Tagarchief: bloemhoofdjes

Akkermelkdistel : Sonchus arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

akkermelkdistel_01

 

 

Goed te herkennen aan
– de bloemhoofdjes, die lijken op paardenbloemen en
– de met gele klierharen bezette omwindselblaadjes

 

 

7cce2b28832f4fd6919342f9773ac460

 

 

 

Algemeen

 

Akkermelkdistel is een zeer algemeen voorkomende plant van 80 tot 150 cm hoog met paardenbloem-achtige bloemenhoofdjes. Ze groeit op vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond in akkers en op grazige en stenige plaatsen. Ook in de zeeduinen en op aanspoelselgordels.

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd van akkermelkdistel is vanaf juni tot de herfst. Ze bloeit met 4 tot 5 cm brede, goud- tot oranjeachtig gele bloemenhoofdjes, die bestaan uit talrijke lintbloemen. De omwindselblaadjes hebben weinig tot veel gele klierharen.

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren van akkermelkdistel zijn langwerpig, diep veerspletig en hebben driehoekige lobben, die iets terug wijzen. De randen zijn gestekeld. De bladvoet heeft twee min of meer ronde oortjes, die plat tegen de stengel aangedrukt zitten. De in de duinen groeiende planten hebben soms vettig aanvoelende, onregelmatig ingesneden bladeren. Ze worden wel onderscheiden als var. Maritimus (zeemelkdistel). De stengels zijn fijn geribd, soms paarsrood aangelopen, alleen bovenaan vertakt en ook bovenaan voorzien van gele klierharen.

 

 

 

Toepassingen

 

Jonge bladeren werden vroeger gegeten als sla of spinazie. Ze smaken enigszins bitter.

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Van de melkdistels heeft akkermelkdistel de grootste en donkerste bloemen. Daarnaast zijn er nog wat andere verschillen.

 

 

 

 

akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

 

 

 

 

moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes.

 

 

moerasmelkdistel

 

 

 

gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bladeren met spitse, afstaande oortjes.

 

 

gewone melkdistel

 

 

 

gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

 

 

 

De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloemachtige bloemhoofdjes.

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 150 cm hoog

Bloem
– goud- tot oranjeachtig geel
– vanaf juni tot de herfst
– hoofdje
– 4 tot 5 cm
– alleen lintbloemen
– omwindselblaadjes met gele   klierharen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top spits
– rand stekelig getand
– voet met ronde, platte oortjes
– veernervig

Stengel
– rechtop
– alleen bovenaan vertakt
– bovenaan met gele klierharen
– soms rood aangelopen

zie wilde bloemen

 

 

266px-illustration_sonchus_arvensis0

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Akkerdistel : Cirsium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bluhende_distel

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtpaarse, smalle, lang gesteelde, bloemhoofdjes en
– de stekelig, gegolfde of gekroesde bladeren

 

 

akkerdistel_01

 

 

 

Algemeen

 

Akkerdistel is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Van de distels is ze de meest voorkomende. De plant wordt 60 tot 120 cm hoog en bloeit van juni tot en met september met lichtpaarse, lila (zelden witte) lang gesteelde, geurende bloemhoofdjes, die in een pluim staan. Je ziet akkerdistel op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond op akkers, braakliggende terreinen en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Onder de bloemhoofdjes zit een omwindsel, dat bestaat uit aangedrukte omwindselbladen. Ze hebben een stekelige punt, die afstaand maar niet teruggeslagen is. Het omwindsel is paars gekleurd wat de kleur van de bloeiwijze extra versterkt. Een enkele keer kun je in de hoofdjes van de mannelijke plant ook vrouwelijke bloemen vinden.

De mannelijke bloemenhoofdjes zijn tot anderhalf maal groter dan de vrouwelijke. De zoete, muskusachtige geur van de vrouwelijke bloemen trekt allerlei insecten aan, die beloond worden met veel nectar. De vruchtjes zijn een belangrijke voedselbron voor veel vogels. In de moeilijk toegankelijk distelhaarden broeden meerdere vogelsoorten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is niet of zeer smal stekelig gevleugeld, aan de top sterk vertakt, het bovenste deel is meestal kaal. De stekelige bladeren zijn lancetvormig, veerspletig met gegolfde of gekroesde rand, aan de bovenkant kaal en glanzend, de onderzijde kan zilverig wit zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Akkerdistel is een lastig onkruid. Door de vele pluizige vruchtjes kan de plant zich sterk uitzaaien. Ook vormt ze worteluitlopers. Ploegen van akkers werkt in het voordeel van de plant, want elk stukje uitloper kan weer uitgroeien tot een zelfstandige plant. Bovendien is de plant resistent tegen veel onkruidverdelgende middelen. Akkerdistel heeft daarom als bijnaam “Boerenplaag”.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– lichtpaarse, zelden witte buisbloemen
– vanaf juni t/m september
– lang gesteelde hoofdjes in pluimen
– 1,5 tot 3 cm
– omwindselbladeren gestekeld
en topje afstaand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, veerspletig
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand, soms gegolfd
of gekroesd
– voet aflopend
– veernervig
– bovenkant glanzend en kaal
– onderkant kaal, soms wit viltig
behaard

Stengel
– rechtop
– aan de top sterk vertakt
– glad en kaal of zeer smal stekelig
gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

flora-g

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Onkruid soorten in ons land – letter T en V

Standaard

Categorie:  Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Tandzaad (Compositae)

 

Het geslacht Tandzaad telt ongeveer 200 soorten, de meeste in Amerika. Zij behoren tot de grootste familie der bloeiende planten, de Compositae of Samengesteldbloemigen. Zoals de naam al aangeeft is datgene wat men voor een bloem aanziet bij deze familie in feite een verzameling heel kleine bloemetjes. Deze zijn gezamenlijk op een bloembodem ingeplant en zien er samen vaak als een ‘gewone’ bloem uit. Wat op het eerste gezicht een normale bloem lijkt is dus in feite een complete bloeiwijze. Deze wordt bij de Samengesteldbloemigen een bloemhoofdje genoemd.

Soms zijn de bloemhoofdjes bolrond, zoals we dat van Distels kennen. Ook bij het geslacht Tandzaad komt dit voor. In ons land zijn vier soorten van dit geslacht in de loop der jaren plaatselijk algemeen geworden, vrijwel altijd op voedselrijke plaatsen langs waterkanten.

De meest algemene soort in ons land is DRIEDELIG TANDZAAD (Bidens tripartitus), een van 3-90 cm hoge, eenjarige plant met rechtopstaande bloemhoofdjes. De vruchtjes hebben 2-4 naalden die met weerhaakjes zijn bezet, waardoor de vruchtjes gemakkelijk door mens en dier verspreid kunnen worden.

 

 

 

 

 

 

 

Dat geldt ook voor de volgende soort, ZWART TANDZAAD (Bidens frondosus), een eveneens eenjarige plant met oranje-gele bloemhoofdjes. De plant wordt 30 cm tot 1 m hoog. De samengestelde bladeren bestaan uit 3-5 delen. Komt vooral voor langs rivieren en kanalen.

 

 

 

 

 

 

 

De andere twee soorten, Knikkend tandzaad (B. cernuus) en Vergroeidbladig tandzaad (B. connatus) zijn vaak moeilijk te onderscheiden van de twee reeds genoemde soorten.

 

 

Vergeet-mij-nietje (Boraginaceae)

 

Het VERGEET-MIJ-NIETJE (Myosotis arvensis) is geen erg lastig onkruid, ook al heeft het de neiging zich ongemerkt in de tuin te vestigen. De plant kan zich nogal snel verbreiden, doordat ieder exemplaar ongeveer 700 zaden produceert. De planten zijn echter gemakkelijk door wieden in bedwang te houden. De helderblauwe bloemen van 5 mm doorsnee met vijf bloemblaadjes en een geel oog maken de plant gemakkelijk te herkennen. Ze staan afwisselend, op korte steeltjes, aan het bovenste deel van de lang behaarde stengels.

Vóór de bloei zijn de stengels aan het eind naar binnen opgerold. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De onderste bladeren zijn gesteeld en rondachtig-ovaal: ze vormen een rozet aan de basis; de stengel-bladeren groeien afwisselend en zijn lancetvormig en stengelomvattend. Alle bladeren zijn aan weerszijden behaard. Het vergeet-mij-nietje is een eenjarige plant van 120 tot 60 cm hoogte. Algemeen voorkomend in praktisch geheel Europa, Noord- en Midden-Azië en Noord-Amerika. In ons land vooral op bebouwde zandgrond die rijk is aan humus in lichte bossen en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vetmuur (Caryophyllaceae)

 

LIGGENDE VETMUUR (Sagina procumbens) vormt een dichte rozet van lijnvormige blaadjes die 5-12 mm lang zijn en zich aan de top tot een stekelpuntje vernauwen. Uit de rozet komen liggende stengeltjes tevoorschijn met nog kleinere blaadjes, die in groepjes tegenover elkaar staan. Uit iedere groep blaadjes ontspringt een naar verhouding lange bloemsteel met een heel klein wit bloempje, dat vier bloemblaadjes bezig. Soms zijn de bloemblaadjes afwezig en zijn er alleen de vier grotere, groene kelkblaadjes. Dit onkruid komt voor in geheel Europa en in delen van Noord-Amerika. Bij ons zeer algemeen op zandgrond, tussen straatstenen, op muren en dergelijke. De bloemen verschijnen van mei tot september en bestuiven zichzelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vroegeling (Cruciferae)

 

Vroegeling (Erophila verna) is een heel klein rozetplantje dat zijn witte bloemetjes al vroeg in het jaar laat zien (februari-mei). De grootste hoogte die het plantje bereikt is 15 cm; soms is het niet hoger dan 3 cm. De bloemblaadjes zijn, zoals altijd bij de Kruisbloemenfamilie, vier in getal, maar ze zijn zo diep ingesneden dat het lijkt alsof het er acht zijn. De bladeren zijn spatelvormig tot lancetvormig, behaard en met of zonder getande randen. Uit het centrum van de rozet ontstaan verscheidene stengeltjes, die ieder een bloeiwijze dragen. Zoals de naam al zegt is Vroegeling een van de vroegst bloeiende wilde plantjes; het is een vormenrijke soort die voorkomt in geheel Europa, in Noord-Amerika, Noord-Afrika en Noord-Azië. Bij ons algemeen (en soms massaal voorkomend) op open, zandige terreinen, langs wegen, in parken en in de duinen. Ook op veengrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wit hoefblad ; Petasites albus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_2609-m-wit-hoefblad

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de ronde tot kegelvormige trossen met witte tot geelwitte bloemhoofdjes en
– de vroege bloeiperiode

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Wit hoefblad is geen inheemse plant. Ze behoort tot de stinsenplanten en komt oorspronkelijk uit de bergen van Midden-Europa en West-Azië, is hier te koop als sierplant en wordt aangeplant in parkbossen op schaduwrijke plaatsen met vochtige, voedselrijke grond, waar ze zich lang kan handhaven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Wit hoefblad is een overblijvende, geurende plant. Ze wordt 5 tot 30 cm hoog en bloeit in februari en maart met (geel)witte ronde tot kegelvormige trossen, die bestaan uit een aantal bloemhoofdjes, die op hun beurt weer samengesteld zijn uit een aantal buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Wit hoefblad is net als klein en groot hoefblad een naaktbloeier; de wortel-standige bladeren verschijnen aan het einde van de bloeiperiode. Ze zijn hartvormig, van onderen blijvend grijs-viltig en uitgegroeid tot 30 cm in doorsnee. Door de kruipende wortelstok breidt wit hoefblad zich uit en groeit ze in groepen.

 

 

petalbus5

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Groot en wit hoefblad lijken op elkaar. Beiden hebben een ronde tot kegelvormige bloeiwijze en opvallend grote bladeren, die pas na de bloei verschijnen. Ze verschillen in de kleur van de bloemen; groot hoefblad is roze, wit hoefblad is wit tot gelig. Daarnaast bloeit wit hoefblad eerder dan groot hoefblad.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

groot hoefblad

 

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– voorkomend in parkbossen, soms
lang standhoudend
– 5 tot 30 cm

Bloem
– (geel)wit
– februari en maart
– ronde tot kegelvormige trossen
– buisbloem
– hoofdje circa 2,5 cm

Blad
– wortelstandig
– enkelvoudig
– top rond
– rand onregelmatig getand
– voet hartvormig
– hand- en netnervig

Stengel
– rechtop
– met bleke, smalle schutbladen

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein hoefblad : Tussilago farfara

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

hoefbladklein-130406-120

 

 

 

Goed te herkennen aan


– de goudgele bloemhoofdjes met een straal van zeer veel smalle straalbloemen en

– de vroege bloei met alleen bloemhoofdjes, geen blad

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein hoefblad is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze is een echte pionierplant en groeit vooral op zonnige, vrij open plaatsen met omgewerkte, zeer voedselrijke, meestal kalkhoudende grond, waar nog weinig andere begroeiing is. De lange ondergrondse wortelstokken helpen de grond, als die de neiging heeft om-laag te glijden, goed op zijn plaats te houden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode begint vroeg in het voorjaar (soms al in februari). Ze bloeit met goudgele bloemenhoofdjes van 2-3 cm. De bloemstelen zijn 7 tot 15 cm hoog. De bloemenhoofdjes staan eerst rechtop, later knikkend. Na het rijpen van de zaden richten de hoofdjes zich weer op en groeien de bloemstelen uit tot ongeveer 30 cm. De bloe-menhoofdjes bestaan uit een straal van ongeveer 300 zeer smalle, vrouwelijke, draadvormige straalbloemen met in het hart 30 tot 40 mannelijke 5-slippige buisbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Tijdens de bloei staan er groene of bruin- tot roodachtige, spinnenwebachtig behaarde, schubvormige blaadjes langs de wollig behaarde bloemsteel. De bladeren die na de bloei verschijnen zijn groen, (ei)rond tot hartvormig, gelobd en onregelmatig getand, wortelstandig en aan de onderkant blijvend wit viltig behaard. Aan de bovenkant zijn de bladeren spinnenwebachtig behaard, maar de beharing tussen de nerven verdwijnt later. De bladtanden zijn iets verdikt en bruin- tot zwartachtig. Vaak vertoont de hele bladrand een dergelijke kleur.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Vroeger werd klein hoefblad gebruikt als hoestdempend middel vanwege de rijkelijk aanwezige flavonoïden, slijm – en looistoffen. Inmiddels is bekend dat de plant ook pyrrolizidin-alkaloïden bevat, die de lever beschadigen en als kankerverwekkend worden beschouwd. Het gebruik van klein hoefblad is dan ook af te raden.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Evenals de andere hoefblad-soorten is ook klein hoefblad een naaktbloeier. Dat wil zeggen dat de bladeren zich pas na de bloei gaan ontwikkelen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen  komen 4 soorten hoefblad voor, die alle vier goed uit elkaar te houden zijn, zeker als je ze gezien hebt. Klein hoefblad is laag en heeft gele bloemen. Groot hoefblad heeft een kegelvormige, bleek-roze bloeiwijze. Japans en wit hoefblad lijken het meest op elkaar. Ze zijn het makkelijkst van elkaar te onderscheiden aan de hand van de schutbladen aan de bloeistengel; bij Japans hoefblad zijn die bladen duidelijk langer dan de bloeiwijze, bij wit hoefblad zijn ze korter.

 

 

groot hoefblad

 

 

 

 

Japans hoefblad

 

 

 

 

wit hoefblad

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 30 cm hoog

Bloem
– gele buisbloemen
– zeer smalle gele straalbloemen
– vanaf februari t/m april (mei)
– alleenstaand hoofdje
– 2 tot 3 cm

Blad
– stengelblad :
– enkelvoudig
– verspreid
– lancetvormig
– schubvormig
– groen of bruin- tot roodachtig
– voet halfstengelomvattend
– parallelnervig

– wortelstandig blad :
– enkelvoudig
– (ei)rond tot hartvormig
– 10 – 30 cm breed
– groen
– bovenkant spinnenwebachtig
behaard, later tussen de nerven kaal
– onderkant wit viltig behaard
– voet hartvormig
– gesteeld
– handnervig
– soms paars, rood, bont of gevlekt     gekleurd

Bloeistengel
– rechtop, later knikkend
– niet vertakt
– wollig behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

  

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

John Astria

John Astria

Onkruid soorten in ons land – letter F

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

 

Fijnstraal (Composistae)

 

Het verhaal van de verspreiding van CANADESE FIJNSTRAAL (erigeron canadensis) is heel interessant. De plant kwam oorspronkelijk alleen voor in Noord-Amerika, maar rond 1686 reisde hij naar Europa in een opgezette vogel die was gevuld met de gepluimde zaden. Ongeveer 20 jaar later groeide hij verwilderd in Londen en omgeving en in 1877 was hij algemeen op braakliggende terreinen in Londen en op de taluds van de nieuwe spoorlijnen die in het begin van de jaren ’40 waren aangelegd. Tegen het eind van de eeuw groeide hij al in tien Engelse graafschappen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij een bekende verschijning op terreinen waar bombardementen hadden plaatsgevonden. Canadese fijnstraal is een stijf rechtopgroeiende eenjarige plant van 15 tot 90 cm hoog, met vele steeltjes die bloemhoofdjes dragen van kleine buisbloempjes omgeven door minuscule straalbloempjes. De buitenste straalbloempjes zijn draadvormig en groenachtig wit tot lavendelkleurig of enigszins rood getint; de binnenste zijn geelachtig wit.

De smalle donkergroene bladeren staan afwisselend langs de stengel en zowel stengel als bladeren zijn borstelig behaard. De bloeitijd is van juni tot november. Na de bloei verandert de plant als het ware in een hoop wit dons. Er wordt zeer veel zaad gevormd: grote planten kunnen meer dan een kwart miljoen zaden produceren. De plant moet omzichtig behandeld worden, want hij bevat een stof die de huid irriteert; bovendien schijnt hij bij inwendig gebruik tot vergiftiging te kunnen leiden. Als bijdrage aan de composthoop voegt hij wat stikstof toe.

 

 

 

 

 

 

 

Geschiedenis gebruik

 

De Navajo Indianen gebruikten het kruid van de Canadese fijnstraal om puisten mee te behandelen. Verder werd het gebruikt als medicijn tegen slangengif. De Chippewa Indianen gebruikten het bij menstruatiepijn. In 1665 werd het door Europese reizigers meegenomen naar Europa. Men was in die tijd zeer geïnteresseerd in uitheemse planten en de eventuele sierwaarde en medicinale aspecten. Al snel kreeg Canadese fijnstraal faam in Europa omdat een thee van dit kruid goed werkt bij menstruatiepijn, baarmoederbloeding en diarree. In Duitsland wordt dit kruid tot op de dag van vandaag gebruikt in kruidenboter, kruidenzout en kruidenmengsels. Het kruid heeft een licht bittere smaak en wordt geoogst van april tot juli.

 

 

 

 

 

Werkzame stoffen

 

Van deze plant wordt het bovengronds groeiende kruid gebruikt. Daarin zitten de volgende werkzame stoffen: gallotanninen, o-benzyl-benzoëzuur, etherische olie zoals d-limoneen en trans-a-bergamoteen, terpineol en derivaten hiervan, citronellal, p-cymol, linalool, de flavonoïden scutellaroside en glucoronide van scutellareïne, de fytosterolen stigmasterol, stigmastadienol, spinasterol en sitosterol, polyïnen, matricariaester en dehydromatricariaester.

 

 

 

 

 

Urinedrijvend

 

Canadese fijnstraal is niet alleen urinedrijvend maar ook urinezuurdrijvend. Bovendien heeft het ontstekingsremmende werking. Urinezuur is de belangrijkste oorzaak van het voorkomen van reumatische aandoeningen waaronder in feite ook lumbago of lage rugpijn en jicht vallen. Door deze medicinale werkingen wordt Canadese fijnstraal in de fytotherapie toegepast bij de volgende

indicaties:

  • Artritis,
  • Artrose,
  • Jicht,
  • Lumbago,
  • Albuminurie of eiwit in de urine,
  • Ter preventie van cystitis of blaasontsteking.

 

 

 

 

 

 

 

Dosis en veiligheid conyza

 

Wie zich aan de voorgeschreven dosis houdt heeft geen kans op bijwerkingen; althans, deze zijn nooit eerder beschreven. Er zijn enkele manieren om van de geneeskracht van Canadese fijnstraal gebruik te maken:

  • Driemaal daags 30 druppels moedertinctuur.
  • Twee koffielepels per dag van een vloeibaar extract.
  • ´s Morgens drie koppen van een decoct of afkooksel van 150 gram van het kruid per liter water. Zorg dat het water met het kruid vijf minuten doorkookt.