monniken en vooral ook de nonnen. Zo ontstond ook het eigen devotiebeeld, vooral om vrome gevoelens op wekken. Deze affectieve vroomheid, ge-voed door zulke meditatievormen, werd soms beschouwd als iets voor beginnelingen, de gevorderden wijdden zich bovendien aan de contemplatie. Er waren ook stromingen die direct door wilden stoten naar het mystieke, beeldloze schouwen.
.
The cloud of unknowing, een anoniem geschrift dat in Engeland geschreven werd in de 14e eeuw, is een beknopt en praktisch boekje over het contemplatieve gebed. De auteur gaat ervan uit dat om God te ervaren men moet streven naar een “duisternis om je geest, of als het ware, een wolk van niet-weten.” Om dit te doen moet je je hart op God fixeren en al het andere vergeten. De samenhang van meditatie en contemplatie in het voortdurende gebed, zoals deze beleefd was vanaf de tijd van de woestijnkluizenaars, wordt hier doorbroken.
Over het algemeen wordt in de hoge middeleeuwen geen scherpe onderscheiding maakte tussen lezing, over-weging, gebed en contemplatie. Het zijn verschillende elementen in een proces, waarbij de hoogste vormen van contemplatie vooral gekenmerkt werden door het genade-karakter ervan. Alleen God geeft wanneer Hij het wil. De mens moet zich daarbij van zijn kant inzetten, ook met zijn inlevingsvermogen (fantasie). Dit laatste werd door Geert Grote benadrukt en speelde een rol in de moderne devotie, vooral in de vorm van een inlevende overwe-ging van het lijden van Jezus.
Deze leidden tot de navolging van Christus. Geert Grote, Floris Radewijns en Gerard Zerbolt van Zutphen droegen veel bij aan de methodische meditatie van de moderne devoten, die veel invloed had en leidde tot meditatie en gebed door leken. Geert Grote gaf een Nederlands getijdenboek uit dat veel gebruikt werd. Het getijdenboek is een verkorte versie van de getijden in de kloosters. Het gaf de leek die lezen kon de mogelijkheid om persoonlijk te bidden en te mediteren.