Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

 Mannetjesereprijs : Veronica officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

man

 

 

Goed te herkennen aan
– de rijkbloemige trossen van lichtblauwe “ereprijs” bloemetjes, die
– in de bladoksels van beide tegenoverstaande bladeren staan

 

 

mannetjesereprijs-1

 

 

 

Algemeen

 

Mannetjesereprijs is een overblijvende, behaarde plant van 10 tot 50 cm hoog.

 

 

 

 

 

Biotoop

 

Bodem: Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op droge, matig voedselarme, onbemeste, humushoudende, vaak zwak zure tot basische (kalkhoudende) grond (zand en leem, zelden op uitgedroogd veen).

Groeiplaatsen: Heide (grazige plaatsen en heidebermen), grasland (schraal grasland), bermen (schrale plaatsen), zeeduinen, bossen (bosbermen), bosranden en kapvlakten.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf mei tot en met augustus. De bloemen zijn lichtblauw (zelden donkerblauw, roze of wit), neigend naar lila en donker geaderd.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn liggend, alleen de bloeiende stengels richten zich aan het einde op. Zowel stengels als bladeren hebben een dichte, ruwe beharing.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Bepaalde stoffen uit mannetjesereprijs worden gebruikt voor geneesmiddelen tegen bronchitis en huidaandoeningen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– algemeen in de duinen
– 10 tot 50 cm

Bloem
– lichtblauw, donker geaderd
– vanaf mei t/m augustus
– tros
– stervormig
– 6 tot 8 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 2 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– kort gesteeld
– eirond
– top stomp
– rand gekarteld/gezaagd
– voet wigvormig
– veernervig
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Middelste duivenkervel : Fumaria muralis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_0682-gr-middelste-duivenkervel

 

 

Goed te herkennen aan
– de vrij losse trossen lichtroze tot bijna witte bloemen met
– een donkerrode tot zwarte top met groene verdikking

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Middelste duivenkervel is een eenjarig, teer plantje van 20 tot 70 cm lang/hoog. Het geslacht is met ongeveer vijftig soorten inheems in de gematigde gebieden van Europa en Azië. Ze groeit op omgewerkte, vochtige, voedselrijke grond op akkers, langs heggen en in open bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Middelste duivenkervel bloeit vanaf mei tot en met september met lichtroze tot bijna witte bloemen. De bloemen vormen losse trossen van 6 tot 12 (15) bloemen en hebben een donkerrode tot zwarte top met groene verdikking. Het onderste kroonblad is vaak vrij en omlaag gericht. De twee kelkbladen hebben de kleur van de bloem, zijn gerafeld en staan plat tegen de (vergroeide) kroon.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel en bladeren zijn blauwgroen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

papaverfamilie (Papaveraceae)
– eenjarig
– zeldzaam voorkomend
– 20 tot 70 lang/hoog

Bloem
– lichtroze met donkere top
– mei t/m september
– tros
– gespoord
– 9 tot 14 mm
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 2 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel geveerd
– top met spitsje
– rand gaaf
– voet wigvormig
– handnervig
– blauwgroen

Stengel
– liggend of klimmend

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

 Melkkruid : Glaux maritima

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

3f7d6b66b1

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze/rode/witte, ongesteelde, klokvormige bloemetjes,
– bloeiend in de oksels van kleine, vlezige blaadjes, en
– groeiend op brakke plaatsen

 

 

img_4528-gr-melkkruid

 

 

 

Algemeen

 

Melkkruid is een vaste plant die voorkomt in de Nederlandse – en Vlaamse duinen en in slufters. Melkkruid komt ook in de kustgebieden van Europa en Noord-Amerika voor, de plant is een halofyt en wordt ingedeeld in de sleutelbloemfamilie. Melkkruid is een overblijvende, meestal lage, bodembedekkende plant, die groeit op hoge schorren en kwelders, op groene stranden, aan zeedijken, in brakke rietlanden, weilanden en in duinvalleien.

Ze heeft een duidelijke voorkeur voor brakke standplaatsen, maar wil niet regelmatig overspoeld worden met zeewater. Ze kan zich soms ook goed standhouden in een verzoetend milieu. Melkkruid komt algemeen voor in het maritiem gebied en ze is plaatselijk algemeen op de Waddeneilanden; zeldzaam in de duingebieden langs de gehele kust (incl. de Waddeneilanden) en eveneens zeldzaam in de rest van Zeeland, Zuid- en Noord-Holland, het noorden van Friesland en Groningen en langs het IJsselmeer.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Melkkruid bloeit vanaf mei tot en met augustus. De ongesteelde bloemen hebben een bloemdek van 5 tot de helft klokvormig vergroeide, roze/rode/witte kelkbladen. De kroonbladen ontbreken. De bloemen staan in de oksels van de bladeren in het middelste gedeelte van de stengels. Wat verder in de bloeiperiode is dat goed zichtbaar. Hoe minder zout de bodem, hoe uitbundiger de bloei.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan min of meer tegenover elkaar of aan het einde van de stengel verspreid. De stengels staan rechtop of liggen en zijn dan alleen aan het einde opstijgend. Ze wortelen en hebben melksap, al is dat laatste niet altijd duidelijk te zien.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

sleutelbloemfamilie (Primulaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– 2 tot 30 cm

Bloem
– roze, rood, wit
– vanaf mei t/m augustus
– ongesteeld alleenstaand
– klokvormig
– 3 tot 6 mm
– 5 bloemdekbladen, vergroeid
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid of tegenoverstaand
– enkelvoudig
– elliptisch tot lijnvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– 1-nervig
– vlezig

Stengel
– rechtop of liggend en opstijgend
– kaal
– rolrond of vierkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

 

Liggende klaver : Trifolium campestre

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_1285-gr-liggende-klaver

 

 

Goed te herkennen aan
– de citroen- tot goudgele hoofdjes met
– vlinderbloemen, waarvan de vlag breed en duidelijk geplooid is en
– het driedelige klaverblad

 

 

SAMSUNG DIGITAL CAMERA

 

 

 

Algemeen

 

Liggende klaver  is een eenjarige plant uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae), die van nature voorkomt in Europa tot in West-Azië en Noord-Afrika en van daaruit verspreidt is naar Noord-Amerika. Ze groeit op open, zonnige, min of meer droge, meestal kalkhoudende, grazige, zandige grond op zandduinen langs de rivieren, op dijkhellingen, in duinen en wegbermen en en in kalk- en leemgroeven.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Liggende klaver bloeit vanaf mei tot en met september met citroen- tot goudgele, kleine vlinderbloemetjes, die dicht opeen gerangschikt zitten in een okselstandig, lang gesteeld hoofdje. De hoofdjes zijn 20-40 bloemig en meer dan 1 cm in doorsnede. De vlag van de bloemetjes is breed lepelvormig, duidelijk in de lengterichting geplooid en de zijden zijn niet dicht gevouwen. Na de bloei vallen de bloemetjes niet af. Ze gaan wat naar beneden hangen en verkleuren via kleurloos naar lichtbruin.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Verspreid aan de aanliggend behaarde, ronde stengels zitten driedelige blaadjes. Het topblaadje is langer gesteeld dat de twee andere.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– algemeen tot vrij zeldzaam
– 5 tot 30 cm

Bloem
– citroen- tot goudgeel
– vanaf mei t/m september
– hoofdje
– vlinderbloem
– 7 tot 12 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– handvormig samengesteld
– deelblaadjes :
– omgekeerd eirond
– zeer kort gesteeld
– top stomp of uitgerand
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– opstijgend of liggend
– aanliggend behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

liggende-klaver

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

 Lelietje-van-dalen : Convallaria majalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

lelietjevandalenplantdetail

 

 

Goed te herkennen aan
de witte, aangenaam zoet geurende, klokvormige bloemetjes in een éénzijdige tros

 

 

lelietjee-van-dalen-in-het-bos

 

 

 

Algemeen

 

