Tagarchief: bloei

Grote sneeuwroem : Chionodoxa siehei

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
de grote blauwe (soms roze of witte), niet knikkende, 6-tallige bloemen met een groot wit hart én de vroege bloei

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote sneeuwroem is een bolgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Klein-Azië en in de 19de eeuw bij ons inge-voerd. Ze is op buitenplaatsen als stinsenplant aangeplant en vandaar langzaam verwilderd. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

Bloem

 

Grote sneeuwroem bloeit in maart en april. De bloeiwijze is een tros van 1 tot 6 bloemen. Meestal zijn ze helder blauw, soms ook roze of wit. Ze hebben 6 bloemdekbladen (geen aparte kroon- en kelkbladen), die aan de basis ongeveer een halve centimeter met elkaar vergroeid zijn. Ze zijn tot bijna halverwege wit, waardoor de bloem een groot wit hart heeft. De bloemdekbladen hebben de neiging om te krullen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Per bol zijn er 2 of 3 gootvormige bladeren, die 5 tot 15 mm breed zijn en een kapvormige top hebben.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn meer vroeg bloeiende bolgewassen met blauwe, stervormige bloemen, zoals kleine sneeuwroem en vroege en oosterse sterhyacint.

 

 

oosterse sterhyacint : bloemdek niet vergroeid, knikkende bloemen en bloemstelen korter dan de doorsnede van de bloem.

 

 

 

 

 

 

 

vroege sterhyacint : bloemdek niet vergroeid, rechtopstaande bloemen en bloemstelen langer dan de doorsnede vd bloem.

 

 

 

 

 

 

grote sneeuwroem : bloemdek vergroeid, doorsnede van de bloemen 20-35 mm, groot wit hart.

 

 

kleine sneeuwroem : bloemdek vergroeid, doorsnede van de bloemen tot 12 mm, klein bleekblauw of wit hart.

 

 

 

 

 

Algemeen

– aspergefamilie (Asparagaceae)
– overblijvend
– zeldzaam
– 10 tot 25 cm
– stinsenplant
– ook te koop als tuinplant

Bloem
– blauw, soms roze of wit
– maart en april
– tros
– stervormig
– 20 tot 35 mm
– 6 bloemdekbladen, vergroeid
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– bolstandig
– enkelvoudig
– breed lijnvormig
– top gekapt, spits
– rand gaaf
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

-rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Blauwe anemoon : Anemone apennina

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– (bleek)blauwe bloemen met 8 tot 20 bloemdekbladen,
– die aan de buitenzijde behaard zijn én
– de drie in een krans staande bladeren onder de bloem én
– de na de bloei rechtop staande bloemstengel

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Blauwe anemoon is een overblijvende plant van 10 tot 20 cm hoog. Oorspronkelijk komt ze uit Zuid-Europa en is ze in de 19de eeuw als stinsenplant aangeplant op landgoederen. Daar heeft ze zich kunnen handhaven en wordt nu als zeer zeldzaam ingeburgerd beschouwd. Ze groeit in pollen op vochtig voedselrijk zand en zandige klei in loofbossen. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Blauwe anemoon bloeit in maart en april. De alleenstaande bloemen zijn (bleek)blauw, soms wit of roze. Ze heb-ben 8 tot 20 bloemdekbladen (geen kelkbladen), die aan de buitenkant behaard zijn. Vooral bij de knoppen is de beharing goed te zien.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bloemstengel is rond en behaard. De beharing loopt door op de buitenkant van de bloemdekbladen. Een stukje onder de bloem, ongeveer halverwege de stengel, zitten 3 grote bladeren, alle drie op dezelfde hoogte (kransstandig). Ze zijn 3-delig en ook behaard. De wortelbladeren zijn eveneens 3-delig en behaard. De slippen van de wortelbladeren zijn kort gesteeld.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Een vergelijkbare soort is Oosterse anemoon. De laatste heeft onbehaarde bloemdekbladen en een knikkende bloemsteel ná de bloei. De bloemsteel van blauwe anemoon blijft na de bloei rechtop staan. Het wel of niet knik-ken van de bloemsteel na de bloei is het meest in het oog springende verschil. Wel of geen beharing is een stuk lastiger te zien, aangezien de beharing bij volgroeide bloemen door slijtage nagenoeg verdwenen is. De beharing is het best te zien bij knoppen.

