De Eindtijd in Liber Divinorum Operum
.
De verteltrant bij het laatste visioenbeeld van Scivias was nog min of meer onbevangen, als het verslag van een ontdekkingsreis, die weliswaar griezelig was maar toch ook spannend en die goed afliep. God zij lof gezongen!
De eindfase van de ‘Goddelijke werken’ daarentegen is meer beklemmend dan opwindend. De toon is overwegend somber, als van iemand die veel gereisd en te veel gezien heeft. Er klinkt een zekere berusting in hetgeen de stem uit de hemel Hildegard laat opschrijven.
Ook de laatste visioenbeelden die de eindtijd aankondigen, zijn anders dan die in Scivias. De monsterachtige verschijning van de Antichrist had een natuurlijk uiterlijk, al was dit wanstaltig. Het miniatuur dat dit vreemde tafereel uitbeeldt, roept toch een schoonheidsbeleving op. De beelden die Hildegard twintig jaar later zag, zijn vreemd en hebben iets afstotends. Dat komt ook in de miniaturen tot uitdrukking.
Toch past de verbeelding van de eindtijd in Liber Divinovum Operum geheel in het totaalbeeld van het grote visioen, dat Hildegard ontving voordat zij over de ‘Goddelijke werken’ begon te schrijven. Zoals Liefde aan het begin de geschapen wereld als het ware omarmde, zo is Liefde aanwezig wanneer de geschiedenis der mensheid afloopt. In de eindtijd gaat het om de mens die strijdt en lijdt in het grote conflict tussen Gods gerechtigheid en Satans streven om Gods ‘evenbeeld’, de mens, te vernietigen.
De Mensenzoon, het geïncarneerde Woord, is in het Liber Divinorum Operum de centrale figuur in die strijd. Hij belichaamt Gods gerechtigheid en barmhartigheid, de mannelijke en vrouwelijke kant van de Eeuwige. De mens moet kiezen: voor of tegen Hem. Dat heeft God in Zijn Wijsheid besloten en in Zijn eeuwig Raadsbesluit bepaald.
Dat zag een eenvoudig mens als Hildegard. Zij zag weer de vierkante, ommuurde stad. Twee gestalten kondigen het eindoordeel over de wereld aan:
Daarna zag ik bij de noordhoek van de stad, naar het oosten toe, een gestalte wier gelaat en voeten met zo’n glans straalden, dat het mijn ogen verblindde. Zij droeg een gewaad van witte zijde, daar overheen een groene mantel, die rijk versierd was met allerlei soorten edelstenen. Aan haar oren droeg zij hangers, op haar borst een halsketting, aan haar armen had zij armbanden; allemaal van zuiver goud en versierd met edelstenen. In het midden van de noordstreek zag ik een andere gestalte, die rechtop stond.
Een wonderlijke verschijning. Bovenaan, waar het hoofd was, straalde zij met zulk een heerlijkheid, dat die glans mijn ogen verblindde. Middenin haar buikstreek zag men een mensenhoofd met grijze haren en baard. De voeten van de gestalte leken op leeuwenklauwen. De gestalte had zes vleugels. Twee ervan daalden omlaag vanaf haar schouders, bogen dan terug en kwamen vóór het stralende hoofd tezamen. Twee vleugels strekten zich vanaf de schouders tot aan de hals van het mensenhoofd. Twee vleugels vielen van de heupen der gestalte omlaag tot de voeten, soms verhieven zij zich alsof zij vliegen wilden.
Het lichaam van de gestalte was verder geheel bedekt met schubben als van een vis. De gestalte stond met de rug naar het noorden. Over het gehele westelijke gebied zag ik een schemerige nachtschaduw. Uit de noordelijke hoek kwam een zwartachtig mengsel van vuur en zwavel opzetten uit dichte duisternis. En dit krulde zich bijna tot het midden van de noordstreek.
Weer klonk de stem uit de hemel om Hildegard uitleg te geven. De eerste gestalte is Wijsheid. Haar groene, met edelstenen versierde, mantel duidt op de schoonheid van de schepping en op de mens, die namens God het geschapene beheert. De andere gestalte is de Almacht van God. Zijn gelaat kan geen mens zien vanwege de verblindende heerlijkheid van Zijn majesteit.
Het mensenhoofd met grijze haren en baard betekent het Raadsbesluit van God, de ‘Oude van Dagen’. Het is een mensenhoofd, want God heeft de mens naar Zijn ‘beeld en gelijkenis’ geschapen. De leeuwenklauwen betekenen, dat God al het mensenwerk als met leeuwenklauwen naar zich toe laat trekken door de Godszoon, om het te oordelen op de Jongste Dag.
De zes vleugels verwijzen naar de mensengeschiedenis. De bovenste twee betekenen de liefde tot God en de naastenliefde, in welke twee het grote Gebod bestaat. De beide middelste vleugels duiden op hetgeen in het Oude en Nieuwe Verbond door Gods almacht is bewerkstelligd. Het onderste vleugelpaar verzinnebeeldt het heden en de toekomstige tijd, waarvan de werkingen nog verborgen zijn.
De geschubde huid als van een vis duidt op de verborgen wegen van de Godszoon in de wereld. Zijn gang door de geschiedenis lijkt op het gaan van de vissen in het diepe water. Zoals een vis opeens aan de oppervlakte verschijnen kan, verscheen de Zoon van God onverhoeds midden in de nacht.
De duisternis in het westen, daar waar de wereld ondergaat, duidt op het naderende oordeel van God over het Kwaad. Een zee van vuur en zwavel wacht daar de verloren zielen. In het rijk der duisternis is er voor de veroordeelden geen hoop meer.
.
God bestuurt de wereldgeschiedenis door Wijsheid en Liefde
.
Hildegard begreep niet de achtergrond van die verbeten strijd tussen de Godszoon en de Zoon des Verderfs, waarin de mensen op zo’n vreselijke wijze betrokken zijn. Niemand begrijpt die. Geen mens mag weten, wat er vóór de schepping van hemel en aarde was en wat er na het einde van de geschiedenis zijn zal. Hildegard wilde graag meer weten. Menigmaal is zij teruggewezen door de stem uit het levende Licht.
Opeens zag zij, dat het Raadsbesluit zo diep verborgen is in het binnenste van Gods almacht, dat het voor haar en voor iedereen ontoegankelijk is. Maar naast de Almacht Gods zag Hildegard de Wijsheid staan. Zal dat haar getroost hebben?
Het staat er niet. Wijsheid was voor Hildegard het begin van al haar ‘zien’. Wijsheid heeft Liefde voortgebracht. Liefde verscheen aan het begin van Hildegards grote visioen van de ‘Goddelijke werken’. In het laatste visioenbeeld, over het einde van de wereldgeschiedenis, verschijnt Liefde weer, zij het in een andere gedaante.
.
.