Lelietje-van-dalen of meiklokje is een giftige, overblijvende plant van 15 tot 30 cm hoog. Ze is algemeen voorkomend en groeit bij voorkeur in lichte loofbossen op matige vochtige, leemachtige grond. Op beschaduwde plaatsen vormt ze wel blad, maar komt niet tot bloei. Ze wordt ook aangeboden als tuinplant, waardoor je haar veel ziet in tuinen en parken. Door de ondergrondse, kruipende wortelstok kan ze zich behoorlijk uitbreiden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Lelietje-van-dalen bloeit vanaf mei tot en met begin juni met witte, hangende, klokvormige, aangenaam zoet geurende bloemetjes, die in een tros staan, allen naar 1 kant gericht.

 

 

 

 

 

Blad

 

Per plant ontwikkelen zich twee tot drie grote, lancetvormige of langwerpige bladeren, tot 10 cm breed.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bloemen worden vanwege hun geur gebruikt in de parfum- en cosmetica-industrie. Daarnaast wordt de plant ook gebruikt in de farmaceutische industrie, omdat ze saponine en verschillende glycosiden bevat, die de hartwerking beïnvloeden. Die stoffen worden verwerkt in medicijnen, die voorgeschreven worden bij hartzwakte en vochtophopingen, die het gevolg zijn van een slechte bloedsomloop.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– ook als tuinplant
– 15 tot 30 cm hoog

Bloem
– wit
– vanaf mei tot en met begin juni
– éénzijdige tros
– klokvormig
– 8 tot 10 mm
– 6 bloemdekbladen, vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig tot langwerpig
– top spits
– rand gaaf
– (half) stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

convallaria_majalis_-_kohler-s_medizinal-pflanzen-045

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

Kruipend zenegroen : Ajuga reptans

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

kruipend-zenegroen

 

 

Goed te herkennen aan
– de blauwpaarse, donker geaderde lipbloemen in de bladoksels aan het einde van de stengels en
– de spatelvormige bladeren met golvende of gave rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kruipend zenegroen is een overblijvende plant van 5 tot 40 cm hoog. Ze groeit op natte tot matig vochtige, matig voedselrijke grond in loofbossen, beekdalgraslanden, op lemige heide en in laag duingrasland. Ze wordt ook aangeboden als tuinplant.

Ze heeft bebladerde, bovengrondse uitlopers, die wortelen op de knopen en ze vormt daar nieuwe planten; ze groeit in groepen en kan op grazige plaatsen uitgestrekte bestanden vormen. Ze is algemeen in het oosten, midden en zuiden van het land en in de duingebieden, elders zeldzaam tot zeer zeldzaam.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kruipend zenegroen bloeit vanaf april tot en met juni. De bloeiwijze is een schijnaar en bestaat uit 3 tot 10 schijnkransen, die op hun beurt weer uit 6 tot 10 bloemen bestaan. De bloemen zijn blauwpaars (zelden roze of wit) en hebben donkere aders. De bovenlip is gereduceerd tot twee puntige slipjes. De onderlip bestaat uit 2 kleine zijlobben en een grotere, uitgerande middenlob.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels zijn bovenin afwisselend aan twee zijden zacht behaard, soms rondom. Het onderste gedeelte van de stengel is (vrijwel) kaal. De onderste bladeren zijn spatelvormig en gesteeld. Ze vormen een rozet. De stengelbladeren zijn ovaal tot omgekeerd eirond en worden naar boven toe steeds kleiner; de bovenste zijn kleiner dan de bloem en ze zijn vaak donker paarsrood verkleurd.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Vroeger werd kruipend zenegroen gebruikt in de homeopathie als middel tegen reuma en ontstekingen in de mond.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

lipbloemenfamilie (Lamiaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeer zeldzaam
– 5 tot 40 cm

Bloem
– blauwpaars, zelden roze of wit
– vanaf april t/m juni
– schijnkrans
– lipbloem
– 10 tot 17 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 behaarde kelkbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– enkelvoudig
– top stomp
– rand gaaf of zwak golvend
– veernervig
– onderste :
– rozet
– spatelvormig
– voet wigvormig
– bovenste :
– kruisgewijs tegenoverstaand
– ovaal of omgekeerd eirond
– voet wigvormig

