Categorie: religie/video
De laatste dag voor het sterven van Jezus: deel 2
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget
Pasteltekening van John Astria
Is het nodig dat wij onze zonden belijden aan God, nadat Jezus voor onze zonden gestorven is? In het Onze Vader wordt hierover gesproken maar toen woonde Jezus nog op de aarde. Het is nuttig eerst iets dieper in te gaan op de begrippen verlossing en vergiffenis. De eis die eigenlijk aan ons wordt gesteld, is dat wij in het geheel niet zondigen. Alleen absolute volmaaktheid maakt ons aanvaardbaar voor God. Helaas is alleen Jezus er in geslaagd die volmaaktheid te tonen. De overige mensen slagen daar niet in, en hebben daarom verlossing nodig.
De openbaring van Gods verlossingsplan maakt duidelijk dat wij op bepaalde voorwaarden toch kunnen worden aangenomen, en zo ontkomen aan de dood die wij eigenlijk zouden verdienen. En dat het verlossingswerk van Christus daar een grote rol bij speelt. Maar het basisprincipe is en blijft dat zonde onacceptabel is voor God. Met andere woorden: van ons wordt gevraagd dat wij ons uiterste best doen die volmaaktheid van Jezus, op zijn minst zo goed mogelijk, te benaderen.
Maar wanneer wij daarin tekort schieten, is het niet een kwestie van ‘game over’, zoals onder de wet van Mozes strikt genomen het geval was, maar kunnen we vergiffenis vragen en verder gaan. De bedoeling is dan uiteraard wel dat wij van onze fouten leren, en wel degelijk naar dat voorbeeld van Christus toegroeien.
Uiteraard kan het niet de bedoeling zijn dat wij gewoon ons eigen leven leiden, en de rekening daarvoor door Christus laten betalen. Zijn verlossingswerk is geen vrijbrief om onze eigen gang te gaan. Waar wij tekort schieten, mogen we ons beroepen op de verlossing die Hij tot stand bracht, maar dat is geen verkregen recht. Christus betaalt als het ware onze schulden, maar dit betekent wel dat wij niet de vrijheid hebben om bewust nieuwe schulden te maken,omdat de rekening toch al zou zijn voldaan.
Dit houdt in dat wij, wanneer we toch weer in de fout zijn gegaan, in elk geval bereid moeten zijn te erkennen dat het fout was. En dat kunnen we alleen maar doen door onze zonde te belijden. En de tweede eis is, dat wij onze uiterste best moeten doen om herhaling te voorkomen. En dit op zijn beurt vergt dat wij ons bewust zijn van onze fouten. En niets maakt je zo goed bewust van je fouten als de noodzaak ze te belijden.
Anders gaan we maar denken dat het allemaal wel meevalt. Jacobus raadt ons zelfs aan die fouten te belijden tegenover elkaar (Jac.5:16), hoeveel temeer aan God. De Schrift vertelt ons dat we radicaal moeten veranderen. We moeten al onze menselijke neigingen achter ons laten, en ons zo volledig mogelijk richten op het voorbeeld van Jezus.
En die verandering moet zo radicaal zijn, dat het ons wordt voorgesteld als het worden van ‘een nieuwe mens’ (Efez. 4:22-24), of van een opnieuw geboren worden (Joh. 3:3). Dat kan alleen wanneer we ons voortdurend bewust zijn van wat we nog verkeerd doen, waar we nog tekort schieten, en wat er dus beter moet. En zelfs wanneer we in dit leven nooit die volmaaktheid van Jezus zelf zullen bereiken, dan moeten we er wel steeds dichter in de buurt komen.
In dit leerproces leren we het snelst van onze fouten. We herkennen onze fouten alleen wanneer we gedwongen worden die te erkennen, niet in de laatste plaats tegenover onszelf. Maar wanneer we al niet bereid zijn die toe te geven tegenover God, dan hebben we smoezen genoeg om ze te ontkennen tegenover onszelf.
Maar we hebben geen carte blanche om zo maar onze gang te gaan, we kunnen niet op pad gaan met Jezus’ creditcard op zak. We zullen voor elke nieuwe schuld weer met het schuldbriefje bij God langs moeten gaan, en nederig vragen of dat misschien weer afgeboekt mag worden. Op zijn minst leren we ons dan te schamen voor ons gedrag.
