Tagarchief: roze

Boekweit : Fagopyrum esculentum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote pijl- of hartvormige bladeren en
– de losse aarvormige trossen witte bloemetjes en
– de donkere vruchtjes, die qua vorm op beukennootjes lijken

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Boekweit is geen inheemse wilde plant, maar een eenjarig landbouwgewas, oorspronkelijk afkomstig uit Midden- en Oost-Azië. Vroeger werd boekweit verbouwd op schrale zandgrond. Ten opzichte van de huidige gewassen is de opbrengst te laag om verbouw lonend te maken en wordt ze alleen nog gebruikt als nectarplant voor honingbijen, zit ze in zaaimengsels en in vogelvoer.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Boekweit bloeit vanaf juni tot en met augustus met kleine witte of roze bloemetjes, die gegroepeerd zitten in losse pluimen in de bladoksels en aan het einde van de stengel. De bloemetjes hebben 5 bloemdekbladen, geen aparte kroon- en kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn groot, pijl- of hartvormig, meestal iets langer dan breed. De stengel is roodachtig.

 

 

 

 

 

Vrucht

 

Voordat de bloei ten einde is zijn er al rijpe vruchtjes. Ze zijn driehoeking en lijken sterk op kleine beukennootjes. Elk vlak heeft scherpe randen, in tegenstelling tot Franse boekweit, waarvan de vruchtjes getande randen hebben. De vruchtjes zijn 2x zo lang als het (nog niet verdroogde) bloemdek. De vruchtjes van Franse boekweit zijn 3x zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

boekweit : wit of roze bloemdek, vruchtjes scherp driehoekig en twee maal zo lang als het bloemdek.

 

Franse boekweit : groen bloemdek, vruchtjes getand driehoekig en drie maal zo lang als het bloemdek.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

duizendknoopfamilie (Polygonaceae)
– eenjarig
– schaars landbouwgewas
– 15 tot 60 cm

Bloem
– wit of roze
– vanaf juni t/m augustus
– aarvormige tros
– stervormig
– 5 tot 7 mm
– 5 bloemdekbladen, niet vergroeid
– 8 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– pijl- of hartvormig
– top spits
– rand gaaf of gegolfd
– voet pijl- of hartvormig
– hand-/netnervig

Stengel
– rechtop
– aan 1 kant behaard
– roodachtig
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijenorchis : Ophrys apifera

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bloem6-g

 

 

Goed te herkennen aan
de orichideebloemen met drie roze of lila soms witte kroonbladen met groene middennerf en een bruine, geelgroen gevlekte, onderaan behaarde, gewelfde middenlob.

 

 

bijenorchis

 

 

 

Algemeen

 

Bijenorchis is een overblijvende plant van 20 tot 50 cm, die bloeit in juni en juli. Ze groeit op grazige, enigszins vochtige, kalkhoudende grond in kalkgraslanden en bermen, aan slootkanten en op opgespoten terreinen. Ze is zeldzaam en in Nederland wettelijk beschermd. De laatste 20 jaar is ze behoorlijk in aantal toegenomen.

 

 

Bijenorchis

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze is een ijle aar van 2 tot 8 bloemen. Bijenorchis vormt in het najaar een rozet en gaat zo de winter door. De bloem zit ingewikkeld in elkaar. Ze heeft 3 buitenste, gekleurde bloemdekbladen, variërend van roodachtig wit tot lila of roze met een groene middennerf. Ze kunnen afstaan of teruggeslagen zijn. Dan de 2 binnenste, veel kleinere bloemdekbladen, die wat aan hoorntjes doen denken. Deze zijn groen of roodachtig en behaard.

Het meest opvallend is de 3-lobbige lip (is een vergroeid binnenste bloemdekblad), die bestaat uit een 1 grote, gewelfde, onderaan behaarde, bruine, geelgroen gevlekte middelste lob en 2 kleinere, omhoog gebogen, behaarde, bruine zijlobben. Het vlekkenpatroon op de middenlob varieert sterk van plant tot plant. Tot slot de groene, gebogen stempelzuil. De bloem lijkt op een steel te staan, maar dat is het vruchtbeginsel.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

orchideeënfamilie (Orchidaceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– wettelijk beschermd
– 20 tot 50 cm

Bloem
– roze, lila, wit, groen, bruin
– juni en juli
– ijle aar
– orchideebloem
– 10 tot 13 mm
– 6 bloemdekbladen
– 1 stempelzuil

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallel nervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Basterdwederik : Epilobium

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bergbasterwederik

bergbasterwederik

 

 

Goed te herkennen aan

– de roze of bijna witte bloemen met 4 hartvormige, donker geaderde kroonbladen en
– de slanke vorm van de plant met bovenin vaak talrijke schuin omhoog staande zijstengels.

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Het geslacht van de basterwederikken omvat ongeveer 200 soorten en heeft een wereldwijde verspreiding. In het algemeen komen er 9 soorten voor die erg veel op elkaar lijken en daardoor lastig van elkaar te onderscheiden zijn. De 9de soort is het harig wilgenroosje, dat door grootte en kleur van de bloem makkelijk van de andere 8 te onderscheiden is.

De bloeiperiode van basterdwederikken is vanaf juni/juli tot en met augustus/september. Moerasbasterdwederik is de kleinste met een maximale hoogte van 60 cm. De anderen kunnen tot 80-90 cm hoog worden, kantige basterdwederik zelfs tot 1 meter.

 

 

 

Soorten

 

Beklierde basterdwederik (Epilobium ciliatum)

 

beklierde

 

 

 

 

 

Bergbasterdwederik (Epilobium montaum)

 

berg

 

 

 

 

Bleke basterdwederik (Epilobium roseum)

 

bleke

 

 

 

 

Donkergroene basterdwederik (Epilobium obscurum)

 

donkergroene_basterdwederik_01

 

 

 

 

Harig wilgenroosje (Epilobium hirsutum)

 

harig-wilgenroosje

 

 

 

 

Kantige basterdwederik (Epilobium tetragonum)

 

epilobium_tetragonum_flower_kantige_basterdwederik_bloemen

 

 

 

 

Lancetbladige basterdwederik (Epilobium lanceolatum)

 

epilobium-lanceolatum-2-lancetbladige-basterdwederik-saxifraga-rutger-barendse

 

 

 

 

Moerasbasterdwederik (Epilobium palustre)

 

moeras

 

 

 

 

Viltige basterdwederik (Epilobium parviflorum)

 

viltige_basterdwederik_0

 

 

 

Algemeen

 

teunisbloemfamilie (Onagraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen tot uiterst zeldzaam
– 10 tot 100 cm

Bloem
– roze, (bijna) wit
– juni/juli t/m augustus/september
– alleenstaand
– stervormig
– 8 tot 18 mm
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 8 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– eirond tot lancetvormig
– top spits
– rand getand of gaaf
– voet wig- of hartvormig of afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal of behaard
– rolrond met of zonder lijsten

zie wilde bloemen

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

mijne kop a4

Akkerwinde : Convolvulus arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

akkerwinde

 

 

 

Goed te herkennen aan
– 5 roze tot donkerbruine strepen aan de buitenkant en
– de langwerpige tot eironde bladeren met pijl- of spiesvormige voet

 

 

geheel2-g

 

 

 

Algemeen

 

Akkerwinde is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Ze groeit op open, matig vochtige, voedselrijke, meestal omgewerkte grond, vooral in grasland, bermen, op braakliggende terreinen en langs spoorwegen, ook op stenige plaatsen.

 

 

muur

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf juni tot en met september met naar vanille geurende bloemen, die alleen overdag geopend zijn. Bij slecht weer blijven ze ook overdag gesloten. De bloemen zijn lang gesteeld en staan alleen of met 2 in de bladoksels. Ze zijn egaal wit of roze, of met meer of minder duidelijke, roze of witte strepen. De kroon is wijd trechtervormig met aan de buitenkant 5 donkerroze soms bruinachtige strepen. De bloemen bloeien maar 1 dag.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren zijn langwerpig tot eironde en hebben een pijl- of spiesvormige voet. Akkerwinde heeft liggende of windende stengels tot 1 meter lang.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

:

:

:

akkerwinde : heeft geurende bloemen omsloten door overlappende schutbladen en langwerpige tot eironde bladeren met pijl- of spiesvormige voet.

 

 

 

 

 

 

haagwinde : heeft grotere bloemen dan akkerwinde, niet geurend, omsloten door niet overlappende schutbladen en pijl- tot hartvormige bladeren.

 

 

 

 

 

 

zeewinde : heeft roze/bleek purperen bloemen met 5 witte strepen

 

 

zeewinde

 

 

 

Algemeen

 

windefamilie (Convolvulaceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 20 tot 100 cm

Bloem
– wit en/of roze
– vanaf juni t/m september
– gesteeld alleenstaand
– trechtervormig
– 1 tot 3 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– eirond tot langwerpig
– top stomp of toegespitst
– rand gaaf
– voet pijl- of spiesvormig
– veernervig

Stengel
– windend of bovengronds liggend
– kaal of weinig behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

lindman

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Adderwortel : Persicaria bistorta

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

polygonum-bistorta-adderwortel-03

 

 

Goed te herkennen aan
– de roze, lang gesteelde, alleenstaande, aarvormige bloeiwijze
– met een doorsnede van 1 tot 2 cm en
– de meeldraden die buiten de bloemetjes steken en
– de bladschijf die afloopt langs de bladsteel

 

 

img_6816-gr-adderwortel

 

 

 

Algemeen

 

Adderwortel is een overblijvende stinsenplant van 20 tot 50 cm hoog, die groeit op natte, matig voedselrijke grond in beekdalgraslanden en langs slootkanten. Ze groeit ook in vochtige loofbossen, maar dan bloeit ze meestal niet. Adderwortel is vrij zeldzaam, wordt ook aangeboden als tuinplant en verwildert vaak.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode valt in juni en juli. Soms is er een tweede bloeiperiode in augustus en september. Ze wordt 20 tot 50 cm hoog en bloeit met roze, langwerpige, dichtbloemige, stompe schijnaren, die 1 tot 2 cm breed zijn. In de schijnaar staan de bloemetjes met 2 of 3 bij elkaar. Elk bloemetjes heeft 5 bloemdekbladen (kelkbladen ontbreken) en 8 meeldraden die buiten de bloem steken. De schijnaar bloeit van onder naar boven en zodra de eerste serie bloemetjes is uitgebloeid, bloeit de schijnaar nogmaals, weer van onder naar boven. De eerst bloeiende bloemen hebben lange meeldraden en korte stijlen. Bij de tweede serie is dit omgekeerd.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De wortelbladeren zijn lang gesteeld en de bladschijf loopt af lang de steel. De stengelbladeren zijn kleiner, kort gesteeld of zittend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Adderwortel kent vele toepassingen. Jonge stengels en bladeren kunnen als spinazie gegeten worden of verwerkt worden in soep. Medicinaal is adderwortel onder andere te gebruiken als gorgelmiddel bij tandvleesproblemen, kiespijn of keelontsteking. Daarnaast is het door de zeer sterke samentrekkende werking te gebruiken bij bloedingen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

duizendknoopfamilie (Polygonaceae)
– overblijvend
– vrij tot zeer zeldzaam
– stinsenplant
– ook als tuinplant
– 20 tot 50 cm

Bloem
– roze, zelden wit
– in juni en juli, soms weer in
augustus en september
– aarvormige bloeiwijze
– 4 tot 5 mm
– stervormig
– 5 bloemdekbladen, vergroeid
– 8 meeldraden
– 3 stijlen

Blad
– wortelstandig en verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gegolfd of gaaf
– voet hartvormig
– veernervig
– wortelbladeren lang gesteeld
– stengelbladeren kort gesteeld of
zittend

Stengel
– rechtop
– glad en kaal

zie wilde bloemen

 

 

plaatthome

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Vergeten wikke : Vicia sativa subsp. segetalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

img_9758-gr-vergeten-wikke

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze vlinderbloemen,
– die alleenstaand of met 2-4 in de bladoksels staan en
– waarvan de zwaarden duidelijk donkerder gekleurd zijn dan de vlag
– en de samengestelde bladeren met vertakte rank

 

 

img_9745-gr-vergeten-wikke

 

 

 

Algemeen

 

Vergeten wikke is eenjarig en komt zeer algemeen voor op grazige zandgrond en in akkers. Vergeten wikke wordt 10 tot 100 cm hoog. Ze is verspreid behaard.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met juli. De bloemen staan alleen of met 2-4 in de bladoksels. Ze hebben een heel kort steeltje en zijn helder roze. De zwaarden zijn duidelijk donkerder van kleur dan de vlag.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren hebben kleine steunblaadjes met klieren, die bij zonnig weer nectar produceren, waar vooral mieren op afkomen. De deelblaadjes van de bovenste bladeren zijn smaller dan die van de onderste bladeren. De overgang gaat geleidelijk. Ze zijn in of boven het midden het breedst (3-6 mm). De stengels zijn slap en de plant vindt door middel van de ranken steun bij omringend gras, soortgenoten of andere planten. De ranken zijn vertakt en zitten aan het uiteinde van de samengestelde bladeren in het verlengde van de bladspil.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 10 tot 100 cm

Bloem
– helder roze
– vanaf mei t/m juli
– tros
– vlinderbloem
– 1 tot 2 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen met gelijke tanden
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– even veervormig
– top rankend
– deelblaadjes :
– smal eirond tot langwerpig
– in of boven het midden het breedst
– zeer kort gesteeld
– top rond met spits uitsteekseltje
– rand gaaf
– voet afgerond
– veernervig
– behaard

Stengel
– klimmend
– weinig behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Thuliet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Algemene informatie

.

Thuliet is een variant zoisiet en is opaak en roze van kleur. Het komt voor in aders en opvullingen van breuken in talrijke rotstypen.

.

.

.

.

Verbreiding

.

Thuliet werd voor het eerst ontdekt in 1820 te Sauland, gelegen in de Noorse provincie Telemark. De naam komt van Thule, een mythische naam in de oudheid van een uiterst noordelijk land, waarmee (vanuit Grieks perspectief) onder meer Telemark bedoeld zou kunnen zijn. Sindsdien werd thuliet ook aangetroffen in Tirol, op een aantal plaatsen in de Verenigde Staten, en in West-Australië.

.

.

.

.

Chemische eigenschappen

.

samenstelling: Ca2Al3(SiO4)(Si2O7)O(OH)

hardheid: 6-6,5

dichtheid: 3,2-3,4

.

.

Thuliet
Thulite.jpg
Mineraal
Chemische formule (Ca,Mn)2Al3O(OH)(SiO4)(Si2O7)
Kleur roserood
Streepkleur wit of kleurloos
Hardheid 6-6,5
Gemiddelde dichtheid 3,2-3,4 kg/dm3
Glans glas- tot metaalglans
Breuk onregelmatig
Splijting perfect {010} imperfect {100}
Kristaloptiek
Kristalstelsel Orthorombisch
Brekingsindices 1,69-1,7
Dubbele breking 0,006-0,018
Pleochroïsme aanwezig, dichroïsme of trichroïsme afhankelijk van kleur

 

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

.

Zwanenbloem : Saponaria officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

butomusumbellatus2

 

 

Goed te herkennen aan
– de schermvormige bloeiwijze met roze bloemen
– op lange bladerloze stengels
– aan of in ondiep, voedselrijk water

 

 

zwanenbloem-090802-241

 

 

 

Algemeen

 

Zwanenbloem is een overblijvende moeras- en oeverplant, die groeit in en aan ondiep, voedselrijk water in sloten, vaarten en afwateringskanalen. Ze wordt 30 tot 150 cm hoog. Ze is algemeen voorkomend en is wettelijk beschermd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Zwanenbloem bloeit vanaf juni tot en met september met roze of witte, donker geaderde bloemen, die in een schermvormige bloeiwijze aan het einde van een bladerloze stengel staan. Aan de sierlijke vorm van de stijlen dankt ze haar naam. De bloemen hebben 6 bloemdekbladen, de buitenste wat korter en smaller dan de binnenste. Na de bloei sluiten de bloemdekbladen zich om de rijpende vruchten. Zwanenbloem is protandrisch, dat wil zeggen dat de stampers pas gaan rijpen als de meeldraden uitgebloeid zijn. Op deze manier voorkomt de bloem zelfbestuiving.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

zwanenbloemfamilie (Butomaceae)
– overblijvend
– algemeen tot zeldzaam
– 30 tot 150 cm