 

 

oosterse anemoon

 

 

 

Algemeen

– ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam ingeburgerd
– stinsenplant
– ook als tuinplant te koop
– 10 tot 20 cm
– verspreiding

Bloem
– blauw
– maart en april
– alleenstaand
– stervormig
– 2 tot 3,5 cm
– 8 tot 20 bloemdekbladen
– meer dan 20 meeldraden
– meer dan 20 stijlen

Blad
– kransstandig
– enkelvoudig
– 3-delig
– top stomp met spitsje
– rand gekarteld
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Donkersporig bosviooltje : Viola reichenbachiana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bosviooltje-bloem

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de paarse bloemen,
– waarvan de zijdelingse kroonbladen de bovenste niet bedekken en
– de kelkbladen met spitse top en aanhangsel korter dan 1 mm en
– de donker roodpaarse spoor

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Donkersporig bosviooltje is een overblijvend plantje van 5 tot 25 cm hoog, dat groeit op vochtige, kalkrijke of lemige grond in loofbossen. Ze is vrij zeldzaam in de Lage Landen. De bloeitijd is vanaf begin april tot en met begin mei, soms in september weer.

 

 

Macro opname van een groep Donkersporig bosviooltje; Close-up from a group Early Dog-violet.

Macro opname van een groep Donkersporig bosviooltje

 

 

 

Bloemen

 

De niet geurende bloemen zijn paars met een iets roodachtige tint. Naar het midden toe worden ze iets donker-der van kleur. Het onderste kroonblad heeft een donker roodpaars spoor en donkere lijntjes (honingmerk). De zijdelingse kroonbladen wijzen schuin naar beneden en raken de bovenste niet.

 

 

 

 

 

Bladeren

 

De kelkbladen hebben een spitse top en een aanhangsel korter dan 1 mm, dat na de bloei niet uitgroeit. Dit in tegenstelling tot de kelkaanhangsels van bleeksporig bosviooltje, waarvan de onderste na de bloei wel uitgroeien.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Donkersporig bosviooltje wordt gebruikt in de natuurgeneeskunde vanwege de slijmstoffen en vluchtige oliën die de bladeren en bloemen bevatten.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

In de Lage Landen komen 12 soorten viooltjes voor. Ze zijn te verdelen in twee groepen; de ene groep heeft schuin naar boven wijzende zijdelingse kroonbladen. Tot die groep horen akkerviooltje, zinkviooltje, driekleurig viooltje en duinviooltje. De overige viooltjes hebben schuin naar beneden wijzende zijdelingse kroonbladen.

 

 

 

 

 

 

akkerviooltje

 

 

 

zinkviooltje

 

 

 

driekleurig viooltje

 

 

 

duinviooltje

 

 

 

Algemeen

 

viooltjesfamilie (Violaceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– 5 tot 25 cm

Bloem
– lichtpaars
– vanaf begin april t/m begin mei
– gesteeld alleenstaand
– 13 tot 15 mm
– donker roodpaars spoor
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen met spitse top
– kelkaanhangsels korter dan 1 mm
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– hartvormig
– top stomp
– rand gekarteld
– voet hartvormig
– veernervig

Stengel
– opstijgend
– kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

154011

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

Stinkend nieskruid

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

helleborusfoetidusbloeiwijzen

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de vroege bloei en
– de lichtgroene bloemen met rode rand en
– de grote wintergroene onderste bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Stinkend nieskruid is een zeer zeldzame overblijvende plant in de Lage Landen. Oorspronkelijk komt de plant uit Zuid- en West-Europa. Ze wordt ook gekweekt als tuinplant. Stinkend nieskruid groeit in bossen op vochtige, kalkrijke plaatsen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit van december tot en met maart met lichtgroene bloemen en wordt 30 tot 80 cm hoog. De bloemen geven bij aanraking een onaangename geur. De bloemdekbladen hebben vaak een paarsrode rand. De bloemen groeien trosvormig, ze zijn klokvormig en knikkend.

 

.

 

.

 

Blad 

 

De bladeren geven dezelfde onaangename geur als de bloemen, alleen sterker als ze worden fijngewreven. De onderste enigszins leerachtige bladeren zijn donkergroen en winterhard.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Naast onaangenaam geurend is de plant ook giftig. Vroeger werd het helleborine vaak gebruikt als medicijn voor het hart. Tegenwoordig wordt de plant alleen nog medicinaal gebruikt door veeartsen. Naast onaangenaam geurend is de plant ook giftig. Vroeger werd het helleborine vaak gebruikt als medicijn voor het hart. Tegenwoordig wordt de plant alleen nog medicinaal gebruikt door veeartsen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– zeer zeldzaam voorkomend in
Zuid-Limburg
– ook als tuinplant
– 30 tot 80 cm

Bloem
– groen
– vanaf december t/m maart
– gesteeld alleenstaand
– tros van 3 tot 8
– klokvormig
– 1 tot 3 cm
– 5 bloemdekbladen
– meer dan 20 meeldraden
– onaangenaam ruikend

Blad
– bovenste :
– verspreid
– enkelvoudig
– ei-rond
– top spits
– rand gaaf
– veernervig
– geelgroen
– onaangenaam ruikend
– onderste :
– wortelstandig
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– top spits
– rand gezaagd
– handnervig
– leerachtig
– wintergroen

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

.

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

.

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

John Astria

John Astria

Onkruid soorten in ons land – letter F

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

Onkruid soorten

 

Hieronder vindt u alle soorten onkruid die ons land kent. Een enorm groot overzicht maar netjes op alfabetische volgorde en met omschrijving. Veel succes met het herkennen en bestrijden van deze vaak hardnekkige planten.

 

 

 

Fijnstraal (Composistae)

 

Het verhaal van de verspreiding van CANADESE FIJNSTRAAL (erigeron canadensis) is heel interessant. De plant kwam oorspronkelijk alleen voor in Noord-Amerika, maar rond 1686 reisde hij naar Europa in een opgezette vogel die was gevuld met de gepluimde zaden. Ongeveer 20 jaar later groeide hij verwilderd in Londen en omgeving en in 1877 was hij algemeen op braakliggende terreinen in Londen en op de taluds van de nieuwe spoorlijnen die in het begin van de jaren ’40 waren aangelegd. Tegen het eind van de eeuw groeide hij al in tien Engelse graafschappen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij een bekende verschijning op terreinen waar bombardementen hadden plaatsgevonden. Canadese fijnstraal is een stijf rechtopgroeiende eenjarige plant van 15 tot 90 cm hoog, met vele steeltjes die bloemhoofdjes dragen van kleine buisbloempjes omgeven door minuscule straalbloempjes. De buitenste straalbloempjes zijn draadvormig en groenachtig wit tot lavendelkleurig of enigszins rood getint; de binnenste zijn geelachtig wit.

De smalle donkergroene bladeren staan afwisselend langs de stengel en zowel stengel als bladeren zijn borstelig behaard. De bloeitijd is van juni tot november. Na de bloei verandert de plant als het ware in een hoop wit dons. Er wordt zeer veel zaad gevormd: grote planten kunnen meer dan een kwart miljoen zaden produceren. De plant moet omzichtig behandeld worden, want hij bevat een stof die de huid irriteert; bovendien schijnt hij bij inwendig gebruik tot vergiftiging te kunnen leiden. Als bijdrage aan de composthoop voegt hij wat stikstof toe.

 

 

 

 

 

 

 

Geschiedenis gebruik

 

De Navajo Indianen gebruikten het kruid van de Canadese fijnstraal om puisten mee te behandelen. Verder werd het gebruikt als medicijn tegen slangengif. De Chippewa Indianen gebruikten het bij menstruatiepijn. In 1665 werd het door Europese reizigers meegenomen naar Europa. Men was in die tijd zeer geïnteresseerd in uitheemse planten en de eventuele sierwaarde en medicinale aspecten. Al snel kreeg Canadese fijnstraal faam in Europa omdat een thee van dit kruid goed werkt bij menstruatiepijn, baarmoederbloeding en diarree. In Duitsland wordt dit kruid tot op de dag van vandaag gebruikt in kruidenboter, kruidenzout en kruidenmengsels. Het kruid heeft een licht bittere smaak en wordt geoogst van april tot juli.

 

 

 

 

 

Werkzame stoffen

 

Van deze plant wordt het bovengronds groeiende kruid gebruikt. Daarin zitten de volgende werkzame stoffen: gallotanninen, o-benzyl-benzoëzuur, etherische olie zoals d-limoneen en trans-a-bergamoteen, terpineol en derivaten hiervan, citronellal, p-cymol, linalool, de flavonoïden scutellaroside en glucoronide van scutellareïne, de fytosterolen stigmasterol, stigmastadienol, spinasterol en sitosterol, polyïnen, matricariaester en dehydromatricariaester.

 

 

 

 

 

Urinedrijvend

 

Canadese fijnstraal is niet alleen urinedrijvend maar ook urinezuurdrijvend. Bovendien heeft het ontstekingsremmende werking. Urinezuur is de belangrijkste oorzaak van het voorkomen van reumatische aandoeningen waaronder in feite ook lumbago of lage rugpijn en jicht vallen. Door deze medicinale werkingen wordt Canadese fijnstraal in de fytotherapie toegepast bij de volgende

indicaties:

  • Artritis,
  • Artrose,
  • Jicht,
  • Lumbago,
  • Albuminurie of eiwit in de urine,
  • Ter preventie van cystitis of blaasontsteking.

 

 

 

 

 

 

 

Dosis en veiligheid conyza

 

Wie zich aan de voorgeschreven dosis houdt heeft geen kans op bijwerkingen; althans, deze zijn nooit eerder beschreven. Er zijn enkele manieren om van de geneeskracht van Canadese fijnstraal gebruik te maken:

  • Driemaal daags 30 druppels moedertinctuur.
  • Twee koffielepels per dag van een vloeibaar extract.
  • ´s Morgens drie koppen van een decoct of afkooksel van 150 gram van het kruid per liter water. Zorg dat het water met het kruid vijf minuten doorkookt.