Dat klinkt misschien allemaal erg negatief, en in werkelijkheid zal het effect ook veel positiever zijn want we bouwen een relatie op met God, die we anders niet zouden hebben. Maar we moeten nooit de vergissing maken dat zonde sinds Christus’ kruisdood niet serieus meer is. In Gods ogen is zonde nog steeds bloedserieus. En het belijden daarvan maakt ons daar beter dan wat dan ook van bewust.
Nog een laatste opmerking over het feit dat Jezus Zijn discipelen het ‘Onze Vader’ leerde, toen Hij ‘nog op aarde’ was. Uit zijn woorden blijkt dat Hij hier was om de zijnen voor te bereiden op het nieuwe Verbond en het nieuwe tijdperk dat komen ging. Het lijkt daarom niet logisch te verwachten dat Hij Zijn discipelen een ‘nieuw gebed’ zou leren, dat enkele jaren later alweer achterhaald zou zijn. We mogen er daarom van uitgaan dat dit gebed een patroon bevat, dat door alle eeuwen heen van belang blijft.
.
.
In de vijfde artikel van het Credo, belijden wij dat Jezus na zijn kruisdood is nedergedaald ter helle en de derde dag is verrezen uit de doden. Wat betekent de ‘nederdaling ter helle’ van Jezus ? Op de eerste plaats betekent het dat Jezus werkelijk is gestorven en begraven. Jezus is echt gestorven en zijn lichaam rust in een graf. Hij heeft de dood gekend zoals andere mensen.

Maar het werk van de verlossing en haar uitwerking – in de kracht van de kruisdood van Jezus – ging verder. Daarom betekent ‘nederdaling ter helle’ ook dat Jezus met zijn ziel, die verenigd is met zijn goddelijke persoon, afgedaald is in ‘het dodenrijk’, de ‘verblijfplaats’ van alle doden, die de Schrift benoemt als ‘de Sjeool’ of ‘de Hades’.
Jezus ging daar als verlosser heen om zijn blijde boodschap aan de doden te verkondigen. Hij is niet naar ‘de hel’ om de verdoemden te bevrijden, evenmin om de hel van de verdoemenis af te breken. Hij ging om de rechtvaardigen die Hem voorgegaan waren, te bevrijden, de grote profeten van het Oude Testament, zelfs Adam en Eva. DUS JEZUS GING IN HADES DE GELOVIGEN VOOR ZIJN KRUISDOOD BEVRIJDEN OM HEN NAAR HET PARADIJS TE BRENGEN!
Wij moeten er ons rekenschap van geven dat wij in het Credo geen mythologisch verhaal belijden. Het bestaan van de menselijke ziel en de nederdaling van de Heer Jezus ter helle is door God geopenbaard en is een onderdeel van de geloofsleer. Ze zijn terug te vinden in de H. Schrift, de geschriften van de kerkvaders, en in de levende overlevering van het geloof van de Kerk.

Zo vertelt Sint Petrus ons: “het evangelie is ook aan gestorvenen verkondigd…” (1 Pt. 4, 6); en dat: “de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven” (Joh. 5, 25).De Catechismus van de Katholieke Kerk vertelt ons dat ‘De nederdaling ter helle de volledige vervulling is van de evangelische aankondiging van het heil.
Zij is de allerlaatste fase van de Messiaanse zending van Jezus. Deze fase is zeer beperkt in de tijd, maar strekt zich ontzettend ver uit wat haar werkelijke betekenis betreft. Zij leert dat het verlossingswerk zich uitbreidt tot alle mensen van alle tijden en van alle plaatsen, want allen die zijn gered, hebben immers deel gekregen aan de verlossing.


]
De lijkwade, waarvan de geschiedenis sinds 1353 bekend is, is meer dan 4 meter lang en ongeveer 1.20 meter breed. Het doek wordt “de lijkwade van Turijn” genoemd omdat het permanent in de stad Turijn, in Italië, wordt bewaard, hoewel het nu en dan ook elders wordt tentoongesteld.
Op de lijkwade staan markeringen die lijken op indrukken van de voor- en achterkant van een gekruisigde man. Blijkbaar werd de lijkwade dubbelgevouwen, één helft aan de bovenkant van de man en de andere helft aan de onderkant. Het is interessant dat de wonden van de man overeenkomen met de wonden die Jezus werden toegebracht tijdens de foltering die Hij voorafgaand aan Zijn kruisiging onderging.
Wonden rond de haarlijn doen denken aan de Bijbelse beschrijving van de doornen kroon. Verschillende kleine striemachtige wonden zijn zichtbaar van de schouders tot aan de onderbenen, wat overeenkomt met de Bijbelse beschrijving van de zweepslagen. Er is ook een wond dichtbij de borstkas te zien. Dat komt overeen met de beschrijving van de steekwond die vlak na Zijn dood aan Jezus zou zijn toegebracht.
Wat denken de experts over de lijkwade van Turijn? Dat hangt er van af wie je het vraagt. Sommige experts zijn van mening dat de lijkwade van Turijn authentiek is, terwijl anderen geloven dat het slechts een knappe vervalsing is. Enkele mensen hebben zelfs beweerd dat de lijkwade slechts bedoeld was als een kunstwerk. Deze verklaring lijkt niet erg waarschijnlijk vanwege het unieke ontwerp van de lijkwade, een stijl die nog nooit eerder in een belangrijk kunstwerk werd aangetroffen.
De belangrijkste kritiek op de vermeende authenticiteit van de lijkwade is gebaseerd op proeven die uitgevoerd zijn met behulp van koolstofdatering. Volgens deze proeven kan de lijkwade niet veel ouder zijn dan zo’n 700 jaar, wat betekent dat het doek uit de 14e eeuw zou stammen.
De lijkwade zou dan veel te jong zijn om het doek te kunnen zijn waarin Jezus werd begraven. Andere geleerden suggereren dat deze conclusie mogelijk vertekend is, omdat de vezels van de lijkwade door de eeuwen heen vervuild zouden kunnen zijn met microscopische bacteriën en schimmels. Zij geloven dat de aanwezigheid van deze bacteriën en schimmels hebben geleid tot een gemeten leeftijd die op zijn minst duizend jaar jonger is dan de werkelijke leeftijd.
Maar een groeiend aantal wetenschappers vindt beide bovengenoemde standpunten irrelevant, omdat zij beweren dat de gebruikte C14-datering niet betrouwbaar genoeg is. Sceptici stellen eveneens dat de gelaats- en lichaamskenmerken van de man op de lijkwade niet juist geproportioneerd zijn. Aan de andere kant beargumenteren andere experts dat er veel mensen zijn met lichamelijke kenmerken die niet precies de juiste proporties hebben.
Er bestaan letterlijk tientallen argumenten vóór en tegen de authenticiteit van de lijkwade van Turijn. Deze tegenstrijdige beweringen zouden de leek tot de conclusie kunnen voeren dat de situatie rond de lijkwade een wetenschappelijke patstelling is. En dat lijkt inderdaad het geval te zijn. Wat moeten we dan denken van deze lijkwade van Turijn?
Jammer genoeg heeft de leek meestal de neiging om het seculiere standpunt in te nemen, omdat hij gelooft dat dit minder door godsdienst is beïnvloed en dus wetenschappelijker zou zijn. Maar seculiere geleerden proberen vaak het christelijke standpunt net zo vurig te weerleggen als de christelijke geleerden het proberen te bewijzen.
Het seculier gezichtspunt is dus vaak erg bevooroordeeld. Een goed praktijkvoorbeeld hiervan is de recente ontdekking van een oud ossuarium (een zogenaamd “knekelhuis”, een soort doos om beenderen te bewaren), waarop in het Aramees de volgende boodschap staat geschreven: Jakobus, zoon van Jozef, broer van Jezus.
Toen het nieuws over deze vondst naar buiten werd gebracht, probeerden sommige geleerden de historische geloofwaardigheid van het christelijke geloof te ondermijnen door te beweren dat deze doos een vervalsing was, voordat zij deze ook maar gezien hadden. De waarheid is dat niemand met enige zekerheid kan zeggen of de lijkwade van Turijn echt is. Het beste dat we kunnen doen is alle informatie analyseren en dan voor onszelf beslissen.
Helaas gaat het alsmaar voortdurende debat over de lijkwade van Turijn alleen maar over de echtheid ervan. In werkelijkheid maakt het weinig uit of de lijkwade wel of niet het doek was waarin Jezus Christus werd begraven. Uiteindelijk is de lijkwade niets meer dan een linnen doek.
Jammer genoeg zijn veel mensen misleid; zij denken dat de lijkwade op de een of andere manier heilig is en hebben daarom hun geloof verbonden aan de authenticiteit van de lijkwade. Dat is een grote vergissing. Ongeacht de herkomst en de leeftijd van de lijkwade, een dergelijk doek is onze aanbidding of verering niet waardig. Als we aannemen dat het doek authentiek is, dan zou het zeker een belangrijk voorwerp uit de christelijke geschiedenis zijn, maar niets meer dan dat.
Jezus leidde een perfect leven, stierf voor de zonden van de mensheid, werd uit de dood opgewekt en werd vervolgens in de hemel opgenomen. Christenen hoeven hun geloof niet te baseren op de lijkwade van Turijn of enig ander artefact uit de oudheid. In plaats daarvan aanvaarden christenen deze dingen omdat zij geloven in de waarheid van de Bijbel.
Toch herinnert het debat over de lijkwade van Turijn ons aan één heel belangrijk feit, de historiciteit van het christelijke geloof. Het christendom is niet slechts een verzameling regels waar christenen naar leven. Het christendom is een persoonlijke relatie met een echte God die de menselijke geschiedenis als een sterfelijk mens binnenstapte, en toen in onze plaats stierf zodat wij het eeuwige leven kunnen hebben.



























De heiligen van de christelijke traditie spreken al millennia tot de verbeelding. Ze passen zich aan, aan tijd en plaats. Ze zijn oud en tegelijk elke keer weer nieuw.
De heiligen van de christelijke traditie lijken in vele opzichten op de postmoderne superhelden van comics en block busters. Ze bezitten bovenmenselijke krachten, staan voor alles wat goed en nobel is in de mens, verlossen de mensheid van grote noden, mensen aanbidden hen als incarnaties van het Goede, enzovoorts. Jezus redt de wereld, zoals Batman dat elke keer weer voor Gotham City doet.
De vergelijking is wel vaker gemaakt: superhelden en popsterren, ze zijn de nieuwe heiligen van onze tijd. Onaantastbaar in status, moreel en esthetisch ver verheven boven de massa, ze vertegenwoordigen alles wat wij zouden willen zijn, machtig, succesvol en vaak rijk.
In het boek The Drama of Christian Ethics geeft theoloog Samuel Wells een aantal verschillende tussen helden en heiligen. Zo wijst Wells erop dat het woord ‘held’ nergens te vinden is in het Nieuwe Testament. Dit in tegenstellingen tot bijvoorbeeld de Griekse mythologie, die zo ongeveer stijf staat van helden zoals Homeros, Achilles, Hercules, enzovoorts. Het woord ‘heilige’ komt 64 keer voor in het Nieuwe Testament. Het bijbels appel zoekt heiligen, geen helden. Wells komt met de volgende verschillen op de proppen.
Wells ziet belangrijke verschillen tussen de verhalen die over de christelijke heiligen (de hagiografieën) worden verteld en de verhalen over de superhelden. De held komt altijd net op tijd te voorschijn om een noodzakelijke ingreep in de gebeurtenissen te plegen waardoor de wereld gered wordt. De heilige is in deze zin niet noodzakelijk. Hij kan onzichtbaar zijn, makkelijk gemist worden, zelfs vergeten. Het verhaal van de held gaat over de held. Het verhaal van de heilige gaat over God. De significantie van helden is direct duidelijk, die van heiligen kan vaak pas in retroperspectief worden gewogen.
Het heldenepos draait altijd om het verheerlijken van de deugden van de held: zijn kracht, wijsheid, lenigheid, enzovoorts. En het is juist door die speciale krachten die de superheld heeft, dat hij in staat is om beslissend in te grijpen in de gebeurtenissen. En juist dat maakt de superheld tot wat hij is: een held. Een heilige heeft heel vaak geen speciale eigenschappen: van heiligen wordt juist vaak verteld welke negatieve eigenschappen hij of zij heeft. Vaak zijn heiligen niet dapper, slim of heel sterk. Heiligen zijn wel trouw, trouw aan God, zichzelf en hun roeping. Het heldenepos wordt verteld om ons te verheugen in zijn kracht, het verhaal van de heilige om geloof te vieren.
Het prototype van de superheld is de soldaat: sterk, machtig, strategisch, gewelddadig, stoer. Het prototype van de heilige is de martelaar. De professionele soldaat/superheld ziet vrijwillig zijn eigen dood op het slagveld dagelijks onder ogen. De martelaar moet ook zijn eigen dood onder ogen zien, maar dan zonder ervoor gekozen te hebben en zonder zich te kunnen (willen) verdedigen in een ‘eerlijk’ gevecht.
De typische superheld is een eenling. In afzondering traint de superheld zijn mentale en fysieke krachten. Hij gaat alleen op pad om misdaad te bestrijden. Politie en dergelijke vermijdt hij liever. Het is one against the World. Hij is de ultieme self-made man, de incarnatie van de American Dream. De heilige staat (meestal) juist in de uitdrukkelijke grotere context van de gelovige gemeenschap (kerk of klooster). Zijn of haar heiligheid ontwikkelt zich in een duidelijke sociale context. Bovendien is de heilige geen self-made man, maar een mens die zich zeer duidelijk bewust is van het begrip ‘genade’. Elke heilige zal zijn deugden beschouwen als genade van God, en niet (alleen) als het resultaat van eigen werken.

Sportidolen aanbidden de gelddemon
Pasteltekening van John Astria
Wells wijst erop dat in het Nieuwe Testament in alle vindplaatsen het woord ‘heilige’ altijd in het meervoud voorkomt. De held is slechts een onbereikbaar voorbeeld dat slechts bewondering (bij fans) en afgunst (bij tegenstanders) oproept. De heiligen geven vooral de boodschap dat heiligheid iets is dat in principe voor elke gelovige is weggelegd. In die zin zijn de heiligen democratischer dan de superhelden uit Hollywood.
Vanaf het begin van de christelijke kerk, twee millennia geleden, vereerden de eerste christenen bepaalde gestorven geloofsgenoten, vanwege hun uitzonderlijke positie, vroomheid of heroïsch einde. In eerste instantie komen hier de mensen voor in aanraking die direct met Jezus Christus te maken hebben gehad: de twaalf apostelen, Maria Magdalena, Maria de moeder van Jezus, enzovoorts. Deze ‘heiligen’ van het Nieuwe Testament zijn nooit als zodanig officieel heilig verklaard, maar werden al vanaf de oudste tijd zo beschouwd: hun kennismaking met Jezus was voldoende om hen te beschouwen als voorbeeldfiguren in het geloof.



.
.
In de Nieuwe Bijbel Vertaling heeft men het vaak over ‘de vogels aan de hemel’. (Psalm 8:9)
In het Bijbelboek Genesis kunnen we lezen dat God op de vijfde dag de vogels maakt:
De Thora maakt een onderscheid tussen reine en onreine vogels. Alle vogelsoorten die rein zijn, mogen de Israëlieten eten. De volgende vogels mogen niet gegeten worden:
de vale gier;
de lammergier;
de zwarte gier;
de rode wouw;
de verschillende soorten buizerds;
alle soorten kraaien en raven;
de struisvogel;
de velduil;
de bosuil;
alle soorten valken
de steenuil;
de ransuil;
de katuil;
de dwergooruil;
de visarend;
de visuil;
de ooievaar;
de verschillende soorten reigers;
de hop; en
de vleermuis. (Deuteronomium 14:12-18; vgl. Leviticus 11:13-19)
![]()
Volgens drs. Ben Hobrink in ‘Moderne wetenschap in de bijbel’, zijn de beschermde vogels vooral belangrijk voor het biologische evenwicht in de natuur. God gaf niet zomaar een willekeurig lijstje met vogels op. Hobrink legt uit dat de beschermde vogels grofweg zijn in te delen in zes groepen of clusters:
Deze beschermde vogels zijn dus belangrijk voor het biologische evenwicht. Vogels die rein zijn volgens de voorschriften in de Thora, zijn niet belangrijk voor het in stand houden van dit evenwicht; zij eten vis, insecten, waterplanten, kevers, zaden, enz. Het zijn geen opruimers.
Jezus wees naar de vogels in de lucht om te laten zien dat God voor deze schepselen zorg draagt:
Kijk naar de vogels in de lucht: ze zaaien niet en oogsten niet en vullen geen voorraadschuren, het is jullie hemelse Vader die ze voedt. Zijn jullie niet meer waard dan zij? (Matteüs 6:26)
Maar de boodschap reikt verder dan dat. Als onze Vader die in de hemel woont voor de vogels zorgt, dan zal Hij toch zeker Zijn kinderen geven wat ze nodig hebben?
Dat de mens van het dier en vogels kan leren, komt ook in het Oude Testament voor:
Vraag het vee hiernaar, het zal je onderrichten, vraag de vogels in de lucht, ze zullen het verkondigen. (Job 12:7)
Pasteltekening van John Astria
Zelfs vogels die een rusteloos bestaan leiden hebben een veilige nest, een thuis, terwijl de Zoon des Mensen geen tehuis heeft:
Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’ (Lucas 9:58)
De man aan wie Jezus dit zei, had tegen Jezus gezegd: “Ik zal u volgen waarheen u ook gaat.” Hij realiseerde zich niet dat al wie Jezus wil navolgen, moet delen in zijn rusteloos bestaan.
De vogel wordt belaagd door vogelvangers: “… zoals een vogel in het net vliegt en niet merkt dat het hem zijn leven kost.” (Spreuken 7:23)
Of, zoals Prediker het uitdrukt:
“Nooit weet de mens wanneer zijn tijd gekomen is: zoals de vissen verraderlijk worden gevangen door de fuik en de vogels door de val, zo wordt de mens verrast door de verraderlijke tijd, wanneer die als een klapnet op hem valt.” (9:12)
De mens die in het nauw wordt gebracht of vluchtende en opgejaagd is, wordt in de Bijbel diverse keren vergeleken met een vogel:
Psalm 11:1
Psalm 124:7
Spreuken 6:5
Spreuken 27:8
Jesaja 16:2
In het Bijbelboek Leviticus kunnen we lezen dat het bloed van vogels een rol speelt in het reinigingsritueel.
De HEER zei tegen Mozes: ‘Dit zijn de voorschriften die van toepassing zijn wanneer iemand die door huidvraat getroffen is, weer rein kan worden verklaard. Zo iemand moet naar de priester worden gebracht, en de priester moet buiten het kamp onderzoeken of hij van zijn huidvraat genezen is. Als dat zo is, moet de priester opdracht geven om voor degene aan wie de reiniging moet worden voltrokken twee levende, reine vogels te halen, en cederhout, karmozijn en majoraan.
De ene vogel laat hij slachten boven een met bronwater gevulde aarden schaal. De andere, levende vogel moet hij, net als het cederhout, het karmozijn en de majoraan, in het bloed van de boven het bronwater geslachte vogel dopen, en met dat bloed moet hij degene die na zijn huidvraat moet worden gereinigd zevenmaal besprenkelen.
Daarna verklaart hij hem rein. De levende vogel moet hij vrijlaten in het open veld. Degene aan wie de reiniging wordt voltrokken, moet zijn kleren wassen, al zijn haar afscheren en zich met water wassen. Dan is hij weer rein. Daarna mag hij in het kamp terugkeren, maar hij moet zeven dagen buiten zijn tent blijven. Op de zevende dag moet hij opnieuw al zijn haar afscheren, zijn hoofdhaar, zijn baard en zijn wenkbrauwen. Al zijn haar moet hij afscheren en zijn kleren en zijn lichaam moet hij met water wassen; dan is hij weer rein…’ (14:1-9)
In Marcus 1:40-45 lezen we dat Jezus in Galilea een man van huidvraat (lepra) geneest. Jezus stuurde hem naar de priester om te laten zien dat hij genezen was en het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven te brengen, als getuigenis voor de mensen. Jezus had de man gereinigd en de priester moest hem rein verklaren. Dit stuk laat zien dat Jezus zich aan de wet van God hield. Hij houdt zich aan de voorschriften zoals beschreven staan in Leviticus. Het zegt dat het hier gaat om een echte genezing, want priesters moeten vaststellen en bevestigen. Dit is dan tevens een getuigenis van Jezus’ liefde en goddelijke macht.
Er schuilt een diep symbolische betekenis in het Bijbelgedeelte. De vogel die geslacht wordt en de besprenkeling die daarop zevenmaal volgt:
zeven is het getal van de compleetheid en totaliteit en wijst op de offerdood van Jezus, het bloed van Jezus reinigt ons van alle zonde. (1 Johannes 1:7) Jezus’ offerdood reinigt ons totale wezen.
En dan is daar nog de levende vogel die vrijlaten wordt in het open veld. Die verwijst naar de heilige Geest die in de gedaante van een duif op Jezus neerdaalde, nadat Hij zich had laten dopen. (Lucas 3:22) Na overgave aan Jezus en reiniging van zonde, komt de Heilige Geest over ons met al het goede dat daarbij hoort: “Allen die door de Geest van God worden geleid, zijn kinderen van God.” (Lees: Romeinen 8:14-17)

Heilige Jozef en Jezus
Pasteltekening van John Astria
Als Jezus uit een ongetrouwde maagd geboren zou zijn, zou de Zoon van God een ongehuwde, alleenstaande moeder hebben gehad. Hij zou zonder een aardse vader zijn op gegroeid. Maar Maria was ondertrouwd. Dat was zoiets als verloofd, alleen had het een veel vaster karakter. Het was een schriftelijk vast gelegde overeenkomst. De ondertrouwden hadden echter nog geen seksuele omgang. Het moment daarvoor was pas na de plechtige huwelijkssluiting. Jozef hoorde bij Maria. Hierdoor plaatste God Zijn Zoon in het gezin van Jozef. Hij wist hoe belangrijk het was voor de ontwikkeling van Zijn Zoon op aarde om niet alleen een moeder, maar ook een vader te hebben.
Het geslachtsregister in Mattheus eindigt met: `Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is. Dus niet: Jozef verwekte Jezus zoals bij de voorgaande vaders. Jozef was wel de man van Maria, maar niet de biologische vader van Jezus. De goddelijke Zoon is uit de maagd Maria geboren. Toch wordt de afstamming niet gerekend via Maria, maar via de lijn van Jozef. Wettelijk was Jezus een zoon van Jozef: de eerste, dus erfgenaam. Jozef was uit het geslacht van David. En zo werd Jezus via Jozef een zoon van David. Rom. 1:4 zegt: `Gesproten uit het geslacht van David naar het vlees, naar de geest… Gods Zoon…’
En omdat Jozef uit het geslacht van David was, moest hij naar Bethlehem — de stad van David – om zich te laten inschrijven. Het register van zijn afstamming was dus goed bijgehouden. En tot onze verbazing nam hij zijn hoogzwangere bruid mee. Waarom doet hij dit? Had hij Maria in haar toestand niet beter thuis kunnen laten? Het is een zware tocht van 140 km dwars door het gebied van de Samaritanen heen. Maar Jozef neemt haar mee. Hij wil haar in haar omstandigheden niet alleen achterlaten. Hij wil haar beschermen tegen hoon en spot. En niet de schijn wekken dat hij Maria in de steek laat. Ze gaan samen.
En zo wordt het Schriftwoord vervuld dat Jezus in Bethlehem geboren zou worden. Het zal kenmerkend worden in hun relatie: waar Jozef is, daar is Maria en omgekeerd. Ze trekken door dik en door dun met elkaar op. Niet slechts even, maar een heel leven lang. Ze hebben dan ook een heel bijzonder geheim samen. Laten we dit in vogelvlucht bezien:
`En de herders kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef en het Kindeke, liggende in de kribbe.’ Jozef was bij de bevalling en stond haar daarin bij (Luc. 2:16). We zien ze weer samen in de tempel om hun Kind aan de Here op te dragen: vers 22 en 27. Vers 33: `En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd’. Ze beleefden de dingen samen. Vers 39: `Ze keerden samen weer terug naar Nazareth’. En dan lezen we in vers 41 dat ze samen elk jaar naar Jeruzalem reisden. Het jaarlijks opgaan naar de tempel was verplicht voor elke mannelijke Israëliet. Maar Maria ging ook mee.
Op een keer toen ze op reis waren naar Jeruzalem, raakten ze hun 12 jarige Zoon Jezus kwijt. De verontruste ouders gaan samen op zoek en zeggen tegen Hem, als ze Hem gevonden hebben: `Zie, uw vader en ik hebben u met angst gezocht’. Jozef was een betrokken vader! God bestuurde het zo dat Jezus in een eenvoudig gezin kwam, maar een goed gezin waar vader en moeder gezamenlijk optrokken, één weg gingen, samen met God!
Toen Jozef bemerkte dat Maria zwanger was, wist hij het zeker: `Dat komt niet door mij.’ Hoewel hij en Maria ondertrouwd waren, hadden ze geen seksuele gemeenschap gehad. Ze hadden zelfs geen geslachtelijke omgang met elkaar tot de geboorte van de Here Jezus. Jozef werd niet beheerst door zijn seksuele driften, die werden beheerst door hem! Jozef was een man uit één stuk. Het is zo belangrijk voor een meisje om te merken tijdens de verkeringstijd dat haar `jongen’ de baas is over zijn seksuele driften. Het geeft een veilig gevoel. Want als hij zich vóór het huwelijk niet weet te beheersen, kan hij het dan wel in het huwelijk?
Want ook dan is er zelfbeheersing nodig, bijvoorbeeld bij ziekte of als de echtgenoten voor een bepaalde tijd afscheid moeten nemen. Als een man zich seksueel beheerst, krijgt hij de mogelijkheid om het innerlijk van het meisje te kennen en haar met het hart lief te krijgen. Dat deed Jozef. Uit de kerstgeschiedenis blijkt hoe zeer hij Maria lief had!
Maria wist hoe het met de zaak gelegen was. Maar Jozef wist het niet. Zij wist dat ze geen omgang met een man had gehad, dat ze maagd was. Hoe kon ze dat aan Jozef bewijzen? Wat zat deze jonge vrouw in een moeilijk parket! Ze liep het gevaar van hoererij beschuldigd te worden en daar stond in Israël een hele zware straf op (peut. 22:23, 24). Maar Maria was niet bang. Ze wist dat ze onschuldig was en gaf het over aan God.
Jozef echter wist het niet. Het was voor de hand liggend dat hij dacht dat hij zich in zijn lieve Maria vergist had. Het kon niet anders dan dat ze vreemd was gegaan.
Natuurlijk zal Jozef heel verdrietig zijn geweest en teleurgesteld. Maar het valt op dat hij in deze netelige situatie waarin hij Maria heel gemakkelijk verwijten had kunnen maken, heel teergevoelig handelt. Hij houdt van Maria en is bezorgd om haar. Ook nu! Hij wil haar niet in opspraak brengen. Hij wil niet dat ze over de tong zal gaan. En daarom besluit hij om in stilte van haar weg te gaan. Jozef wilde zich aan de wet houden, die hem verbood om in deze omstandigheden Maria te trouwen. Maar hij ontziet haar zoveel als in zijn vermogen ligt. Hij loopt daarbij wel het risico zelf verkeerd beoordeeld te worden.
Men zou immers denken dat het kind van hem was en nu zijn zwangere ondertrouwde vrouw verliet… Hij verkoos barmhartigheid boven recht. Een grandioze man die Jozef! God had echt een hele goede vader voor Zijn Zoon gekozen! De Bijbel zegt dat hij zo handelde omdat hij rechtschapen was (Matt. 1:19). Het is een ouderwets woord dat staat voor integer, eerlijk, deugdzaam, oprecht. Nu moet u niet denken dat Jozef een zacht gekookt eitje was. Hij is een man zoals hij hoort te zijn: gevoelig en toch sterk.
God grijpt in! Jozef krijgt een droom waarin een engel aan hem verschijnt. Die helpt hem uit de droom! Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de Heilige Geest’ (Matt. 1:20). Maria is dus toch niet ontrouw aan hem geweest! Wat zal dat een opluchting voor hem zijn geweest. Hij nam Maria tot zich en had geen gemeenschap met haar tot Jezus geboren was (Matt. 1:25). Nog twee keer komt de engel des Heren tot Jozef en weer zien we zijn directe gehoorzaamheid en flinke wakkere handelwijze.
In Matt. 2:13 lezen we dat de engel tegen Jozef zegt dat hij moet vluchten naar Egypte, omdat Herodes zoekt het kind Jezus te doden. Reactie van Jozef: `Hij stond op en hij nam in de nacht het kind en zijn moeder en week uit naar Egypte.’ Het is belangrijk dat een man leert om duidelijke beslissingen te maken. Niet als een dictator, die alleen rekening houdt met zijn eigen wensen en voorkeuren, maar als een leider die beslissingen maakt in overleg en op basis van wat het beste is voor zijn vrouw en kinderen.
Het is opvallend dat Jozef telkens stil is en niets terug zegt tegen de engel. Hij handelt ernaar en geeft geen tegenwerpingen. Hij had bijvoorbeeld kunnen zeggen: `Kan de Here God Zijn eigen Zoon niet beschermen? Hij kan toch een legioen engelen sturen? Hij kan Herodes toch onschadelijk maken?’ Niets van dit alles. Ze breken op en vluchten. Ze weten niet voor hoelang. De engel zei: `Totdat de Here het u zal zeggen.’ Egypte is een land vol afgoden. Geen ideale plek voor een gelovig gezin om te wonen. Maar geen gezeur, geen gemopper, geen bezwaren. Jozef gaat onmiddellijk en Maria gaat met hem mee.
Het valt op in het verhaal dat de engel des Heren zich steeds richt tot Jozef en niet tot Maria. Jozef doet niet voor spek en bonen mee. Hij leeft niet in de schaduw van de meest begenadigde vrouw die er ooit geleefd heeft, omdat zij de Zoon van God gebaard heeft. De Here geeft hem de leiding over het gezin, zoals aan elke vader. God verkoos deze man als vader voor Zijn Zoon. Hij was een man naar Gods hart.