Bloem
– roze
– vanaf juni t/m september
– schermvormige tros
– 1,6 tot 2,6 cm
– stervormig
– 6 bloemdekbladen
– 9 meeldraden
– 6 stijlen

Blad
– wortelstandig
– enkelvoudig
– lijnvormig
– top afgerond
– rand gaaf
– parallelnervig
– in doorsnede driehoekig
– vaak bovenaan gedraaid

Stengel
– rechtop
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA

Slipbladige ooievaarsbek : Geranium dissectum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

geranium-dissectum-05-slipbladige_ooievaarsbek1-h4

 

 

Goed te herkennen aan
– de helder roze, kleine bloemtjes met 5 uitgerande kroonbladen op korte bloemstelen én
– de lange afstaande beharing van de hele plant én
– de klierharen voornamelijk in de bloeiwijzen

 

 

geranium-dissectum-05-slipbladige_ooievaarsbek3-h4

 

 

 

Algemeen

 

Slipbladige ooievaarsbek is een eenjarige plant van 10 tot 40 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend. Ze groeit op open, vochtige, voedselrijke, meestal kleiige grond in akkers, op dijken, in bermen en aan slootkanten. De gehele plant is afstaand behaard en vooral in de bloeiwijzen ook met klierharen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Slipbladige ooievaarsbek bloeit vanaf mei tot en met september. De helder roze bloemen staan met 2 bij elkaar in de bladoksels. Ze hebben 5 uitgerande kroonbladen, die even lang zijn als de genaalde kelkbladen. Ze staan op stelen, die korter zijn dan 2 cm, waardoor ze wat tussen de bladeren verscholen zitten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De behaarde bladeren zijn in omtrek rond, handvormig 5- tot 7-delig met 3-spletige slippen. Slipbladige ooievaarsbek heeft ook rozetbladeren, die minder diep gespleten zijn en een rode rand hebben. Tijdens de bloei zijn de rozetbladeren al verdord. De stengel is liggend of opstijgend en wordt vaak gesteund door omringende vegetatie.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 10 tot 40 cm

Bloem
– helder roze
– vanaf mei t/m september
– alleenstaand
– stervormig
– tot 1 cm
– 5 uitgerande kroonbladen
– kroon niet vergroeid
– 5 genaalde kelkbladen
– 10 meeldraden
– 1 stijl met 5 stempels

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– 5- tot 7-delig
– in omtrek rond
– top spits
– rand gaaf
– handnervig
– afstaand behaard, bovenste ook met   klierharen

Stengel
– liggend of opstijgend
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

JOHN ASTRIA

Witte waterlelie : Nymphaea alba

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

l_nymphaea-gonnere

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, witte (zelden rode), geurende bloemen met geel hart en
– de plaats waar ze bloeien …. in het water

 

 

waterlelie-shutter-630

 

 

 

Algemeen

 

Witte waterlelie is een opvallende waterplant van vrij diep, stilstaand tot zwak stromend, voedselrijk tot voedselarm water. Ze is zeer algemeen voorkomend en wordt ook aangeplant. De aangeplante soorten hebben ook gele en roze bloemen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf mei tot en met augustus. De drijvende of iets boven het water uitstekende bloemen verschijnen na de bladeren, zijn variabel in grootte, van 5,5 tot 18 cm in doorsnede, hebben 15 tot 25 witte kroonbladen en vier kelkbladen. De kelkbladen zijn groen of bruinachtig aan de buitenkant en wit aan de binnenkant. ’s Nachts en bij regen sluiten de bloemen zich ter bescherming van het stuifmeel.

 

 

 

 

 

Blad

 

De drijvende, leerachtige bladeren zijn nagenoeg rond met een hartvormige voet, 10 tot 30 cm in doorsnede. De bovenkant is glanzend groen, de onderkant lichtgroen, vaak roodachtig aangelopen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

waterleliefamilie (Nymphaeaceae)
– waterplant
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam

Bloem
– wit, zelden rood
– vanaf mei t/m augustus
– gesteeld alleenstaand
– 5,5 tot 18 cm
– stervormig
– 15 tot 25 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– stempelschijf met 5 tot 25 stralen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– rond
– top rond
– rand gaaf
– voet hartvormig
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

196

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA