Tagarchief: sierplant

De Bamboe of Bambusa en de Chamaerops Humilis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

De Bamboe of Bambusa behoort tot de grassenfamilie Poaceae. Deze soorten zijn vrijwel altijd grotere varianten van de Bamboe. Oorspronkelijk komt deze plantenfamilie uit de tropische en sub-tropishe gebieden in Azië

 

 

 

Bonsai-plants-bonsai-flower-indoor-ornamental-bamboo-bambusa-shape-bamboo-buddha

 

 

 

Water geven

 

De bamboe verbruikt veel water. Deze kamerplant staat dan ook graag met zijn wortels in vochtige grond, voorkom echter een laagje water onderop in de pot. Vooral in de zomer verbruikt de Bambusa veel water.

 

 

 

 

 

Watersysteem

 

Indien je de kamerplant opmaakt met vulcastrat en een watermeter veranderd de watergift. Hierbij geef je eenmaal per week water, totdat de watermeter begint te bewegen. Des te kleiner de uitslag, des te beter. De watermeter geeft namelijk aan dat er te veel water in de pot staat. Je kunt dan ook het beste de watergift stoppen vlak voordat de watermeter uitslaat. In de winter kun je eenmaal per twee weken water geven.

 

 

 

 

 

Sproeien

 

Het sproeien van de bamboe plant is niet noodzakelijk. Echter kan een sproeibeurt nooit kwaad en werkt het preventief tegen ziektes en ongedierte.

 

 

 

 

 

 

De Europese dwergpalm of de Chamaerops Humilis is een palm uit het Middellandse Zeegebied. De dwerg-waaierpalmen komen van nature voor in alle landen die langs de Middellandse Zee gelegen zijn, en worden daar ook aangeplant als sierplant.

 

 

 

 

 

Licht en Warmte

 

De Chamaerops Humilis heeft minimaal 5 uur direct zonlicht nodig. Wanneer de Chamaerops Humilis naar buiten wordt verplaatst, waarbij de palm voorheen binnen wat verder van het raam stond, is het noodzakelijk hem geleidelijk aan direct zonlicht te laten wennen.

Wanneer de palm zonder gewenning in direct zonlicht komt te staan kan het blad verbranden. Maar geen zorgen, de palm zal snel nieuw blad aanmaken wat prima bestand is tegen direct zonlicht.

 

 

Minimale temperatuur

 

Overdag:-10

‘S nachts:-13

 

 

 

 

 

Verpotten

 

Plaats de Chamaerops buiten in een pot met drainage gaten, waarbij de bodem is voorzien van hydrokorrels. Binnen is het overbodig om hydrokorrels te gebruiken, omdat er dan stilstaand water onderin de pot verzamelt zonder dat de wortels dit kunnen opnemen.

Het verpotten van de plant stimuleert de groei. Daarnaast voorkomt meer aarde dat de grond te snel uitdroogt. Verpot de Chamaerops in een plantenbak die minimaal 20% groter is. Het verpotten kan na de aankoop of in de lente. In deze periode herstellen wortels namelijk het snelst.

 

 

 

 

 

Voeding

 

Bemest de Chamaerops in de lente en in de zomer. Het is ten zeerste afgeraden om dit in de winter te doen. In de winter zit de palm namelijk in een rustperiode. Raadpleeg de verpakking voor de juiste dosering. Zowel vloeibare als vaste voeding is geschikt. Geef nooit een overdosis, dit leidt al snel tot verbranding van de wortels. De plant kan hierdoor doodgaan.

 

 

 

 

Onderhoud

 

Verkleurde bladeren

 

Deze palm heeft niet snel last van verkleurende bladeren. Mochten de bladeren vergelen, dan heeft de Chamaerops waarschijnlijk een tekort aan stikstof. Bijmesten is in dit geval raadzaam (geen overdosis geven). Bruine bladeren zijn vaak aan het afsterven van ouderdom. Geen zorgen; gewoon afknippen. De palm maakt in de kern weer vers blad. Indien de palm in de winter buiten heeft gestaan kunnen verkleurende bladeren duiden op vorstschade.

 

 

Snoeien

 

De stam van de Chamaerops Humilis is niet te snoeien. De bladeren mogen wel gesnoeid worden. Knip deze dichtbij de stam af. Pas hierbij op voor de stekels. Vooral de onderste bladeren worden op den duur minder mooi. Dit is een natuurlijk proces, waar helaas weinig aan te doen is. Het is dan ook raadzaam om deze te verwijderen.

 

 

Vermeerderen

 

Deze palm is te kweken door middel van zaad. Dit is redelijk eenvoudig ten opzichte van andere palmen. Temperatuur: vanaf 13 graden, verhoog de luchtvochtigheid voor meer succes.

 

 

 

 

 

Bloemen

 

De Chamaerops kan bloeien in de Lage Landen, waarbij de bloemen van het mannelijke geslacht heerlijk ruiken.

 

 

 

Giftig

 

De Chamaerops Humilis is niet giftig, maar heeft wel stekels.

 

 

Ziektes

 

De Chamaerops heeft harde stugge bladeren waaraan ongedierte zich niet gemakkelijk kan hechten. Een harde waterstraal verwijderd hierdoor eenvoudig verschillende soorten luis en spint. Indien een besmette Chamaerops binnen staat is het raadzaam om hem buiten te plaatsen, maar niet direct in de volle zon. Zo wordt besmetting van andere kamerplanten voorkomen en zal de regen helpen met het bestrijden van het ongedierte.

 

 

Chamaerops humilis in bloei

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Smalle aster : Aster lanceolatus

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

.

 

.

 

Goed te herkennen aan
– de op madeliefjes lijkende, witte of zacht lila bloemhoofdjes
– in een pluim-vormige bloeiwijze
– aan struik-vormige, grote bestanden vormende plant

 

.

 

.

 

 

Algemeen

 

Smalle aster is een uit Noord-Amerika afkomstige aster, die als sierplant in Europa is ingevoerd. Tegenwoordig zie je haar meer in het wild dan in siertuinen en daarom wordt ze als ingeburgerd beschouwd. Ze is plaatselijk al-gemeen voor komend in de Lage landen. Door ondergrondse uitlopers kan smalle aster zich in korte tijd sterk uitbreiden en groeit daardoor vaak in grote bestanden. Ze wordt 50 tot 120 cm hoog en groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond aan rivier- en kanaaloevers, en langs spoorwegen.

.

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf augustus tot en met oktober. De hoofdjes staan in een pluim-vormige bloeiwijze. Ze hebben witte of licht lila gekleurde straalbloemen en in het hart gele buisbloemen. Van oudere bloemhoofdjes worden de buisbloemen rozerood.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn langwerpig, verwijderd scherp gezaagd en hebben een aflopende, soms iets geoorde voet. Ze zijn niet half stengelomvattend, zoals de bladeren van gladde aster en Nieuw-Nederlandse aster. De rand van de bovenste bladeren is nagenoeg gaaf. De blaadjes in de bloeiwijze zijn lijnvormig en aanzienlijk kleiner.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Naast smalle aster wordt er in flora’s en op internet ook gesproken over kleine aster (Aster tradescantii). Beide planten lijken zo sterk op elkaar dat volgens Heukels ze niet duidelijk in 2 groepen te splitsen zijn. Volgens de Flora van Weeda is kleine aster in alles wat kleiner (en dan hebben we het over millimeters) en heeft ze geen geoorde bladeren.

Twee andere asters, gladde aster (Aster laevis) en Nieuw-Nederlandse aster (Aster novi-belgii) zijn ook afkomstig uit Noord-Amerika en worden als sierplant in tuinen gekweekt. De eerste verwildert zelden, de tweede vaker.

En tot slot zijn er nog de speciaal voor de tuin gekweekte herfstasters (Aster x versicolor). Ze lijken het meest op gladde aster, maar missen de blauwgroene kleur. Ook de herfstasters verwilderen vaak vanuit tuinafval.

