Tagarchief: duingebieden

Boksdoorn

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

boksdoorn

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de oranje, eironde tot langwerpige bessen aan
– een gedoornde struik met helder roze, trechtervormige bloemen,
– waarvan de meeldraden en stijl ver buiten de kroon steken

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Boksdoorn is een doornige, niet inheemse struik, afkomstig uit China, in de 18de eeuw in Europa ingevoerd en sindsdien ingeburgerd. Vanwege het uitgebreide wortelstelsel en de doornige takken is ze zeer geschikt om verstuiving tegen te gaan, daarom is ze aangeplant in de duingebieden, waar ze zich goed kan handhaven. Het wortelstelsel houdt het zand vast en de doornige takken, die een haag vormen, breken de wind. In de duingebieden komt de plant vaak voor, elders is ze zeer zeldzaam.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Boksdoorn bloeit vanaf mei tot in de herfst. De bloemen staan met 1 tot 4 in de bladoksels. Ze zijn helder roze, de kroonbladen zijn buisvormig vergroeid, de kroonslippen recht afstaand. Meeldraden en stijl steken ver buiten de bloem. De kelk is klokvormig en onregelmatig 3 tot 5-slippig.

 

 

boksdoorn-bloem

 

 

 

Blad en vrucht

 

De slanke takken worden hout, zijn meestal gedoornd, staan eerst rechtop en gaan later boogvormig overhangen. De bladeren staan verspreid, alleen of in een groepje. Ze zijn langwerpig, kaal en in het midden het breedst. De vrucht is een oranje, eironde tot langwerpige bes.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Net als alle planten uit de nachtschadefamilie is boksdoorn licht giftig, maar ondanks dat worden de bessen wel gegeten. Ze bevatten veel antioxidanten, vitamines en mineralen en worden verkocht als superfood onder de naam goji bessen.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– nachtschadefamilie (Solanaceae)
– overblijvend
– plaatselijk vrij algemeen tot zeer
zeldzaam
– 1 tot 3 meter

Bloem
– helder roze
– vanaf mei tot in de herfst
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 8 tot 9 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 3, 4 of 5 kelkbladen, vergroeid
– 4 of 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– rechtop of gebogen
– meestal gedoornd
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

John Astria

Basterdklaver : Trifolium hybridum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

basterdklaver-110603-544

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de hoofdjes, die rozer zijn dan witte klaver
– maar minder roze dan rode klaver en
– die op lange stelen staan
– zonder bladeren direct onder het bloemhoofdje en
– de eironde bladeren zonder witte vlek

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Basterdklaver is een overblijvende, niet kruipende plant. Ze groeit op vochtige, voedselrijke grond in graslanden, bermen, leem- en kleigroeven en wordt 30 tot 90 cm hoog. Ze is plaatselijk algemeen, maar zeldzaam in de duingebieden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf mei tot en met september. De geurende bloemen in het hoofdje zijn eerst wit, worden later roze. Als ze verwelken worden ze bruin en gaan ze hangen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

De bloemhoofdjes van basterdklaver staan op lange stelen en in tegenstelling tot rode en bochtige klaver zitten er direct onder het hoofdje geen bladeren.  Ook de hoofdjes van witte klaver staan op lange bladerloze stengels. Witte klaver heeft een kruipende, op de knopen wortelende stengel. Basterdklaver is geen kruipende plant.

 

 

 

rode klaver : roze tot paarsrode bloemhoofdjes, bladeren direct onder het hoofdje, witte vlekken op de eironde bladeren.

 

 

 

 

 

 

 

bochtige klaver : helder roze bloemhoofdjes, langwerpige bladeren met soms een onduidelijke witte vlek, de bovenste stengelbladeren zitten iets verder van het hoofdje af dan bij rode klaver.

 

 

 

 

 

 

 

witte klaver : kruipende plant, lang gesteelde bloemhoofdjes met witte bloemen, soms met roze waas, uitgebloeide bruine bloemen in het hoofdje gaan hangen, eironde bladeren met witte vlek.

 

 

 

 

 

 

 

basterdklaver : niet kruipende plant, lang gesteelde roze/witte bloemhoofdjes, uitgebloeide bruine bloemen gaan hangen, eironde bladeren zonder witte vlek.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– plaatselijk algemeen tot zeldzaam
– 30 tot 90 cm

Bloem
– roze en wit
– vanaf mei t/m september
– hoofdje
– vlinderbloem
– 7 tot 9 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– deelblaadjes eirond
– top uitgerand of met spitsje
– rand fijn getand
– voet afgerond
– veernervig
– zonder vlek

Stengel
– opstijgend
– kaal
– rolrond
– bloeistengel vierkant
– niet wortelend

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

 Duinviooltje : Viola curtisii

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

.

 

 

 

Goed te herkennen aan
– (meestal) drie verschillende kleuren kroonbladen en
– de groeiplaats; in de duinen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Duinviooltje is een overblijvend plantje van 10 tot 25 cm hoog. Ze komt algemeen voor in de duinen, vaak enigszins op verstuivende, voedselarme zandgrond. De plekken waar konijnen actief zijn hebben de voorkeur; ze doet het erg goed op konijnenmest. Komt ze buiten de duingebieden voor dan is ze aangevoerd met duinzand of je hebt een driekleurig viooltje gevonden.

Duinviooltje heeft een dunne, verticale, zich vertakkende wortelstok, waaruit meestal veel opstijgende stengels groeien. De penwortels gaan tot 1 meter diep. Bij droogte kan duinviooltje zo nog aan water komen. Tevens kan duinviooltje goed tegen vorst.

 

 

driekleurig viooltje

 

 

 

BLoem

 

Duinviooltje bloeit vanaf april tot in de herfst. De hoofdbloei valt in april en mei. De bloemen zijn blauw- of roodpaars met wit en lichtgeel. Soms zijn ze geheel paars, geelachtig of wittig. In de herfst zijn de bloemen vaak wat kleiner. De onderste kroonbladen zijn altijd lichter van kleur dan de bovenste. De gele vlek aan de basis van het onderste kroonblad vormt samen met de donkerpaarse streepjes het honingmerk.

De spoor reikt ongeveer 1,5 tot 3 mm verder dan de kelkbladen, duidelijk langer dan de spoor van driekleurig viooltje, dat hoogstens tot 1 mm voorbij de kelkbladen steekt.

.

 

 

 

 

Blad

De bladeren zijn donkergroen. In de winter zijn ze paars verkleurd. De bovenste zijn lancet- tot lijnlancetvormig; smal in vergelijking met die van driekleurig viooltje. De onderste bladeren zijn eirond tot rond, meestal vlezig. De steunblaadjes (de blaadjes aan de voet van de bladsteel) zijn veervormig met lange smalle eindslip.

.

 

 

 

 

Algemeen

 

viooltjesfamilie (Violaceae)
– overblijvend
– algemeen in de duinen
– (5) 10 tot 25 cm

Bloem
– combinatie van paars, wit en geel
– vanaf april tot in de herfst
– gesteeld alleenstaand
– 15 tot 20 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste rond of eirond
– bovenste lancet- tot lijnlancetvormig
– top stomp
– rand gekarteld
– voet afgerond of wigvormig
– veernervig

Stengel
– opstijgend of bovengronds liggend
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweekleurig springzaad : Impatiens balfourii

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

.

 

Goed te herkennen aan 
tweekleurige (wit en roze/lila), hangende, typische balsemien-bloemen met nagenoeg recht spoor langer dan 1 cm.

 

 

 

 

.

Algemeen

 

Tweekleurig springzaad is eenjarige tuinplant, oorspronkelijk afkomstig uit de Himalaya. Ze ontsnapt regelmatig uit tuinen en kan zich dan goed handhaven. Op dit moment mag ze als ingeburgerd beschouwd worden in stedelijke gebieden en een aantal duingebieden. Ze word 40 tot 80 cm hoog en groeit het liefst in vochtige grond op beschaduwde plekken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Tweekleurig springzaad bloeit vanaf juni tot in de herfst. De bloeiwijze is een tros van 4 tot 8 bij elkaar staande tweekleurige bloemen. Ze zijn wit en roze of lila. Ze hebben een nagenoeg recht spoor, dat aan het onderste kelkblad zit. Dat kelkblad is zakvormig vergroeid en is wit/roze van kleur. De overige 2 kelkbladen zijn kleiner en wit en zitten bovenop aan de zijkant van de bloem. Het bovenste kroonblad is wit.

De middelste twee (veel kleinere) kroonbladen zijn ook wit en de onderste twee zijn roze of lila. Op de twee onderste kroonbladen en wat dieper in de bloem zitten donkergele vlekken en streepjes (honingmerk). De spoor van de knoppen is nog terug gekromd, maar strekt zich later bijna recht uit.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn eirond tot langwerpig en hebben een regelmatig fijn gezaagde rand. Ze staan verspreid aan de stengel.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Net als de andere springzaad soorten zaait tweekleurig springzaad zich heel gemakkelijk uit. Bij aanraking van de plant springen de rijpe zaaddozen open en worden de zaden er met kracht uitgeslingerd.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

 

klein springzaad : ichtgele kleine bloemen, nagenoeg recht spoor (niet teruggekromd), rechtopstaande bloemstelen.

 

 

 

 

 

 

 

groot springzaad : gele bloemen, krom spoor, hangende bloemstelen.

 

 

 

 

 

 

 

oranje springzaad : oranje bloemen met roodachtige vlekken, krom spoor, hangende bloemstelen.

 

 

 

 

 

 

 

reuzenbalsemien : bloemkleur is een combinatie van roze/lila/paars en wit, krom spoor.

 

 

 

 

 

 

 

tweekleurig springzaad : bloemkleur is een combinatie van roze/lila en wit, nagenoeg recht spoor, recent ingeburgerd in stedelijke gebieden.

 

 

 

 

Algemeen

 

– balsemienfamilie (Balsaminaceae)
– eenjarig
– recent ingeburgerd
– 40 tot 80 cm

Bloem
– wit en roze of lila
– vanaf juli tot in de herfst
– tros, 4 tot 8 bloemen
– gespoord
– incl. spoor tot 3 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 3 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top toegespits
– rand fijn gezaagd
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– kantig

zie wildebloemen

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Zwarte mosterd : Brassica nigra

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de vorm van de plant; groot en wijd vertakt en
– de vruchten, die tegen de stengel aangedrukt zitten en
– de bovenste lancetvormige (niet gedeelde) bladeren en
– de groengele kelkbladen, die tenslotte recht afstaan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zwarte mosterd is een eenjarige plant van open, vochtige, voedselrijke grond aan rivieroevers en op omgewerkte grond in bermen. Ze is algemeen in de rivierengebieden en plaatselijk algemeen de duingebieden. Elders is ze zeldzaam.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Zwarte mosterd bloeit vanaf juni tot en met september na de hoofdbloei van herikraapzaad en koolzaad. De kroonbladen zijn iets lichter geel dan die van de genoemde soorten. De kelkbladen zijn groengeel. Bij een vol in bloei staande bloem staan de kelkbladen recht af en zijn de randen ingerold.

De bloeiwijze is een tros. De tros groeit door, maar behoudt min of meer de bolvorm, omdat de onderste bloemen verwelken of een vrucht vormen. De vruchten net onder de tros staan iets van de stengel af, de lagere staan tegen de stengel aangedrukt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn liervormig met 1 tot 3 zijslippen. Ze zijn aan beide zijden verspreid ruw behaard. De bovenste bladeren zijn eirond tot langwerpig, kaal en hebben een getande of gave rand. Alle bladeren zijn gesteeld. Wat verder in de bloeitijd is zwarte mosterd goed te herkennen aan haar vorm; de plant wordt bossig, wijd vertakt met kleine, min of meer ronde trosjes bloemen aan het einde van de stengels en zijstengels.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Grijze mosterd heeft veel weg van zwarte mosterd. Hieronder staan de verschillen.

 

zwarte mosterd
– bloemen geel, 10 tot 15 mm
– kelkbladen tenslotte recht afstaand
– onderste delen van de plant verspreid borstelig behaard
– vrucht 1 tot 2,5 cm lang
– stengels wijd vertakt
– algemeen tot zeldzaam
  grijze mosterd
– bloemen bleekgeel, 7 tot 10 mm
– kelkbladen rechtop
– onderste delen van de plant dicht (grijs) behaard
– vrucht 7 tot 15 mm lang
– stengels al of niet vertakt
– zeldzaam, plaatselijk zeer talrijk in stedelijke gebieden en de   IJsselmeerpolders, elders zeer zeldzaam

 

 

 

 

grijze mosterd

 

 

 

zwarte mosterd

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)

– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 60 tot 120 cm

Bloem
– geel
– vanaf juni t/m september
– tros
– stervormig
– 10 tot 15 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen, niet vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– onderste :
– liervormig, 1 tot 3 paar zijslippen
– top stomp
– beide zijden verspreid ruw behaard
– bovenste :
– eirond tot lijnvormig
– getand tot gaafrandig
– top spits
– kaal
– voet afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– wijd vertakt
– onderaan verspreid behaard
– vaak bedauwd
– rolrond

zie wilde bloemen