Tagarchief: insecten

Grote engelwortel : Angelica archangelica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het formaat van de plant en
– de grote, groene bolvormige schermen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote engelwortel is een lichtgroene, overblijvende (tot 4-jarige) plant op natte, zeer voedselrijke grond aan waterkanten en in grienden. Ze kan tot 2,5 meter hoog worden. De plant komt algemeen voor en wordt ook gekweekt in tuinen als keukenkruid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote engelwortel bloeit in juni en juli met grote, bolvormige, groenachtig witte schermen, die veel insecten aantrekken. De grote schermen kunnen tot 20 cm breed worden en net als de kleinere schermpjes bestaan ze uit 20 tot 40 stralen. Het omwindsel onder het grote scherm ontbreekt of bestaat uit maximaal 3 blaadjes. Het omwindsel onder de kleinere schermen bestaat uit talrijke blaadjes.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stevige, ronde, gegroefde stengels zijn lichtgroen, maar vaak ook bedauwd roodbruin. De onderste bladeren zijn groot, 2- tot 3-voudig geveerd en hebben een ronde steel. De bovenste zijn minder gedeeld en zitten met een grote, opgeblazen schede aan de stengel. Alle bladeren bestaan uit eironde tot langwerpige deelblaadjes, die onregelmatig gezaagd zijn.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Uit de zaden en de wortel van grote engelwortel wordt een geurende olie geperst, die wordt gebruikt in de cosmetische industrie en bij het maken van verschillende likeuren. Daarnaast worden stoffen uit de wortel medicinaal toegepast bij spijsverteringsproblemen, gebrek aan eetlust en als urineafdrijvend middel.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten
  gewone engelwortel
– scherm 3 tot 15 cm breed, 15 tot 40 stralen
– bloemen zijn 2 mm, wit of roze
– plant donkergroen, nauwelijks ruikend
– eindblaadjes ongedeeld, voet niet aflopend
– tot 1,8 meter hoog
– wortelbladeren met gootvormige stengel
  grote engelwortel
– scherm tot 20 cm breed, 20 tot 40 stralen
– bloemen zijn 3 tot 4 mm, groenachtig wit
– plant lichtgroen, bij kneuzing sterk ruikend
– eindblaadjes vaak 3-delig met aflopende voet
– tot 2,5 meter hoog
– wortelbladeren met rolronde stengel

 

 

 

 

 

 

 

 

gewone engelwortel

 

 

Naast de twee bovengenoemde soorten zijn er nog een aantal (zeer) algemeen voorkomende planten met witte schermbloemen, zoals fluitenkruid en gewone berenklauw.

 

 

 

Algemeen

 

schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend, tot 4-jarig
– algemeen tot zeldzaam
– ook als keukenkruid
– 90 tot 250 cm

Bloem
– groenachtig wit
– juni en juli
– scherm
– 3 tot 4 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– 2- of 3-voudig oneven veervormig
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– voet afgerond of (half)
stengelomvattend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rond en gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Gele monnikskap : Aconitum vulparia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de bleekgele, langwerpige bloemen, die in eindelingse trossen staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gele monnikskap is een zeer giftige, overblijvende plant van 50 tot 125 cm hoog. Ze groeit op kalkrijke grond in vochtige loofbossen, meestal langs beken. Ze staat op de rode lijst en is uiterst zeldzaam. Ze wordt ook aangeplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Gele monnikskap bloeit vanaf juni tot en met augustus met lichtgele bloemen. Het bovenste kelkblad is helmvormig, meer hoog dan breed. Dat betekent dat er ook 1 of meerdere onderste kelkbladen zouden moeten zijn. Er is geen duidelijk onderscheid te maken tussen kelk- en kroonbladen. De bloemen bestaan uit 5 bleekgele, kort behaarde bloemdekbladen, waarvan het bovenste hoger is dan breed en helmvormig. De nectar zit bovenin het helmvormige deel. Alleen insecten met een lange tong (voornamelijk hommels) kunnen bij de nectar. De bloeiwijze is een tros aan het einde van de stengel en zijstengels. Per bloem ontstaat meestal 3 vruchten.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn in omtrek bijna rond, handvormig gedeeld, niet tot aan de basis ingesneden (de bladeren van blauwe monnikskap zijn wel geheel ingesneden). De slippen zijn breder dan 1 cm.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ranonkelfamilie (Ranunculaceae)
– overblijvend
– uiterst zeldzaam
– op de rode lijst
– 50 tot 125 cm

Bloem
– bleekgeel
– vanaf juni t/m augustus
– tros
– buisvormig
– 15 tot 22 mm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– meer dan 20 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– enkelvoudig
– handvormig gedeeld
– slippen in 3-en en breder dan 1 cm
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– handnervig

Stengel
– rechtop
– kort behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gelderse roos : Viburnum opulus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– (hoge) struik met in juni witte, platte bloeiwijzen,
– waarvan de randbloemen duidelijk vergroot zijn of
– vanaf augustus met glanzend rode bessen én
– de handvormig gelobde bladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gelderse roos is een dichte struik van 1,5 tot 3 meter hoog met iets hangende takken. Ze is algemee voor komend in de lage landen. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en struikgewas.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Gelderse roos bloeit in juni met witte bloemen, die in een platte, schermvormige bloeiwijze bij elkaar staan. De buitenste, steriele bloemen zijn vergroot, hebben vaak ongelijke kroonbladen en dienen om insecten te lokken voor bestuiving van de kleine bloemen, die in het midden staan. De kleine bloemen zijn regelmatig. De bloeiwijze van Gelderse roos doet schermvormig aan, maar is een tuil.

Het verschil is de plaats van aanhechting van de bloemstelen. Bij een scherm zitten alle bloemstelen binnen één scherm op dezelfde hoogte, bij een tuil op verschillende hoogte. In de bloeiwijze van Gelderse roos is de lengte van de bloemstelen ongelijk, waardoor de bloemen nagenoeg op dezelfde hoogte uitkomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Blad en takken

 

De grote bladeren zijn handvormig, 3(soms 5)-lobbig en hebben een grof, onregelmatig getande rand. De bovenkant is kaal, de onderkant licht behaard. In de herfst kleuren ze prachtig donkerrood. Jonge takken hebben stompe kanten.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

De bessen van Gelderse roos zijn licht giftig en daarom voor mensen niet rauw eetbaar. Gekookt kunnen ze wel gegeten worden. De bessen blijven tot ver in de winter aan de struik hangen. Pas wanneer ze bevroren zijn geweest worden ze door vogels en kleine zoogdieren gegeten.

Gelderse roos heeft een bloeddrukverlagende, hart ondersteunende, kalmerende en krampwerende werking. In de fytotherapie wordt Gelderse roos onder andere toegepast bij stress gerelateerde klachten als hoge bloeddruk, hartkloppingen, migraine of spierkrampen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Er zijn meerdere struiken met witte bloemen, zoals gewone en Amerikaanse vogelkers, gewone vlier en wilde lijsterbes. Gelderse roos is in bloei makkelijk van de andere te onderscheiden door de vergrote randbloemen in de bloeiwijze. Van de struiken met rode bessen is ze te onderscheiden door haar bladeren. Als enige heeft ze handvormig, grof getande bladeren.

 

 

vlier

 

 

 

Amerikaanse vogelkers

 

 

 

wilde lijsterbes

 

 

 

Algemeen

 

muskuskruidfamilie (Adoxaceae)
– struik
– algemeen tot vrij zeldzaam
– 1,5 tot 3 m

Bloem
– (room)wit
– juni
– vlakke tuil
– kleine 4 tot 7 mm
– grote 1 tot 2 cm
– stervormig
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand
– enkelvoudig
– handvormig
– top spits
– rand grof, onregelmatig getand
– voet afgerond of wigvormig
– hand- en veernervig
– zacht behaard

Takken
– rechtop

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Spijklavendel : etherische olie

Standaard

categorie : Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

 

.

 

Het brede aantal behandelingsaanwijzingen voor etherische olie lavendel maakt van deze olie een wondermiddel. Voor Bioflore is spijklavendel “de andere lavendel” die even onontbeerlijk is in de aromatherapie als de echte (of fijne) lavendel.

.

De werking van etherische olie spijklavendel zal die van echte (of fijne) lavendel overtreffen op brandwonden en steken van giftige dieren zoals insecten (bijen, wespen, muggen, spinnen, vlooien,), schorpioenen, kwallen enz.

