categorie : kamerplanten en bloemen

1: kroonblad
2: kelkblad
3: stempel
4: stijl
5: vruchtbeginsel
3+4+5: stamper
6: bloembodem
7: helmknop
8: helmdraad
7+8: meeldraad
9: nectarkliertje
10: bloemsteel
11: eicellen
12: stuifmeelkorrel



1: kroonblad
2: kelkblad
3: stempel
4: stijl
5: vruchtbeginsel
3+4+5: stamper
6: bloembodem
7: helmknop
8: helmdraad
7+8: meeldraad
9: nectarkliertje
10: bloemsteel
11: eicellen
12: stuifmeelkorrel


Goed te herkennen aan
– de lila tot bleekblauwe “ereprijs” bloemetjes in trossen en
– de plaats waar de plant groeit (in ondiep water)
Algemeen
Blauwe waterereprijs is een eenjarig of overblijvende plant van 15 tot 60 cm. Ze groeit in ondiep, stromend water en open, natte, voedselrijke grond aan waterkanten. In het rivierengebied is ze plaatselijk vrij algemeen. Elders is ze zeldzaam.
Bloem
Ze bloeit vanaf mei tot in de herfst. De bloemen vormen lang gesteelde trossen in de bladoksels en zijn lila tot bleekblauw met paarse lijntjes. Na de bloei maken de bloemstelen een scherpe hoek met de as van de bloeiwijze. Dat onderscheidt blauwe waterereprijs van rode waterereprijs, waarvan de bloemstelen een rechte hoek maken na de bloei.
Blad en stengel
De al of niet vertakte, kale stengels zijn groen, soms rood aangelopen en vierkantig. De bladeren zijn licht groen, de bovenste langwerpig en half stengelomvattend, de onderste ei-rond en gesteeld.
Algemeen
– weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– eenjarig of overblijvend
– vrij algemeen in het rivierengebied, elders zeldzaam
– 15 tot 60 cm hoog
Bloem
– lila tot bleekblauw
– vanaf mei tot in de herfst
– tros
– stervormig
– 5 tot 10 mm
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 4 kelkbladen
– 2 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gezaagd tot bijna gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– veernervig
– zittend (soms kort gesteeld)
– beide kanten zacht behaard
Stengel
– rechtop of opstijgend
– vierkantig
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
– de onopvallende, kleine, witte, stervormige bloemetjes, waarvan
– de spitse kelkbladen duidelijk groter zijn dan de kroonbladen en
– de smal eironde, spitse bladeren met 3 nerven, soms 5
Algemeen
Drienerfmuur is een eenjarige plant van 15 tot 30 cm. Ze is algemeen voorkomend in Europa en Azië. Drienerfmuur groeit op droge, matig voedselarme grond in loofbossen en onder struikgewas. Ze groeit in pollen.
Bloem
Ze bloeit vanaf mei tot in de herfst met onopvallende, kleine, witte bloemetjes. De ronde kroonbladen zijn duidelijk kleiner dan de spitse kelkbladen, die een vliezige, behaarde rand hebben.
Blad en stengel
De bladeren zijn smal eirond met spitse punt en gewimperde, gave rand. Ze hebben 3 (soms 5) duidelijke, parallel lopende nerven, waaraan de plant haar naam dankt. De behaarde, sterk vertakte stengels zijn slap, liggend en aan de top opstijgend.
Algemeen
– anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– eenjarig
– algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 30 cm
Bloem
– wit
– vanaf mei tot in de herfst
– alleenstaand
– 4 tot 7 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 3 stijlen
Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– smal eirond
– top spits
– rand gaaf
– voet wigvormig
– parallelnervig
– onderste gesteeld
– bovenste zittend
Stengel
– liggend en opstijgend
– behaard
– rolrond
zie wilde bloemen
Een verzameling kleine blaadjes die samen een prachtig geheel vormen: dat is de dahlia. Deze veelzijdige seizoensbloem biedt in kleur, vorm en grootte heel wat keuze.
De dahlia is een van oorsprong Mexicaans knolgewas dat rond 1800 meegenomen werd van Amerika naar Europa. Hier werd de blaadjesbol vernoemd naar de Zweedse botanicus Andreas Dahl. Sinds 1813 wordt de dahlia door professionele kwekers geproduceerd.
Het meest opvallend aan de dahlia zijn de bloemblaadjes: soms effen van kleur, maar vaak opvallend fel met spikkels of streepjes. Sommige bloemen hebben één rij met blaadjes, andere bestaan uit tientallen blaadjes. De prachtige bloem heeft echt veel kleur- en vormvariaties. De blaadjes zijn bijvoorbeeld rond, sprietig of opgerold. Er zijn dahlia’s die wel 1,5 meter lang zijn en een bloemdiameter hebben van meer dan 20 cm.
Met deze tips geniet je optimaal van je dahlia’s:
Vul een schone vaas met kraanwater op kamertemperatuur.
Voeg snijbloemenvoedsel aan het water toe voor een langere houdbaarheid.
Snijd de bloemstelen 3-5 cm schuin af met een scherp en schoon mesje.
Zorg ervoor dat er geen bladeren in het water hangt.
Zet dahlia’s niet in de tocht, in de volle zon, bij de verwarming of dicht bij een fruitschaal.
Vul de vaas regelmatig bij met kraanwater, want dahlia’s drinken bijzonder veel.
De Viburnum, Leucospermum nutans en Senecio cineraria combineren perfect met de stralende kronen van de dahlia. De prachtige felle kleuren komen nog beter uit tussen het warme groen. Zo creëer je een Mexicaans feestje in je vaas.
Dahlia’s staan symbool voor weelde, kracht en voor de boodschap ‘voor altijd de jouwe’. Met de vele bloemkleuren en -vormen kan je met de dahlia je attentie nog persoonlijker maken.
Goed te herkennen aan
– plant aan de waterkant met
– kleine gele bloemetjes met in het midden een groen vruchthoofdje met talrijke vruchtjes
Algemeen
Blaartrekkende boterbloem is een zeer algemeen voorkomende, eenjarige plant met kleine gele bloemetjes. Ze kan 70 cm hoog worden. Ze groeit op open, natte, stikstofrijke grond aan sloten, op drooggevallen plaatsen, soms in het water, maar dan met grote drijvende bladeren en niet bloeiend. Van alle boterbloemen is de blaartrekkende boterbloem het meest giftig. Het sap geeft bij contact rode vlekken, blaren en zweren op de huid.
Bloem
Blaartrekkende boterbloem bloeit vanaf mei tot ver in de herfst. De bloemen hebben 5 kroonbladen en 5 teruggeslagen kelkbladen. Beiden zijn geel. De kroonbladen zijn nauwelijks langer dan de kelkbladen. Terwijl kroon- en kelkbladen nog niet afgevallen zijn groeit in het midden van de bloem het groene vruchthoofdje met talrijke vruchtjes.
Blad en stengel
De onderste bladeren zijn gesteeld en getand of diep ingesneden, de bovenste ongesteeld en 3-slippig. Alle bladeren zijn glanzend. De stengels zijn dik, vlezig en hol.
Algemeen
– ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen voorkomend
– 5 tot 70 cm
Bloem
– bleekgeel
– vanaf mei t/m oktober
– gesteeld alleenstaand
– 5 tot 10 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 teruggeslagen kelkbladen
– kroon even lang als kelk of iets langer
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 60 stijlen
Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– vlezig, van boven glanzend
– verdeeld in 3 lobben
– bovenste bladeren niet gesteeld
– top stomp
– rand getand of diep ingesneden
– voet hartvormig
– handnervig
Stengel
– rechtop
– vrijwel kaal
– gegroefd
zie wilde bloemen
Vochtig houden
Alocasia’s gedijen het best wanneer de grond constant licht vochtig is. Controleer daarom regelmatig met een vinger in de grond of deze nog vochtig is. In de winter verbruikt deze kamerplant minder water, maar laat de Alocasia niet helemaal uitdrogen. Bij voorkeur niet te grote hoeveelheden water per keer geven, dan gaat blad namelijk druppelen.
De hoeveelheid water is afhankelijk van verschillende factoren zoals luchtvochtigheid en hoeveelheid licht, daarom is het verstandig om te beginnen met kleine hoeveelheden water per gietbeurt. Is de grond binnen 2 dagen droog, geef dan iets meer. Is de grond na 5 dagen nog steeds erg nat, geef dan minder water per keer.
Het is noodzakelijk om een Alocasia meerdere keren per week te sproeien. Hoe vaker hoe beter. Hiermee neemt de kans op spint sterk af.

Zonnig
De Alocasia wenst veel licht. Bij gebrek aan zonlicht kan de woonkamerplant snel naar het licht toe gaan groeien. Dit heeft als nadeel dat de plant scheef gaat groeit. Plaats de Alocasia een meter dichterbij het raam wanneer deze scheef groeit. Daarnaast is het raadzaam om de plant regelmatig een kwartslag te draaien. Minimaal 5 uur direct zonlicht. Dit betekent dat de Alocasia 2-3 meter voor een raam op het zuiden mag of voor een raam op het westen of oosten.
Overdag: +/- 20 °C
‘S nachts: +/- 15 °C
De Alocasia elke 2 á 3 jaar verpotten, bij voorkeur in de lente. Dit zorgt voor nieuwe voedingsstoffen, luchterige grond en ruimte voor wortelgroei. Na aanschaf kan de kamerplant direct worden verpot. Gebruik een plantenbak met een diameter van minimaal 20% meer als de vorige. Gebruik gewone universele potgrond en probeer zo min mogelijk wortels te beschadigen. Gebruik een inzethoes bij hoge potten. Dit voorkomt rottend water buiten bereik van de wotels.
De Alocasia eens per 2 weken vloeibare voeding geven. Wanneer de plant nauwelijks groeit (herfst, winter) is bemesten niet nodig. Gebruik nooit een overdosis, ook niet ter compensatie. Beter teweinig dan teveel.
Alocasia’s kunnen gevoelig zijn voor koud water, koude lucht of tocht. Dit kan een oorzaak zijn voor bruine vlekken op het blad.
Het onderste blad van deze binnenplanten wordt op den duur minder mooi. Door deze 4cm van de basis af te snijden zal de plant geen energie meer in het lelijke blad stoppen. Dit bevordert de groei van nieuw blad. Het laatste gedeelte zal afsterven en is later eenvoudig van de basis te trekken. Het vocht dat de plant verliest door de snede is geen probleem.
Alocasia’s zijn te kweken door middel van zaad of door wortelstokken met blad van de moederplant af te snijden.
De bloem van een Alocasia wordt niet vaak aangetroffen. Een bloeiende Alocasia is vaak een teken dat het niet goed gaat met de plant. Om energie bij de kamerplant te besparen is het beter de bloem af te snijden.
Het sap van een Alocasia is irriterend voor huid en slijmvliezen. De wortelstokken worden in Azië gegeten. Hiervoor is het noodzakelijk dat de wortelstokken eerst worden gekookt. Uit voorzorg raden wij dit af.
(123kamerplanten bepaalt of een plant giftig is door het raadplegen van verschillende bronnen)
De Alocasia kan last hebben van spint indien de lucht te droog is. Regelmatig sproeien werkt preventief. Plaats de plant buiten wanneer spint is waargenomen. Wind en vocht zal de spint snel verdrijven. Dit is alleen mogelijk indien de temperaturen het toelaten. Daarnaast moet de plant buiten in de schaduw staan.
Goed te herkennen aan
– de opgeblazen kelk met 20 fijne, onderling verbonden nerven en
– de 5, stervormig uit de kelk stekende, witte kroonbladen
Algemeen
De blaassilene is een plant uit de anjerfamilie. Het is een in België en Nederland vrij zeldzaam voorkomende, 30-60 cm hoge plant die kan worden aangetroffen op matig voedselrijke, iets droge zand-, klei- en leemgrond, in bermen en tegen hellingen, in de duinen en op grazige grond. De plant prefereert een zonnige standplaats.
Bloem
Blaassilene bloeit vanaf mei tot en met september met witte bloemen, waarvan de kelk sterk opgeblazen is. De kelk bestaat uit 5 vergroeide kelkbladen met driehoekige kelkslippen, is kaal, witachtig of roodbruin en heeft 20 fijne, onderling verbonden, paarsrode tot geelgroene nerven.
De knikkende bloemen hebben 5 witte (zelden roze), diep ingesneden kroonbladen. Ze zijn mannelijk of vrouwelijk, soms tweeslachtig. Ze zijn dag en nacht geopend, maar beginnen pas tegen de avond zoet te geuren. De bestuiving wordt dan ook door nachtvlinders verzorgd.
Die kunnen, in tegenstelling tot kleinere insecten, met hun lange roltong de honing onder in de bloem bereiken. Hommels knagen de kelk van buiten af open en kunnen zo ook bij de honing. Bestuiving blijft dan uiteraard uit.
Toepassingen
Vroeger werden de jonge bladeren in salades verwerkt. Ook zijn ze na vijf tot tien minuten koken geschikt voor gebruik in soep.
Algemeen
– anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam
– 30 tot 60 cm
Bloem
– wit, zelden roze
– vanaf mei t/m september
– bijscherm
– stervormig
– 1 tot 2 cm
– 5 ingesneden kroonbladen,
niet vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 3 stijlen
Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– 1-nervig
Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
– de 4-tallige witte bloemen, ongeveer zo groot als pinksterbloemen
– met roodpaarse helmknoppen en
– de groeiplaats; meestal langs stromend helder water
Algemeen
Bittere veldkers is een overblijvende plant van 15 tot 45 cm, die groeit in brongebieden, aan waterkanten en in grienden op een vochtige bodem, meestal langs stromend helder water. De plant is in Midden-Europa algemeen verspreid. Ook in Nederland en België komt de soort voor aan waterkanten, bij bronnen en in grienden. De plant is waardplant voor de larven van het klein geaderd witje.
Bloem
Ze bloeit in mei en juni met witte (zelden licht lila) bloemen, die aan de top van de stengel en zijstengels in een losse tros staan. De jonge bloemen hebben rood-paarse helmknoppen; die van oudere bloemen zijn roodbruin-achtig. De bloei is zeer uitbundig en vrijwel direct na de hoofdbloei van de gewone dotterbloem. De bloeiperiode is echter wel kort en meestal verdwijnt bittere veldkers bovengronds al in het begin van de zomer.
Blad en stengel
De stengels hebben duidelijke groeven in de lengte. De bladeren zijn oneven geveerd en hebben hoogstens 4 paar deelblaadjes, die een bochtig ingesneden rand hebben; het eindblaadje is groter dan de overige deelblaadjes. De deelblaadjes van de onderste bladeren zijn ronder dan die van de bovenste bladeren.
Toepassingen
Bittere veldkers smaakt niet bitter maar radijsachtig. De jonge blaadjes en scheuten kunnen verwerkt worden in soepen en salades. Vroeger werd de plant gebruikt tegen scheurbuik vanwege het hoge vitamine C gehalte.
Algemeen
– kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 15 tot 45 cm
Bloem
– wit (zelden licht lila)
– mei en juni
– tros
– stervormig
– 8 tot 18 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top stomp
– rand bochtig ingesneden
– voet scheef of wigvormig
– veernervig
Stengel
– opstijgend
– bochtig
– glad en kaal
– meerkantig en geribd
zie wilde bloemen
Vochtig houden
De grond van een Philodendron moet altijd vochtig blijven. Echter gebruikt de plant niet veel water. Een Philodendron is gevoelig voor teveel water. Geef daarom niet te grote hoeveelheden water per gietbeurt. Je kunt de kamerplant opnieuw water geven zodra de grond begint op te dromen, maar laat deze niet geheel uitdrogen.
De watergift hoeveelheid is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de standplaats en grootte van de kamerplant. Begin daarom met kleine hoeveelheden water per gietbeurt. Is de grond na 4 dagen nog steeds erg nat, geef dan minder per gietbeurt.
Steek een vinger in de grond om te controleren of de grond vochtig aanvoelt. Bij een nieuwe huiskamerplant is het verstandig dit regelmatig te doen. Na enkele keren water geven leer je vanzelf hoeveel en hoe vaak jouw Philodendron nodig heeft.
Hoe meer hoe beter. Vooral klimmende exemplaren met hun luchtwortels worden graag gesproeid. Raadzaam is om minimaal 1x per week te sproeien.
Schaduw
Philodendron soorten gedijen prima met minder licht. Vermijd direct zonlicht, vooral het middag licht. Plaats deze kamerplanten 3-4 meter voor een raam op het noorden, of 4 meter op het oosten/westen, of 5-6 meter voor een raam op het zuiden. Deze afstanden zorgen ervoor dat de kamerplant maximaal 3 uur direct zonlicht ontvangt.
Overdag: +/- 20 °C
‘S nachts: +/- 16 °C
Een Philodendron verpotten kan direct na aanschaf, maar bij voorkeur in het voorjaar. Gebruik universele potgrond of Anthurium grond. Gebruik een sierpot waarbij de diameter minimaal 20% breder is als de vorige. Gebruik bij hoge plantenbakken een inzethoes.
Dit voorkomt dat er onderin de pot water gaat rotten, omdat het water buiten het bereik van de wortels is. Oudere exemplaren hoeven niet verpot te worden. Hier kan kan ook de losse bovenlaag vervangen worden met verse grond. Uiteraard is het verpotten in een sierpot een stuk mooier.
Geef eens per week vloeibare voeding voor groene planten in de groei periode. Geef nooit een overdosis, ook niet na een periode dat de binnenplant geen voeding heeft gehad. Bemesten is niet nodig in de rustperiode (winter) en niet noodzakelijk in de herfst. Lees de gebruiksaanwijzing voor de juiste dosering.
Gele bladeren bij een Philodendron zijn vaak het gevolg van teveel water. Pas de watergift hierop aan.
Klimmende Philodendrons zijn gemakkelijk te leiden langs een mosstok of gaasrek. Een uitloper kan het beste terug geleid worden. Het kan geen kwaad om gewoon met een schaar te lange uitlopers af te knippen.
Niet-klimmende soorten zijn alleen te vermeerderen door middel van zaad. Klimmende exemplaren zijn te vermeerderen door kopstekken in een vochtig mengsel van turf en zand te steken bij een temperatuur van rond de 23 graden.
Het komt zelden voor dat een Philodendron bloeit in de huiskamer. Indien de binnenplant toch bloeit kan je de bloemen het beste afknippen. De geur van deze bloemen is namelijk niet altijd aangenaam. Bovendien onttrekt het de plant energie.
De meeste Philodendron soorten zijn giftig bij inname. Vooral katten hebben de neiging om op de bladeren te kauwen. Dit kan de nieren aantasten. Raadpleeg een dierenarts.
Philodendron soorten zijn niet gevoelig voor ongedierte.
Deze familie omvat honderden soorten. Zowel klimplanten,struiken als kleine bomen. Enkele soorten: Atom, Congo, Grand Brasil, Fun Bun, Imperial Red/Green, Lemon Mandjari, Medisa, Pertusem (Monstera Deliciosa, Gatenplant), Scandens, Selloum, Red Emerald, Xantal en Xanadu.
goed te herkennen aan
– hemelsblauwe “ereprijs” bloemetjes in trossen in de bladoksels en
– de ovale, iets vlezige, gesteelde, glanzende bladeren en
– de groeiplaats; ondiep, stromend water of open, natte grond aan waterkanten
Algemeen
Beekpunge is een overblijvende, kale oeverplant van 15 tot 60 cm hoog. Ze groeit in ondiep, stromend water van kleine beken en sloten en op open, natte voedselrijke grond aan waterkanten.
Het verspreidingsgebied bestaat uit vrijwel geheel Europa, het westen en noorden van Azië en ook in Noord-Afrika wordt de plant aangetroffen. De soort is in de Lage Landen vrij algemeen, maar zeldzaam in voedselarme zandstreken en in zeeklei- en brakwatergebieden.
Bloem
Beekpunge bloeit vanaf mei tot en met september met hemelsblauwe, donker geaderde, kleine bloemetjes, die in rijkbloemige, tot 10 cm lange trossen in de oksels van de bladeren staan. Vooral in snel stromend water kan de plant onder water blijven en komt dan niet tot bloei.
Blad en stengel
De bladeren zijn glanzend, ovaal, iets vlezig en allemaal kort gesteeld. De stengel is vrij fors, kaal, bleekgroen en vaak enigszins rood gekleurd. In niet te strenge winters behoudt ze haar blad.
Toepassingen
De wat scherp en ietwat bitter smakende bladeren werden vroeger wel gegeten, net als waterkers. Ook werden ze aangewend tegen scheurbuik en opgeblazenheid. In het noorden van Europa verwerkt men het blad nog steeds in salades. Overdaad schaadt echter: de bladeren en jonge scheuten bevatten diuretisch werkende stoffen.
Algemeen
– weegbreefamilie (Plantaginaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– 15 tot 60 cm
Bloem
– hemelsblauw, soms roze
– vanaf mei t/m september
– tros
– stervormig
– 5 tot 8 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 2 meeldraden
– 1 stijl
Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– kort gesteeld
– ovaal
– top stomp
– rand gekarteld tot gezaagd
– voet afgerond
– veernervig
– iets vlezig
– glanzend
Stengel
– opstijgend
– kaal
– rolrond
zie wildebloemen