Stengel
– liggend en opstijgend
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA

Kromhals : Anchusa arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-kromhals_bloem_anchusa_arvensis

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine (4-10 mm), lichtblauwe bloemen en
– de ruwe beharing van de hele plant

 

 

kromhals-westkapelle-zuiderduin-pe191

 

 

 

Algemeen

 

Kromhals is een eenjarige plant van 15 tot 60 cm hoog. De plant groeit voornamelijk op droge, zonnige standplaatsen. In Nederland vinden we de plant dan ook in de duinen, in Noord-Brabant en in Gelderland op leemhoudende grond. Ze is hier redelijk algemeen.

Ook in België wordt de soort als inheems beschouwd. Het verspreidingsgebied beslaat grote delen van Europa. In Noord-Amerika is de soort geïntroduceerd. Ze groeit op open, droge, voedselrijke, omgewerkte grond; ook op zandige vloedmerken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kromhals bloeit vanaf mei tot de herfst met kleine, 5-tallige, lichtblauwe bloemen. Zoals bij alle soorten van de ruwbladigenfamilie staan de bloemetjes in een schicht bijeen. De vijf kroonbladen zijn trechtervormig vergroeid. De hals van de bloem heeft een s-vormige bocht. Dat is alleen te zien als je de bloem uit de kelk trekt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn lang en smal (lancetvormig) en evenals de rest van de plant ruw behaard met op knobbels staande stijve haren.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 60 cm

Bloem
– lichtblauw
– vanaf mei tot de herfst
– schicht
– trechtervormig
– 4 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top stomp
– rand golvend getand
– voet (half) stengelomvattend
– 1-nervig
– ruw behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

mijne kop a4

Onkruid soorten in ons land – letter T en V

Standaard

Categorie:  Kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

Tandzaad (Compositae)

 

Het geslacht Tandzaad telt ongeveer 200 soorten, de meeste in Amerika. Zij behoren tot de grootste familie der bloeiende planten, de Compositae of Samengesteldbloemigen. Zoals de naam al aangeeft is datgene wat men voor een bloem aanziet bij deze familie in feite een verzameling heel kleine bloemetjes. Deze zijn gezamenlijk op een bloembodem ingeplant en zien er samen vaak als een ‘gewone’ bloem uit. Wat op het eerste gezicht een normale bloem lijkt is dus in feite een complete bloeiwijze. Deze wordt bij de Samengesteldbloemigen een bloemhoofdje genoemd.

Soms zijn de bloemhoofdjes bolrond, zoals we dat van Distels kennen. Ook bij het geslacht Tandzaad komt dit voor. In ons land zijn vier soorten van dit geslacht in de loop der jaren plaatselijk algemeen geworden, vrijwel altijd op voedselrijke plaatsen langs waterkanten.

De meest algemene soort in ons land is DRIEDELIG TANDZAAD (Bidens tripartitus), een van 3-90 cm hoge, eenjarige plant met rechtopstaande bloemhoofdjes. De vruchtjes hebben 2-4 naalden die met weerhaakjes zijn bezet, waardoor de vruchtjes gemakkelijk door mens en dier verspreid kunnen worden.

 

 

 

 

 

 

 

Dat geldt ook voor de volgende soort, ZWART TANDZAAD (Bidens frondosus), een eveneens eenjarige plant met oranje-gele bloemhoofdjes. De plant wordt 30 cm tot 1 m hoog. De samengestelde bladeren bestaan uit 3-5 delen. Komt vooral voor langs rivieren en kanalen.

 

 

 

 

 

 

 

De andere twee soorten, Knikkend tandzaad (B. cernuus) en Vergroeidbladig tandzaad (B. connatus) zijn vaak moeilijk te onderscheiden van de twee reeds genoemde soorten.

 

 

Vergeet-mij-nietje (Boraginaceae)

 

Het VERGEET-MIJ-NIETJE (Myosotis arvensis) is geen erg lastig onkruid, ook al heeft het de neiging zich ongemerkt in de tuin te vestigen. De plant kan zich nogal snel verbreiden, doordat ieder exemplaar ongeveer 700 zaden produceert. De planten zijn echter gemakkelijk door wieden in bedwang te houden. De helderblauwe bloemen van 5 mm doorsnee met vijf bloemblaadjes en een geel oog maken de plant gemakkelijk te herkennen. Ze staan afwisselend, op korte steeltjes, aan het bovenste deel van de lang behaarde stengels.

Vóór de bloei zijn de stengels aan het eind naar binnen opgerold. De bloeitijd is van mei tot in de herfst. De onderste bladeren zijn gesteeld en rondachtig-ovaal: ze vormen een rozet aan de basis; de stengel-bladeren groeien afwisselend en zijn lancetvormig en stengelomvattend. Alle bladeren zijn aan weerszijden behaard. Het vergeet-mij-nietje is een eenjarige plant van 120 tot 60 cm hoogte. Algemeen voorkomend in praktisch geheel Europa, Noord- en Midden-Azië en Noord-Amerika. In ons land vooral op bebouwde zandgrond die rijk is aan humus in lichte bossen en langs wegen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vetmuur (Caryophyllaceae)

 

LIGGENDE VETMUUR (Sagina procumbens) vormt een dichte rozet van lijnvormige blaadjes die 5-12 mm lang zijn en zich aan de top tot een stekelpuntje vernauwen. Uit de rozet komen liggende stengeltjes tevoorschijn met nog kleinere blaadjes, die in groepjes tegenover elkaar staan. Uit iedere groep blaadjes ontspringt een naar verhouding lange bloemsteel met een heel klein wit bloempje, dat vier bloemblaadjes bezig. Soms zijn de bloemblaadjes afwezig en zijn er alleen de vier grotere, groene kelkblaadjes. Dit onkruid komt voor in geheel Europa en in delen van Noord-Amerika. Bij ons zeer algemeen op zandgrond, tussen straatstenen, op muren en dergelijke. De bloemen verschijnen van mei tot september en bestuiven zichzelf.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vroegeling (Cruciferae)

 

Vroegeling (Erophila verna) is een heel klein rozetplantje dat zijn witte bloemetjes al vroeg in het jaar laat zien (februari-mei). De grootste hoogte die het plantje bereikt is 15 cm; soms is het niet hoger dan 3 cm. De bloemblaadjes zijn, zoals altijd bij de Kruisbloemenfamilie, vier in getal, maar ze zijn zo diep ingesneden dat het lijkt alsof het er acht zijn. De bladeren zijn spatelvormig tot lancetvormig, behaard en met of zonder getande randen. Uit het centrum van de rozet ontstaan verscheidene stengeltjes, die ieder een bloeiwijze dragen. Zoals de naam al zegt is Vroegeling een van de vroegst bloeiende wilde plantjes; het is een vormenrijke soort die voorkomt in geheel Europa, in Noord-Amerika, Noord-Afrika en Noord-Azië. Bij ons algemeen (en soms massaal voorkomend) op open, zandige terreinen, langs wegen, in parken en in de duinen. Ook op veengrond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Krabbenscheer : Stratiotes aloides

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

img_5229-gr-krabbenscheer

 

 

Goed te herkennen aan
– de boven water uitstekende, scherp getande bladeren in rozet en
– daartussen de 3-tallige witte bloemen

 

 

img_5239-gr-krabbenscheer

 

 

 

Algemeen

 

Krabbenscheer is een altijd groene waterplant. Ze groeit in voedselrijke, zoete en zwak brakke, luwe wateren; niet in groot open water. De plant komt voor in Eurazië en staat op de Nederlandse Rode Lijst van planten als algemeen voorkomend maar sterk afgenomen.

In België is het een zeldzame plant, die op de lijst van de wettelijk beschermde planten staat. Men vindt die slechts in de driehoek Gent, Antwerpen en Mechelen. Ook in Frankrijk is het een zeldzame plant die op de lijst van de wettelijk beschermde planten staat.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloemen van krabbenscheer zijn wit en bloeien vanaf mei tot en met juli in de bladoksels. Ze zijn of mannelijk of vrouwelijk. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke bloemen hebben 15 tot 30 priemvormige gele staminodia (steriele meeldraden). De mannelijke bloemen groeien op korte stelen; ze hebben een schotelvormige bloemkroon, staan met 3 tot 6 bij elkaar, telkens maar eentje in bloei. De vrouwelijke bloemen staan alleen, hebben een trechtervormige bloemkroon en zijn zittend of heel kort gesteeld.

 

 

 

 

 

Blad

 

Alle bladeren staan in een rozet. Ze zijn lancetvormig, puntig, enigszins gootvormig met getande rand. Op elke bladtand staat een naar de top gerichte stekel. De bladeren onder water zijn donkergroen tot wijnrood, die boven water zijn grasgroen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

In het winterhalfjaar is de plant in rust op de bodem; de cellen zijn dan gevuld met water. Zodra in de lente nieuwe bladeren gevormd worden, komt krabbenscheer naar boven. Krabbenscheer is een snelle groeier en vermenigvuldigt zich voornamelijk via de vorming van nieuwe rozetten aan het einde van uitlopers vanuit de bladoksels. Zo kan een sloot snel dichtgroeien. De populatie bestaat dan uit klonen van 1 soort; of mannelijk of vrouwelijk.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

waterkaardefamilie (Hydrocharitaceae)
– waterplant
– plaatselijk vrij algemeen tot   ontbrekend
– 15 tot 40 cm

Bloem
– wit
– vanaf mei t/m juli
– alleenstaand
– stervormig
– ongeveer 4 cm
– 3 kroonbladen, niet vergroeid
– 3 kelkbladen
– 12 meeldraden
– 6 stijlen

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand scherp getand
– voet gevleugeld
– parallelnervig

Stengel
– ondergedoken
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

John Astria

Kleine pimpernel : Sanguisorba minor subsp. minor

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

kleine-pimpernel-jpg_595

 

 

Goed te herkennen aan
de groenige bloemhoofdjes met rode penseelvormige stempels en hangende meeldraden

 

 

1117dc778409fb4694a1347337159cc4

 

 

 

Algemeen

 

Kleine pimpernel is een overblijvende plant van 15 tot 60 cm, oorspronkelijk afkomstig uit het Middellandse Zeegebied. Ze groeit op min of meer droge, kalkhoudende grond in graslanden en bermen, op hellingen en langs struikgewas en op hoger gelegen delen van de uiterwaarden. Kleine pimpernel staat op de rode lijst als zeldzaam en matig afgenomen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kleine pimpernel bloeit vanaf mei tot en met juli (soms tot de herfst) met kogelronde tot eironde bloemhoofdjes. De bloemen in het hoofdje hebben groene, vaak rood aangelopen bloemdekbladen. De bovenste bloemen in het hoofdje zijn vrouwelijke bloemen met per bloem twee stijlen, die elk een penseelvormige stempel hebben bestaande uit talrijke rode slippen. De onderste bloemen zijn mannelijk met 10 tot 30 hangende meeldraden. De bloemen in het midden van het hoofdje zijn vaak tweeslachtig.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn samengesteld en bestaan uit 9 tot 25 eironde, zittende of kort gesteelde deelblaadjes.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam
– 15 tot 60 cm

Bloem
– groen, vaak rood aangelopen
– vanaf mei t/m juli
– lang gesteeld hoofdje
– stervormig
– bloemhoofdje 1 tot 2 cm
– 4 bloemdekbladen
– 10 tot 30 hangende meeldraden
– 2 stijlen
– 1 penseelvormige stempel per stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld oneven geveerd
– deelblaadjes langwerpig tot eirond
– top stomp
– rand gezaagd
– veernervig

Stengel

– rechtop
– onderaan behaard, zelden kaal
– rolrond of stomp vierkantig
– vaak voorzien van rode strepen en punten

zie wilde bloemen

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

JOHN ASTRIA