De huid genezende kracht van essentiële spijklavendel olie zorgt verder ook voor de behandeling van schimmelinfecties en diverse dermatosen.

De drie belangrijkste ingrediënten van haar biochemie zijn linalool (een gewone monoterpenol), cineool en kamfer (of borneon). De aanwezigheid van cineool oxide verleent aan deze olie mucolytische en slijmoplossend eigenschappen. Etherische olie spijklavendel is geschikt als een basis behandeling van luchtwegen aandoeningen.

 

 

.

 

Spike lavendel kan ook worden aangewend om reuma en spierkrampen te reduceren. Ze is in het bijzonder een harttonicum, vanwege haar kamfer. Levendig en oxygenerend herinnert zij perfect aan de lichtvolle natuur en de wildernis waar ze uit voortkomt. Geen gesuste internalisering zoals in het geval van echte lavendel, maar een vrije openheid van hart en geest naar ontsnapping en ontheemding.

In het dagelijks leven is haar groot talent haar verbruikers ongevoelig voor stress te maken dank zij haar linalool. Daardoor krijgt men de mogelijkheid om met een ongehinderde geest te kunnen werken.

 

.

 

 

 

Geel walstro : Galium verum

Standaard

categorie: kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de pluimen kleine, gele, geurende bloemetjes en
– de zeer smalle bladeren, die in kransen om de stengel staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Geel walstro is een overblijvende plant van 15 tot 120 cm hoog/lang, die groeit op open tot grazige, droge tot vrij natte, meer of minder voedselarme, meestal zandige grond. Ze komt zeer algemeen voor in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot de herfst met lange, smalle, rijkbloemige pluimen. De kleine, geurende, gele bloemetjes hebben 4 bloemdekbladen met een toegespitst topje. Ze produceren veel nectar en worden daarom veelvuldig bezocht door verschillende insecten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan in kransen van 8 tot 12 rond de stengel, zijn lijnvormig, hebben een tot de middennerf omgerolde, gave rand en zijn aan de onderkant wit door beharing. De bovenkant is glanzend groen.
De kort behaarde stengels lijken vierkant, maar ze zijn rond met 4 smalle ribben, staan soms rechtop, maar vaker liggen ze op de grond of over andere planten.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Geel walstro kent vele toepassingen. In Schotland wordt uit de wortel een rode en uit de bloemen een gele verfstof gewonnen. De kleurstof uit de bloemen wordt ook gebruikt om Chesterkaas zijn kleur en smaak te geven. Verder bevat de plant een enzym, dat melk doet stremmen en daarom bij kaasbereiding wordt gebruikt. In de fytotherapie wordt geel walstro onder andere gebruikt vanwege haar bloedzuiverende werking.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Van alle walstrosoorten is geel walstro makkelijk te herkennen aan de smalle, rijkbloemige, gele pluimen. Voor vergelijking met andere soorten zie glad walstro en kruisbladwalstro.

 

 

glad walstro

 

 

kruisbladwalstro

 

 

 

Algemeen

 

sterbladigenfamilie (Rubiaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot zeldzaam
– 0,15 tot 1,2 meter

Bloem
– geel
– vanaf juni tot de herfst
– pluim
– stervormig
– 2 tot 4 mm
– 4 bloemdekbladen, vergroeid en
met kort topspitsje
– 4 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– kransstandig
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top toegespitst
– rand gaaf en omgerold
– voet wigvormig
– 1-nervig
– glanzend
– onderzijde viltig behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– glad en kaal
– rond met 4 smalle ribben
– kort behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rode Ceder : etherische olie

Standaard

categorie :  Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

 

Rode Ceder etherische olie

 

 

.
.

Rode Ceder etherische olie is ook bekend onder de naam Virginia Ceder en wordt gewonnen door stoomdestillatie van het hout.

.

De boom, Juniperus virginiana ofwel Rode Ceder, is een tot 30 meter hoge, groenblijvende boom met een imposante stam die een doorsnede van anderhalve meter kan bereiken en is inheems in Noord-Amerika.

De boom kan tot wel 300 jaar oud worden. Het is eigenlijk geen Cederboom maar behoort tot de Cypressen familie.

 

 

 

 

Het geurige hout heeft een fijne structuur, is insectenwerend en wordt daarom graag voor linnenkasten gebruikt. En er worden ook potloden van gemaakt.

De Amerikaanse Indianen gebruikten al een aftreksel van twijgen en bladeren voor de behandeling van slijmvliesontstekingen en luchtweginfecties.

Rode Ceder etherische olie wordt door de industrie veel verwerkt in luchtverfrissers en insectenverdrijvers.

De olie heeft een heerlijke warme, houtachtige geur waar motten en insecten dus helemaal niet van houden.

De combinatie met citronella etherische olie versterkt de afwerende werking tegen insecten.

Zelfs muizen en ratten hebben een hekel aan de geur van deze olie.

 

Voor de mens ligt de werking van deze olie meer in het vlak van de Jeneverbes dan van de Ceder.

Het verlicht bij eczeem, zweren en aambeien, is heilzaam bij spierpijn, haaruitval, spataderen en vermoeidheid.

Net als alle andere Juniperusoliën stimuleert rode ceder etherische olie de bloedsomloop.

 

 

 

 

 

 

Gebruik van rode ceder etherische olie in de aromatherapie

 

Rode ceder of virginia ceder etherische olie wordt in de aromatherapie onder meer gebruikt bij:

eczeem, psoriasis, onzuivere huid, bronchitis, slijmvlies ontsteking, jeugdpuistjes, wondjes, zweertjes, dof haar, roos, haaruitval, spierpijn, artritis, reuma, verharde spieren, vermoeide huid, afbrekende nagels, aambeien, spataderen, cellulitis, blaasontsteking, witte vloed en vermoeidheid.

 

 

Psychisch

 

Rode Ceder olie schept een vredige en harmonische sfeer en zorgt voor aarding. Geeft psychische energie en werkt kalmerend bij mensen die geestelijk overspannen of zeer nerveus zijn.

 

Je kunt Rode Ceder goed combineren met onder meer:

Sandelhout, Rozemarijn, Palmarosa, Citronella, Lavendel, Mirte, Cypres, Ravensara, Pepermunt, Patchouli, Jeneverbes, Vetiver en andere Juniperus oliën.

 

 

Contra-indicatie: niet gebruiken tijdens zwangerschap en bij borstvoeding. Kan in hoge concentraties in sommige gevallen een huidirritatie veroorzaken.

 

 

 

 

 

Gebruik van Rode Ceder/Virginia etherische olie

 

  • Gebruik in geurkaarsen, eventueel in combinatie met citronella, om muggen op een warme zomeravond te verjagen.
  • Of een paar druppels op een geursteen (ook in combinatie met citronella)  op het nachtkastje om muggen uit de buurt te houden tijdens het slapen.
  • verdampen: 6-15 druppels Rode Ceder (Ceder Virginiana) in de aromalamp houden insecten op een afstand.
  • Een tonic voor eczeem, onzuivere huid, jeugdpuistjes, wondjes en zweertjes: 20 druppels Rode Ceder olie mengen in gedestilleerd water of hamamelis- of teatree hydrolaat en hiermee iedere avond de huid deppen na het reinigen.
  • Verlichting bij spierpijn: 5 druppels Ceder Virginiana, 4 druppels Rozemarijn, 2 druppels Cajeput en 10 druppels Citroen toevoegen aan 50 ml. Jojoba olie. Met dit mengsel minimaal 1x per dag de pijnlijke plekken masseren.
  • Aambeien: meng 25 druppels Rode Ceder en 25 druppels Cypres met 50 ml. St. Janskruid-olie. Behandel hiermee de pijnlijke plaatsen.
  • Olie tegen spataderen: 20 druppels Rode Ceder, 10 druppels Citroen en 20 druppels Cypres mengen met 100 ml. zoete amandel-olie, hiermee de benen insmeren voor het slapen gaan. Niet masseren !

 

 

 

 

 

 

 

Klein tasjeskruid ; Teesdalia nudicaulis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

266px-teesdalia_nudicaulis1_ef

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het trosje witte bloemen met ongelijke kroonbladen
– aan de einde van de stengel en
– de vorm van de vruchtjes

 

 

klein_tasjeskruid_01

 

 

 

Algemeen

 

Klein tasjeskruid is een klein eenjarig plantje van 3 tot 20 cm hoog. Ze groeit op open, droge zandgrond en komt algemeen voor op de hoge zandgronden in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Klein tasjeskruid bloeit vanaf april tot en met juni, soms weer in augustus/september. De bloemetjes zijn wit en staan in een tros aan het einde van de stengel. Ze hebben vier kroonblaadjes, waarvan de buitenste twee groter zijn dan de binnenste. Door de buitenste stralende bloemen valt het plantje meer op en trekt daardoor beter insecten aan. Alle bloemen in de bloeiwijze zijn stralend, want elk bloemetje komt op een gegeven moment aan de buitenkant van de bloeiwijze te staan doordat de bloeistengel zich tijdens de bloei verlengt.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De plant kiemt in de winter. Daarna vormt ze een platte rozet van enkelvoudige, veervormig ingesneden bladeren. De middelste stengel is bladloos, eventuele andere stengels uit hetzelfde rozet kunnen één of meer kleinere blaadjes hebben.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Klein tasjeskruid lijkt op afstand wat op herderstasje, maar is tengerder en de vruchtjes zijn niet driehoekig, maar uitgerand ei-rond.

 

Naast herderstasje zijn er nog 5 andere (zeer) algemeen voorkomende, vroege voorjaarsbloeiers met 4-tallige, kleine witte bloemetjes en een bladrozet.

 

 

 

herderstasje : driehoekige vruchten.

 

 

 

 

 

 

vroegeling : gespleten kroonbladen en brede, platte vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

zandraket : lange, smalle, schuin afstaande vruchten, rozetbladeren gaaf of getand.

 

 

 

 

 

 

 

kleine veldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

bosveldkers : lange, smalle, rechtop staande vruchten, die niet of nauwelijks boven de bloemen uitkomen, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

 

 

klein tasjeskruid : ongelijke kroonbladen, eironde, platte, haaks afstaande vruchten, rozetbladeren veervormig.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kruisbloemenfamilie (Cruciferae)
– eenjarig
– algemeen voorkomend op   zandgronden
– 3 tot 20 cm

Bloem
– wit
– vanaf april t/m juni
– hoofdje
– stervormig
– 3 tot 4 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– veervormig ingesneden
– top stomp
– rand gaaf
– veernervig

Stengel
– rechtop
– niet behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Akkerdistel : Cirsium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bluhende_distel

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtpaarse, smalle, lang gesteelde, bloemhoofdjes en
– de stekelig, gegolfde of gekroesde bladeren

 

 

akkerdistel_01

 

 

 

Algemeen

 

Akkerdistel is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Van de distels is ze de meest voorkomende. De plant wordt 60 tot 120 cm hoog en bloeit van juni tot en met september met lichtpaarse, lila (zelden witte) lang gesteelde, geurende bloemhoofdjes, die in een pluim staan. Je ziet akkerdistel op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond op akkers, braakliggende terreinen en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Onder de bloemhoofdjes zit een omwindsel, dat bestaat uit aangedrukte omwindselbladen. Ze hebben een stekelige punt, die afstaand maar niet teruggeslagen is. Het omwindsel is paars gekleurd wat de kleur van de bloeiwijze extra versterkt. Een enkele keer kun je in de hoofdjes van de mannelijke plant ook vrouwelijke bloemen vinden.

De mannelijke bloemenhoofdjes zijn tot anderhalf maal groter dan de vrouwelijke. De zoete, muskusachtige geur van de vrouwelijke bloemen trekt allerlei insecten aan, die beloond worden met veel nectar. De vruchtjes zijn een belangrijke voedselbron voor veel vogels. In de moeilijk toegankelijk distelhaarden broeden meerdere vogelsoorten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is niet of zeer smal stekelig gevleugeld, aan de top sterk vertakt, het bovenste deel is meestal kaal. De stekelige bladeren zijn lancetvormig, veerspletig met gegolfde of gekroesde rand, aan de bovenkant kaal en glanzend, de onderzijde kan zilverig wit zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Akkerdistel is een lastig onkruid. Door de vele pluizige vruchtjes kan de plant zich sterk uitzaaien. Ook vormt ze worteluitlopers. Ploegen van akkers werkt in het voordeel van de plant, want elk stukje uitloper kan weer uitgroeien tot een zelfstandige plant. Bovendien is de plant resistent tegen veel onkruidverdelgende middelen. Akkerdistel heeft daarom als bijnaam “Boerenplaag”.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– lichtpaarse, zelden witte buisbloemen
– vanaf juni t/m september
– lang gesteelde hoofdjes in pluimen
– 1,5 tot 3 cm
– omwindselbladeren gestekeld
en topje afstaand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, veerspletig
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand, soms gegolfd
of gekroesd
– voet aflopend
– veernervig
– bovenkant glanzend en kaal
– onderkant kaal, soms wit viltig
behaard