De verwilderde asters vormen onderling kruisingen. Omdat ze veel op elkaar lijken en door de vorming van kruisingen blijft het lastig om asters juist te determineren.

.

 

kleine aster

.

 

.

smalle aster : geen stengelomvattende bladeren, soms wel iets geoord

 

 

smalle aster

 

 

 

 

.

gladde aster : middelste en bovenste bladeren duidelijk half stengelomvattend, blauwgroen, tuinplant, zelden verwilderd

 

 

gladde aster

 

 

 

 

Nieuw-Nederlandse aster : middelste en bovenste bladeren duidelijk half stengelomvattend, niet blauwgroen, tuinplant, vaak verwilderd

 

 

Nieuw-Nederlandse aster

 

 

 

zomerfijnstraal : straalbloemen zijn talrijker en smaller dan bij de asters, staan in meerder rijen. Ook zijn de omwindselblaadjes nauwelijks wisselend in lengte en vallen daarom ook niet dakpansgewijs over elkaar heen.

 

 

zomerfijnstraal

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– plaatselijk algemeen tot zeldzaam
– meestal verwilderd
– 50 tot 120 cm

Bloem
– wit of zeer licht gekleurd
– vanaf augustus t/m oktober
– hoofdje
– 12 tot 20 mm
– witte straalbloemen
– gele buisbloemen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig of lancetvormig
– top spits
– rand verwijderd gezaagd
– voet aflopend, soms geoord
– veernervig

Stengel
– rechtop
– verspreid kort behaard
– soms paarsrood aangelopen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

.

 

 

 

Speerdistel : Cirsium vulgare

Standaard

categorie : Kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de forse, helder roze tot lichtpaarse bloemhoofdjes met stekelig omwindsel en
– de vorm van de bladeren; ze lijken op een speer

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Een zeer algemeen voorkomende grote distel is speerdistel die wel 1,2 meter hoog kan worden. Het is een tweejarige plant. Het eerste jaar vormt zich een groot rozet van bladeren (zie laatste foto), die gelijk een spinnen- web behaard zijn. Het tweede jaar gaat ze de hoogte in en vormt bloemen en vruchten. De bladeren van het tweede jaar zijn ruw behaard. Speerdistel groeit op zonnige open plaatsen, zoals ruige bermen, weilanden en dijken. Ze wordt ook als sierplant gebruikt.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit in juli en augustus. De bloemhoofdjes zijn helder roze tot lichtpaars, zelden wit. Ze zijn 3 tot 5 cm lang. De hoofdjes zijn net onder de buisbloemen iets ingesnoerd. Onder het hoofdje met buisbloemen zit het omwind- sel. De omwindselbladeren zijn stekelig en afstaand. De stuifmeelrijke bloemhoofdjes worden druk bezocht door insecten.

 

 

Speerdistel

 

 

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren lopen uit in lange puntige gele stekels, hebben een iets omgekrulde rand en lijken op een speer.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Speerdistel onderscheidt zich van de andere distels het meest door haar bladeren. Ook heeft de plant van alle distels de scherpste en grootste stekels. Zie “Sleutel distels” voor een compleet overzicht.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– composietenfamilie (Asteraceae)
– tweejarig
– zeer algemeen voorkomend
– tot 120 cm hoog

Bloem
– helder roze tot lichtpaarse
buisbloemen
– juli en augustus
– hoofdje
– alleenstaand
– 3 tot 5 cm
– omwindselbladen stekelig, afstaand
en licht spinnenwebachtig behaard

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stekelpuntig
– rand iets omgekruld en met stekels
van 0,5 cm lang
– voet aflopend
– veernervig
– bladeren tweede jaar bovenkant
ruw behaard
– rozetbladeren spinnenwebachtig
behaard

Stengel
– rechtop
– behaard en/of gestekeld
– rolrond of gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

 

.

 

 

 

Rechte ganzerik : Potentilla recta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de bleekgele bloemen met 5 hartvormige kroonbladen, die
– langer zijn dan de kelkbladen en
– de handvormige 5 – 7 delige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Rechte ganzerik is een overblijvende plant, die groeit op droge, matig voedselrijke, meestal omgewerkte grond in bermen en op zandige dijkhellingen. Ze komt vrij algemeen voor in de Lage Landen, waar ze halverwege de 19de eeuw vermoedelijk als sierplant is terecht gekomen. Ze wordt nog steeds beschouwd als een ingeburgerde plant. Allerlei cultivars met bloemen van wit tot donkergeel zijn te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Rechte ganzerik bloeit vanaf juni tot en met augustus. De bloemen zijn bleekgeel (soms lichtgeel), ze hebben 5 hartvormige kroonbladen en ze staan in een los bijscherm, dat niet meer dan 1/3 van de totale hoogte van de plant inneemt. Naast 5 kelkbladen hebben de bloemen ook 5 bijkelkbladen, die smaller en even lang of iets langer zijn dan de kelkbladen. Zowel kelk- als bijkelkbladen zijn behaard.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De lang behaarde, vrij forse stengelbladeren zijn handvormig 5 – 7 delig en lijken wel wat op hennepbladeren. Aan de voet van het bladstengel zit een diep gezaagd eveneens vrij fors steunblad. De bladeren in de bloeiwijze zijn handvormig (hooguit 3-delig), veerdelig of enkelvoudig met diep gezaagde rand. Zoals de naam al doet vermoeden is de stengel rechtopstaand en net als de andere groene delen van de plant lang behaard.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Het geslacht Potentilla kent ongeveer 500 soorten. In het schema “Sleutel ganzerik” kun je zien hoe je ze van elkaar kunt onderscheiden.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam
– 30 tot 70 cm

Bloem
– bleekgeel (soms lichtgeel)
– vanaf juni t/m augustus
– bijscherm
– stervormig
– 20 tot 25 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– handvormig
– top spits
– rand gezaagd of getand
– voet wigvormig
– handnervig
– zacht behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Oranje havikskruid : Hieracium aurantiacum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de oranje bloemhoofdjes op lang behaarde stelen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Oranje havikskruid is een overblijvende plant, vrij algemeen voorkomend. Ze groeit op droge tot vrij vochtige, grazige plaatsen en wordt 30 tot 60 cm hoog. Ze vormt onder- en bovengrondse uitlopers en op voedzame grond kan ze erg woekeren. Ze komt oorspronkelijk uit de berggebieden van Midden-, Oost- en Noord-Europa. Als sierplant ingevoerd is ze vanuit tuinen verwilderd en inmiddels ingeburgerd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

In juni en juli bloeit oranje havikskruid met oranje bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen. Degene aan de rand zijn oranje, meer naar het hart toe zijn ze oranje/geel. De onderkant van de buitenste lintbloemen is rood.

De knoppen staan met 2 tot 10 dicht bij elkaar. Als de eerste gaat bloeien staan de knoppen van de andere eronder. Zodra er meerdere gaan bloeien verlengen de bloemstelen zich iets en vormen de bloemhoofdjes een schermvormige bloeiwijze.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Oranje havikskruid vormt rozetten van langwerpige tot lancetvormige bladeren, die aan beide kanten bezet zijn met lange witte haren. De stengel en omwindselblaadjes hebben naast lange afstaande witte haren ook korte zwarte klierharen en nog kortere witte sterharen. Aan de stengel zitten 1 of 2 stengelbladeren, die dezelfde vorm hebben als de rozetbladeren, alleen kleiner.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– vrij algemeen, ook als tuinplant
– 30 tot 60 cm

Bloem
– oranje lintbloemen
– juni en juli
– hoofdje
– 15 tot 25 mm

Blad
– rozet of verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet aflopend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– behaard, ook met klieren

-rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Moederkruid : Tanacetum parthenium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de margrietachtige bloemhoofdjes, ongeveer zo groot als een madeliefje en
– de geveerde, vaak geelgroene, tere bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Moederkruid is een overblijvende, sterk aromatische plant van 30 tot 60 cm hoog, oorspronkelijk afkomstig uit Zuidoost-Europa. Ze is algemeen voorkomend, vooral in stedelijke gebieden. Ook wordt ze gekweekt als sierplant, dan vaak met gevulde bloemen. Ze groeit op open, vochtige, omgewerkte grond, vooral nabij bebouwing, ook op muren en komt algemeen voor, vooral in de stedelijke gebieden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De op margrieten lijkende bloemhoofdjes van 1,5 tot 2,5 cm (ongeveer zo groot als of iets groter dan een madeliefje) hebben een geel hart van buisbloemen met aan de rand witte, omgekeerd eironde straalbloemen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De tere, veervormig ingesneden, vaak geelgroene bladeren staan verspreid aan de enigzins behaarde, bovenaan rijk vertakte stengels.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Als artsenijplant is moederkruid over heel Europa verspreid en vanuit (moes)tuinen verwilderd. Ze wordt al sinds de middeleeuwen gebruikt in de traditionele kruidengeneeskunde. Ze heeft een positieve invloed op het geestelijk welzijn en de bloedcirculatie.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Moederkruid heeft veel weg van de kamillesoorten. Ze is daarvan het makkelijkst te onderscheiden door haar bladeren. De bladeren van de kamillesoorten zijn fijn verdeeld en hebben smalle, lijnvormige slippen. Het blad van moederkruid is in omtrek driehoekig tot eirond en veervormig met gelobde slippen. Daarnaast zijn de witte straalbloemen van moederkruid omgekeerd eirond; die van kamille langwerpig.

 

 

kamille

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– algemeen
– 30 tot 60 cm

Bloem
– gele buisbloemen
– witte straalbloemen
– vanaf juni t/m september
– hoofdjes in losse tros
– 1,5 tot 2,5 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– enkel of dubbel geveerd
– top afgerond
– rand gezaagd
– voet gevleugeld
– veernervig

Stengel
– rechtop
– verspreid kort behaard
– geribd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Muurleeuwenbek : Cymbalaria muralis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_4918

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, licht paarse, gespoorde bloemetjes
– met in het midden twee gele vlekken en
– de glanzende bladeren, die op klimop-bladeren lijken en
– de plaats waar ze groeit; op muren en tussen stenen

 

 

Cymbalaria muralis - Muurleeuwenbek

Cymbalaria muralis – Muurleeuwenbek

 

 

 

Algemeen

 

Muurleeuwenbek is een overblijvende, liggende of hangende plant. Ze groeit op oude muren en tussen stenen van dijken. Ze kan 15 tot 60 cm lang worden. In de 17e eeuw is ze ingevoerd vanuit Zuid-Europa als sierplant voor op grachtmuren. Later heeft ze zich weten te verspreiden en nu is ze vrij algemeen in stedelijke gebieden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met oktober met licht paarse, gespoorde bloemetjes. Ze staan afzonderlijk op lange stelen in de bladoksels, waardoor ze juist boven de bladeren uitkomen. Ze hebben een 2 spletige bovenlip en een 3-lobbige onderlip met 2 verdikkingen met gele vlekken.

De verdikkingen sluiten de bloem af, waardoor meeldraden en stijl niet zichtbaar zijn. De vlekken wijzen de insecten de weg naar de nectar. Na de bloei buigen de vruchtstengels zich van het licht af en groeien spleten en gaten in, waar de omstandigheden tot kieming van het zaad ideaal zijn.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De op klimop-bladeren lijkende bladeren zijn rond-achtig, glanzend, hebben 5 tot 7 lobben en zijn aan de onderkant vaak paars aangelopen. De stengels zijn sterk vertakt en vormen op regelmatige afstand wortels.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– (plaatselijk) vrij algemeen tot zeer   zeldzaam
– 15 tot 60 cm

Bloem
– licht paars met geel
– vanaf mei t/m oktober
– gesteeld alleenstaand
– gespoorde lipbloem
– 9 tot 15 mm, incl. spoor
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig
– top stomp of toegespitst
– rand gelobd
– voet hartvormig
– handnervig

Stengel
– hangend of liggend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA