Tagarchief: wit

Bloedkoraal

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemeen

 

Bloedkoraal (Corallium rubrum) is een koraalsoort uit de Middellandse Zee. Het wordt aangetroffen op een diepte van 2 tot 280 meter. De onregelmatig gevormde kolonies worden 5 tot 20 centimeter hoog. Meestal is bloedkoraal donkeroranje. Er zijn echter ook witte en zwarte exemplaren bekend.

 

 

 

 

 

 

 

 

Leefomgeving

 

Bloedkoraal komt voor in diep water met een rotsachtige bodem zoals op onderzeese bergen onder richels en in en rond grotten, waar vaak sterke stromingen zijn.

 

 

 

 

.

Voortplanting

 

Er zijn verschillende theorieën over de voortplanting van koraal, maar dit is de meest waarschijnlijke. Bloedkoraal bestaat uit mannelijke en vrouwelijke kolonies poliepen (dat is niet bij al het koraal). De zaadcellen van een mannelijke kolonie worden in het water losgelaten en proberen een vrouwelijke kolonie te bereiken.

De bevruchte eicel ontwikkelt zich tot een larve in het lichaam van een vrouwelijke poliep. Die ontwikkeling duurt ongeveer 30 dagen. Van eind juli tot eind augustus worden de larven in het water losgelaten. De larven vestigen zich op of in de buurt van het al bestaande deel koraal en ontwikkelen zich tot een poliep. Als dat is gebeurd maken ze een kalkskeletje (er bestaan ook zachte koralen, daarbij vormen de poliepen geen skeletje).

Dit proces herhaalt zich en zo wordt het koraal steeds groter. Bloedkoraal groeit in een tempo van minder dan een centimeter per jaar, dat is erg langzaam vergeleken met andere koralen. Een bloedkoraal kan zo’n 100 jaar oud worden en is volwassen als hij 7 tot 12 jaar oud is.

 

 

 

 

 

ruw

 

Voeding

 

De meeste soorten koralen hebben algen nodig om te kunnen leven. Die algen maken met behulp van fotosynthese glucose (suiker) en zuurstof. De algen gebruiken dit voor een deel zelf, maar er blijft veel over en dat wordt gebruikt door de koraalpoliepen. De koraalpoliep neemt de stoffen op in de maag. Van de afvalstoffen en de koolstofdioxide die de koraalpoliepen uitscheiden kunnen de algen weer nieuwe glucose en zuurstof maken.

Bloedkoraal werkt samen met roodalgen en die zijn, de naam zegt het al, rood. En doordat die algen op of in de koraalpoliepen zitten, lijkt het alsof het koraal zelf die kleur heeft; het koraal zelf is echter wit, de kleur die je ziet zijn de algen. Bloedkoraal is een van de weinige soorten koralen die ook zelf voedsel uit het water kan halen.

De bloedkoraalpoliepen hebben tentakels waarmee ze heel kleine diertjes (bijvoorbeeld plankton), of een heel klein stukje van een groter dier kunnen opvangen en soms ook nog kunnen verdoven met een netelcel en via de mond naar hun maag kunnen brengen. Daar wordt het verteerd. De bloedkoralen die op deze manier aan hun voedsel komen leven dus niet samen met algen en zijn dus ook niet rood (de kleur van de algen) maar wit.

 

 

ruw

 

 

 

 

 

Gebruik

 

Het koraalskelet levert een grondstof voor sieraden. Zo vormen kettingen van bloedkoralen kralen een onderdeel van bijvoorbeeld de Zeeuwse klederdracht. Naast parels, barnsteen en ivoor is het een van de weinige organische stoffen waarmee sieraden vervaardigd worden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Symboliek

 

In de iconografie is een snoer bloedkoralen het attribuut van het gepersonifieerde Afrika. De inwoners van het Romeinse Keizerrijk geloofden dat bloedkoraal de magische eigenschap had om het boze oog te kunnen afwenden. Ook dachten zij dat het geneeskrachtig was. Een snoer bloedkoralen werd om de hals van een kind gehangen ter bescherming tegen kwade invloeden. Om deze reden is het ook te zien op christelijke afbeeldingen van Maria met Kind.

 

 

 

 

 

 

 

 

Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (dieren)
Stam: Cnidaria (neteldieren)
Klasse: Anthozoa (bloemdieren)
Onderklasse: Alcyonaria
Orde: Gorgonacea (hoornkoralen)
Onderorde: Scleraxonia
Familie: Coralliidae
Geslacht: Corallium

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Luzerne : Medicago sativa

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
aan de eivormige tot langwerpige, rijkbloemige, lang gesteelde trossen paarse (soms witte), kortgesteelde vlinderbloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Luzerne is een overblijvende, 30 tot 80 cm hoge plant. Ze is vrij algemeen voor komend in de Lage Landen. Ze groeit op min of meer vochtige plaatsen in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Luzerne bloeit vanaf juni tot en met september. De bloeiwijze is een rijkbloemige, eivormige tot langwerpige tros vlinderbloemen. Ze zijn kort gesteeld, doorgaans paars, soms zijn ze wit. De trossen zijn lang gesteeld en staan in de bladoksels. Bij kruisingen van luzerne met sikkelklaver zijn de bloemen groen of geel-paars gevlekt. Sikkelklaver heeft gele bloemen.

De meeldraden en stijl liggen onder spanning in de kiel van de bloem verborgen. Zowel bijen als vlinders kunnen de bloem laten “ontploffen”. Zij drukken, op hun zoektocht naar nectar, de zwaarden en kiel naar beneden, waardoor het mechanisme dat stijl en meeldraden onder spanning houdt, wordt open gedrukt en stijl en meeldraden omhoog klappen tegen de buik van het insect.

De stijl is langer dan de meeldraden en ontvangt stuifmeel van een andere bloem, voordat de kortere meeldraden hun stuifmeel aan het insect afgeven. Bij een ontplofte bloem blijven na vertrek van het insect de meeldraden en stijl zichtbaar. Die bloemen worden bezocht door andere insecten vanwege het nu makkelijk bereikbare stuifmeel.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De kortgesteelde bladeren bestaan uit 3 langwerpige deelblaadjes, die elk 2 à 3 cm lang zijn, het breedst boven het midden en waarvan de onderste helft van de rand gaaf is en de bovenste helft getand. De top heeft een stekelpuntje. De stengels zijn sterk vertakt en los bebladerd.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De zaden van luzerne kunnen het hele jaar ontkiemen en worden verkocht als spruitgroente met de naam alfalfa; op dezelfde manier in de keuken te gebruiken als taugé. Ze wordt ook gekweekt als voederplant en vanwege haar stikstofbindende eigenschap gebruikt als groenbemester voor verbetering van schrale gronden.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Andere planten met paarse trossen vlinderbloemen zijn vogelwikke, stijve wikke en bonte wikke. Hoewel het ook vlinderbloemen zijn, zijn de bloemen van de wikke-soorten anders van vorm en smaller dan de bloemen van luzerne. Verder staan ze binnen 1 tros nagenoeg allemaal dezelfde kant op. Dat is bij luzerne niet het geval. De bladeren van luzerne bestaan uit 3 deelblaadjes, die van de wikke-soorten bestaan uit meer dan 3 deelblaadjes en de bladspil eindigt in een vertakte rank.

 

 

vogelwikke

 

 

stijve wikke

 

 

bonte wikke

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeldzaam
– ook gekweekt als voederplant
– 30 tot 80 cm

Bloem
– paars (soms wit)
– vanaf juni t/m september
– tros
– 8 tot 12 mm
– vlinderbloem
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 behaarde kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– handvormig
– top spits met stekelpuntje
– rand bovenste helft getand
– voet wigvormig
– veernervig
– behaard
– gewimperd

Stengel
– rechtop
– weinig behaar

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Fargiet / Natroliet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Algemene informatie

.

Natroliet is meestal wit of kleurloos maar kan ook geel- of roodachtig zijn. Het vertoont vaak een fijne, naald- achtige kristal structuur en behoort tot de zeolieten familie. Fargiet is een rode natroliet uit Glenfarg, Schotland en bergmanniet of spreustein is een onzuivere natroliet variant uit Noorwegen.

.

.

.

.

.

Verzorging

.

Natroliet kan beter niet met water gereinigd worden omdat het een vrij kwetsbare structuur heeft waardoor er stukjes van het kristal afgebroken kunnen worden als het onder stromend water gehouden wordt.

.

.

.

.

.

Etymologie

.

Natroliet is een samenvoeging van de Griekse woorden natron (soda) en lithos (steen).

.

.

.

.

Vindplaats

.

Natroliet wordt gevonden in Duitsland, Frankrijk, Rusland, Canada en de Verenigde Staten.

.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

chemische samenstelling: Na2Al2Si3O10·2H2O

hardheid: 5 – 6

dichtheid: 2,25

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Kluwenhoornbloem : Cerastium glomeratum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met 5 tot 1/4 ingesneden kroonbladen
– in een gedrongen, dichte bloeiwijze en
– de behaarde stengels, die vooral bovenaan kleverig zijn door klierharen

 

 

 

 

Algemeen

 

Kluwenhoornbloem is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige, behaarde plant, vooral bovenin met klierharen, waardoor ze kleverig aanvoelt. Ze groeit op open, vrij droge, tamelijk voedselrijke grond in tuinen, perken, bermen en graslanden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kluwenhoornbloem bloeit vanaf januari tot en met oktober. De hoofdbloei valt in de maanden april tot en met juni. Ze bloeit met kleine witte bloemetjes, die in een gedrongen, dichte bloeiwijze staan. Later wordt de bloeiwijze wat losser. In een bloeiwijze bloeien de bloemen zelden allemaal tegelijk. De bloemen hebben 5 kroonbladen, die ongeveer voor 1/4 zijn ingesneden. Ze zijn iets langer dan de kelkbladen, die tot aan de top behaard zijn.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 5 tot 45 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– dicht bijscherm
– stervormig
– 5 tot 8 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen

Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– breed eirond
– top stomp
– rand gaaf
– voet vergroeid
– 1-nervig
– aan beide zijden zacht behaard
– geelgroen

Stengel
– rechtop
– behaard, ook met klierharen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kikkerbeet : Hydrocharis morsus-ranae

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de kleine, witte bloemen op een lange steel boven water en
– de op het water drijvende, ronde bladeren met hartvormige voet en opvallende kromme nerven

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kikkerbeet is een drijvende waterplant, die groeit in ondiep, (matig) voedselrijk, zoet of zwak brak, zacht stromend of stilstaand, luw water; niet in groot open water. Ze is ook geschikt voor aquaria en siervijvers. Ze is algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met augustus. De bloemen zijn zoet geurend en hebben drie witte kroonbladen, die aan de basis geel zijn. Ze staan op lange stelen boven het water. Ze zijn mannelijk of vrouwelijk. In het hart van de vrouwelijke bloemen staan 6 gele, 2-lobbige stijlen. In het hart van de mannelijke bloemen staan 12 gele meeldraden. De vrouwelijke bloemen zijn alleenstaand. De mannelijke staan met 2 tot 5 bij elkaar, maar meestal is er maar eentje in bloei, zelden 2. Elke bloem is maar 1 dag open.

 

 

 

 

 

Blad

 

De op het water drijvende, vlezige bladeren zijn cirkelrond, 2 tot 7 cm groot. Ze hebben een diep hartvormige voet en opvallende nerven; in het midden van het blad een rechte nerf en zijdelings daarvan aan elke kant 2 boogvormige nerven.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

waterkaardefamilie (Hydrocharitaceae)
– drijvende waterplant
– algemeen tot vrijwel ontbrekend
– 15 tot 30 cm

Bloem
– wit
– vanaf juni t/m augustus
– alleenstaand
– stervormig
– 2 tot 3 cm groot
– 3 kroonbladen, niet vergroeid
– 3 kelkbladen
– 12 meeldraden
– 6 stijlen

Blad
– verspreid of rozet
– enkelvoudig
– rond
– top stomp
– rand gaaf
– voet diep hartvormig
– kromnervig
– vlezig
– op het water drijvend

Stengel
– ondergedoken
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klein kaasjeskruid : Malva neglecta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de buisvormig vergroeide meeldraden en
– de bleekroze tot witachtige kleine bloemen met donkere strepen op de kroonbladen en
– de liggende stengels

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Klein kaasjeskruid is een overblijvende, soms eenjarige plant. Ze is algemeen voorkomend en groeit op open, stikstofrijke, vaak omgewerkte grond, vooral bij dorpen, boerderijen en aan wegranden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met september. Ze bloeit met bleekroze tot witte bloemen, die 5 uitgerande kroonbladen met donkere strepen hebben. De bloemen staan met 3 tot 6 bij elkaar. De meeldraden zijn buisvormig vergroeid.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengelbladeren zijn bijna rond en bestaan uit 5 tot 7 niet diep ingesneden lobben. De stengels zijn behaard en liggend, alleen het uiteinde is opgericht. De plant wordt 10 tot 40 cm hoog.

 

 

 

.

 

Toepassingen

 

Net als de andere kaasjeskruiden bevatten de bladeren van klein kaasjeskruid veel slijmstoffen en kleine hoeveelheden looistof. Deze combinatie werkt goed bij ontstekingen van slijmvliezen van bijvoorbeeld de maag en mond- en keelholte. De slijmstoffen gaan de hoestprikkel tegen, de looistof werkt samentrekkend en beschermt zo het kwetsbare slijmvlies. De plant wordt in de vorm van gorgeldrank, en soms ook als hoestdrank gebruikt of als thee voor de maag.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kaasjeskruidfamilie (Malvaceae)
– overblijvend of eenjarig
– algemeen tot minder algemeen
– 10 tot 40 cm

Bloem
– bleekroze tot wit
– vanaf juni t/m september
– bundel of krans
– stervormig
– 1,5 tot 3 cm
– 5 kroonbladen, uitgerand en niet   vergroeid
– 5 kelkbladen
– 3 bijkelkblaadjes
– meer dan 20 meeldraden
– 5 tot meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– rond met 5-7 afgeronde lobben
– top stomp
– rand gekarteld
– voet hartvormig
– handnervig

Stengel
– liggend, uiteinde rechtop
– aanliggend behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hondsroos : Rosa canina

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de zachtroze rozen; de oudere bloemen zijn witter en
– de gladde takken met alleen haakvormige gebogen doorns en
– de blaadjes die bij kneuzing niet geuren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Hondsroos is een dichte, struikvormige plant met overhangende takken, die groeit op vochtige tot droge, voedselrijke grond in heggen, struikgewas, loofbossen en uiterwaarden. Ze komt zeer algemeen voor en wordt ook aangeplant. Ze kan tot 3 meter hoog worden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Hondsroos bloeit in juni en juli met zachtroze bloemen. Alleen het buitenste gedeelte van de hartvormige kroonbladen is zachtroze, de basis is wit. Bij oudere bloemen verdwijnt de roze kleur nagenoeg, die lijken bijna helemaal wit.

 

 

 

 

 

Bladeren en takken

 

De bladeren bestaat uit 5 tot 7 deelblaadjes. Ze kunnen kaal of behaard zijn, maar geuren bij wrijving niet, in tegenstelling tot de bladeren van egelantier. De takken zijn groen, soms roodachtig aangelopen en hebben verspreid staande grote, haakvormig gebogen doorns. Verder zijn ze kaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Hondsroos kent vele toepassingen. De bloemblaadjes, rozebottelschillen en zaden worden voor medicinale doeleinden gebruikt. De schil van de bottels, die veel vitamine C bevat, wordt ook gebruikt voor het maken van jam en sap en vanwege de smaak vaak toegevoegd aan kruidenthee. De overige delen van hondsroos worden in de volksgeneeskunde gebruikt als urinedrijvend middel bij blaas- en nierproblemen en als mild laxeermiddel.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

:
:
:
:
:
:
:

kaneelroos : 2 rechtafstaande stekels aan de voet van de bladsteel.

 

 

kaneelroos

 

 

rimpelroos : oranje-rode bottels breder dan hoog (kleine “tomaatjes”).

 

 

 

 

 

 

bosroos : kaal, geen doorns of stekels.

 

 

bosroos

 

 

 

 

egelantier :appelachtige geur bij wrijving van het blad.

 

 

egelantier

 

 

 

 

hondsroos : grote haakvormige doorns op verder kale takken.

 

viltroos : aan beide zijden behaarde bladeren, onderkant viltig.

 

 

viltroos

 

 

 

 

duinroos : donkere, bruinachtig paarse tot zwartachtige bottels.

 

 

duinroos

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 1 tot 3 meter

Bloem
– zachtroze tot bijna wit
– juni en juli
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 4,5 tot 5 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– oneven veervormig samengesteld
– deelblaadjes :
– langwerpig tot eirond
– top spits
– rand enkel of dubbel gezaagd
– voet afgerond
– veernervig
– wisselende beharing
– niet geurend bij wrijving

Stengel
– overhangend of rechtop
– kaal met doorns
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Haagwinde : Convolvulus sepium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, zuiver witte (zelden roze met witte strepen), trechtervormige bloemen en
– aan de hoek van 90° tussen bladsteel en bladschijf
– en de pijlvormige bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Haagwinde is een zeer algemeen voorkomende snelgroeiende overblijvende klimplant. Op zonnig tot half beschaduwde plaatsen met natte tot vochtige, voedselrijke grond kan je haar tegenkomen, zoals in akkers, plantsoenen, tuinen, rietlanden, ruigten en moerasbossen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Haagwinde bloeit vanaf juni tot de herfst met grote, trechtervormige, zuiver witte bloemen. Zelden zijn ze roze met witte strepen. De bloem wordt aan de onderkant omsloten door twee hartvormige, meestal roodbruin aangelopen schutbladen, die de kelk gedeeltelijk bedekken. De schutbladen overlappen elkaar niet, ze raken elkaar hooguit aan de rand en ze zijn langer dan de kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De niet of weinig vertakte stengels winden zich tegen de klok in om takken en stengels van andere planten of zaken zoals palen, gaas of spijltjes van hekken. Ze kan zo tot 3 meter hoog klimmen. De bladeren hebben een breed pijlvormige voet. De bladschijf en bladsteel staan ongeveer haaks op elkaar.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

haagwinde : grote witte bloemen, bladsteel maakt ongeveer een hoek van 90° met bladschijf.
akkerwinde : heeft kleinere, geurende witte of roze bloemen, die aan de buitenkant 5 donkere strepen hebben.
zeewinde : heeft roze/bleek purperen bloemen met 5 witte strepen, niervormige bladeren en liggende, zelden klimmende stengels.
gestreepte winde : opgeblazen schutbladen onder de bloem overlappen elkaar gedeeltelijk. Bloemen wit, vaak met roze strepen.

 

 

akkerwinde

 

 

 

zeewinde

 

 

 

gestreepte winde

 

 

 

Algemeen

 

windefamilie (Convolvulaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– tot 3 meter

Bloem
– wit, zelden roze met witte strepen
– vanaf juni tot de herfst
– gesteeld alleenstaand
– trechtervormig
– 3 tot 6 cm lang
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– pijlvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet breed pijlvormig
– veernervig

Stengel
– klimmend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Danburiet

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

 

 

 

Algemene informatie

 

Danburiet behoort tot de sorosilikaten, is kleurloos, bleekgeel, wit of bruinachtig wit. Het is doorzichtig tot doorschijnend en heeft een glas- of vetglans.

 

 

 

.

.

Etymologie

 

Danburiet is genoemd naar de vindplaats bij Danbury (Connecticut) in de Verenigde Staten waar het in 1839 werd ontdekt.

 

 

 

.

.

Vindplaats

 

Danburiet is een veel voorkomend mineraal en wordt o.a. gevonden in Mexico, Madagascar, Canada, VS, Bolivia, Italië, Duitsland, Zwitserland.

 

 

goudgele danburiet

 

 

.

Chemische eigenschappen

 

chemische formule: CaB2Si2O8

hardheid: 7

dichtheid: 2,97 – 3,02

 

.

 

 

 

.

Danburiet
DanburiteMexique.jpg
Mineraal
Chemische formule CaB2Si2O8
Kleur Wit, grijs of geel
Streepkleur Wit
Hardheid 7
Gemiddelde dichtheid 2,99 kg/dm3
Glans Glas- tot vetglans
Opaciteit Doorzichtig tot doorschijnend
Splijting [001] Slecht
Kristaloptiek
Brekingsindices Np 1,630, Nm,633, Ng 1,647
Dubbele breking 0,006 – 0,008
Luminescentie soms blauw, groenblauw en wit
Overige eigenschappen
Veredeling bestraling
Bijzondere kenmerken geen
.
.
.
.
.
.
.
.

drusy danburiet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dolomiet

Standaard

categorie :  Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Algemeen 

.

In zijn voorkomen lijkt dolomiet op calciet, maar het lost slecht tot niet op in zoutzuur. Het is niet precies bekend hoe het mineraal wordt gevormd, een mogelijkheid is dat het gebeurt in ondiep zeewater in (sub-)tropische gebieden, maar ook andere mechanismen zijn mogelijk. Hoewel het gesteente meestal niet door sedimentatie ontstaat, wordt het toch tot de sedimentaire gesteenten gerekend. Dolomiet is kleurloos tot wit, geelachtig bruin of zalmroze. De steen is doorzichtig tot doorschijnend en heeft een glasachtige tot parelmoerglans.

.

.

.

.

Etymologie

.

Dolomiet is vernoemd naar haar ontdekker, de Franse mineraloog Déodat de Dolomieu

.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

samenstelling: CaMg(Co3)2

hardheid: 3,5-4

dichtheid: 2,8

.

.

.

.

Dolomiet
Dolomite-Magnesite-183887.jpg
Mineraal
Chemische formule CaMg(CO3)2
Kleur Kleurloos, grijs, geelbruin, bruin
Streepkleur Wit
Hardheid 3,5 tot 4
Gemiddelde dichtheid 2,85 kg/dm3 voor zuiver dolomiet
Glans Glas- tot parel
Opaciteit Doorschijnend
Breuk Bros, schelpvormig
Splijting Perfect, [1011]
Habitus Romboëder, prisma, tafelvormig
Kristaloptiek
Kristalstelsel Trigonaal
Brekingsindices 1,5 – 1,681
Dubbele breking 0,1790 – 0,1810
Overige eigenschappen
Chemisch gedrag reageert slechts met verwarmd HCl

 

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

fluoriet met dolomiet

.

.

.

.