Tagarchief: wit

Gewone berenklauw : Heracleum sphondylium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de witte bloemenschermen met stralende randbloemen en
– de talrijke lijnvormige, teruggeslagen omwindselblaadjes onder de kleinste deelschermen en
– de ruw behaarde, gegroefde stengel

 

 

Gewone berenklauw

 

 

 

Algemeen

 

Gewone berenklauw is een overblijvende, zeer algemeen voorkomende plant van 0,9 tot 1,5 meter hoog en ze groeit op vochtige, zeer voedselrijke grond op licht beschaduwde tot zonnige plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot in de herfst met witte, zelden roze, bloemschermen. De schermen bestaan uit 15-45 stralen en zijn tot 20 cm in doorsnede. De buitenste bloemetjes zijn duidelijk stralend. Onder de kleinste deelschermen zitten talrijke lijnvormige, teruggeslagen omwindselblaadjes. Hoewel de bloemen een wat onaangename geur hebben, worden ze vooral in juli en augustus door talrijke insecten bezocht.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De onderste bladeren zijn enkelvoudig en ondiep gelobd, waarvan het onderste paar gesteeld is. De hogere zijn enkelvoudig geveerd met 5 tot 9 deelblaadjes, die vaak een gelobde of gespleten rand hebben. Alle bladeren zijn ruw behaard. De stengel is gegroefd en ruw behaard, maar niet rood gevlekt, zoals de stengel van reuzenberenklauw. De holle stengels, die in de winter blijven staan, worden door spinnen en insecten als overwinteringsplaats gebruikt.

 

 

reuzenberenklauw

 

 

 

Bijzonderheden

 

Net als de reuzenberenklauw kan het sap van gewone berenklauw in combinatie met zonlicht, weliswaar in mindere mate, irritaties, jeuk en zelfs brandwonden op de huid veroorzaken. Dus bij het plukken van oudere stengels handschoenen dragen!

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Stengels geplukt voordat de bladeren zich ontvouwen kunnen gegeten worden. De plant is dan nog niet giftig. Gedroogd in de zon ontstaan er door de olie en suiker, die in de stengels zitten, zoete kristallen op de stengel.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 90 tot 150 cm

Bloem
– wit (zelden roze)
– vanaf juni tot in de herfst
– meervoudig scherm
– buitenste bloemen stralend
– stervormig
– 5 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– onderste enkelvoudig, gelobd
– hogere oneven enkelvoudig, geveerd
– top spits
– rand getand of gelobd
– voet (half) stengelomvattend
– veernervig
– ruw behaard

Stengel
– rechtop
– ruw behaard
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gelderse roos : Viburnum opulus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– (hoge) struik met in juni witte, platte bloeiwijzen,
– waarvan de randbloemen duidelijk vergroot zijn of
– vanaf augustus met glanzend rode bessen én
– de handvormig gelobde bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gelderse roos is een dichte struik van 1,5 tot 3 meter hoog met iets hangende takken. Ze is algemee voor komend in de lage landen. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en struikgewas.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Gelderse roos bloeit in juni met witte bloemen, die in een platte, schermvormige bloeiwijze bij elkaar staan. De buitenste, steriele bloemen zijn vergroot, hebben vaak ongelijke kroonbladen en dienen om insecten te lokken voor bestuiving van de kleine bloemen, die in het midden staan. De kleine bloemen zijn regelmatig. De bloeiwijze van Gelderse roos doet schermvormig aan, maar is een tuil.

Het verschil is de plaats van aanhechting van de bloemstelen. Bij een scherm zitten alle bloemstelen binnen één scherm op dezelfde hoogte, bij een tuil op verschillende hoogte. In de bloeiwijze van Gelderse roos is de lengte van de bloemstelen ongelijk, waardoor de bloemen nagenoeg op dezelfde hoogte uitkomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en takken

 

De grote bladeren zijn handvormig, 3(soms 5)-lobbig en hebben een grof, onregelmatig getande rand. De bovenkant is kaal, de onderkant licht behaard. In de herfst kleuren ze prachtig donkerrood. Jonge takken hebben stompe kanten.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bessen van Gelderse roos zijn licht giftig en daarom voor mensen niet rauw eetbaar. Gekookt kunnen ze wel gegeten worden. De bessen blijven tot ver in de winter aan de struik hangen. Pas wanneer ze bevroren zijn geweest worden ze door vogels en kleine zoogdieren gegeten.

Gelderse roos heeft een bloeddrukverlagende, hart ondersteunende, kalmerende en krampwerende werking. In de fytotherapie wordt Gelderse roos onder andere toegepast bij stress gerelateerde klachten als hoge bloeddruk, hartkloppingen, migraine of spierkrampen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn meerdere struiken met witte bloemen, zoals gewone en Amerikaanse vogelkers, gewone vlier en wilde lijsterbes. Gelderse roos is in bloei makkelijk van de andere te onderscheiden door de vergrote randbloemen in de bloeiwijze. Van de struiken met rode bessen is ze te onderscheiden door haar bladeren. Als enige heeft ze handvormig, grof getande bladeren.

 

 

vlier

 

 

 

Amerikaanse vogelkers

 

 

 

wilde lijsterbes

 

 

 

Algemeen

 

muskuskruidfamilie (Adoxaceae)
– struik
– algemeen tot vrij zeldzaam
– 1,5 tot 3 m

Bloem
– (room)wit
– juni
– vlakke tuil
– kleine 4 tot 7 mm
– grote 1 tot 2 cm
– stervormig
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– handvormig
– top spits
– rand grof, onregelmatig getand
– voet afgerond of wigvormig
– hand- en veernervig
– zacht behaard

Takken
– rechtop

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geelhartje : Linum catharticum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de witte, 5-tallige, kleine bloemetjes
– met een geel hart
– op vochtige tot vrij natte plaatsen (o.a. duinvalleien)

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Geelhartje is een laag, blauwgroen plantje, dat groeit op open plaatsen met vochtige tot vrij natte, al of niet kalkhoudende grond in duinen, op kalkgraslanden, in heide op leem, schraallanden, op afgravingen, zandplaten en soms in trilveen. Ze is plaatselijk algemeen voorkomend in de Lage Landen. Ze staat op de rode lijst als kwetsbaar.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Geelhartje bloeit vanaf juni tot en met augustus. De bloemen staan op draadvormige, ronde stelen en vormen samen een ijle bloeiwijze. Geopende bloemen staan rechtop, knoppen hangen over. Ze hebben 5 witte kroonbladen, die aan de basis geel gekleurd zijn, waardoor geelhartje (zoals de naam al zegt) een geel hartje heeft. Dat wordt nog versterkt door de gele meeldraden en stijlen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Elk plantje heeft meestal maar 1 stengel, die bovenin gevorkt vertakt is. De bladeren voelen ruw aan, hebben 1 nerf en staan tegenover elkaar. De onderste zijn eirond met stompe punt, de bovenste langwerpig met (toege)spitste punt.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Geelhartje maakt stoffen aan die haar giftig maken; ze beschermt zich hiermee tegen vraat door planteneters. Maar hoewel giftig, vroeger werd ze gebruikt als laxeermiddel. In de homeopathie wordt ze nog steeds toegepast bij bronchitis, aambeien en diarree.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Geelhartje is door haar gele hart direct van de andere kleine witte bloemetjes te onderscheiden.

 

 

 

.

 

Algemeen

 

vlasfamilie (Linaceae)
– een- of tweejarig, soms overblijvend
– plaatselijk algemeen tot zeer   zeldzaam, rode lijst
– 5 tot 20 cm

Bloem
– wit met geel hart
– vanaf juni t/m augustus
– alleenstaand
– stervormig
– 4 tot 6 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden, soms 4
– 5 stijlen, soms 4

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top stomp, spits of toegespitst
– rand gaaf
– voet aflopend
– 1-nervig

Stengel
– rechtop

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Kyaniet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Het blauwe, grijze, witte, groene of zwarte mineraal heeft een perfecte splijting  volgens het kristalvlak [100], een witte streepkleur en een glas- tot parelglans. Het kristalstelsel is triklien, de gemiddelde dichtheid is 3,61 en de hardheid is 4 tot 7. Kyaniet is noch magnetisch, noch radioactief. Kyaniet of distheen is een hele kwetsbare steen.

 

 

 

 

 

Etymologie

 

Kyaniet is vernoemd naar het Griekse woord kyanos = blauw. Distheen komt van de Griekse woorden di = twee en stenos = kracht.

 

 

 

 

 

 

Vindplaats

 

Kyaniet wordt momenteel nog gewonnen in o.a. de Verenigde Staten, Brazilië, Zwitserland en Frankrijk.

 

 

 

 

 

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: Al2SiO4

hardheid: 5-7

dichtheid: 3,6-3,7

 

 

groene kyaniet

 

 

 

Kyaniet
KyaniteUSGOV.jpg
Mineraal
Chemische formule Al2SiO5
Kleur Blauw, wit, grijs, groen of zwart
Streepkleur Wit
Hardheid 4 – 7
Gemiddelde dichtheid 3,61 kg/dm3
Glans Parelglans
Opaciteit Doorzichtig of doorschijnend
Breuk Splinterig
Splijting Perfect, [100]
Kristaloptiek
Kristalstelsel Triklien
Dispersie 0,020
Luminescentie Niet-fluorescerend
Pleochroïsme Kleurloos tot blauw
Overige eigenschappen
Vergelijkbare mineralen Andalusietsillimaniet
Bijzondere kenmerken Zelden kattenoogeffect

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

pauw kyaniet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cryoliet

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Algemene informatie

.

Cryoliet of kryoliet is een zeer zeldzaam mineraal dat van oudsher werd gebruikt in de bereiding van aluminium. Cryoliet komt voor als een glasachtig mineraal, variërend van kleurloos tot wit, met roodachtige of grijs-zwarte tinten. Het kan doorschijnend tot transparant zijn.

De hardheid is 2,5 tot 3 op de schaal van Mohs en de dichtheid 2,95 tot 3,00. Kryoliet is doorschijnend tot transparant met een bijzonder lage brekingdindex. De waarden voor de brekingsindex liggen in het bereik van 1,3385 tot 1,34, dus heel dicht bij die van water. Ondergedompeld in water is kryoliet daardoor praktisch onzichtbaar.

Cryoliet kan beter niet rechtstreeks op de huid gedragen worden als het niet ingesloten is en edelsteenwater kan alleen gemaakt worden via de indirecte methode waarbij stenen niet in contact komen met het water, in verband met het in de steen aanwezige aluminium.

.

.

.

.

Etymologie

.

De naam cryoliet is afgeleid van de Griekse woorden kryos, wat bevroren, en lithos, wat steen betekent.

.

.

.

.

Vindplaats

.

Cryoliet werd van oorsprong gevonden in Groenland maar deze mijn is inmiddels gesloten. Daarnaast wordt het gevonden in Canada, de VS en Rusland.

.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

samenstelling: Na3[AlF6]

hardheid: 2,5

dichtheid: 2,96

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Creediet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

Algemene informatie

 

Creediet is een gehydrateerd calcium-aluminium-sulfaat-fluoride, wat tot de groep halogenides behoort. Het doorschijnende of doorzichtige mineraal is wit, tot paars of oranje van kleur en heeft een vettige glans. Het vormt zich in prismatische, naaldachtige kristallen.

 

 

 

 

 

Etymologie

 

Creediet is vernoemd naar de Amerikaanse plaats Creede, nabij de originele vindplaats.

 

 

.

.

.

Vindplaats

 

Naast de originele vindplaats Creede in de Amerikaanse staat Colorado, wordt creediet ook gevonden in Mexico, Bolivia, Griekenland, Frankrijk, Italië, China en Zuid-Afrika.

 

 

 

.

.

Chemische eigenschappen

 

samenstelling: Ca3[Al2(F,OH)10|SO4] · 2H2O

hardheid: 4

dichtheid: 2,7

 

 

Creediet
Creedite 3 photo fond.jpg
Mineraal
Chemische formule Ca3Al2(SO4)F7,5(OH)2,5·2(H2O)
Kleur Kleurloos, wit, oranje of paars
Streepkleur Wit
Hardheid 3,5
Gemiddelde dichtheid 2,71 kg/dm3
Glans Glas tot vet
Opaciteit Doorzichtig tot doorschijnend
Breuk Schelpvormig
Splijting Perfect, [100]
Kristaloptiek
Kristalstelsel monoklien
Brekingsindices 1,461 – 1,485
Dubbele breking 0,0240

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brede lathyrus : Lathyrus latifolius

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

Brede Lathyrus, Montenach

 

 

Goed te herkennen aan
– de rozerode tot helder roze vlinderbloemen met brede vlag en
– de uit 2 deelblaadjes bestaande, gerankte, blauwgroene bladeren
– en de gevleugelde, blauwgroene stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Brede lathyrus is een overblijvende plant oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Zuid-Europa. In de Lage Landen wordt ze aangeboden als tuinplant. Vanuit tuinen is ze verwilderd (via tuinafval) en kan zich hier en daar goed handhaven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met augustus met opvallende, grote, aangenaam ruikende vlinderbloemen, die in lang gesteelde trossen van 5 tot 15 bloemen staan. De vlag en zwaarden zijn gelijk van kleur, rozerood tot helder roze, zelden wit. De kiel is wit.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren hebben een gevleugelde bladsteel en bestaan uit twee elliptische tot lancetvormige deelblaadjes met daar tussen een vertakte rank. De deelblaadjes hebben 5 parallel lopende nerven (onderling verbonden door middel van kleinere nerven), zijn 1 tot 4 cm breed en 4 tot 12 cm lang. Zowel de bladeren als gevleugelde stengels zijn blauwgroen.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

aardaker : stengel kantig en niet gevleugeld, hele bloem rozerood tot helder rood.
boslathyrus : vleugels bladsteel 0,5 tot 1,8 mm, gevleugelde stengel, vlag roze, zwaarden roodpaars, kiel geelgroen.
brede lathyrus : vleugels bladsteel 2 tot 4 mm, gevleugelde stengel, vlag en zwaarden rozerood tot helder roze en witte kiel.

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– verwilderd vanuit tuinen
– 90 tot 180 cm

Bloem
– rozerood tot helder roze, soms wit
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– vlinderbloem
– (15) 20 tot 30 mm breed
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– elliptisch tot lancetvormig
– top stomp met kort spitsje
– rand gaaf
– voet afgerond of wigvormig
– parallel- en netnervig
– rank
– vleugels bladsteel (1,5-) 1,8 – 4 mm

Stengel
– liggend of klimmend
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Bont kroonkruid : Securigera varia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de wit/roze bolvormige bloeiwijze en de rijke bloei

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Bont kroonkruid is een overblijvende giftige plant van 30 tot 120 cm hoog, die zeldzaam is en voornamelijk te vinden is in de duinen en in stedelijke gebieden. Bont kroonkruid komt van nature voor in Midden- en Zuid-Europa en is van daaruit verspreid naar West- en Noord-Europa. Inmiddels is de plant een geaccepteerde inheemse soort. Je vindt haar op matig vochtige, kalkrijke grond op dijkhellingen, langs wegen, spoorwegen en in de duinen. Behalve in het wild voorkomend wordt bont kroonkruid ook ingezaaid voor bodemverbetering, het tegengaan van erosie en als bermbeplanting.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met mooie wit/roze bolvormige 10- tot 20-bloemige schermen, die aan het einde van lange stelen staan. De schermen tonen op afstand roze, maar de individuele bloemetjes in het scherm bestaan uit drie kleuren: een donkerroze vlag, witte zwaarden en lichtroze kiel met donkere punt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

Bont kroonkruid heeft liggende en opstijgende stengels en kan daarmee grote stukken grond bedekken. De bladeren zijn oneven geveerd met 7 tot 12 paar deelblaadjes en een topblaadje. De ovale blaadjes zijn 6 tot 16 mm lang.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Hoewel bont kroonkruid giftig is, schijnt thee gezet van de plant verlichting te bieden bij astma en nerveuze hartklachten.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeldzaam voorkomend
– 30 tot 120 cm

Bloem
– roze en wit
– vanaf juni t/m september
– bolvormig scherm
– vlinderbloem
– 10 tot 15 mm
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits
– rand gaaf
– voet afgerond
– 1 nervig

Stengel
– liggend en opstijgend
– glad en kaal
– meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Ulexiet, tv-steen

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

 

Algemene informatie

.

Ulexiet is een hele zachte steen en is kleurloos, doorschijnend of wit. Het wordt ook wel tv-steen genoemd vanwege de optische eigenschappen van de steen. Een op de juiste manier vlak gemaakte ulexiet steen van goede kwaliteit kan een beeld van iets wat er aan de achterzijde van de steen bevindt, aan de voorzijde projecteren door haar vezels.

Ulexiet heeft een witte streepkleur en een perfecte splijting volgens de kristalvlakken [010] en [110]. De gemiddelde dichtheid is 2,95 en de hardheid is 2,5. Het kristalstelsel is triklien en het mineraal is niet radioactief.

.

.

.

.

Etymologie

.

Ulexiet is vernoemd naar de ontdekker van de steen Georg Ludwig Ulex.

.

.

.

Vindplaats

.

Ulexiet wordt in de Verenigde Staten gevonden.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

Chemische samenstelling: NaCaB5O6(OH)6.5(H2O)

dichtheid: 2.9

hardheid: 2,5

.

.

Ulexiet
Ulexite-39574.jpg
Mineraal
Chemische formule NaCaB5O6(OH)6·5(H2O)
Kleur Kleurloos of wit
Streepkleur Wit
Hardheid 2,5
Gemiddelde dichtheid 1,95 kg/dm3
Opaciteit Doorschijnend
Splijting Perfect, [110] & [010]
Kristaloptiek
Kristalstelsel triklien
Overige eigenschappen
Vergelijkbare mineralen colemaniet

 

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Boekweit : Fagopyrum esculentum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote pijl- of hartvormige bladeren en
– de losse aarvormige trossen witte bloemetjes en
– de donkere vruchtjes, die qua vorm op beukennootjes lijken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Boekweit is geen inheemse wilde plant, maar een eenjarig landbouwgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Oost-Azië. Vroeger werd boekweit verbouwd op schrale zandgrond. Ten opzichte van de huidige gewassen is de opbrengst te laag om verbouw lonend te maken en wordt ze alleen nog gebruikt als nectarplant voor honingbijen, zit ze in zaaimengsels en in vogelvoer.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Boekweit bloeit vanaf juni tot en met augustus met kleine witte of roze bloemetjes, die gegroepeerd zitten in losse pluimen in de bladoksels en aan het einde van de stengel. De bloemetjes hebben 5 bloemdekbladen, geen aparte kroon- en kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn groot, pijl- of hartvormig, meestal iets langer dan breed. De stengel is roodachtig.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

Voordat de bloei ten einde is zijn er al rijpe vruchtjes. Ze zijn driehoeking en lijken sterk op kleine beukennootjes. Elk vlak heeft scherpe randen, in tegenstelling tot Franse boekweit, waarvan de vruchtjes getande randen hebben. De vruchtjes zijn 2x zo lang als het (nog niet verdroogde) bloemdek. De vruchtjes van Franse boekweit zijn 3x zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

boekweit : wit of roze bloemdek, vruchtjes scherp driehoekig en twee maal zo lang als het bloemdek.

 

Franse boekweit : groen bloemdek, vruchtjes getand driehoekig en drie maal zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

duizendknoopfamilie (Polygonaceae)
– eenjarig
– schaars landbouwgewas
– 15 tot 60 cm

Bloem
– wit of roze
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– stervormig
– 5 tot 7 mm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 8 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– pijl- of hartvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet pijl- of hartvormig
– hand-/netnervig

Stengel
– rechtop
– aan 1 kant behaard
– roodachtig
– rolrond

zie wilde bloemen