Stengel
– rechtop
– aan de top sterk vertakt
– glad en kaal of zeer smal stekelig
gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

flora-g

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Witte klaver : Trifolium repens

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_0623-gr-witte-klaver

 

 

Goed te herkennen aan
– het ronde bloemhoofdje met (room)witte vlinderbloemen en
– de halvemaanvormige lichte vlek op de bladeren

 

 

bloemen-witte-klaver1

 

 

 

Algemeen

 

Witte klaver is een zeer algemeen voorkomende soort, die groeit op vochtige tot natte, voedselrijke of brakke tot zilte grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Witte klaver bloeit vanaf mei tot in de herfst. De bloemhoofdjes staan op lange bladerloze stelen en ruiken zoet. Ze zijn (room)wit met soms een roze waas. Ze verwelken van (room)wit via roze naar bruin. De uitgebloeide bloemen gaan hangen, de onderste het eerst. Aan de basis van het door de kroonbladen gevormde buisje wordt vrij veel nectar afgescheiden. De bloemen vormen daarom voor langtongige insecten, zoals bijen, een waardevolle nectarbron.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn lang gesteeld, 3-tallig (zelden 4) en voorzien van een halvemaanvormige lichte vlek. Omdat witte klaver een lange liggende stengel heeft, die op elke knoop kan wortelen, is ze moeilijk uit te roeien. Snel woekerend kan ze andere planten verdringen en soms hele tapijten vormen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– algemeen voorkomend
– 5 tot 25 cm

Bloem
– roomwit, soms met een roze waas
– vanaf mei tot in de herfst
– hoofdje
– vlinderbloem
– 7 tot 12 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– op lange steel, meestal 3-tallig,
zelden 4-tallig
– samengesteld
– rond tot eirond, met
halvemaanvormige lichte vlek
– top stomp of uitgerand
– rand getand
– voet wigvormig
– veernervig

Stengel
– bovengronds kruipend
– wortelend op knopen
– glad en kaal of behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

witte-klaver

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Rode klaver : Trifolium pratense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

rodeklaver

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze tot rozerode bloemhoofdjes
– met stengelbladeren direct onder het hoofdje en
– de eironde tot langwerpige bladeren met V-vormige, lichte vlek en behaarde onderkant

 

 

bloeiende-rode-klaver

 

 

 

Algemeen

 

Rode klaver is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant van vochtige, voedselrijke grond in graslanden en bermen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met oktober met paarsrode tot roze, ronde bloemhoofdjes, die geuren naar nectar. Ze worden alleen bezocht door insecten met een lange tong, zoals hommels en vlinders; insecten met een korte tong kunnen niet bij de nectar komen. Verwelkte bloemen worden bruin, maar gaan niet hangen. Dit in tegenstelling tot de uitgebloeide bloemen in het bloemhoofdje van basterdklaver, die wel gaan hangen.

 

 

 

 

 

Blad

 

Het blad is samengesteld en bestaat uit 3 (soms 4) eironde tot langwerpige deelblaadjes, elk met een duidelijke, V-vormige, lichte vlek. Verder zijn de bladeren vooral aan de onderkant behaard en is de rand gewimperd. ’s Nachts vouwen de bladeren zich samen. De onderste bladeren zijn lang gesteeld, de bovenste kort gesteeld of zittend. De stengels zijn liggend, aan het einde opstijgend en behaard.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 15 tot 50 (80) cm

Bloem
– roze tot rozerood en wit
– vanaf mei t/m oktober
– hoofdje
– vlinderbloem
– 12 tot 15 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top stomp
– rand gaaf en gewimperd
– voet afgerond
– veernervig
– met V-vormige lichte vlek
– vooral de onderzijde behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– behaard
– rolrond
– niet wortelend

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA