Tagarchief: troon

Wie zijn de “andere schapen”?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Wie bedoelde Jezus met de“andere schapen”(Johannes10:16)?

 

 

De redding van een verloren schaap

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De herder is in het Oude Testament een bekend beeld voor de zorg van God voor zijn volk, voor de enkeling (Psalm 23), maar vooral voor de natie, die Hij uit slavernij leidde en voedde en beschermde (Psalm 74:1; 79:13; 80:2; 95:7; 100:3; Jesaja 63:5).

Het was geen toeval dat zowel de grote leider, Mozes, als de grote koning, David, herders waren voordat God hen riep om zijn volk te hoeden. Toen het volk Israël door zijn herders te gronde werd gericht, beloofde God dat Hij zelf zijn kudde zou redden via de Messias. God zou David aanstellen als hun herder: “Dan zal ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn” (Ezechiël 34:23).

Micha zei eveneens van Jezus die in Bethlehem geboren zou worden: “Dan zal hij staan en hen weiden in de kracht van de Here, zijn God”( Micha 5:3);

en Jesaja:

“Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen…”(Jesaja40:11).

Jezus was die goede herder die door de profeten aan Israël was beloofd. Gedurende zijn leven was zijn werk beperkt gebleven tot “de verloren schapen van het huis van Israël”( Mattheüs 15:24; 10:6). Pas na zijn dood en opstanding kregen zijn discipelen de opdracht om behoudenis in Hem in de hele wereld te gaan prediken.

Voortaan werden ook de heidenen geroepen om deel te hebben aan Gods beloften: ook zij waren binnen de kudde van Israël gebracht. In de woorden van Paulus in Efeziërs 2:13: “Thans in Christus Jezus bent u, die eertijds veraf was, dichtbij gekomen door het bloed van Christus”. De toekomstige niet-Joodse gelovigen werden dus de “andere schapen die niet van deze stal zijn”. Zij zouden aan Gods volk toegevoegd worden, om één kudde te vormen; en “het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens”(Openbaring 7:17).

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Ezechiël 1 – 24 / met video

Standaard

Categorie: religie

 

 

Ezechiël 1 – 24 en 25-48

 

 

Ezechiël 1 – 24:  ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

De profetie van Ezechiël is een bijzonder boek met indrukwekkende visioenen, symbolische handelingen en boodschappen.

 

 

 ‘Het visioen van de heerlijkheid des Heren’

 

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 1
– Een stormwind uit het noorden
– Een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven voor een glans
– Midden in het vuur iets als blinkend metaal
– Midden in het blinkend metaal vier wezens
– Gedaante van een mens
– Vier aangezichten
– Vier vleugels
– Rechte benen
– Voetzolen als van en kalf fonkelend als gepolijst koper
– Onder de vleugels mensenhanden aan vier zijden
– Vleugels met elkaar verbonden
– Ieder ging recht voor zich uit
– Aangezicht ter rechterzijde leek op dat van een mens en dat van een leeuw
– Aangezicht ter linkerzijde leek op dat van een rund- Alle vier hadden ook het aangezicht van een arend
– Vleugels naar boven uitgespreid
– Twee vleugels waren met elkaar verbonden
– Twee vleugels bedekten hun lichaam, één van voren en één van achteren
– Het aanblik van de gedaante van de wezens was als brandende vuurkolen, als fakkels
die zich bewogen tussen de wezens
– Het vuur glansde en bliksemen schoten daaruit
– De wezens schoten heen en weer als bliksemschichten
– Op de grond voor de wezens was een rad
– De aanblik en het maaksel van de raderen was als de schittering van turkoois
– Alle vier de raderen hadden dezelfde vorm
– De aanblik en het maaksel van de raderen was alsof er een rad was midden in het rad
– Als de raderen gingen konden naar alle vier zijden gaan zonder zich om te keren
– De velgen waren hoog en ontzagwekkend en vol ogen
– Als de wezens gingen, gingen de raderen mee
– Boven het hoofd van de wezens was iets dat leek op een uitspansel, een
ontzagwekkend ijskristal
– Onder het uitspansel stonden de vleugels recht naar elkaar uitgestrekt
– Het geruis van de vleugelen als de wezens gingen was als het gebruis van vele
wateren, als de stem des Almachtige, een dreunend geluid als van een leger
– Als de wezens stilstonden lieten ze hun vleugels hangen
– Een stem klonk van boven het uitspansel (1:25; het lijkt erop dat Ezechiël wil zeggen
dat de stem opdracht geeft tot het gaan of stilstaan)
– Boven het uitspansel was iets als lazuursteen dat de vorm had van een troon
– Boven op datgene wat een troon leek was een gedaante die eruit zag als een mens
– Iets schitterde als metaal vanaf zijn lendenen naar boven omvat als vuur door een
omhulsel
– Vanaf zijn lendenen naar beneden was iets als vuur omgeven door een glans
– De aanblik van de omhullende glans was als de regenboog

Eigenschappen op basis van beschrijving in hoofdstuk 10
– Wezens worden aangeduid als cherubs
– Het gehele lichaam van de wezens (rug, handen, vleugels) waren vol ogen
– De raderen werden ‘Werveling’ genoemd
– Ieder van de wezens had vier aangezichten: het eerste van een cherub, het tweede van
een mens, het derde van een leeuw, het vierde van een arend

 

 

 

 

 

 

 

Het visioen van de troonwagen

 

Direct bij aanvang van het boek wordt je gegrepen door het indrukwekkende en verbijsterende (3:15) visioen van de troonwagen of gloriewagen. Het staat niet voor niets aan het begin van het boek. De toon voor de profetie is gezet door de verschijning die Ezechiël een week lang verbijsterd of verdoofd achterlaat. Wat Ezechiël ziet in het eerste hoofdstuk komt ook op meerdere plaatsen in zijn profetie terug. Zo zien wij het een hele belangrijke rol spelen in de hoofdstukken 8 tot en met 11 en ook helemaal aan het einde van het boek in hoofdstuk 43.

Het visioen begint met een stormwind die Ezechiël uit het noorden ziet komen. Deze stormwind bestaat uit een zware wolk met flikkerend vuur en omgeven door een glans. Midden in deze wolk is iets wat er uitziet als blinkend metaal en in het midden daarvan is een verschijning te zien die Ezechiël tot in detail schetst. Een stormwind, een wolk, iets blinkends, en dan de hele verschijning. Wat Ezechiël ziet, is opgebouwd uit verschillende lagen en dit bij elkaar wordt door Ezechiël ‘het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren’ (1:28) of ‘de heerlijkheid van de God van Israël’ (8:4) genoemd. De lagen zijn van onder naar boven:

– Werveling
Vier raderen van schitterend turkoois met velgen vol ogen, die in het midden allen nog een rad bezaten, zodat het voertuig naar alle kanten kon gaan. De raderen stonden ieder voor een cherub.

– Cherubs
Vier cherubs met vier vleugels en vier aangezichten. Twee vleugels waren uitgespreid naar boven en droegen het uitspansel en twee vleugels bedekten hun lichaam van voren en achteren. Hun aangezichten waren van rechts dat van een mens en een leeuw, van links dat van een rund en daarnaast ook nog het aangezicht van een arend.
De cherubs hadden rechte benen die uitliepen op koper gepolijste voetzolen als van een kalf. Tussen de cherubs was vuur als brandende kolen en fakkels. De cherubs zelfs schoten heen en weer als bliksemschichten. Wanneer de cherubs gingen, maakten hun vleugels een geruis als het bruisende water, de stem van de Almachtige, het dreunende geluid van een leger. De cherubs gehoorzaamden de stem die van boven het uitspansel klonk.

– Uitspansel
Een ontzagwekkend ijskristal gedragen door de vleugels van de cherubs.

– Troon
Op het uitspansel stond een lazuurstenen troon.

– Menselijke gedaante
Een gedaante als van een mens zat op de troon. Vanaf zijn lendenen schitterde iets als metaal naar boven, omvat als vuur door een omhulsel en naar beneden iets als vuur omgeven door een glans dat de aanblik had van een regenboog.

 

Wat zag Ezechiël? Als we het letterlijk willen nemen is het heel duidelijk. Alles staat tot in details beschreven. Zo gedetailleerd zelfs dat er door de lezer heel goed een voorstelling van te maken is. 

 

 

De hemelwezens

 

– Chayos/Chayah (wezens)
Voor de Chayah is de engelorde ook in overeenstemming met latere passages van Ezechiël waarin de wezens als cherubs worden aangeduid.

– Chasmal/Chasmalim (blinkend metaal)
Het woord voor blinkend metaal, Chasmal, is een moeilijk woord. Waarschijnlijk wordt er een legering van koper en zink bedoeld. De Griekse vertaling van deze verzen heeft “electron”, de naam van een mengsel van goud en zilver. Er kan sprake zijn van een verwijzing naar een hemels wezen. Er wordt dan echter alleen gedoeld op de vurige uitstraling van dit wezen. In Ezechiël 1:4 en 27 worden in ieder geval hetzelfde woord gebruikt. Dat ondersteunt het idee dat het om een hemelse aanblik gaat.

– Ofan/Ofanim (raderen)
De raderen, Ofan of Ofanim, zou mogelijk kunnen duiden op hemelwezens. De ontzagwekkende hoogte van de raderen en de ogen (1:18) doen inderdaad denken aan een wezen.

Galgal/Galgalim (werveling)
De laatste groep, Galgal of Galgalim, is onwaarschijnlijk als aanduiding voor hemelwezens, omdat het verwijst naar het geluid dat de raderen maakten (werveling).

 

Het is goed om op dit punt even stil te staan bij wat de Bijbel zegt over de hemelwezens. Er wordt eigenlijk onderscheid gemaakt tussen vier soorten hemelwezens:

(1) Engelen (mal’ak = bode)
In de Oude Testament worden deze wezens zonen Gods, goddelijken of heiligen genoemd.
Enkele eigenschappen die voor engelen gelden:
– Het zijn geesten (1 Kn 22:21)
– Ze zijn geschapen (Nh 9:6, Ps 33:6)
– Het zijn er veel (Dn 7:10)
– Ze kunnen verschijnen in mensengedaanten (Gn 18:2, 19:5)
– Ze worden geïdentificeerd als het ‘heer des hemels’ oftewel als de sterren (1Kn 22:19, Dt 4:19)

(2) Cherubs
Cherubs komen we in de Bijbel op meerdere plaatsen tegen:
– Als bewakers van de hof van Eden (Gn 3:24)
– Op het verzoendeksel van de ark van het verbond (Ex 25:19, 37:8)
– Als vervoerder van God (2 Sm 22:11 = Ps 18:10)
– Als troon van God (Ps 80:1, 99:1, Js 37:16)
– Opgesteld in de tempel (1 Kn 6:24)

(3) Serafs
Van serafs weten we heel weinig. Het enige wat we weten is gebaseerd op twee teksten uit Jesaja. Het zijn vliegende wezens met zes vleugels (Js 6:2,6). Zowel de cherubs als de serafs worden in de joodse traditie onder de engelen gerekend.

(4) Aartsengelen
Dit zijn hooggeplaatste engelen die ook wel vorsten worden genoemd. De Bijbel noemt er maar twee: Michäel en Gabriël (Lk 1:19, 26, Dn 8:26, 9:21). Maar op basis van Openbaring 8:3 kunnen we mogelijk concluderen dat het er zeven zijn. Binnen de joodse traditie worden de andere aartsengelen ook benoemd. Raphaël is daar één van. Nogmaals, de Bijbel zwijgt dus over de overige vijf naast Michaël en Gabriël.

 

 

 

 

 

De troon en de wagen

 

Een ander opmerkelijk punt is dat de verschijning eigenlijk uit twee delen bestaat: (1) de troon en (2) de wagen.
Het is waarschijnlijk dat de troon pas later in het visioen neerdaalt op de wagen. Enkele argumenten hiervoor zijn:
– Tot vers 21 wordt er namelijk helemaal niet gesproken over het ontzagwekkende uitspansel en de troon.
– In vers 9 wordt er gezegd dat de wezens ieder afzonderlijk recht vooruit gaan. Dat betekent dat het oppervlak dat ze beslaan groter en groter wordt. Alsof ze ruimte willen maken voor het ontzagwekkende uitspansel dat neerdaalt op hun vleugels.
– Verder vinden we in Ezechiël 10:18,19 ook nog een argument. Daar wordt beschreven hoe de heerlijkheid des Heren vanuit de tempel gaat staan boven de cherubs. Dat wil dus zeggen dat de heerlijkheid daarvoor niet boven de wagen stond.

 

 

De aangezichten

 

Ezechiël zag wezens met vier aangezichten: één van een mens, één van een leeuw, één van een arend en één van een rund die in tegenstelling tot 1:10 in 10:14 als het gezicht van een cherub wordt aangeduid. Er zijn meerdere soorten uitleggingen over de betekenis van de aangezichten.

De eerste groep ziet in de wezens duidelijke dienaars van God en stelt dat de aangezichten symbool staan voor bepaalde eigenschappen in die dienst.
– Het menselijk gezicht: zachtheid of begrip
– Het aangezicht van de leeuw: kracht
– Het aangezicht van de rund: geduld of volharding
– Het aangezicht van de arend: snelheid en alertheid

De tweede groep ziet in de aangezichten van de wezens representanten van de verschillende soorten op aarde. Ieder is binnen zijn soort de grootste.
– De mens als allergrootste
– De leeuw als de grootste van de wilde dieren
– De rund als grootste van het vee
– De arend als grootste van de vogels
Hiermee zouden de wezens dus Gods almachtige heerschappij in de schepping uitdrukken.Dit is natuurlijk een mooi beeld. Het is dan echter vreemd dat de zeedieren volledig in het beeld ontbreken.

Een derde groep ziet in de vier aangezichten een heenwijzing naar de vier evangelisten, die de ‘vier zuilen van de wereld’ genoemd werden:
– Mens: Mattheüs, omdat zijn evangelie begint met de menselijke afstamming van Christus
– Leeuw: Markus, omdat zijn evangelie begint met de boetepreken van Johannes die brulde als een leeuw
– Rund: Lukas, omdat zijn evangelie begint met het offer van Zacharias
– Arend: Johannes, omdat zijn evangelie begint met de hemelse afkomst van Christus

Een vierde groep wijst op de opmerkelijke overeenkomsten tussen de aangezichten en de Babylonische hoofdgodheden.

– Het menselijke gezicht: Nabu, de god van de openbaring
– Het gezicht van de leeuw: Nergal, de god van de onderwereld en de plaag
– Het gezicht van de rund: Marduk, de hoofdgod, die werd voorgesteld als een kolossale gevleugelde os
– Het gezicht van de arend: Ninib, de god van de jacht en oorlog

Heidense godheden waren in wezen niets anders dan personificaties van de krachten van de natuur. In de Babylonische godsdienst werden deze goden ook geassocieerd met vier sterrenbeelden die ook de eigenschappen van de aangezichten in zich droegen:
– Waterman
– Stier
– Leeuw
– Schorpioen; dit ongunstige teken werd vervangen door zijn vijand, het niet veraf gelegen sterrenbeeld van de Arend.

Wij moeten ons goed beseffen dat de Heer God zelf in Deuteronomium 4:15-19 al waarschuwt voor de verafgoding van afbeeldingen van menselijke en dierlijke wezens en de verafgoding van de hemellichamen.Het kan nooit zo zijn dat er in de heilige troonwagen van God daadwerkelijk afgoden te zien zijn.

Het is heel moeilijk om vast te stellen wat er nou voor betekenis achter de wezens in het visioen van Ezechiël schuilgaat. Uiteindelijk dragen de getoonde wezens bij aan de glorierijke majesteit van Hem die daar bovenop troont. Hem, de Heer God, komt alle eer toe!

 

We komen de opmerkelijke combinatie van dieren overigens op twee andere plaatsen in de
Bijbel tegen:

In 1 Koningen 7:29 worden ze vermeld als versierselen in de tempel die door koning Salomo gebouwd is en in Openbaringen 4:6-8 staan de wezens afzonderlijk (dus niet één wezen met vier aangezichten, maar vier afzonderlijke wezens gelijkend op een leeuw, een rund, een mens en een vliegende arend) voor Gods troon. Opmerkelijk is dat beide plaatsen direct zijn verbonden aan de heiligheid van God. De eerste keer in de woonplaats van de Heer God op aarde en de tweede keer bij de troon in de hemel. In de nieuwe tempel zoals Ezechiël die beschrijft aan het einde van zijn boek, zien we overigens de versierselen van een menselijk
gezicht en het aangezicht van een leeuw terugkomen (41:19).

 

 

 

 

 

 

Metahistorie: Godsverberging

 

De val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel is een duidelijk te markeren historische gebeurtenis in het jaar 586/587 vC. Vaak zijn wij geneigd om een dergelijke gebeurtenissen ook als historische verslaglegging te lezen en ons niet te beseffen wat de werkelijke impact is die deze gebeurtenis heeft gehad. We moeten ons echter goed beseffen dat de verwoesting van de tempel niet zomaar iets is, maar dat dit de verwoesting van Gods
woonplaats op aarde is.

In 1 Koningen 8 kunnen we lezen hoe de tempel door Salomo wordt ingewijd en hoe ‘de heerlijkheid des Heren het huis de Heren vervuld’ (vers 11). De plaats waar de heerlijkheid des Heren ooit was, was verwoest. Dat had natuurlijk grote consequenties voor Gods plaats op aarde. In dat verband is de profetie van Ezechiël zeer belangrijk. In de hoofdstukken 8 tot en met 11 zien we hoe de heerlijkheid des Heren geleidelijk de tempel verlaat. Ezechiël ziet hoe de heerlijkheid zich verplaatst van de ingang van de voorhof (8:7) naar de binnenste voorhof (8:16), naar de dorpel van de tempel (9:3), naar de ingang van de Oostpoort (10:19) en zich tenslotte opheft uit de stad Jeruzalem en zich vestigt op de berg ten Oosten van de stad (11:23). Dit is de Olijfberg. De berg waar Jezus weende over het lot van Jeruzalem (Lk 19:41) en de berg waar Hij uiteindelijk op zal terugkeren (Zc 14:4).

De verdwijning van de heerlijkheid des Heren is een aangrijpende en zeer belangrijke gebeurtenis in het Oude Testament en niet alleen voor het volk Israël, maar voor heel de wereld. Het boek De Zesde Kanteling van Ouweneel zet een interessante lijn uit. Ouweneel verdeelt de wereldgeschiedenis in de volgende zes kantelmomenten:
– Eerste kanteling: 4e millenium vC – Neolithische revolutie (landbouw, beschaving, cultuur)
– Tweede kanteling: 6e eeuw vC – Spilperiode (ontstaan grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten)
– Derde kanteling: komst van Christus
– Vierde kanteling: 7e eeuw nC – begin van de islam (de tegenactie)
– Vijfde kanteling: 16e eeuw nC – Wetenschappelijke revolutie (verbonden aan Renaissance, Reformatie, Humanisme)
– Zesde kanteling: ? (alles is ‘post’ -modern, – christelijk, -koloniaal, -industrieel)

De periode waar Ezechiël in leefde, wordt in de cultuurgeschiedenis de ‘Spilperiode’ genoemd. Dit was de periode waarin de grote filosofische denksystemen en wereldgodsdiensten als het boeddhisme ontstonden. Als kerngebeurtenis ziet Ouweneel de verwoesting van de tempel in 586/587 en daarmee de verdwijning van de Sjechina van de aarde. De Sjechina is de ‘aanwezigheid van God’. Het woord komt van het Hebreeuwse werkwoord voor ‘wonen’ of ‘verkeren’.

Zijn stelling is dat de Heer God Zich na de verwoesting heeft teruggetrokken in de hemel (Godsverberging) en dat dit gevolgen heeft gehad voor de hele aarde. Hierdoor veranderde er niet alleen iets in Gods relatie tot Israël, maar ook in Gods relatie tot de rest van de wereld. Voortaan werd Gods soevereine heerschappij namelijk geassocieerd met het volkerenhoofd die onder Gods toelating de macht kreeg. De allereerste hiervan was Nebukadnessar.

Zoals gezegd, is de Spilperiode, de tijd van Ezechiël dus, een periode waarin grote filosofische denksystemen zijn opgezet. In ieder geval lijkt het erop dat door de verberging van God, die begon met de terugtrekking van de heerlijkheid des Heren uit de tempel in Jeruzalem, overal op aarde allerlei godsdiensten en filosofische denksystemen zonder de ware God uit de grond schoten.

 

 

 

 

 

Heilshistorie

 

Ezechiël 1 tot en met 11 is een soort prelude tot de rest van het boek. Alle elementen van de boodschap van Ezechiël zijn er in terug te vinden:
– De heerlijkheid des Heren (1),
– De opdracht van Ezechiël (2-3)
– De waarschuwing voor het komende oordeel (4-7)
– De aanklacht: de beschrijving van Israëls zondigheid (8)
– De uitvoering van het oordeel (9-11)
– De belofte van het heil (11:14-21).

Deze volgorde komen we vaker tegen bij de profeten. De Heer God openbaart zich aan de profeet. Hij geeft hem de opdracht om het volk Israël te wijzen op haar zonden, te waarschuwen voor het komende oordeel hierover, maar ook de opmerkelijke belofte te doen van het heil dat de Heer God in de toekomst aan Zijn volk zal geven. Opvallend is daarbij dat het initiatief van het heil volledig bij de Heer God ligt. Hij zal het volk Israël weghalen bij de volken en terugbrengen naar hun land (11:17). Hij zal hen eensgezind maken, een nieuwe geest geven en hun versteende hart vervangen door een levend hart (11:19). Het initiatief ligt echter niet alleen bij de Heer God, want de gevolgen moeten heiliging (11:18) en gehoorzaamheid (11:20) zijn, waar iedereen persoonlijk voor moet kiezen (11:21).

De boodschap van Ezechiël draait om de verwoesting van de tempel. De verwoesting van de tempel betekende ook de opheffing van de tempeldienst. De Grote Verzoendag was de centrale gebeurtenis waarbij één keer per jaar de Hogepriester het Heilige der Heilige binnenging en de gemeenschappelijke offers te brengen om zo genoegdoening te doen voor de zonden van de individuen die onderdeel waren van het geheel. Door de verwoesting van de tempel viel ook dit weg. Als we in dat verband in hoofdstuk 18 lezen van het voorbeeld van de rechtvaardige vader, de goddeloze zoon en de rechtvaardige kleinzoon, dan is het opvallend dat er sterke nadruk komt te liggen op de individuele verantwoordelijkheid en ook het oordeel dat de Heer God aan ieder persoonlijk zal voltrekken.

Wij kennen nu de grote Hogepriester Jezus Christus (Hb 4:14). Ook voor het behoud dat door Zijn lijden, sterven en opstanding is bewerkt, geldt echter dat ‘ieder (individu) die in Hem gelooft het eeuwig leven krijgt’ (Jh 3:16).

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Wat kunnen wij leren van Ezechiël? Wat kunnen wij leren van het Oude Testament? We moeten ons goed beseffen dat de God van het Oude Testament en van het Nieuwe Testament precies Dezelfde is. Willen wij, als nieuwtestamentische gelovigen, God leren kennen dan zullen wij ook moeten studeren op het Oude Testament. We moeten de eigenschappen van God, zoals beschreven in het Oude Testament niet naast ons neerleggen als afgedaan of verouderd. De Bijbel geeft ons nergens aanleiding voor een dergelijke houding.

In de christenheid zie je steeds meer de ‘zachte’ eigenschappen van God benadrukt worden. Hij is onze liefhebbende Vader. De Heer Jezus heeft ons God doen kennen als onze Vader. Maar aan de andere kant neemt dat niets af van Gods heiligheid. God kan op geen enkele manier samenzijn met zondigheid. Johannes 1:5 en 6 zegt dat God licht is en dat in Hem geheel geen duisternis is en als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, maar in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet. Er is niet te onderhandelen over heiligheid! Het is een zwart-wit keuze. Je bent heilig of je bent het niet.

Het volk Israël was het niet. Als we in Ezechiël 8 lezen hoe de heerlijkheid des Heren Ezechiël rondleidt in de tempel dan schrik je. De gehele tempel is vervuld door afgoderij ontleent aan de heidens vruchtbaarheidsgod:

*Eerst ziet hij in de tempel van de Heer God een beeld voor de vruchtbaarheidsgodin Asjera of Astarte staan.

*Vervolgens wordt Ezechiël meegevoerd naar iets wat lijkt op een geheime kamer waar zeventig oudsten van het volk Israël occulte rituelen uitvoeren voor de afbeeldingen van dierlijke afgoden die op de muren geschilderd staan.

*Dan wordt Ezechiel een groep vrouwen ‘die Tammuz beweenden’ getoond. Tammuz was een van oorsprong Soemerische godheid die later geïdentificeerd werd met Baäl. Een god die stierf in de zomer aan het begin van de droogte en opstond met de komst van de regen in de herfst.

*Tot slot ziet Ezechiël een groep zonaanbidders. De tempel van Salomo schijnt door de Phoenisische architectuur zo gebouwd te zijn dat het zonlicht bij het begin van de herfst en de lente doordrong in de tempel. De mannen die Ezechiël zag, aanbaden echter in plaats van de Schepper van de zon het schepsel zelf.

Als wij deze afgoderij lezen dan begrijpen wij iets meer van de toon die in de hoofdstukken 12 tot en met 24 wordt aangeheven tegen Israël. De Heer God spreekt in zeer expliciete bewoording over de zondigheid van Israël. Met name de hoofdstukken 16 en 23 zijn heftige hoofdstukken, waarin de Heer God zich net als bij de profetie van Hosea beklaagt als bedrogen echtgenoot. De aanklachten zijn expliciet en zeer aangrijpend.

In Jacobus 4:1-10 en 2 Korinthe 11:1-3 zien we dat ook het Nieuwe Testament aanspoort om rein te blijven ten opzichte van Christus en ook daarbij wordt gesproken over een huwelijksrelatie en overspel. Binnen een goed huwelijk is het onmogelijk dat één van beide partners op welke manier dan ook ontrouw is aan de ander. Natuurlijk is het voor ons geen vraag of we ons storten in afgoderij, maar er zijn meerdere vormen van overspelig gedrag. Jacobus noemt daarbij heel duidelijk de vriendschap met de wereld.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

De vier dieren uit de Openbaring van hoofdstuk 4

Standaard

categorie : religie

 

De vier dieren

 

“En het eerste dier leek op een leeuw, het tweede dier leek op een kalf, het derde dier had het gezicht als van een mens, en het vierde dier leek op een vliegende arend. En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels rondom, en van binnen waren die vol ogen. Ze hadden geen rust en zeiden dag en nacht: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, Die is, en Die komt!” (Op 4:7,8)

 

 

 

 

Deze vier dieren zijn vier cherubs. Koning Salomo vervaardigde twee cherubs die hij vervolgens in de tempel van God plaatste. Dit kan je lezen in 1 Koningen hoofdstuk 6.  Maar deze cherubs komen ook voor in Ezechiël 1 en in 10. In Ezechiël hoofdstuk 1 krijgt Ezechiël het visioen van de levende wezens. Deze wezens vertonen veel gelijkenissen met die van Openbaringen.

“Hun gezicht leek op het gezicht van een mens, bij alle vier van rechts op de kop van een leeuw, bij alle vier van links op de kop van een rund, en alle vier hadden zij de kop van een arend.” (Ez 1:10)

 

 

Openbaring hoofdstuk 4 ; de troonsheerlijkheid van God

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

De Cherubs hebben allemaal een symbolische betekenis en wijzen ons naar Christus zelf

 

De eerste was als een leeuw, wat zijn koningschap symboliseert. Christus wordt ook vergeleken met een leeuw. Hij is een brullende leeuw (Amos 1:2), (Jl 3:16).

De tweede was als een kalf wat zijn priesterschap symboliseert. In Leviticus 9 kunnen we lezen dat Aaron een kalf moest offeren als zonde-offer toen hij als priester ging dienen. Dat kalf wat geslacht moest worden als zonde-offer staat ook weer symbool voor het offer die Christus heeft gegeven voor de zonde van de mens aan het kruis.

De derde was als een mens. Wat Christus als mens symboliseert toen hij hier was als onze zaligmaker, dienaar, herder, onze leermeester, De zoon des mensen, Het vlees geworden woord.

En het vierde was als een arend, wat bescherming symboliseert. In Openbaringen 12:14 lezen we de vrouw die vleugels als van een arend krijgt en de woestijn in vliegt om buiten het bereik van de slang te blijven.

“En aan de vrouw werden twee vleugels van een grote arend gegeven, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij gevoed wordt, een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang.” (Op 12:14)

Deze vrouw symboliseert de kerk die beschermt wordt tegen de duivel.
Deze vier Cherubs vertonen karakter eigenschappen van Christus. Namelijk Koning, Priester, Zaligmaker en Beschermer.

 

 

 

De 4 cherubs en de 4 evangelisten

 

Er zit zelfs parallellisme tussen deze vier karakter eigenschappen en de vier evangelies.

Mattheüs schrijft vooral over zijn koningschap en het koninkrijk der hemelen,

Markus legt de nadruk meer op zijn priesterlijke kant. Als dienaar van de mens. De taak van de aardse priesters was om het volk te dienen als ze hadden gezondigd.

Lukas beschreef vooral zijn menselijke kant. De zoon des mensen.

En Johannes beschrijft vooral zijn Goddelijke kant. God als beschermer.

In de laatste drie verzen uit Openbaringen 4 lezen we hoe deze vier dieren en de 24 ouderlingen God aanbidden, hun kronen voor zijn troon neergooien, en Christus vereren als schepper van alle dingen.

“U bent het waard, Heere, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen.” (Op 4:11)

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Openbaring les 2: Johannes ziet het waardige lam

Standaard

Categorie: religie

 

 

Achtergrond

 

Na trouw alles te hebben opgeschreven wat Christus bekend wilde maken aan de zeven gemeenten (Op.1:1, 19), ontving de apostel Johannes onmiddellijk daarna een ander visioen van God (Op.4:1). Alsof het eerste visioen waarin hij de verheerlijkte Christus mocht zien nog niet voldoende was, krijgt Johannes nu het niet met woorden te vatten voorrecht om de hemel te bezoeken. Dit bezoek kenmerkt een overgang in het boek Openbaring, gaande van de Gemeente op aarde naar “wat hierna zal geschieden” (1:19). God staat op punt om satan, demonen en zondaars te oordelen en Zijn schepping terug tot Zichzelf te nemen. Wachtend op die dag kunnen de levende wezens en de 24 oudsten rondom de troon enkel in eerbied aanbidden en zich verwonderen naarmate God de Schepper alles voorbereid voor deze glorieuze dag.

Terwijl Johannes getuige mag zijn van deze schitterende aanbidding, komt er een figuur in het beeld dat de apostel Johannes maar al te goed kent. In hoofdstuk 5 van Openbaring gaat de aanbidding van de Schepper nu naar de Verlosser. Weer opnieuw is Johannes hier getuige van de Here Jezus Christus. Christus, die hier wordt gezien als het waardige Lam van God, is de rechtmatige Heerser van de aarde. Enkel Hij heeft het recht, de macht en het gezag om over de gehele aarde te heersen. Hoewel al degenen die Hem liefhebben wachten op Zijn heerschappij, zal iedereen ook wachten wanneer de gehele schepping het lam dat alle lof waardig is zal aanbidden.

 

 

Openbaring hoofdstuk 4 ; de troonsheerlijkheid van God

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Het werk van het Lam (Openbaring 5:1-6)

 

Nadat Johannes de glorieuze troon van God en de onverwoordbare majesteit van Degene die op de troon zit zag (Op.4), kijkt hij naar wat overblijft in Gods hand. Daar op Zijn troon gezeten houdt God in Zijn rechterhand iets wat Johannes omschrijft als “een boekrol, van binnen en van buiten beschreven, verzegeld met zeven zegels” (5:1). Deze boekrol die Johannes zag in Gods hand is de eigendomsakte van de gehele aarde. Voor de grondlegging van de wereld had God Iemand gekozen die de gehele aarde zou beërven. In deze boekrol was iedere detail hoe deze Gekozene Zijn rechtmatig eigendom terug zou verwerven. Hij zou dit doen door de oordelen van God die uitgegoten gingen worden over de aarde.

Het geeft ons weer hoe de Gekozene de wereld zal verlossen van de satan en de mensen en demonen die met hem hebben samengewerkt. Nu dat God alles op aarde bereid heeft om haar oordeel te geven, is alles wat er overblijft voor de Gekozenen om te onthullen. Brandend van verlangen om dit allemaal te weten te komen ziet Johannes nog iemand anders die evenzeer op zoek is naar de Gekozene die de boekrol zal openen. Johannes schrijft dat hij “een sterke engel” zag, “die met luide stem uitriep: Wie is het waard de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?” (5:2). De engel was op zoek naar Iemand die zowel de boekrol kon openen als haar zegels kon verbreken. Enkel iemand die waardig genoeg was zou de macht hebben om satan en zijn demonen te verslaan, de zonde en haar gevolgen weg te vagen en de vloek op de gehele schepping teniet te doen.

Op het eerste zicht leek niemand in aanmerking te komen. Johannes schrijft: “Niemand in de hemel en ook niet op de aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen of hem inzien” (5:3). Na een zoektocht doorheen het hele universum, van de hel tot de hemel en alle plaatsen tussenin, bleek er niemand te zijn die waardig was om de boekrol te openen. Niemand had het waardig karakter en het goddelijk recht om in aanmerking te komen om de zegels te verbreken. Op dit moment overmand door verdriet en verbijstering, begint Johannes te wenen omdat er niemand was die waardig was om de boekrol te openen, noch deze in te kijken (5:4). Dit is de enige keer dat de Bijbel aangeeft dat er tranen waren in de hemel. Johannes weende omdat hij de wereld verlost wilde zien worden van het kwade, de zonde en de dood. Hij wilde satan zien verslagen worden en Gods Koninkrijk op aarde zien gevestigd worden. Johannes wist dat de Messias gedood was en dat Zijn Gemeente enorme verdrukking kende en besmet was met zonde (Hfdstn.2-3). Alles leek vanaf dit gezichtspunt slecht te gaan.

Ook al was het geween van Johannes oprecht, toch was het voorbarig. Hij moest niet wenen, omdat de zoektocht naar Degene die waardig was om de boekrol te openen zou gaan eindigen. Omdat zijn tranen ongepast waren, zei een van de 24 oudsten rondom de troon van God dat hij moest stoppen met wenen. Daarna trok hij de aandacht van Johannes naar een nieuwe Persoon die in beeld kwam, “de Leeuw Die uit de stam van Juda is” (Op.5:5). Geen mens, noch een engel, kan het universum verlossen, maar er is wel Iemand anders die dit kan. Deze Persoon is natuurlijk de verheerlijkte Heer Jezus Christus, hier beschreven met twee messiaanse titels.

De benaming “de Leeuw Die uit de stam van Juda” vindt haar oorsprong bij de zegen die Jakob gaf aan de stam van Juda in Genesis 49: 8-10. Uit de leeuwachtige stam van Juda zou een sterke, krachtige en dodelijke heerser komen – de Messias, Jezus Christus (Heb.7:14). Net als een leeuw zou Christus Degene zijn die Gods vijanden zou verscheuren en verwoesten. Zijn leeuwachtig oordeel over Zijn vijanden wacht op de nog komende dag die Hij gekozen heeft – de dag die zich hier begint te ontvouwen in Openbaring hoofdstuk 5. Jezus wordt hier ook gezien als “de Wortel van David”. Deze messiaanse benaming vinden we terug in Jesaja 11:1, 10.

Naar de genealogie in Mattheüs 1 (zie ook Lukas 3), was Jezus de afstammeling van David. Door naar Christus op deze manier te verwijzen bevestigde de oudste dat Jezus Degene was die waardig was om de boekrol te openen. Hij was waardig om:

wie Hij is – de rechtmatige Koning uit het geslacht van David

wat Hij is – de Leeuw uit de stam van Juda met de macht om Zijn vijanden te vernietigen

wat Hij heeft gedaan – Hij heeft “overwonnen” (5:5). Aan het kruis versloeg Hij de zonde (Rom.8:3), de dood (Heb.2:14-15) en al de machten van de hel (Kol.2:15; 1 Pet.3:19).

De gelovigen zijn nu overwinnaars door Zijn overwinning (Kol.2:13-14; 1Joh.5:5).

Dat Christus had overwonnen en niet overwonnen was, is duidelijk in het feit dat Johannes Hem ziet als het Lam van God (5:6). De Here Jezus kon niet de Leeuw van het oordeel, noch de glorieuze Koning zijn, tenzij Hij als eerst “het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt” zou zijn (Joh.1:29). Dat Johannes nu het lam ziet is het bewijs dat Christus dit laatste heeft gedaan. Het Lam staat nu levend, op Zijn voeten voor de troon van God, maar kijkt nog steeds alsof Het geslacht is geweest. Het littekens van de dodelijke wond die dit Lam kreeg waren duidelijk zichtbaar; maar toch leefde Hij nog. Ook al beraamden demonen en kwaadaardige mensen plotten tegen Hem en vermoordden ze Hem aan het kruis, toch verrees Hij uit de doden, versloeg dus Zijn vijanden en overwon hen.

 

 

Openbaring hoofdstuk 5 ; de heerlijkheid van de verzoening door Christus

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De waardigheid van het Lam (Op.1: 7-10)

 

De verschijning van het Lam dat naar voren gaat om de boekrol te openen, maakte dat de vier wezens en de 24 oudsten Hem verheerlijkten (5:7-8). Net zoals ze in het eerdere visioen van Johannes hadden gedaan (Op.4) vielen alle levende wezens en oudsten neer voor het Lam. Zulk een houding is een van eerbiedige aanbidding, een natuurlijke reactie op de majestueuze, heilige, eerbied prikkelende glorie van Christus. Deze spontane uitbarsting van aanbidding komt voor uit het besef dat de lang verwachte overwinning van de zonde, dood en satan volledig volbracht zou worden en dat de Here Jezus terug naar de aarde zou keren om te zegevieren. De vloek over de zonde zou teniet gedaan worden en de Gemeente geëerd, verheven en het voorrecht gegeven worden om met Christus te regeren. Het nieuwe lied dat uitgaat van de oudsten herbevestigd dat Christus het waard is “om de boekrol te nemen en zijn zegels te openen” (5:9). Hij is waardig omdat Hij het Lam is, de Leeuw uit de stam van Juda, de Koning der koningen en Heer der Heren.

Daarna gaat het lied verder met het versterken van Christus’ waardigheid met de woorden “want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie” (5:9). Het lied van de oudsten bevestigde het belang van Christus’ dood aan het kruis. Het was Christus’ opofferende dood die “ons voor God” kocht. Aan het kruis betaalde God de prijs die nodig was (Zijn eigen bloed; 1 Pet.1:18-19) om mensen te bevrijden uit de slavenmarkt van de zonde. Het moet voor Johannes aangrijpend en opbeurend zijn dat mensen van over de hele wereld tot de verlosten zouden behoren. De wetenschap dat vervolging en zonde de verspreiding van het Evangelie niet zouden belemmeren, moet vreugde en hoop gebracht hebben in het hart van de apostel.

De liederen gaan verder met weergeven van de gevolgen van de verlossing: “U hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen regeren over de aarde” (5:10). Dat het verlossend werk van Christus zovelen op aarde zou treffen is niet het enige dat lovenswaardig is. De gevolgen van deze verlossing geven ook reden tot lofzang. De verlosten maken deel uit van Gods Koninkrijk, een gemeenschap van gelovigen onder Gods soevereine heerschappij. Ze zijn ook priesters voor onze God, wat hun volledige toegang tot aanbidding en dienstbaarheid in Gods aanwezigheid benadrukt. Het huidige priesterschap van gelovigen is een voorbode van de toekomstige dag waarop we allemaal toegang zullen krijgen tot God en volmaakte gemeenschap met God.

 

 

De aanbidding van het Lam (Op.1:11-14)

 

Onmiddellijk na de vier levende wezens en de 24 oudsten de waardigheid van het Lam te hebben zien bevestigen, ziet Johannes nog meer van wat zal plaatsvinden in de toekomst. Een visioen van degenen die het Lam aanbidden. Het is door Christus’ waardigheid dat de gehele schepping Hem zal aanbidden. Hierop volgend schrijft Johannes dat toen hij keek hij “een geluid van vele engelen rondom de troon, van de dieren en van de ouderlingen“ hoorde. “En hun aantal bedroeg tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen” (Op.5:11). De stemmen van de vier levende wezens en de 24 oudsten werden nu aangevuld met die van ontiegelijk veel engelen. Dit stemt overeen met Hebreeën 12:1 waarin staat dat het aantal heilige engelen niet geteld kan worden.

Deze kolossale groep begint dan zeggende met een luide stem met het loflied waarmee het hoofdstuk eindigt: “Het Lam Dat geslacht is, is het waard om de kracht te ontvangen, en rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en dankzegging” (Op.5:12). Weer opnieuw ligt de nadruk op Christus’ dood die voorzag in een volmaakte verlossing. Het is in het licht van deze verlossing dat Christus lof, aanbidding en verering hoort gegeven te worden. Doorheen deze lofzang erkennen de engelen dat Christus erkend hoort te worden omwille van Zijn grote kracht, rijkdom en wijsheid. Christus weet alles, bezit alles en kan alles. Door al deze dingen en al Zijn andere eigenschappen is Jezus het waard om alle “eer, heerlijkheid en dankzegging” te ontvangen” (5:12).

Niet enkel deze kolossale groep engelen zullen lofzingen tot Christus in die komende dagen. Onmiddellijk na het horen van deze glorieuze stemmen van deze engelen hoort Johannes dat de gehele schepping meegaat in de lofzang. Het is op dit punt dat de schepping haar vreugde over haar nabije verlossing niet zal kunnen bevatten. “Elk schepsel dat in de hemel, op de aarde, onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is” (Op.5:13) zal op een dag het Lam loven. Eindeloze eer, eindeloze heerlijkheid, eindeloze glorie en eindeloze aanbidding komt enkel aan God de Vader en de Here Jezus toe.

 

 

Conclusie

 

In de vroege kerkgeschiedenis werden gelovigen voortdurend vervolgd door degenen die over hen wilde regeren. Bemoedigend voor de Gemeente is dan te weten dat slechts één Persoon zulk een heerschappij toekomt – het Lam van God. God had al van vooraf ingesteld dat Zijn Zoon de gehele aarde zou beërven. Omdat Hij de zonde heeft overwonnen door Zijn dood, is Hij alleen bekwaam oordeel te brengen over de aarde en een volk te verlossen voor God. Wanneer deze dag komt en het oordeel ten uitvoer wordt gebracht zal de gehele schepping voortdurend eer betuigen aan Degene die alle eerbied waardig is – het Lam, dat was geslacht.

 

 

BEGELEIDENDE VRAGEN

 

 Welke visioen zien we dat Johannes heeft?

 

Als zijn eerste visioen van het zien van de verheerlijkte Christus nog niet genoeg was, wordt Johannes deze keer het meest wonderlijke privilege gegeven in het bezoeken van de hemel. Daar ziet Johannes God als Hij op Zijn troon zit. Hij staat op het punt om satan, demonen en zondaren te oordelen en Zijn schepping terug te nemen. Terwijl ze wachten op dag dat deze zal komen, kunnen degenen rond de troon, de levende wezens en 24 oudsten, alleen maar in eerbied en verwondering aanbidden wanneer God de Schepper de totstandbrenging van deze glorieuze dag voorbereid. Terwijl Johannes deze magnifieke aanbidding aanschouwt, gaat de lofprijzing die opgaat naar God door.

 

 

 Wat houdt God vast als Hij op de troon zit?

 

Zittende op Zijn troon, houdt God in Zijn rechterhand wat Johannes beschrijft als “een boekrol, van binnen en van buiten beschreven, verzegeld met zeven zegels” (5:1). Deze boekrol is de eigendomsakte voor de gehele aarde. Voordat de fundamenten van de aarde gelegd waren, had God Een gekozen die de gehele aarde zou erven. Binnen in de rol was elk detail beschreven van hoe deze gekozen Een zijn rechtmatige erfdeel zou herkrijgen. Het verteld hoe de Gekozene de wereld zal verlossen van satan, zijn demonen en slechte mensen. Nu dat God gereed is dat de aarde zijn oordeel zal ontvangen, is alles wat overblijft voor de Een om geopenbaard te worden.

 

 

 Wie heeft er net als Johannes een gretig verlangen om

te zien wie de rechtmatige erfgenaam is van de aarde?

 

Johannes ziet iemand anders die net zo graag er achter wil komen wie de Een is die de boekrol kan openen. Johannes schrijft dat hij een “sterke engel” zag, die “met luide stem uitriep: Wie is het waard de boekrol te openen en zijn zegels te verbreken?” (5:2). De engel zocht iemand die waard was en de boekrol kon openen en de zegels kon breken. Alleen degene die waardig genoeg was, zou de macht hebben om satan en zijn demonen te verslaan, zonde en zijn gevolgen weg te vagen en de vloek over de gehele schepping ongedaan te maken.

 

 

 Waarom begint de apostel Johannes te wenen tijdens zijn visioen?

 

Op het eerste gezicht leek het dat niemand geschikt was. Johannes schrijft, “niemand in de hemel en ook niet op de aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen of hem inzien” (5:3). Overweldigd met droefheid, begint Johannes in tranen los te barsten, omdat niemand gevonden werd die waard was om de boekrol te openen of in te zien (5:4). Johannes weende, omdat hij wilde dat de wereld van het kwaad, de zonde en dood ontdaan werd. Hij wilde zien dat satan overwonnen werd en Gods koninkrijk op aarde gestalte kreeg. Johannes wist dat de Messias terechtgesteld was en dat Zijn gemeente intense vervolging onderging en besmet was met zonde (hfdst.2-3). Alles leek vanuit zijn perspectief slecht te gaan.

 

 

 Bij het troosten van de apostel richt een van de oudsten de aandacht

van Johannes naar een Persoon, wie is deze Persoon?

 

Johannes hoefde niet te huilen, want de zoektocht voor de Een die waard was de boekrol te openen was bijna ten einde. Omdat zijn tranen ongepast waren, verteld een van de 24 oudsten rond Gods troon dat hij stoppen moet met wenen. Daarna trekt hij de aandacht van Johannes naar een nieuw Persoon, die de oudste noemt als “de Leeuw Die uit de stam van Juda is, de Wortel van David, heeft overwonnen” (5:5). Geen mens en geen engel kunnen het universum verlossen, maar er is Een die het wel kan. Deze Persoon is natuurlijk de verheerlijkte, verhoogde Here Jezus Christus. Als een leeuw zal Christus de Een zijn die zijn vijand verscheuren en vernietigen. En zoals het geslachtregister in Mattheüs 1 onthult, was Jezus ook een nakomeling (of de wortel) van David. Hij was waard, omdat Hij de rechtmatige Koning uit Davids lijn is en ook omdat vanwege wat Hij gedaan heeft – Hij heeft overwonnen. Op het kruis heeft Hij de zonde, dood en alle macht van de dood verslagen. Gelovigen zijn nu overwinnaars door Zijn overwinning.

 

 

 Op welke manier wordt aan de apostel Johannes de Here Jezus bekend gemaakt?

 

Dat Christus overwonnen had wordt duidelijk als Johannes Hem ziet als Lam van God (5:6). Het Lam staat voor de troon van God, levend, op Zijn voeten, maar kijkende alsof Hij geslacht was. De littekens van de dodelijke wond die deze Lam ontving, waren duidelijk zichtbaar; doch Hij was levend. Hoewel demonen en slechte mensen zweerden samen tegen Hem en Hem doden aan het kruis, stond Hij op uit de dood, daarmee Zijn vijanden verslaand en zegevierende.

 

 

 Hoe reageren de oudsten en vier levende wezens in de hemel op het Lam van God?

 

Het voorkomen van het Lam, als Hij beweegt om de boekrol te nemen, veroorzaakt lofprijzen van de vier levende wezens en de 24 oudsten (5:7-8). Als ze neervallen voor Zijn voeten, realiseren ze zich dat de langverwachte vernietiging van zonde, dood en satan op het punt staat te gebeuren en dat de Here Jezus triomferend zal terugkeren naar de aarde. Gelet op het kruis blijft een ieder van hen Christus’ waardigheid herbevestigen, door te zeggen, “want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elke stam, taal, volk en natie” (5:9).

 

 

 Wat heeft volgens Johannes’ visioen het geslachte Lam volbracht?

 

Aan het kruis heeft Jezus Christus de prijs betaald om de mens te redden / verlossen van de slavenmarkt van zonde. Door deze aankoop, worden gelovigen die eens van God gescheiden waren, nu deel van Gods koninkrijk. Ze zouden ook priesters tot onze God zijn, wat betekend dat ze in de mogelijkheid zijn om God voor altijd te kunnen aanbidden.

 

 

 Wie reageert er ook in lofprijs naar het Lam?

 

Gelijk na het zien van de bevestiging van de waardigheid van het Lam door de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten, ziet Johannes meer van wat er in de toekomst zal gebeuren. Door Christus’ waardigheid, zal de hele schepping eens Hem aanbidden. Hierop volgend schrijft Johannes dat toen hij keek, hij een ontelbare menigte engelen zag en dat de hele schepping de Heer prees. Wat een wonderlijke zicht dat dit voor Johannes geweest moet zijn. Om wie Christus is en wat Hij gedaan heeft, behoort alle eer, glorie en zegen aan de Here Jezus Christus.

 

 

Openbaring hoofdstuk 1, 2 en 3 ; de Openbaring van Christus’ heerlijkheid aan Johannes

 

 

SAMENVATTING

 

Nadat Johannes het visioen van Christus ziet en dan alles getrouw opschrijft, waar hij opdracht toe had gekregen om aan de zeven gemeenten te schrijven, ontvangt Johannes nog een visioen. Dit maal gaat het over de hemel en het middelpunt God zittende op Zijn troon. Wanneer de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten allen God blijven prijzen, is er veel commotie over wie er waard is om de boekrol te openen die God in Zijn rechterhand houdt. Net wanneer niemand waard is om de boekrol te openen, om naar zonde te handelen en de aarde te herstellen, komt de Leeuw van de stam van Juda, de Wortel van David. Daar tussen de troon en de vier levende wezens wordt Christus gezien als het geslachte Lam, maar niet verslagen. Hij leeft en staat op Zijn voeten. Aangezien het duidelijk is dat Hij degene is die de dood heeft overwonnen, breekt de hemel uit in lofprijzing. De vier levende wezens, de vierentwintig oudsten, een ontelbare menigte engelen en heel de schepping geven alle glorie, eer en zegen aan het Lam. Hij die de mens vrijkocht van hun zonden, het Lam van God, is de enige die waard is om de boekrol te openen.

Johannes’ visioen van de hemel en wat er plaats vindt in de toekomst, geeft ons een wonderbaarlijk voorbeeld. Christus die de zonde en de dood overwon en ons zo verloste tot kinderen Gods, zou ons moeten aansporen om lof te offeren en Hem te danken. Dat Hij voortleeft en regeert, zou een bemoediging voor de gelovigen moeten zijn. Helaas kent en volgt niet iedereen dit lam. Ieder van ons zou met groot verlangen anderen over het Lam van God moeten vertellen.

 

 

Chronologie Johannes’ visioen

 

God wilde de apostel Johannes iets laten zien dat nog niet echt gebeurd was. Hij gaf Johannes een droom waarin Hij hem meenam naar de hemel. Het was een heel speciale droom. Alles wat hij in die droom zag, zou ooit echt gaan gebeuren. Omdat God wilde dat alle mensen dit zouden weten, moest Johannes alles wat hij in die droom zag opschrijven. “Ik zag iemand op een troon met in zijn rechterhand een boekrol. Deze boekrol was van binnen en van buiten beschreven, en verzegeld met zeven zegels. Ook zag ik een machtige engel. Hij riep luid: ‘Wie mag de zegels verbreken en de boekrol te openen?’ Maar niemand in de hemel, op aarde of onder de aarde was in staat de boekrol te openen en te lezen. Ik brak in tranen uit, omdat niemand de boekrol kon openen of lezen. Toen zei iemand tegen hem: ‘Huil niet! De leeuw van Juda heeft overwonnen: hij kan de zeven zegels verbreken en de boekrol openen.’

Toen zag ik midden voor de troon een Lam dat heel veel pijn had gehad. Het Lam kwam naar voren en nam de boekrol aan. Toen het de boekrol nam, viel iedereen die voor de troon stond neer. En ze zongen een nieuw lied: ‘U komt de eer toe de boekrol te nemen en haar zegels te verbreken. Want u bent geslacht en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht uit elke stam en taal, uit elk volk en ras. U hebt hen tot koningen gemaakt, tot priesters voor onze God en zij zullen heersen op aarde.’ Toen hoorde en zag ik vele engelen rondom de troon, met de vier wezens en de oudsten. Zij waren met duizenden en duizenden, ja met miljoenen. En zij riepen luid: ‘Het Lam dat geslacht werd, komt de eer toe om de macht te ontvangen, de rijkdom, de wijsheid en de kracht, de eer, de glorie, de lof.’

En ik hoorde iedereen die God had gemaakt in de hemel en op de aarde, onder de aarde en in de zee, ja echt echt iedereen zingen: ‘Aan God op de troon, en aan het Lam komen toe: lof en eer, glorie en kracht voor altijd, voor eeuwig!’ “

Johannes mocht een stukje zien van wat er in de hemel bij God gebeuren zal. God heeft aan Jezus beloofd dat Hij de Koning van de aarde mag zijn. Alleen Hij mag de echte Koning zijn! Wat een dag zal dat zijn als iedereen Jezus de grote Koning zal zien. Dan zal iedereen voor Hem buigen. Want Hij alleen is het waard om aanbeden te worden.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenendertigste Miniatuur : tiende Visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegar Von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

Eenendertigste Miniatuur: Tiende Visioen van het Derde Boek

 

 

Scivias%20T%2031_Boek%20III,10

 

 

Hier gaat het om de voltooiing van de Stad Gods en van het geestelijke leven in de mystieke beschouwing. Als alle heiligheid verwezenlijkt zal zijn op aarde en de wereld tot voltooiing is gekomen in het zuiden, waar God in het paradijs de eerste mens schiep, neemt de Mensenzoon (dezelfde als die van de eenentwintigste miniatuur) het woord. Hij zegt:

“De Zoon van de levende God, geboren uit de Maagd, regeert zonder tegenspraak in die harten, die ontstoken door de H. Geest streven naar de volle geheimen van de ongeschapen diepten.”

De tekst van het tiende visioen luidt:

“Voor de troon van de Mensenzoon, die zich nog steeds niet ten volle heeft geopenbaard, staan drie deugden en wel de Stadigheid (Constantia), het Hemelsverlangen, (Caelestis desiderium) en de Rouwmoedigheid des Harten (Compunctio Cordis).”

Onder deze drie, die feitelijk een drieëenheid vormen, verschijnt van ons uit gezien links, de Verachting der Wereld (Contemptus mundi) en rechts de Eendracht (Concordia) tussen God en mensen. Rustig de beelden en kleuren bestuderend en luisterend naar wat Hildegard over deze deugden zegt, kunnen we ontdekken wat voor onze mystica de hoogste toppen van het geestelijk leven betekenen.

De figuur die we bovenaan in een rood gewaad (de tekst zegt: in purperen tunika) op een troon gezeten zien, is het Mensgeworden Woord. Achter Hem op een hoge zuil en voor ons onzichtbaar zit de Lucidens Sedens (vgl. miniatuur 19).

De wederkerende Christus op de Oosthoek van het gebouw zagen we op miniatuur 21 en evenals daar is de onderste helft van Christus nog niet geheel geopenbaard: het einde der tijden is nog niet gekomen. Christus zit in een zetel boven op zeven witmarmeren treden, hier weergegeven door blauw met wit geaccentueerd.

Het kleed van de middelste der drie Godskrachten vóór de Troon, de stadigheid, is evenals de marmeren treden blauw met wit. In beide gevallen wijst dit blauw op helder glanzend wit. Volgens de tekst draagt zij ook een witte mantel. Deze is hier bij wijze van tegenstelling groen.

Dezelfde kleur vertoont het gewaad van de deugd aan haar rechterhand ‘het hemelse verlangen’. Van de derde deugd de Rouwmoedigheid des harten wordt gezegd dat zij witte haren heeft en deze worden door gewoon wit aangeduid.

Het was voor de miniaturist een moeilijke opgave om al die van blankheid stralende deugden toch duidelijk aan te geven omdat de nuances in het wit voor Hildegard wijzen op de karakterverschillen van deze drie deugden. Zo zegt Hildegard dat al deze gestalten in witte tunieken zijn gekleed, daar zij allen in de verblindende witheid van goede werken wandelen.

Maar dan beschrijft zij het onderscheid in goede werken en verklaart zij dat de Rouwmoedigheid geen witte maar een wat matkleurige tuniek draagt. Wenend en klagend schermt zij zich af tegen alle verkeerde invloeden. Het komt er op aan dat de juiste houding is standvastig en met grote rouwmoed in ons hart naar de komst van de Heer te verlangen.

Merken we wel op dat deze deugden overeenkomen met de deugden die God ons voorgehouden heeft in de toren van Gods raadsbesluit. Daar (miniatuur 22) zagen we als eerste de Liefde tot het hemelse, hier het hemelse begeren. Op de tweede plaats de Bescheidenheid, hier de Rouwmoedigheid des harten en tenslotte de Victoria, die hier terugkeert in de Stadigheid of Constantia: de volhouder wint.

Verder zagen we in miniatuur 22 nog de Disciplina en de Misericordia. Ook deze twee door God voorziene deugden komen hier in de voltooiing terug. Het zijn onderaan de Contemptus Mundi (de verachting der wereld) wat hetzelfde is als de Disciplina en de Concordia (de eendracht tussen God en mensen) wat men de voltooide vorm van de Misericordia mag noemen.

We willen nog even aandacht schenken aan de wijze waarop de Contemptus mundi en de Concordia door Hildegard zijn aangevoeld en uitgebeeld. In een zilver rad zien we de buste van een deugd in een donker kleed met een bloeiend takje in de hand. Dit illustreert de uitleg van het tiende visioen.

Aan de noordkant van de Gezetelde verscheen in een rad een deugd die in haar rechterhand een groen takje droeg. Dit rad draaide voortdurend rond, maar het beeld bleef onbeweeglijk staan (zij maakt immers deel uit van de deugd Constantia). En in de omtrek van dit rad stond geschreven:

“Indien iemand Mij dient, dat hij Mij volge en waar Ik ben daar zal ook mijn dienaar zijn” (Joh. 12).

Daarop wijst het zilver in het rad. Het is de macht Gods die de mens uitnodigt Zijn Zoon te volgen.

Dit rad van de goddelijk macht is precies hetzelfde lichtende rad, dat we in de visioenen één en twee van het derde boek over de opbouw van de Stad Gods, van Gods voeten hebben zien uitgaan. Daarin bevindt zich de berg waar de stad van de Zoon Gods opgebouwd wordt.

In miniatuur 21 zien we dat stralende rad rondom de hele plattegrond van de Stad Gods draaien. De contemptus mundi beantwoordt dan ook de uitnodiging van God zijn Zoon te volgen in het opbouwen van de stad. De Heer heeft in de Apocalyps gezegd:

“Wie overwint, hem zal ik van de boom des levens te eten geven, die in het paradijs van mijn God staat.”

Daarom draagt de Contemptus mundi een vruchtdragend takje in de hand.

Zo komen we bij de Concordia, hier voorgesteld in een blauwwit gewaad met aan weerszijden een grote vleugel. Als de ziel op de hoogste top van het geestelijk leven in volmaakte standvastigheid leeft, wendt zij zich naar het Zuiden, symbool voor heel de verloste mensheid. Zij is vrij van alle haat en nijd en brengt verlichting en helderheid in alle gelovige harten.

De vleugels wijzen erop dat de ziel, ondanks het feit dat zij in volmaakte rust leeft, toch haar vleugels uitstrekt over alle wederwaardigheden die de gelovigen moeten ervaren en dat de reikwijdte van haar liefde groter is dan de duur van al de nog komende geslachten.

 

Nu de laatste deugd de Concordia zich met vleugels vertoont, willen we terug kijkend zien welke deugden nog meer met vleugels zijn afgebeeld.

 

Miniatuur 27 toont ons de Pax met twee vleugels.

Op miniatuur 2 staat de Albeheerser met twee grote vleugels, wat volgens de uitleg wijst op de onuitsprekelijke Gerechtigheid in de uiteindelijke zegepraal van de onuitgesproken Wijsheid.

Miniatuur 5 toont ons de mens die ontsnapt aan alle moeilijkheden hem door de duivels berokkend en die gedragen door twee vleugels, op de top van het geestelijk leven komt.

Miniatuur 9 beeldt alle engelen met vleugelen af.

Ook op de 16de miniatuur zien we de engelen met vleugels boven de Eucharistie.

De Zelus dei staat op de 2lste miniatuur met drie vleugels afgebeeld.

Tenslotte tonen de 33e en 35e miniatuur engelen met vleugels.

 

 

 

Vleugels wijzen op zorg voor anderen.

 

God is bezorgd voor ons. De Zelus Dei tracht met de vleugels het gevaar weg te jagen. Men kan alleen vrede met anderen hebben, als men zorg heeft voor zijn naaste. De Concordia, zegt de tekst, draagt vleugels omdat zij evenals de Schepper aan alle mensen denkt.

Zo ontdekt men de gedachtenwereld van Hildegard door alle beelden die in feite begrippen zijn, naast elkaar te leggen. Hier kunnen we het slot aanhalen van het tiende visioen, omdat daar de samenvatting gegeven wordt van heel de bouw van het kasteel.

“Aldus, gelijk in beelden getoond is, werkt God van het Oosten naar het Noorden en van het Westen naar het Zuiden, waar Hij door Zijn Zoon uit liefde voor de Kerk, alles wat voor de schepping van de wereld voorbestemd was, tot zijn verwezenlijking leidt, en de nieuwe dag laat stralen. God immers heeft dit werk van Hemzelf met de voornoemde torens en deugden in mystieke betekenis bevestigd en versierd, om dan dit werk in de grootste volmaaktheid volledig naar zich terug te voeren.”

In Noach is na de val van Adam de rechtvaardigheid van het juiste handelen aangeduid. Deze rechtvaardigheid streeft naar de nieuwe dag, omgeven als zij is door de vele wonderdaden welke God in de verschillende opeenvolgende tijdperken heeft getoond. In Noach openbaarde God de voorbereiding, in Abraham en Mozes de eerste openbaring en in Zijn Zoon de verwezenlijking.

Het stond vóór alle tijden in het hart van de hemelse Vader vast, dat Hij Zijn Zoon op het einde der tijden tot heil en verlossing van de gevallen mens in de wereld zou zenden. Deze Zoon is geboren uit de Maagd en Hij heeft alles wat de Ouden, vervuld van de H. Geest, voorzegd hebben op volkomen wijze volbracht.

Dit lijkt op de beweging van een mensenarm, die zich eerst tot een werk buigt en dan de hand kan laten werken. Volgens een rechtvaardig oordeel van God werd de Rechtvaardigheid samen met Adam uit het land van Eden gezet. Maar de Rechtvaardigheid begon zich in Noach opnieuw te bewegen, gelijk de eerste beweging in het schoudergewricht.

Vervolgens ontwikkelde de Rechtvaardigheid zich in Abraham en Mozes gelijk de arm zich meer gaat bewegen door middel van de elleboog.

Toen ging de Rechtvaardigheid verder naar het volmaakte werk in de Zoon Gods, door Wie alle tekenen en openbaringen van de Oude Wet tot een duidelijk werk voltooid zijn. In Hem zijn ook alle godskrachten of deugden openbaar gemaakt. Dit lijkt op de hand met zijn vingers, die het werkstuk waarmee ze bezig is tot volmaakte afwerking voert.

“Op deze wijze volbreng Ik mijn werk tot mijn glorie en tot jouw beschaming, o duivel. Tegen jou is mijn krachtige arm gericht om datgene wat in het Noordoosten, in het Noorden en in het Westen staat opgesteld te overwinnen. Bovendien biedt mijn bouwwerk jou ook weerstand volgens de loop van de zon, dat is van het Oosten naar het Zuiden, om jou dan in het Westen neer te stoten. Zo zie je jezelf naar alle kanten in verlegenheid gebracht, want in mijn Kerk volbreng Ik tot je ondergang, misvormde verleider, het werk der gerechtigheid en heiligheid en wel zodanig, dat jij, die eigenlijk getracht hebt mijn volk verloren te laten gaan, geheel overwonnen ten onder gaat.”

Deze slottekst bevestigt volledig de zin van het gehele kasteel, zoals we die in de onderdelen ontdekt hebben.

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Waardoor werd Lucifer de Satan ofwel de tegenstrever?

Standaard

categorie : religie

 

 

 

lucifer1

 

 

jesaja 14 :14> Lucifer wilde hoger zijn dan God

 

12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!

13 En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.

14 Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.

15 Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van den kuil!

 

 

 

Openbaring 13 : 1-6> Lucifer wilde aanbeden worden

 

1 Toen zag ik uit de zee een beest komen. Het had zeven koppen en tien horens. Op elke hoorn was een kroon. Op zijn koppen stonden namen die God beledigen.

2 Het beest leek op een luipaard, maar zijn poten leken op die van een beer en zijn bek leek op de bek van een leeuw. En de draak gaf aan dat beest zijn kracht, zijn troon en veel macht.

3 Ik zag dat één van zijn koppen dodelijk gewond was, maar de dodelijke wond genas. Daarom bewonderde de hele wereld het beest.

4 En ze aanbaden de draak die aan het beest zoveel macht had gegeven. En ze aanbaden het beest en zeiden: “Wie is er zó geweldig als dit beest? Wie is er machtiger dan hij?”

5 Het beest kon ook spreken. Het stond aldoor op te scheppen en zei beledigende dingen over God. Dat deed het 42 maanden lang (3½ jaar).

6 Al die tijd beledigde het beest God, Gods tempel en iedereen die in de hemel woont.

 

 

hoofdstuk 13 ; de komst van de antichrist en de valse profeet

hoofdstuk 13 ; de komst en eenbidding van de antichrist en de valse profeet

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

de aanbidding van Satan

de aanbidding van Satan

 

 

 

Ezechiël 28 : 14-19> Lucifer werd overmand door hebzucht

 

14 Gij ( LUCIFER)  waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.

15 Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.

16 Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub verdoen uit het midden der vurige stenen!

17 Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henen geworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.

18 Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.

19 Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.

 

 

Het aanbidden van de Mammon, de geldgod

 

Pasteltekening van John astria

 

 

 

Openbaring 14 : 7-11>de vuurpoel voor wie Lucifer aanbidt

 

7 Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.

8 En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt.

9 En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een grote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand,

10 Die zal ook drinken uit den wijn des toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is, in den drinkbeker Zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.

11 En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt.

 

 

hoofdstuk 20 ; de eerste opstanding en de tweede dood

hoofdstuk 20 ; de eerste opstanding en de tweede dood

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

 

 

Het begin en einde van de zonde.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

Beste lezer, God wil dat u weet hoe de zonden in de wereld kwamen en dat de gevolgen daarvan zijn het lijden en de dood. Lucifer, een zeer vooraanstaande engel, wilde niet buigen voor Gods kroon op de schepping, de mens. Hij misleidde de eerste bewoners op aarde door middel van de leugen en de zonde werd geboren. Daardoor zon-derde de mens zich af van God. De perfecte relatie tussen God en de mens was niet meer. De zonde is dus ont-staan door een geestelijk schepsel dat de het eerste mensenpaar Adam en Eva verleidde met een leugen.

Omdat uit een onvolkomen mens geen zondeloos iemand kan geboren worden, noemt men het de erfzonde. De mens stond op zijn eigen benen en Lucifer werd de duivel, ook  Satan de tegenstrever genoemd. Hij kreeg vrij spel en door zijn steeds groeiende macht op de mens werd de aarde een plek geteisterd door oorlogen, ziektes, hongersnood, moord en andere ellende. Satan beweerde in de hemel, voor de troon van God, dat geen mens ooit zondeloos zou kunnen leven, wat een kapitale inschattingsfout bleek. God stuurde zijn eigen Zoon Christus naar de aarde om zoenoffer te worden als losprijs voor de zonden. Indien Christus zondeloos bleef tot het einde van zijn leven, was de duivel verslagen.

Christus, De Messias kwam naar de aarde, predikte het woord van God, liet door mirakels zien wie hij was en bleef zondeloos tot op het kruis. Onmiddellijk wist Satan dat het einde van zijn bestaan in zicht was. Daarom raast hij nu als een wild monster over de aarde om zoveel mogelijke zielen met zich mee te sleuren in de toekomstige, eeuwige vuurpoel. Door zijn overwinning op het kwade is Christus de advocaat van de gelovigen voor de troon van God. Wie in Hem gelooft en zijn zonden belijdt zal nooit sterven. Hij verplicht u tot niets, zijn wens is dat u tot Hem komt in vrije wil.

Het kwade zal ooit letterlijk vernietigd worden. In de Openbaring staat waar het met deze wereld en de mens naartoe gaat. Via zijn laatste hoofdstuk in de Bijbel geeft God signalen van het begin van de eindtijden als waar-schuwing. God wil dat geen enkele ziel verloren gaat. Het is nooit te laat om te geloven in de kruisdood van Christus als zoenoffer voor onze zonden en dat te belijden .

 

 

De eindstrijd tussen goed en kwaad

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Het is duidelijk dat God een plan heeft voor de toekomst van de mens, de aarde en het kwade. Zolang echter de strijd tussen Satan en God over de soevereiniteit van het universum niet volledig afgehandeld is moeten wij ster-ven. Toch reikt God ons nu al de hand om in alle omstandigheden het leven door te komen, ook in lijden en dood. Hij wil ons nu reeds een tipje van eeuwig geluk laten ervaren.

De liefde van God en Christus voor de mens was zo groot dat één van de machtigste engelen in de hemel, Lucifer, moest wijken. God weet dat enkele duizenden jaren van lijden niet zullen opwegen tegen de oneindigheid van later hemels geluk. Ooit zal er een nieuwe hemel en aarde komen waarop de mens in een volkomen liefdevolle omgeving woont in harmonie met plant en dier. Voor ons gelovigen zal de toekomst zo groot zijn dat het nu met menselijk verstand niet te vatten is.

De dag dat Satan definitief verslagen is wordt het zaad van de zonde uit ons hart verwijderd en zal het verleden, met al zijn pijn en verdriet, uit onze herinneringen verdwijnen. Laten wij niet vergeten dat wij nu reeds elke dag beroep kunnen doen op Christus door gebed. Indien u Hem roept is hij er. U zal zelfs binnen deze onvolkomen wereld bijgestaan worden al zijn de resultaten niet direct merkbaar. Voor alles is er een tijd. Roep Hem, en u zal verhoord worden.

 

 

De keuze tussen goed en kwaad door de vrije wil, met een eindoordeel tot gevolg.

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Negentiende Miniatuur : eerste visioen van het Derde Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

 

 

 

 

 

Negentiende Miniatuur: Eerste visioen van het Derde Boek

 

 

Scivias%20T%2019_Boek%20III,1

 

 

Eerst begint Hildegard te spreken over God zelf, die woont in het Oosten. Zij ziet een hoog oprijzende rots van ijzerkleur, hier als van bovenaf gezien voorgesteld door blauwe en witte cirkels. Baillet meent dat de cirkel de rots van bovenaf gezien voorstelt. Keller gaat nog verder en vermoedt dat de blauwwitte kleur de wolk is die volgens Hildegard boven die rots hing. In ieder geval kan men deze cirkel zien als een hardstenen kei, zo groot dat hij de indruk maakt van een bol.

Daarboven zweeft een witte wolk, hier voorgesteld als aan bloem, waarop de troon van God staat net zoals Boeddha zit op een lotusbloem. Hiltgart Keller heeft een verklaring om deze omhoog gerichte bruine, halve bol met meniekleurige golven die versierd zijn met witte lijnen en zwarte randen.

Zij ziet hierin niet een witte wolk, maar de in de Scivias-tekst beschreven vuurkleurige glans van steen en staal. Het is de glans die na de val van de engelen, voorgesteld als uitdovende vallende sterren, terugkeert naar de troon van de Schepper.

De grote lichtcirkel rondom de Schepper is als een mandorla.  Een mandorla is een amandelvormige figuur, waarin vaak Christus of een heilige wordt afgebeeld. Deze is eveneens bruinrood en menierood van kleur en met witte golflijnen. Hoe dan ook, de verklaring zegt dat de rots de Vreze des Heren is, de grondslag van alle bovennatuurlijke kennis.

Hoe dan ook ziet Hildegard boven de rots een witte wolk zweven als beeld van de gave der Wijsheid. Als ons gezegd wordt dat op die wolk Gods troon staat, roept het geheel sterke herinneringen op aan de Godsverschijning op de berg Sinaï in het Oosten.

De voorstelling van God toont verwantschap met de Pantokrator van de mozaïeken in de oude basilieken. De term Pantokrator is afkomstig uit de Griekse vertaling van de joods-christelijke Bijbel, het Oude Testament en het Nieuwe Testament en is een aanduiding voor God. De nadruk ligt op de universaliteit en de almacht die aan God worden toegeschreven.

We kunnen niet direct zien of het om God de Vader gaat of om Christus, maar er staat  in het Evangelie: “Wie Mij (Christus) ziet, ziet de Vader”

Een apart detail valt nog op te merken: op de borst van het Godsbeeld zien we een gouden schild waarover een bruine band loopt als een pallium. Een pallium is vaak cirkelvormig en wordt gedragen om de hals en over de kazuifel en heeft twee afhangende banden aan de voor- en achterkant. De witte band is voorzien van zwarte kruisen.

Volgens de tekst is dit het leem dat God op zijn hart draagt. Dit geeft de eeuwige verlossende Voorzienigheid aan, waardoor God de zondige mens kent en hem verlossen wil uit de modder van de ondeugd. De edelstenen, die de leem omlijsten, zijn de martelaren, maagden, belijders en ook de boetvaardigen. De Eeuwige heeft hen allen voorbestemd om de engelen te vervangen die Lucifer in zijn val had meegesleurd.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

Tweede Miniatuur: eerste visioen van het eerste boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

 

 

 

Hildegard von Bingen

.

 

 

eerste visioen van het eerste boek

.

 

.

 

 

Deze miniatuur hoort bij het eerste visioen van het eerste boek van het driedelige werk Scivias. Het eerste boek bevat zes visioenen, die met negen miniaturen verlucht zijn.

.

In dit eerste visioen gaat het om de ontmoeting van God en de mens Hildegard. Terwijl Hildegard de Stem hoorde van Hem die op de berg zat, kregen die woorden de vormen en kleuren als in deze miniatuur weergegeven.

En de doordringende Stem sprak:

“Gebrekkige mens, stof van aardse stof, as van as, roep en spreek er over, hoe men in de verlossing welke alles herstelt, binnengaat. Stort jezelf uit als een overmatig rijke bron en doe deze van geheimen zwangere leer uitstromen, opdat door deze watervloed de priesters opgeschrikt worden die hun plicht verzaken en die ook nog vanwege de zonde van Eva jou als vrouw minderwaardig vinden. Wat je nu hoort en ziet, ontvang je niet door een mens, maar door de vreeswekkende hemelse Rechter wordt je dit van bovenaf gegeven, waar dit sterke licht steeds weer onder de voeten van de Lichtende die zetelt op de troon, in volle klaarheid opvlamt. Verkondig wat je nu geleerd hebt, hoe God die Zijn schepping met macht en goedheid regeert al degenen die Hem vrezen en Hem deemoedig dienen, overstroomt met hemelse verlichting en hen zo, als zij volharden op de weg der gerechtigheid, voert tot de vreugde van de ware aanschouwing’”.

In welke beeldvormen is deze toespraak in de geest van Hildegard geëtst? Om te beginnen: de stem van de openbaring komt van bovenaf. Zij ziet een hoge berg, een onwrikbaar volume met de kleur van ijzer. Deze kleur wordt een van de kern begrippen in heel de miniaturenserie. Hier is ijzer weergegeven met de kleur grijs, maar later zal dit bladzilver zijn.

Die ijzerkleurige berg is door zwarte lijnen in zeven heuvelen verdeeld. Waarom zeven? Het getal zeven komt in de Bijbel veelvuldig voor. Het duidt op een verandering, die na een periode zal aanbreken, met een nieuw begin als gevolg. Het is voor ons gemakkelijk aan te voelen, waarom voor de troon van de hoogste Rechter een berg getekend is. Hoeveel te meer dan voor mensen, die leefden van de Bijbel en zijn beelden.

Is de berg Sinaï niet de troon van God?  God gebruikt de berg als Zijn zetel en Hij verschijnt volledig in een gouden kleur, die nog sprekender gemaakt is door de rode lijnen die licht en vuur suggereren: een poging om het oogverblindende zo sterk mogelijk uit te beelden. Ook bij ons verwijst zo’n berg-zetel naar iemand die macht bezit.

“Maar”, zegt de hemelse Stem, “God regeert niet alleen met macht maar ook met goedheid!” Dit is aanschouwelijk voorgesteld door twee grote vleugels die zich van Gods schouders uitstrekken. Dat vleugels goedheid en bescherming kunnen uitbeelden, behoeft geen betoog, maar het is een originele vondst van de miniaturist de grote goedheid van God weer te geven door de vleugels het eigenlijke kader van de miniatuur ver te laten overschrijden. Deze uitbeeldingswijze zullen we ook in andere miniaturen tegenkomen.

Nu zegt de Stem, dat God diegenen met Zijn hemels licht overstroomt, die Hem vrezen en deemoedig dienen. Deze twee zielshoudingen zijn noodzakelijk om met God in contact te kunnen treden. Want men kan God wel vrezen en Hem toch niet dienen; denken we slechts aan de gevallen engelen.  De psalmist zegt immers van de deugd om God te vrezen: de Vreze des Heren is het begin van alle Wijsheid (ps. 110).

We zullen in een der laatste visioenen van Scivias de enorme betekenis van deze deugd ontdekken, doordat zij daar bij de gaven van de H. Geest behandeld wordt, omdat de Mensenzoon haar als garantie van Zijn zending aangehaald heeft (Luc. 4,18 – Is. 61,1-2).

Hier is deze deugd voorgesteld als een mensenfiguur die geheel overdekt is met een gekleurde tule, waarop aan alle kanten open ogen geborduurd zijn. Daardoor is haar waakzaamheid tegen het kwaad en haar streven naar het goede duidelijk aangegeven.

De andere figuur, een kind met een matkleurig kleed, duidt op de Armoede van Geest. Ze draagt witte schoenen, omdat ze graag de voetstappen van Gods Zoon volgt. Het is dit figuurtje, dat bijna hulpeloos haar handen in biddend gebaar ophoudt, dat rechtstreeks van de voeten van de Hemelse Vader met een gouden lichtstroom overgoten wordt, en wel zozeer, dat het gezicht niet eens meer te onderscheiden valt. Zo volkomen wordt haar geringheid opgenomen in de goddelijke liefdegloed.

We merken op dat rondom elk der twee figuren bundels licht met sterren geschilderd zijn. De tekst van Scivias zegt: allen die God vrezen, worden door Gods genade verlicht om hun goede werken te kunnen verrichten. Maar de mystieke begenadiging, rechtstreeks komend uit Gods licht, is alleen voor hen die dit geschonken krijgen als een charismatische gave ten bate van heel de Kerk.

In de berg, of beter in de zeven heuvels ziet men tien maal twee hoofden in een venster afgebeeld, en bij goed toezien bemerkt men, dat het ene hoofd twee rode koontjes heeft en het andere bleek is. Dit moet laten zien, dat er zielen zijn, die gezond zijn en volharden op de weg der gerechtigheid en weer anderen die lauw en slap zijn.

Ja, zegt de verklaring van Hildegard, Gods kennis kent de waarde van iedere ziel. En juist het mysterie van de vrije wil van ieder mens speelt een belangrijke rol in heel het betoog van het boek Scivias. Deze miniatuur, eenvoudig van opzet, is met weinig commentaar te begrijpen. De volgende is moeilijker maar ook mooier.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA