Tagarchief: geel

Brazilianiet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Algemene informatie

.

Brazilianiet is een mineraal fosfaat dat typisch groengeel tot geel of wit tot kleurloos. Het is een doorzichtige steen met een glasachtige glans. Het monokliene mineraal heeft een gemiddelde dichtheid van 2,98, een hardheid van 5,5 en een witte streep.

.

.

.

.

.

.

Etymologie

.

Brazilianiet is vernoemd naar Brazilië, het land waar de steen voor het eerst gevonden werd.

.

.

.

.

.

.

Vindplaats

.

Het wordt het vaakst gevonden in fosfaatrijke pegmatieten. Het komt in pegmatieten voor in de vorm van perfecte kristallen. De enige bekende vindplaats van brazilianiet is in de omgeving van Conselheiro Pena, in de Brazilië. De voorbije jaren heeft deze plaats mineralen van grote kwaliteit opgeleverd, met perfect gevormde kristallen van een ongewone grootte. Sommige van deze mineralen zijn gevonden op muscoviet (met sterke zilverglans), ingegroeid in het moeder- gesteente.

Dergelijke specimina worden niet vermalen tot grondstof, maar vinden hun weg naar musea en privécollecties. De meest kristallen, donker groenachtig-geel tot olijfgroen, zijn soms tot 12 cm lang en 8 cm breed. Kristallen met gelijkwaardige vorm en grootte zijn ontdekt op een andere plaats in Minas Gerais, nabij Mantena, maar deze hebben geen perfect gevormde kristallen. Het mineraal is erg populair bij verzamelaars. Brazilianiet wordt nog gevonden in de Verenigde Staten, Tsjechië en Canada.

.

.

.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

samenstelling: NaAl3(OH)4(PO4)2

hardheid: 5,5

dichtheid: 3

.

.

.

.

.

Brazilianiet
Brazilianite-monocristal.jpg
Mineraal
Chemische formule NaAl3(PO4)2(OH))4
Kleur Geel, groen en kleurloos
Streepkleur Wit
Hardheid 5,5
Gemiddelde dichtheid 2,98 kg/dm3
Glans Glanzend
Opaciteit Doorzichtig
Breuk Conchoïdaal
Splijting [010] Goed
Kristaloptiek
Kristalstelsel Monoklien
Brekingsindices 1,60 – 1,62
Overige eigenschappen
Radioactiviteit Geen
Magnetisme Geen

 

.

..

 

.

.

.

.

.

Oosterse morgenster : Tragopogon pratensis subsp. orientalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

949d6707d6f44e64a9cfdf555991e210-om

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele lintbloemen, die langer zijn dan de omwindselbladen
– de gele helmknoppen met bruinpaarse streep en
– het grasachtige blad

 

 

d-oosterse-morgenster-a2615

 

 

 

Algemeen

 

Oosterse morgenster is een overblijvende plant van 20 tot 90 cm hoog, die groeit op vochtige, voedselrijke grond in hooilanden en op rivierdijken. Ze is zeldzaam voorkomend in het rivierengebied. Ze wordt ook uitgezaaid, vooral in stedelijke gebieden. Elders komt ze niet voor. Ze staat op de rode lijst als zeldzaam en sterk afgenomen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Oosterse morgenster bloeit vanaf mei tot en met juli met goud- of oranjegele bloemhoofdjes, die enkel bestaan uit 5-tandige lintbloemen. Buisbloemen ontbreken. De binnenste lintbloemen zijn wel wat kleiner dan de buitenste. De helmknoppen van Oosterse morgenster zijn geel en hebben een bruin-paarse streep. Net als de bloemhoofdjes van gele morgenster zijn ook de bloemenhoofdjes van Oosterse morgenster alleen in de ochtend geopend, vroeg in de middags sluiten ze zich weer tot de volgende morgen vroeg.

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeldzaam in het rivierengebied
– 20 tot 90 cm

Bloem
– goud- of oranjegeel
– vanaf mei t/m juli
– hoofdje, alleenstaand
– alleen lintbloemen
– 4 tot 5 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn- tot lintvormig
– top spits
– rand gaaf
– parallelnervig
– voet (half) stengelomvattend

Stengel
– rechtop
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Sfaleriet of zinkblende

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemene informatie

 

Het mineraal zinkblende, ook blende of sfaleriet (verouderd: sphaleriet) genoemd, is de belangrijkste bron voor de winning van zink. Het mineraal kan ook grote hoeveelheden ijzer en cadmium bevatten met vaak insluitsels van chalcopyriet(CuFeS2). Sfaleriet komt regelmatig voor als verontreiniging in looderts. Sfaleriet of zinkblende is van nature geel, bruin of grijs maar kan doordat het vaak insluitsels bevat ook rood, zwart, groen, grijs en wit zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Eigenschappen

 

Het mineraal heeft een hardheid van 3,5 – 4, en een gemiddelde dichtheid van 4,05. De geringe hardheid maakt dat het mineraal voor sieraden enkel geschikt is als het insluitsels van andere mineralen bevat. Zinkblende heeft een kubisch kristalstelsel. Het kan bestaan uit tetrahedrale of dodecahedrale kristallen, maar het heeft doorgaans geen mooie kristalvormen.

Splijting vindt plaats volgens het kristalvlak [110]. Het mineraal kan transparant tot doorschijnend zijn, maar ook geheel ondoorzichtig als het veel ijzer bevat. Het mineraal kan bruine, lichtgele of witte strepen bevatten. Zinkblende heeft een harsachtige glans.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naamgeving

 

De naam sphaleriet is afkomstig van het Grieks sphaleros, dat “verraderlijk” betekent. Het mineraal werd namelijk vaak voor galena (loodblende) aangezien, maar het bevat geen lood.

 

 

sfaleriet met galeniet, chalcopyriet, kwarts en realgar

 

 

 

 

 

 

 

Kenmerken

 

Zinkblende wordt gevormd in een grote verscheidenheid aan hydrothermale omstandigheden. Het komt vaak samen voor met pyriet en galeniet. De typelocatie van zinkblende is niet nader gedefinieerd en het mineraal komt zeer algemeen voor. Het geldt als het belangrijkste zink-erts.

 

 

 

fluoriet met sfaleriet

 

 

sfaleriet met chalcopyriet en bergkristal : cluster

 

 

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: (Zn,Fe)S

hardheid: 3,5 – 4

dichtheid: 3,9 – 4,1

 

 

sfaleriet met chalcopyriet

 

 

 

gekrsitalliseerde sfaleriet

 

 

 

Sfaleriet of zinkblende
Sphalerite4.jpg
Mineraal
Chemische formule ZnS met substituties door Fe
Kleur Geel, bruin of donkerbruin, afhankelijk van het ijzergehalte en onzuiverheden
Streepkleur Lichtgrijs of lichtbruin
Hardheid 3,5 – 4
Gemiddelde dichtheid 4,05 kg/dm3
Glans Hars- of diamantglans
Opaciteit Doorzichtig of doorschijnend
Breuk Oneffen
Splijting Perfect, [110]
Habitus Tetraëdrisch of dodecaëdrisch, gebogen vlakken, dikwijl massief of korrelig
Kristaloptiek
Kristalstelsel Kubisch
Brekingsindices 2,37-2,43 (isotroop)
Dubbele breking Geen; isotroop

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

gefacetteerde sfaleriet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Muizenoor : Hieracium pilosella

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

2237

 

 

 

Goed te herkennen aan

– de kleine paardenbloem-achtige bloemen, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant een brede rode streep hebben en
– de langwerpige tot spatelvormige rozetbladeren met lange, witte, afstaande haren aan de bovenkant en wit viltige onderkant

 

 

hieracium-pulsillum-schiermonnikoog-010

 

 

 

Algemeen

 

Muizenoor is een lage, grijsgroene, overblijvende plant van 5 tot 30 cm hoog. Ze groeit op open plaatsen in droge tot vrij vochtige, grazige grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Muizenoor bloeit vanaf mei tot de herfst met bleekgele tot gele bloemhoofdjes, die aan het einde van een bladerloze stengel staan. De hoofdjes bestaan uitsluitend uit lintbloemen. De onderkant van de buitenste lintbloemen heeft in het midden een brede rode streep. De omwindselbladen zijn maximaal 1,5 mm breed en zijn, evenals de stengels, behaard met lange witte haren en/of kortere zwarte klierharen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren staan in een rozet, meestal vrij vlak uitgespreid. Ze zijn langwerpig tot spatelvormig, boven het midden het breedst. Aan de bovenkant en langs de rand zijn ze verspreid behaard met lange, witte, afstaande haren. De onderkant is dichter behaard, wit en viltig. Om bij grote droogte verdamping te beperken krullen de bladeren om en wordt de witte onderkant zichtbaar.

Muizenoor vormt bovengrondse, bebladerde uitlopers, die nieuwe rozetten vormen. Op die manier kan ze hele stukken grond bedekken. Voor muizenoor is het wel van belang dat op de plaatsen waar ze groeit het gras laag blijft. Begrazing zal de groei van muizenoor daarom bevorderen.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Muizenoor bevat flavonoïden, looi- en bitterstoffen. In de kruidengeneeskunde wordt muizenoor nauwelijk nog gebruikt. In de volksgeneeskunde wordt ze nog wel toegepast bij lever-, maag- en darmaandoeningen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen
– 5 tot 30 cm

Bloem
– bleekgeel tot geel
– vanaf mei tot de herfst
– hoofdje alleenstaand
– alleen lintbloemen
– 2 tot 3 cm

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot spatelvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet aflopend (in steel)
– veernervig
– bovenkant lang zacht behaard
– onderkant wit viltig

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Muurbloem : Erysimum cheiri

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

erysimum-cheiri-muurbloem-07819

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, oranjegele, 4-tallige bloemen en
– de langwerpige bladeren met gave rand en spitse top

 

 

muurbloem1

 

 

 

Algemeen

 

Muurbloem is een overblijvende, zeer zeldzame, aangenaam geurende plant van 20 tot 90 cm hoog. Ze groeit op kalkrotsen en op oude stadsmuren en ruïnemuren, die gevoegd zijn met zachte kalkspecie.,Meestal groeit ze niet op de rechte delen, maar op de uitspringende of scheef gezakte delen van de muur.

Ze is wettelijk beschermd en staat op de rode lijst. Oorspronkelijk is ze afkomstig uit het oostelijke Middellandse Zeegebied. Ze is als sierplant verspreid over Europa en vanuit tuinen verwilderd. Als tuinplant heeft ze goudgele tot oranje of bruine tot donkerpaarse bloemen.

 

 

tuinplant

 

 

 

tuinplant

 

 

 

Bloem

 

Muurbloem bloeit in mei en juni met oranjegele bloemen. De bloemen staan in trossen aan het einde van de stengel en zijstengels. Ze hebben 4 zacht behaarde kroonbladen en 4 kelkbladen. De kelkbladen zijn meestal groen, maar ze kunnen ook bruin zijn.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Alle bladeren zijn langwerpig, hebben een gave rand en een spitse top. De stengels verhouten aan de voet.

 

 

wild

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam, stadsplant
– ook als tuinplant
– beschermd en op de rode lijst
– 20 tot 90 cm

Bloem
– geel
– mei en juni
– tros
– stervormig
– 2 tot 2,5 cm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– voet gevleugeld
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– onderste gedeelte verhout
– behaard
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Bariet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Het mineraal bariet (ook wel bariumsulfaat, zwaarspaat, blanc fixe of permanentwit genoemd) is een barium-sulfaat met de chemische formule BaSO4. Het kan o.a. kleurloos, wit, geel, grijs en blauw zijn. Het is transparant, doorschijnend of opaak en heeft een glas- of parelglans. Bariet is niet oplosbaar in water, zuren en basen.

 

 

 

 

 

Eigenschappen

 

Het heeft een hardheid van 3 tot 3,5. Bariet is niet oplosbaar in water en heeft een hoge weerstand tegen andere chemicaliën. Het heeft een dichtheid van 4,48 kg/dm3, een witte streepkleur en de splijting van het mineraal is perfect volgens [210] en imperfect volgens [010]. De dubbelbreking van bariet is 0,0110 – 0,0120. Er bestaan stenen van onzuiver bariumsulfaat die opgloeien in het donker, zogenaamde Bologna-stenen.

 

 

 

 

 

Voorkomen

 

Bariet komt meestal voor in hydrothermale aderswaar het ontstaat bij lage tot middelmatige temperatuur. Verder wordt het gevonden in gangen en holten in kalksteen en in nieuwgevormde, vochtige en licht verzilte bodems. Bariet is een veel voorkomend mineraal en wordt o.a. gevonden in China, Europa (o.a. Engeland, Duitsland, Spanje), VS, Bolivia en Australië. In België wordt bariet aangetroffen te Blieberg, Angleur, Villers en Fagne en Fleurus.

 

 

.
.
.

 

Etymologie

 

De naam bariet komt van het Griekse woord barys wat “zwaar ” betekent. Dit vanwege het uitzonderlijk hoge gewicht voor een niet metaalhoudend mineraal.

 

 

 

.

.

Chemische eigenschappen

 

 

Mineraal
Chemische formule BaSO4
Kleur Kleurloos, soms gekleurd door onzuiverheden
Streepkleur Wit
Hardheid 3 tot 3,5
Gemiddelde dichtheid 4,48 kg/dm3
Glans Glas
Opaciteit Doorzichtig tot opaak
Breuk Oneffen
Splijting Perfect, [210]; imperfect, [010]
Kristaloptiek
Kristalstelsel orthorombisch
Brekingsindices 1,634 – 1,648
Dubbele breking 0,0110 – 0,0120
Overige eigenschappen
Chemisch gedrag Fosforiserend

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

bariet met fluoriet bariet cluster

 

 

 

bariet mineralen – Marokko

 

 

 

blauwe bariet

 

 

 

vandaniet kristallen op bariet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Scapoliet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemene informatie

 

Scapoliet is een groep mineralen bestaande uit aluminium, calcium, natriumsilicaat, chloor, carbonaat en sulfaat. Het kan geel, blauw, paars, grijs, wit en groen van kleur zijn. Scapoliet is een mineraalgroep uit de isomorfe reeks tussen marialiet en mejoniet. Beide behoren tot de tectosilicaten.

Het doorzichtig tot doorschijnend scapoliet heeft een glasglans, een witte streepkleur en de splijting is duidelijk volgens de kristalvlakken [100] en [110]. Scapoliet heeft een gemiddelde dichtheid van 2,66 en de hardheid is 6. Het kristalstelsel is tetragonaal en het mineraal is niet radioactief.

 

 

ruw

 

 

 

 

Etymologie

 

Scapoliet komt van het Griekse woord skapos wat staaf betekent, vernoemd naar de vaak langwerpige kristalvorm.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vindplaats

 

Scapoliet is een mineraal dat voorkomt als verweringsproduct van plagioklazen uit gabbro’s’s. De typelocatie van scapoliet is het Otter Lake in Canada. Afzettingen bevinden zich in Myanmar, waar gele, roze violette en blauwe kristallen te vinden zijn. Enige vertonen een kattenoogeffect. Gelijksoortige scapolieten komen ook voor in Sri Lanka.

Gele scapolieten worden gewonnen in Canada, lichtgele in Brazilië. Afzonderlijke doorzichtige kristallen kunnen 40 x 10 cm groot worden. Edelsteenskapolieten komen ook voor in Tanzania, Kenia, Madagaskar en Mozam- bique. Grote geslepen stenen zijn zeldzaam.

In het Smithsonian Institution in Washington bevinden zich onder andere een geslepen steen van 288 karaat, een geslepen skapoliet-kattenoog van 29,9 karaat uit Myanmar en een zware geeloranje geslepen steen uit Tanzania. Het wordt verder gevonden in Brevik, Noorwegen.

 

 

blauwe scapuliet

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

Samenstelling: 3NaAlSi3O8.NaCl – 3CaAl2Si2O8.CaCO3

hardheid: 5 – 6

dichtheid: 2,5 – 2,7

 

 

 

 

 

scapoliet
Skapolit,1 Benono, Madagaskar.jpg
Mineraal
Chemische formule Na4[Cl(Al3Si9O24)] MarialietCa4[CO3(Al6Si6O24)] Mejoniet
Kleur Kleurloos, wit, grijs, groengrijs, blauwachtig, roze, violet, oranje
Streepkleur Wit
Hardheid 5-6
Glans Glasglans, parelmoerglans
Breuk Schelpvormig, ruw
Kristaloptiek
Brekingsindices Ne 1,540 tot 1,548, No 1,549-1,567
Dubbele breking -0,007-0,020
Dispersie 2,017
Luminescentie Soms geel of oranje
Pleochroïsme Met blote oog waarneembaar

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bismut

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Algemene informatie

.

Bismut is een broos zwaar metaal met een witte kleur en een zilver-roze glans. Het is het enige zware metaal wat niet giftig is. Het oppervlak vertoont een dunne iriserende oxidatielaag die vele kleuren laat zien, van geel tot rood en blauw. De trapvormige structuur ontstaat doordat de kristallen met een onregelmatige snelheid groeien.

Bismut is een scheikundig element met symbool Bi en atoomnummer 83. Het is een roodwit hoofdgroepmetaal. Daarnaast is bismut het meest diamagnetisch. Het heeft een zeer gering elektrisch geleidingsvermogen en vertoont van alle metalen het hoogste Hall-effect. Bismut verbrandt onder vorming van een heldere blauw/groene vlam.

Bismut is één van de weinige stoffen die uitzet bij bevriezen; een eigenschap die het metaal deelt met water en gallium. Lange tijd werd bismut algemeen gezien als het zwaarste stabiele element. In 2003 ontdekten Franse onderzoekers echter dat de stabielste isotoop, bismut-209, toch zeer zwak radioactief is.

.

.

.

.

.

.

Etymologie

.

Bismut is afgeleid van het Duitse wismut, wat witte massa betekent. In het verleden werd bismut vaak verward met tin of lood omdat het daar veel eigenschappen mee deelt. In 1753 lukte het de Franse wetenschapper Claude François Geoffroy om bismut te scheiden van lood.

.

.

.

.

.

.

Vindplaats

.

Bismut houdende mineralen worden gewonnen in o.a. Australië, Bolivia, Canada, China, Mexico en Peru.

.

.

 

.

.

.

.

Toxicologie en veiligheid

.

Hoewel bismut tot de zware metalen behoort, is het onschadelijk voor organismen.

.

.

.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

samenstelling: Bi

hardheid: 2,25

dichtheid: 9,7

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Bastnasiet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Eigenschappen

 

Bastnasiet is een fluorhoudend carbonaatmineraal. Het doorzichtig tot doorschijnend geel tot roodbruine bastnasiet heeft een glas- tot vetglans, een witte streepkleur en de splijting van het mineraal is imperfect volgens het kristalvlak [1011] en onduidelijk volgens [0001]. Het kristalstelsel is hexagonaal. Bastnasiet heeft een gemiddelde dichtheid van 4,97, de hardheid is 4 tot 5 en het mineraal is niet tot zwak radioactief.

De gamma ray waarde volgens het American Petroleum Institute ligt, afhankelijk van de exacte samenstelling, tussen de 0 (voor de Y-houdende variant) en de 60.386,61 voor de cerium-houdende variëteit. De brekingsindex is 1,717 tot 1,818 en de dubbelbreking is 0,1010.

 

 

 

 

 

 

.

 

Naam

 

Het mineraal bastnasiet is genoemd naar de Bastnäs-mijn in Zweden, waar het mineraal voor het eerst gevonden werd.

 

 

ruw

 

 

 

 

 

Voorkomen

 

Bastnasiet is een mineraal dat gevormd wordt in de verweringszones van alkalische stollingsgesteenten. De typelocatie van bastnasiet is de Bastnäsmijn in het district Riddarhyttan in Västermanland te Zweden. Bastnasiet wordt momenteel gewonnen in Zweden, Noorwegen, de Balkan landen, Canada en de Verenigde staten.

 

 

.
.
.
.
.

 

 

Chemische eigenschappen

 

 

Mineraal
Chemische formule (La,Ce,Y)CO3F
Kleur Geel tot roodbruin
Streepkleur Wit
Hardheid 4 tot 5
Gemiddelde dichtheid 4,97 kg/dm3
Glans Glas- tot vetglans
Opaciteit Doorzichtig tot doorschijnend
Breuk Oneffen
Splijting Imperfect, [1011], onduidelijk [0001]
Kristaloptiek
Kristalstelsel diagonaal
Brekingsindices 1,017 – 1,818
Dubbele breking 0,1010
Overige eigenschappen
Radioactiviteit Niet tot zwak radioactief; gamma ray; 0 – 60.386,61 API

 

 

 

.

.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kleine klaver : Trifolium dubium

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

kleine-klaver

 

 

Goed te herkennen aan
– de gele bloemhoofdjes met vlinderbloemen, die een smalle vlag   hebben en
– die na de bloei geelbruin verkleuren en gaan hangen en
– het driedelige klaverblad

 

 

10952

 

 

 

Algemeen

 

Kleine klaver is een zeer algemeen voorkomend eenjarig plantje van 5 tot 30 cm hoog, dat zich het best thuis voelt op open, min of meer vochtige, min of meer voedselrijke grond op dijken, in wegbermen en hooilanden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met september met gele bloemhoofdjes, die bestaan uit 3 tot 15 (25) vlinderbloemen met een smalle, niet of nauwelijks geplooide vlag. De bloemetjes van de liggende klaver, hebben een brede, duidelijk geplooide vlag. Na de bloei verkleuren de bloemetjes naar geelbruin en worden teruggeslagen maar ze vallen niet af.

 

 

 

 

 

Blad

 

Het eindelingse blad van de middelste en bovenste samengestelde bladeren is langer gesteeld dan de 2 zijdelingse bladeren.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 3 tot 15 cm

Bloem
– geel
– vanaf mei t/m september
– hoofdje
– vlinderbloem
– tot 9 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld handvormig
– deelblaadjes :
– omgekeerd eirond
– zeer kort gesteeld
– top stomp
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– opstijgend of liggend
– vaak rood aangelopen
– behaard
– rond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria