Category / categorie : video
Deel 12 over gebed: Mompelende en fluisterende gebeden
die tot grote zegen worden

preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget



.
.
.


.
.
.
Het getal 1 wijst ons op de volmaaktheid en éénheid van God:
.
een enig Here, Deut. 6:4; 1 Kor. 8:6.
Wij hebben één God, Gal. 3:20.
1 Tim. 2:5 zegt: Er is één God en één Middelaar.
Ef. 4:4-6 zegt: één Heer, één geloof, één doop, en één God en Vader.
Matt. 23:8, één Meester.
Hebr. 10:14, één offer.
Kol. 1:18 en Openb. 1:5: de eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in alles de Eerste zou zijn.
1 Kor. 15:23, Christus als Eersteling.
.
.
Het getal 2 spreekt van gemeenschap en getuigenis:
.
Gen. 1:27; 2:24; Ps. 85:11-12; Pred. 4:9-12; Matt. 18:16, 20; Marc. 6:7; Joh. 8:17.
Verder 2 cherubim, 2 zuilen, 2 Kron. 3:15.
het reukofferaltaar 2 ellen hoog; 2 grote lichten, Gen. 1:16 enz.
.
God = Vader , Zoon , Heilige Geest. Drie-eenheid!
.
Noach had drie zonen: Sem, Cham en Jafet.
Er zijn drie aartsvaders: Abraham, Izak en Jakob.
En er zijn drie grote feesten: Paasfeest, Pinksterfeest en Loofhuttenfeest.
Het getal 3 is dat van de goddelijke Drie-eenheid: Matt. 28:16; 1 Kor. 12:4-6; 1 Petr. 1:2; 1 Joh. 5:6-10; Hebr. 13:8; Openb. 1:8.
Driemaal heilig, Jes. 6:3; Rom. 11:36.
Drievoudige zegen, Neh. 6:24-26; 2 Kor. 13:13; Openb. 1:5.
De tabernakel was 3-delig, Ex. 26-27.
1 Kon. 6. Drie verzoekingen, Matt. 4.
Drie gebeden, Marc. 14; Matt. 26:44.
Drie gelijkenissen, Luc. 15.
Drie gaven in Ef. 4: evangelisten, herders en leraars.
Het derde deel: Openb. 8:9; 12:4.
Het derde uur: begin van de kruisiging, Marc. 15:25;
het uur van het gebed, Hand. 2:15.
.
.
Het getal van de aarde: vier einden of de vier hoeken. Je zou ook kunnen zeggen de vier windstreken: oost, west, noord en zuid.
.
Het getal 4 duidt op de volheid in de schepping van deze wereld: de vier einden der aarde en de vier hoeken des hemels, Jes. 11:12; Jer. 49:36; Openb. 20:8.
Vier windstreken, Matt. 24:31; Ezech. 37:9; Zach. 6:5.
Vier hemelrichtingen, Ps. 107:3.
Vier evangeliën.
Vier levende wezens, Openb. 4.
Vier wereldrijken, Dan. 7; Zach. 1:18.
Oordeel over het vierde deel van de aarde, Openb. 6:8.
.
pasteltekening van John Astria
.
.
Het getal 5 ziet op de behoeften en de verantwoordelijkheid van de mens: 5 vingers en 5 tenen.
.
Het brandofferaltaar was 5 maal 5 ellen groot, Ex. 27:1.
Het gordijn voor de ingang van de tabernakel hing aan 5 pilaren op 5 koperen voetstukken, Ex. 26:37.
Er waren 5 wijze en 5 dwaze maagden, Matt. 25:2.
Vijf broden, Marc. 6:38.
Vijf woorden, 1 Kor. 14:19 enz.
.
.
Het getal 6 is het getal van de mens in zijn onvolmaaktheid, moeite en arbeid.
.
zes dagen het land bewerken; zes watervaten, Joh. 2:6.
.
.
Het getal zeven duidt een afgesloten periode aan met een nieuw begin als gevolg.
.
De scheppingsweek van zeven dagen.
Om een afgesloten periode aan te duiden lezen we ook van: 7 weken, 7 maanden, 7 jaren.
Het 7e jaar is het sabbatsjaar.
Besprenkeling van 7x bij zoenoffers en reiniging.
Zeven armen aan de kandelaar.
De 7 geesten voor Gods troon.
Brieven aan 7 gemeenten in het boek Openbaringen en ook 7 lampen voor de troon van God.
Het getal 7 spreekt van de volmaaktheid in Gods wegen en handelen:
7 dagen in de week, Ex. 12:15; Lev. 23:8.
Zeven weken, Lev. 23:15.
Zeven maanden, Ezech. 39:12.
Zeven jaar, Ezech. 39:9; Dan. 4:32.
Na 7 maal 7 jaar een jubeljaar, Lev. 25:8-13.
Zeven zendbrieven, Openb. 2-3.
Kandelaar met 7 armen, Ex. 25:37.
Zeven gouden kandelaars, Openb. 1:20.
Zeven Geesten, Openb. 1:4, 5:6; Jes. 11:2.
In het boek Openbaring ook 7 engelen, 7 zegels, 7 bazuinen, 7 schalen, 7 plagen.
Verder 7 diakenen in Hand. 6:3; 7 gelijkenissen in Matt. 13; 7 hoogtijden des Heren in Lev. 23, enz.
.
pasteltekening van John Astria
.
.
Genesis
God schiep de wereld in 6 dagen, waarbij de zevende dag (de sjabbat) een heilige dag is. Gen. 2:2.
Van de reine dieren gingen er 7 paartjes in de ark van Noach. Gen 7:2
Zeven dagen later begon de zondvloed. Gen 7:4-10
Er waren in de droom van Farao twee keer zeven koeien en twee keer zeven korenaren. Die betekenden twee keer 7 jaren. Gen 41
.
Exodus
Het water van de Nijl veranderde 7 dagen in bloed. Ex. 7:25
De Israëlieten aten 7 dagen ongezuurd brood. Ex. 12-13, 34:18, Ezechiël 45:21-23
De menora heeft 7 lampen. Ex. 25:37, 37:23, Zacharia 4:2-10
.
Mattheüs
De boze geest haalt er 7 demonen bij. Mat. 12:45, Lukas 11:26
We moeten een zondaar 70 keer 7 maal vergeven. Mat. 18:22
Er waren 7 broden bij de wonderbare spijziging en er werden 7 manden met brokken opgehaald. Mat. 15:34-37, Markus 8:5-8
.
Markus
Maria Magdalena had 7 demonen. Markus 15:9, Lukas 8:2
.
Lukas
Hanna was 7 jaar getrouwd geweest. Lukas 2:36
.
Handelingen
De apostelen kozen 7 diakenen. Hand 6:3-6, Hand. 20:8
God onderwierp in Kanaän 7 volken. Hand. 13:19
.
Openbaring
Er zijn 7 gemeenten in Asia. Op. 1-3
Er staan 7 geesten voor Gods troon. Op. 1:4, Op 4:5, Op. 5:6
De boekrol had 7 zegels. Op. 5
Er waren 7 bazuinen. Op. 8-9
Er waren 7 donderslagen. Op 10:3-4
De draak had 7 koppen. Op. 12:3, Op. 17:3-7
Er waren 7 engelen met 7 fiolen. Op. 15-17, 21
.
pasteltekening van John Astria
.
.
Het getal 8 stelt het begin van een nieuw tijdperk voor.
.
Ex. 22:30; Lev. 22:27; Neh. 8:18; Joh. 7:37.
Het is de opstandingsdag, Matt. 28:1; Joh. 20:1.
de Pinksterdag, Lev. 23:16, Hand. 2. Noach, 1 Petr. 3:20.
.
.
Het getal 9 is een drievoudige drie-eenheid:
.
de negenvoudige vrucht van de Geest, Gal. 5:22;
het uur van het gebed en van het avondoffer, Dan. 9:21;
het sterfuur van de Heer, Marc. 15:34;
9 zaligsprekingen, Matt. 5:3-12.
.
.
Het getal 10 drukt de verantwoordelijkheid van de mens uit tegenover God:
.
de tien woorden van de wet, Ex. 20 en 34;
Deut. 4:13; het geven van de tienden, Gen. 14:20: 28:22; 1 Sam. 8:15;
tien dagen op de proef, Dan. 1:12;
tien slaven en tien ponden, Luc. 19:13;
tien horens, Openb. 17:3 enz.
Waar zich 10 Israëlieten bevinden kan een synagoge gevormd worden. We kennen allemaal de Tien Geboden. Zie ook de 10 maagden op weg naar een bruiloft.
.
.
.
Het getal 12 geeft aan volmaaktheid in het goddelijk bestuur.
.
Er stonden 12 toonbroden in het heiligdom. Het nieuwe Jeruzalem heeft 12 poorten. Er waren 12 discipelen.
12 uren, Joh. 11:9;
12 maanden, 1 Kon. 4:7;
12 stammen, Ex. 24:4 en Ezech. 48:31 en Openb. 21:12;
12 edelstenen, Ex. 28:10 en Openb. 21:19-20;
12 toonbroden, Lev. 24:5:
12 fonteinen, Ex. 15:27;
12 discipelen, Luc. 6:13; Openb. 21:14;
12 manden, Marc. 6:43;
12 legioenen, Matt. 26:53;
12 poorten, Openb. 21:12.
.
pasteltekening van John Astria
Er waren 2 x 12 = 24 priesterklassen. In het boek Openbaringen 2 x 12 = 24 oudsten voor Gods troon. Komt veel voor als tijds-aanduiding
.
.
Het getal 40 is de tijd van opvoeding, beproeving en regering
.
Het volk was 40 jaar in de woestijn. Mozes was 40 dagen op de berg Horeb. De profeet Elia 40 dagen/nachten in afzondering. Jezus was eveneens 40 dagen in de woestijn.
de woestijnreis duurde 40 jaar;
Elia’s 40 dagen en veertig nachten, 1 Kon. 19:8;
de verzoeking in de woestijn was 40 dagen, Matt. 4;
er waren 40 dagen tussen Christus’ opstanding en hemelvaart.
De beproeving in het leven van :
Mozes, Hand. 7:13; Deut. 2:7;
Jozua, Joz. 14:7;
David, 2 Sam. 5:4;
Salomo, 1 Kon. 11:42;
Zie verder Gen. 7:4; 8:6; 25:20; 26:34; Ex. 2:16; 24:18; Num. 14:34; 33:38; 1 Sam. 4:18; 1 Kon. 6:17; Ezech. 4:6; Jona 3:4.
.
.
Er waren 4 x 12 = 48 steden voor de Levieten.
.
.
Na 7 x 7 jaren werd het 50e jaar als Jubeljaar gevierd.
.
Het jubeljaar was een echt Israëlische instelling. Het werd gevierd in elk 50e jaar, gerekend van herfst tot herfst en greep diep in in het sociale leven. Het kende vooral twee bepalingen. De eerste was dat een Israëliet (en diens wettige erfgenamen) het erfgoed van zijn familie weer terugkreeg, indien hij gedwongen was geweest het te verkopen of het op een andere wijze verloren had. De tweede bepaling regelde dat iemand, als hij zichzelf en zijn gezin als slaaf had moeten verkopen, in het Jubeljaar de vrijheid terugkreeg.
.
.
Het getal 70 is dat van de verantwoordelijkheid gedurende het hele leven:
.
Ps. 90:10; Jes. 23:15; Jer. 25:11; 29:10; Zach. 1:12; 7:5; Dan. 9:24; Ezra 6:15; Ex. 1:5; Richt. 8:30; 2 Kon. 10:1; Ex. 24:1; Num. 11:16; Ezech. 8:11; Luc. 10:1.
.
.
Het getal 153 spreekt van oordeel en genade.
.
Het aantal grote vissen dat door de discipelen gevangen werd na de opstanding van Jezus in de zee van Tiberias.
Zoals het kruis een schaduw- en een lichtzijde heeft, en het evangelie een reuk van het leven ten leven en een reuk uit de dood ten dode is. Zie 2 Kon. 1; Joh. 21:11.
.
Dit is het getal van 3 keer de onperfekte mens, symbool van de duivel (de antichrist en de valse profeet)
.
Het beest in Openbaring 13:18 -Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het beest, want het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig.
Uitgebreide studie over -Getallen – in de Bijbel
.
A) De grootste getallen in de Bijbel vinden wij in Dan. 7:10 en Opb. 5:11; 9:16.
B) Bijna alle volken ontwikkelden het tientallig stelsel door het gebruik van de tien vingers. Het tientallig stelsel was van oudsher bij de Hebreeën in gebruik, wat blijkt uit het feit dat er voor 1, 10, 100, 1000 en 10.000 afzonderlijke woorden waren. De andere getallen werden aangegeven door meervoudsvormen of door optelling en vermenigvuldiging.
Ook de Israëlieten vonden natuurlijk de optelling, deling en vermenigvuldiging met 5 en 10 het gemakkelijkst.
De rekenkunde van de oude Israëlieten ging niet verder dan het dagelijks leven: het meten van akkers, het bouwen van huizen, de vervaardiging van maten en gewichten. Zij hadden voorliefde voor symmetrische verhoudingen tussen getallen, vooral in geslachtsregisters .
Net als wij gebruikte men voor het gemak graag een rond getal zoals 10, 100, 1000 of 10.000, maar ook 40 en 70. Een onbepaald begrip werd als enige door 1 en 2 (Ex. 21:21; Deut. 32:30; Job 33:29; Am. 4:9) maar ook wel door 2 en 3 uitgedrukt (Job 33:29; Am. 4:8), of door 4 en 5 (Jes. 17:6). Voor een onbepaalde veelheid gebruikte men 3 en 4 (Ex. 20:5; Am. 1:3,6), 6 en 7 (Job 5:19), 7 en 8 (Micha 5; Pred. 11:2).
.
pasteltekening van John Astria
.
C) Om getallen weer te geven gebruikte men de letters van het alfabet; de eerste negen letters van het alfabet duidden de eenheden, de volgend letters de tientallen en de vier eerste honderdtallen aan. De overige honderdtallen ontstonden door samenstelling van 400 met andere honderdtallen en verder door de vijf eindletters. De duizendtallen werden aangeduid met de letters die de eenheden uitdrukten, met twee punten daarboven. Bij samengestelde getallen staat het grotere getal vóór (rechts van) het kleinere.
D) De symbolische betekenis van getallen was bij allerlei volken bekend. Maar de Bijbelse getallensymboliek staat helemaal op zichzelf, bepaald door Israëls godsdienst en door Israëls geschiedenis.
.
In de eredienst had het getal zeven een religieuze betekenis. Op de vraag waarom de 7e dag de heilige dag is, zou de Israëliet antwoorden dat God in 6 dagen de wereld geschapen heeft en op de 7e dag rustte. Volgens kritische uitleggers is het juist omgekeerd: de instelling van de week en van de zevende dag is op het scheppingsverhaal overgedragen.
.
.
.
.
E) Ter aanduiding van een grote menigte gebruikte men als rond getal 1000 (Ex. 20:6; 34:7) en 10.000 (Deut. 32:30; Ps. 91:7; Matt. 18:24; 1 Kor. 4:15; 14:19); een heel lange periode werd spreekwoordelijk 1000 jaar genoemd (Ps. 90:4; 2 Petr. 3:8; Opb. 20:2vv).
.
.
.
.
.
.


.
.
.
Zijn er manieren om erachter te komen welke beloften van God voor ons vandaag gelden? Er staan honderden beloften in de Bijbel. Hoe kunnen we weten welke algemene beloften voor ons allemaal gelden, en welke specifieke beloften voor een specifiek persoon zijn?
1 Johannes 1:9 is een geweldig voorbeeld van een algemene belofte: “Maar als we het aan God vertellen als we verkeerd hebben gedaan en Hem om vergeving vragen, dan vergeeft Hij ons. Dan wast Hij ons weer schoon van elke ongehoorzaamheid, zoals Hij heeft beloofd.”
Deze belofte is een algemene belofte aan alle gelovigen. Een voorbeeld van een meer specifieke belofte staat in 1 Koningen 9:5, waar wordt geschreven aan Koning Salomo: “… dan zal Ik ervoor zorgen dat altijd één van jouw zonen koning van Israël zal zijn.”Door de context te bestuderen is het duidelijk dat de belofte gedaan wordt aan koning Salomo.

Richtlijnen om te onthouden:
Hieronder staan enkele beloften die te maken hebben met het dagelijkse leven van een christen:
Matteüs 11:28-29 – “Kom naar Mij als je moe bent. Kom naar Mij als je gebogen gaat onder het gewicht van je problemen! Ik zal je rust geven. Doe wat Ik je zeg. Leer van Mij. Want Ik ben vriendelijk en geduldig en bescheiden. Daarom zul je bij Mij innerlijke rust vinden.”
Filippenzen 4:19 – “Mijn God zal jullie in alles overvloedig geven wat jullie nodig hebben. Want Hij geeft overvloedig omdat Hij Zelf overvloedig bezit. Hij geeft ons in Jezus Christus van zijn rijkdom.”
Romeinen 10:9 – “Want als je met je mond hardop zegt dat Jezus de Heer is, en met je hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft teruggeroepen en levend heeft gemaakt, ben je gered.”
Romeinen 6:23 – “Het kwaad brengt altijd de dood: het is je loon voor wat je hebt gedaan. Maar de liefdevolle goedheid van God geeft een geschenk: het eeuwige leven, door onze Heer Jezus Christus.”
1 Korintiërs 10:13 – “Maar als je in de verleiding komt om iets verkeerds te doen, bedenk dan dit. Geen één verleiding is zó groot, dat je er niet tegenop zou kunnen. Want God laat je nooit in de steek. Hij zal niet toestaan dat je het zó moeilijk krijgt, dat je het niet meer aankan. Want Hij zal, als er verleidingen komen, ook voor de oplossing zorgen. Daardoor zul je sterk genoeg zijn om de juiste beslissingen te nemen.”
Johannes 10:10 – “Maar een dief komt alleen maar om te stelen en te doden en te vernietigen. Ik ben gekomen om leven te geven en overvloed.”
1 Johannes 1:9 – “Maar als we het aan God vertellen als we verkeerd hebben gedaan en Hem om vergeving vragen, dan vergeeft Hij ons. Dan wast Hij ons weer schoon van elke ongehoorzaamheid, zoals Hij heeft beloofd.”

De beloften van God zijn een gesproken of geschreven toezegging. Als God zegt dat Hij iets zal doen, dan doet Hij het ook. Als God zegt dat Hij iets niet zal doen, dan houdt Hij zich ook daar aan. Jozua 21:45 zegt: “Alles wat de Heer aan het volk Israël had beloofd, heeft Hij ook gedaan. Er is niets wat Hij niet gedaan heeft.”
De onvoorwaardelijke beloften – Dit zijn beloften die gedaan worden zonder enige voorwaarde.
De voorwaardelijke beloften – Deze soort beloften houden bepaalde kwalificaties of vereisten in. Daarom is het belangrijk om de context van een belofte te begrijpen. Het is niet verstandig om er zomaar een belofte uit te pikken en die ons toe te eigenen. Misschien was dat juist een voorwaardelijke belofte en kunnen we niet aan de eisen voldoen.

14 Gods beloften voor zegeningen en voorspoed
Gen.39:3 Toen zijn heer zag, dat de Here met hem was, en dat de Here alles wat hij ondernam onder zijn hand deed gelukken.
Joz.1:7 Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet overeenkomstig de gehele wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat. 8 Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is, want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn.
1 Kron.22:13 Dan zult gij voorspoed hebben, indien gij stipt onderhoudt de inzettingen en de verordeningen, die de Here Mozes geboden heeft Israël op te leggen. Wees sterk en moedig; vrees niet en wees niet verschrikt.
Psalm 1:3 hij is als een boom, geplant aan waterstromen, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt; – al wat hij onderneemt, gelukt. 12 Wie is de man die de Here vreest? .…13 Hij zelf zal in voorspoed vertoeven.
Ps.75:7 Want het verhogen komt niet van oost of van west, noch uit de woestijn – 8 maar God is rechter, Hij vernedert deze en verhoogt gene.
Ps.32:10 maar wie op de Here vertrouwt, die omringt Hij met goedertierenheid.
Ps.112:1 Halleluja. Welzalig de man, die de Here vreest, die van harte lust heeft in zijn geboden. ..3 overvloed en rijkdom zijn in zijn huis, ..5 Voorspoedig is de man die zich ontfermt en uitleent, die zijn zaken recht behartigt.
Spr.28:13 Wie zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar wie ze belijdt en nalaat, die vindt ontferming. 20 Een betrouwbaar man heeft veel zegen, maar wie naar rijkdom jaagt, blijft niet ongestraft.
Mal.3:10 Breng de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten.
Matt.5:7 Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.
Luc.6:36 Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. 37 En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. 38 Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.
3 Joh.1:2 Geliefde, ik bid, dat het u in alles wèl ga en gij gezond zijt, gelijk het uw ziel wèl gaat.
Efeze.6:1 Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam in de Here, want dat is recht. 2 Eer uw vader en uw moeder – dit is immers het eerste gebod, met een belofte – 3 opdat het u welga en gij lang leeft op aarde.
15 Gods beloften in tijd van vrees
gen.15:1 Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn.
Gen.21:19 Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is.
Ex.14:13 Maar Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, houdt stand, dan zult gij de verlossing des Heren zien, die Hij u heden bereiden zal.
Deut.3:22 gij zult voor hen niet vrezen, want de Here, uw God, is het, die voor u strijdt.
20:3 en zeggen: Hoor, Israël! Gij staat thans vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, vreest niet, wordt niet angstig en siddert niet voor hen.
Joz.1:9 Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig? Sidder niet en word niet verschrikt, want de Here, uw God, is met u, overal waar gij gaat.
Joz.10:25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en weest niet verslagen, weest sterk en moedig, want aldus zal de Here doen aan al uw vijanden, tegen wie gij strijdt.
Kon.6:16 Maar hij zeide: Vrees niet, want zij, die bij ons zijn, zijn talrijker dan zij, die bij hen zijn.
1 Kron.28:20 Toen zeide David tot zijn zoon Salomo: Wees sterk en moedig, en doe het: vrees niet en wees niet verschrikt, want de Here God, mijn God, is met u. Hij zal u niet begeven en u niet verlaten, totdat al het werk voor de dienst van het huis des Heren gereed is.
Ps 23:4 Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis (schaduwen des doods), ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij.
Ps 27:1 De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De Here is mijns levens veste, voor wie zou ik vervaard zijn? 3 Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest niet; al verheft zich een krijg tegen mij, noch- tans blijf ik vertrouwen.
Ps.34: 5 Ik heb den Here gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.
Jes.41:13 Want Ik, de Here, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.
Ps.46:2 God is ons een toevlucht en sterkte, een zeer bevonden een hulp in benauwdheden. 3 Daarom zullen wij niet vrezen, al verplaatste zich de aarde, al wankelden de bergen in het hart van de zee. 4 Laat bruisen, laat schuimen haar wateren, laat de bergen beven door haar onstuimigheid.
Jes.51:7 Vreest niet voor de smaad van stervelingen, wordt niet verschrikt vanwege hun beschimpingen.
Ps:56:4 Ten dage dat ik vrees, vertrouw ik op U; 5 op God, wiens woord ik prijs. Op God vertrouw ik, ik vrees niet; wat zou vlees mij aandoen? …12 op God vertrouw ik, ik vrees niet; wat zou een mens mij aandoen?
Ps.91:5 Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van de nacht.
Ps.107:19 Toen riepen zij tot de Here in hun benauwdheid, en Hij verloste hen uit hun angsten; Ps.112:7 Voor een kwaad gerucht zal hij niet vrezen, zijn hart is gerust, vol vertrouwen op de Here; 8 zijn hart is standvastig, hij vreest niet.
Ps.118:6 De Here is met mij, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
Spr.3:24 Indien gij u nederlegt, zult gij niet opschrikken, maar gij zult u nederleggen en uw slaap zal zoet zijn. 25 Vrees niet voor plotselinge schrik.
Jes.41:10 vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand.
Ezech.3:9 Als diamant, harder dan steen, maak Ik uw voorhoofd; vrees hen dan niet en wees niet beangst voor hun blik, want zij zijn een weerspannig geslacht.
Matt.10:24 Indien men aan de heer des huizes de naam Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huis-genoten! 26 Vreest hen dan niet.
29 Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. 30 En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. 31 Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven.
Luc.12:4 Ik zeg u, mijn vrienden, vreest hen niet, die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen.
2 Tim.1:7 Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid.
Hebr.13:5 Want Hij heeft gezegd: Ik zal u geenszins begeven, Ik zal u geenszins verlaten. 6 Daarom kunnen wij met vertrouwen zeggen: De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij doen?
1 Petr.3:14 Al moest gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig. Doch vreest niet voor hun dreiging, en laat u niet verschrikken.
1 Joh.4:18 Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.



.
.
.
.
.
.
.
Zowel moslims als christenen vasten, maar hun doelen voor het vasten verschillen. Een moslim is verplicht om tijdens de Ramadan te vasten, om de Vijf Zuilen te onderhouden. Veel moslims streven tijdens hun vastentijd oprecht naar de zegen en vergeving van Allah.
.
.
.
.
Voor christenen is vasten geen plicht, maar een genot. Het overslaan van maaltijden geeft hen de gelegenheid om hun voldoening in God uit te drukken, in plaats van in voedsel. Hoewel met vasten noch Gods genade noch een plaats in het paradijs kan worden verdiend, vasten veel christenen toch en wel om de volgende redenen:
• om hun tevredenheid in God alleen uit te drukken (Lucas 4:4)
• om zichzelf voor God te vernederen (Daniël 9:3; 10:12)
• om God om hulp te vragen (2 Samuël 12:16; Ester 4:16; Ezra 8:23)
• om naar Gods wil op zoek te gaan (Handelingen 13:2-3)
• om zich van de zonde af te keren (Jona 3:5-10; 1 Koningen 21:25-29)
• om God zonder afleidingen te aanbidden (Lucas 2:36-38)
.
.
.
.
.Hoewel Jezus (Isa) het vasten aanmoedigde, zei Hij niet wanneer of hoe lang gevast moest worden. De religieuze leiders uit de tijd van Isa waren er trots op dat zij twee keer per week vastten, maar Jezus twijfelde aan hun oprechtheid. Christenen volgen Zijn voorbeeld.
.
.
.
Aan het begin van Isa’s openbare bediening, vóór Zijn grote wonderen en onderricht, vastte Hij veertig dagen lang. Daarna stelde de duivel Jezus op de proef, toen Hij hongerig en zwak was:
“Nadat hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, had hij grote honger… De duivel nam hem opnieuw mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij toonde hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht en zei: ‘Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt.’ Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Ga weg, Satan! Want er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’ Daarna liet de duivel hem met rust, en meteen kwamen er engelen om voor hem te zorgen.” (Matteüs 4:2, 8-11)
Satan probeerde Jezus tot de zonde te verleiden, maar Jezus bleef perfect – in tegenstelling tot alle andere mensen in de geschiedenis.
.
.
.
.
.
.
• Vast niet om godsdienstig te lijken in de ogen van andere mensen
.
“Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie vasten, was dan je gezicht en wrijf je hoofd in met olie, zodat niemand ziet dat je aan het vasten bent, alleen je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.” (Matteüs 6:16-18)
.
.
• Vast niet om vergeving van je zonden te verdienen
.
(Farizeeër = iemand die bij een zekere religieuze, fundamentele Joodse sekte behoorde)
“De farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf:
‘God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.’ De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: ‘God, wees mij zondaar genadig.’ Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden” (Lucas 18:11-14).
Jezus leerde ons dat we met vasten geen toegang tot de hemel kunnen verdienen. Onze zonden maken onze beste religieuze daden onwaardig.
.
.
.
.
.
Jezus onderwees dat het volgen van Gods heilige wil meer voldoening zal brengen dan eten:
“Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Rabbi, u moet iets eten.’ Maar hij zei: ‘Ik heb voedsel dat jullie niet kennen.’ ‘Zou iemand hem iets te eten gebracht hebben?’ zeiden ze tegen elkaar. Maar Jezus zei: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien’.” (Johannes 4:31-34)
.
.
.
“‘Ik ben het brood dat leven geeft,’ zei Jezus. ‘Wie bij mij komt zal geen honger meer hebben, en wie in mij gelooft zal nooit meer dorst hebben. Maar ik heb u al gezegd dat u niet gelooft, ook al hebt u me gezien. Iedereen die de Vader mij geeft zal bij mij komen, en wie bij mij komt zal ik niet wegsturen, want ik ben niet uit de hemel neergedaald om te doen wat ik wil, maar om te doen wat hij wil die mij gezonden heeft. Dit is de wil van hem die mij gezonden heeft: dat ik niemand van wie hij mij gegeven heeft verloren laat gaan, maar dat ik hen allen laat opstaan op de laatste dag. Dit wil mijn Vader: dat iedereen die de Zoon ziet en in hem gelooft, eeuwig leven heeft, en dat ik hen op de laatste dag uit de dood zal opwekken.’” (Johannes 6:35-40)
Net zoals we zullen sterven als we niet eten, zo zullen we ook geestelijk sterven (dat wil zeggen: eeuwig van God afgescheiden worden in de hel) als we Jezus niet ontvangen. Hij is het Brood van het Leven. Omdat Hij “uit de hemel neerdaalde” en uit een maagd geboren werd, noemde Jezus God Zijn Vader. Jezus bewees met Zijn perfecte leven, dood en opstanding dat Hij Goddelijk is; Hij is Gods Zoon. Jezus Christus voerde de wil van Zijn Vader uit: Hij redde zondaars door hun straf aan het kruis op Zich te nemen. Door Jezus uit de dood op te wekken toonde God dat de offergave van Jezus aanvaard werd.
Heb jij het Brood van het Leven ontvangen? Jij moet je van je zonden afkeren en op de dood en de opstanding van Jezus vertrouwen om je te redden – niet op je eigen goedheid en daden, zoals vasten.
Nadat Hij je van jouw zonden verlost, geeft Jezus jou het verlangen en de kracht om God door middel van goede daden te eren:
“Maar nu, bevrijd van de zonde en in dienst van God, oogst u toewijding aan hem en zelfs het eeuwige leven. Het loon van de zonde is de dood, maar het geschenk van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer.” (Romeinen 6:22-23)
.
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
.
1. ‘De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben’ (Johannes 10:10)
Dit vers wordt gebruikt om te suggereren dat God in alles het geluk voor ogen heeft voor Zijn volgelingen. Maar daarmee wordt de context rondom dit vers verwaarloosd. De overvloed waar dit vers over spreekt, heeft te maken met het kennen en gekend worden door Jezus. Dat zijn niet-materiële zaken.
2. ‘U krijgt niet, omdat u niet bidt’ (Jakobus 4:2)
Dit vers wordt binnen het welvaartsevangelie gebruikt om biddend te claimen wat je zelf niet bezit. Wanneer je niets hebt, komt dat omdat je niet genoeg gebeden hebt. Maar deze interpretatie negeert het vers dat volgt: ‘U bidt wel, maar u ontvangt niet, omdat u verkeerd bidt met het doel het in uw hartstochten door te brengen.’
Het gebed is cruciaal in het leven van een christen. Dit als middel gebruiken om eigen verlangens af te dwingen bij God gaat ook in tegen het gebed dat Jezus bad aan de vooravond van Zijn kruisiging: ‘Laat niet Mijn wil, maar de Uwe geschieden’ (Lukas 22:42).
3. ‘Er is niemand die huis of broers of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers verlaten heeft omwille van Mij en om het Evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig, nu in deze tijd.’
Welvaartspredikers leggen graag de nadruk op geven, zodat hun visie op het eerste gezicht in lijn lijkt met de Schrift. Maar de motivatie die erachter zit verstoort de Bijbelse boodschap. De predikers denken door financiële donaties te geven dit 100 maal terug te ontvangen.
Dit is uiteraard niet de juiste uitleg van het desbetreffende vers. Het volgende vers geeft duidelijkheid: ‘Maar veel eersten zullen de laatsten zijn, en veel laatsten de eersten.’ Hier wordt gehoorzaamheid en discipelschap aangemoedigd in plaats van persoonlijk gewin.
4. ‘De zegen van Abraham is in Christus Jezus tot de heidenen gekomen, opdat wij de belofte van de Geest zouden ontvangen door het geloof’ (Galaten 3:14)
Welvaartspredikers gebruiken dit vers om te verwijzen naar het in Genesis gesloten verbond met Abraham en concluderen daaruit dat God de nakomelingen van Abraham financiële zegeningen heeft beloofd. Opnieuw wordt een Bijbelgedeelte verwaarloosd.
In hetzelfde gedeelte staat vermeld dat Jezus is geofferd, zodat wij door het geloof de belofte van de Geest ontvangen. Paulus herinnert de Galaten hier aan de geestelijke zegeningen als gevolg van Jezus’ redding – wat niets te maken heeft met aardse rijkdom.
5. ‘Want u kent de genade van onze Heer Jezus Christus, dat Hij omwille van u arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede rijk zou worden’ (2 Korinthiërs 8:9)
Welvaartspredikers suggereren aan de hand van dit vers dat Jezus’ dood ons rijkdom geeft. De meeste christenen zijn het erover eens dat wanneer Paulus zegt dat Jezus ‘rijk’ werd, hij verwijst naar Zijn status als de Zoon van God. En Zijn armoede is een verwijzing naar Zijn vrijwillige daad om mens te worden. Paulus maakte de vroege christenen duidelijk dat Zijn doel gelijkheid was.
6. ‘Geliefde, ik wens dat het u in alles goed gaat en dat u gezond bent, zoals het uw ziel goed gaat’ (1 Johannes 3:2)
Binnen het welvaartsevangelie wordt naar aanleiding van dit vers beweerd dat lichamelijke gezondheid onlosmakelijk verbonden is met geestelijke groei. Wanneer iemand voldoende geloof bezit, zal hij of zij lichamelijke zegeningen ontvangen. Maar dit vers is ‘gewoon’ het begin van een brief aan Johannes door middel van een groet.
Dit zou je kunnen vergelijken met iemand die uit beleefdheid aan het begin van een brief de ander het goede toewenst. Het gaat hier niet om een belofte en dit mag zeker niet worden opgevat als de belofte dat Gods kinderen niet ziek kunnen worden.
7. ‘Breng al de tienden naar het voorraadhuis, zodat er voedsel in Mijn huis is. Beproef Mij toch hierin, zegt de Heer van de legermachten, of Ik niet de vensters van de hemel voor u zal openen, en zegen over u zal uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn’ (Maleachi 3:10)
Dit vers wordt vaak als krachtig hulpmiddel gebruikt bij fondsenwerving onder welvaartspredikers. Gelovigen worden zo gemanipuleerd om tienden te geven, waarna ze er veel meer voor zullen terugkrijgen. Maar dit vers is niet van toepassing op individuele rijkdom. Integendeel, het komt voort uit de historische situatie van het volk Israël.
De Israëlieten waren ongehoorzaam aan God door onvoldoende voedsel te geven aan de nationale opslagplaats, dat werd gebruikt door de priesters. God vermaande Zijn volk en riep op tot gehoorzaamheid. Als zij zouden gehoorzamen, zou beloning volgen.
8. ‘De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen’ (Jesaja 53:5)
De meeste christelijke geleerden lezen dit vers als een profetie waarin de overwinning op onze zonden wordt vermeld, dankzij het verzoenende werk van de Heer Jezus. Maar welvaartspredikers gebruiken dit vers om duidelijk te maken dat geloof zal leiden tot lichamelijke genezing.
Eén van de oprichters van het welvaartsevangelie schreef: “Het plan van onze Vader is, dat Hij in Zijn grote liefde en barmhartigheid, geen enkele gelovige ooit nog ziek wordt. Iedere gelovige zal zijn volledige levensduur in gezondheid op aarde zijn.”
9. ‘Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de Heer. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, namelijk om u toekomst en hoop te geven’ (Jeremia 29:11)
Dit is één van de meest onbegrepen Bijbelverzen onder christenen. Jeremia 29:11 wordt gebruikt om anderen goed nieuws te beloven en suggereert dat God iedere slechte situatie in ons voordeel gebruikt. Dit vers is niet bedoeld voor hedendaagse christenen die hun baan hebben verloren. Het was een door God gegeven belofte aan het volk van Israël, waaruit blijkt dat God op Zijn eigen tijd het volk zou herstellen.
10. ‘Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen’ (Johannes 14:14)
Dit is vergelijkbaar met het misbruiken van Jakobus 4:2 door welvaartspredikers. Alsof God alle gebeden van gelovigen zou beantwoorden. Christenen die bidden voor financiële rijkdom doen er verstandig aan om Mattheüs 19:24 te lezen: ‘Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.’
In Johannes 14:14 moedigt Jezus zijn discipelen aan om het Evangelie te verspreiden. Dit vers moet dan ook worden gelezen in de context van de verzen die erop volgen: ‘Wie in Mij gelooft, zal de werken doen die Ik doe’ (vers 12) en ‘Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht’ (vers 15).
| Numeri 6 | 1 – 21 | Wet van het nazireeërschap |
|---|---|---|
| 22 – 27 | De priesterlijke zegen | |
| Numeri 7 | 1 – 89 | Offeranden van de oversten |





