Categorie: religie / video
Vragenuurtje met ds. Willem J.J. Glashouwer




Deze miniatuur wil ons leren dat de openbaring van de Drieëenheid, de diacrisis of de discretio de kern van ons geloofsleven vormt. Daarom verschijnt op de hoek in het Westen, vanwaar via het Zuiden de terugkeer naar het Oosten begint, de kolom van de Drievuldigheid. In het Westen gaat immers de zon onder en deze ondergang wijst naar het einde der tijden. Toen kwam ook de Zoon Gods zelf op aarde om in Zijn Menswording de val van Adam te herstellen. Deze komst bracht mee dat God iets openbaarde van Zijn diepste innerlijk leven.
Het fundament van dit mysterie, zegt Hildegard, is evenwel onpeilbaar voor het menselijk vernuft. Dit bijzonder gegeven heeft de miniaturist op een zeer oorspronkelijke manier in beeld gebracht en door zijn eenvoud en kleur nodigt deze miniatuur uit tot meditatie.
We zien hier dit grote mysterie uitgebeeld als een driekantige rode zuil, zonder begin onderaan en zonder einde bovenaan, alleen de drie zilveren hoeken zijn aangegeven. Het derde vlak is uiteraard onzichtbaar. Het gaat in deze miniatuur alleen om de drie zilverkleurige hoeken, die zo scherp zijn als een zwaard. De twee zichtbare zijwanden zijn rood wat verwijst naar Christus die zijn bloed vergoten heeft voor de zonden van de mensen.
Hildegard zegt dat deze zuil wonderbaar evenwichtig en zonder enige ruwheid is, omdat God komt in de kracht der genade. Hij is zachtmoedig voor allen die naar gerechtigheid streven. Bovendien was in Christus geen enkele ruwheid ten gevolge van ongerechtigheid te vinden.
Tegelijkertijd zijn de hoeken van deze zuil zo scherp als een perfect geslepen zwaard, dat gericht is tegen diegenen die zich door hun ongeloof afsluiten voor het door de Menswording geopenbaarde geheim van de Drieëenheid van God. Zij worden afgesneden van de oerbron en vallen in hun eigen niets terug.
Als droog stro worden de trouweloze christenen, die het kiemkrachtige koren van de goede werken van zich afgeworpen hebben, afgemaaid. De trotse joden ziet Hildegard als veertjes door de wind omhoog geblazen. Zij zochten de gerechtigheid in zichzelf en niet in God. Zij wilden door eigen kracht de hoogte van de hemel bereiken, maar door Gods macht zijn ze naar alle richtingen verstrooid.
Heidenen die liever duivels bedrog dan de geboden Gods opvolgen, ziet onze zieneres als vermolmd hout. Hun lot is de vergetelheid in het eeuwige vuur. Het mysterie van de H. Drieëenheid is een lievelingsthema in de spiritualiteit van Hildegard. De uitleg van het visioen ontleent zich door de macht, de wil en de gloed.
Macht, wil en gloed zijn de drie toppen van handeling. In de macht is de wil en in de wil is de gloed en zij zijn onverdeeld zoals de adem van de mens bij het uitademen. In de ondeelbare uitademing van de menselijke adem is de ademtrilling, de vochtigheid en de warmte. Zo zijn de drie personen in het éne onveranderlijke wezen van de Godheid. Er is de Vader, de Zoon de H. Geest.
Zij zijn altijd één en werken onverdeeld samen. God bestaat in drie Personen zonder begin, van vóór het begin der wereld en voordat de aanname van het vlees door de Zoon gebeurd was. Maar zelfs nadat de Zoon de menselijke natuur aangenomen heeft, is diezelfde God één in drie Personen en Hij wil zo steeds aangeroepen worden.
Wie niet gelooft in de Drieëenheid wordt afgesneden van het Rijk Gods, omdat hij de ongereptheid van de Godheid verscheurt. Nu zijn we op het keerpunt van het gebouw en gaan we in geloof via het Zuiden naar het Oosten terug.
EER AAN GOD IN DE HOGE
PASTELTEKENING VAN JOHN ASTRIA

De Heilige Drievuldigheid
Pasteltekening van John Astria
Het getal 333 is het getal van de Heilige Drievuldigheid;
God de vader, God de Zoon en God de Heilige Geest.
2. Hij verbleef 3 dagen in zijn graf en verrees.
1+2 is de hereniging van 333 na de verrijzenis voor eeuwig!


Het idee van een hel is dermate gruwelijk en ondenkbaar, dat veel christenen er moeite mee hebben. In een hemel geloven vind iedereen makkelijk, maar een hel? Toch spreekt de Bijbel er veelvuldig en zeer duidelijk over. Het laat de grote ernst zien van het kwaad in ons hart en de brandende noodzaak om je te bekeren met een diep, waarachtig berouw.
Lukas 12: 5
‘Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem!’
Matteus 25: 41, 46
‘Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.’
2 Thessalonicenzen 1: 9
‘Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn macht.’
Openbaring 21: 8
‘Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.’
Matteus 7: 13,14
‘Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan; maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.’
Hebreeën 10: 26, 27
‘Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de weerspannigen zal verslinden.’

De redding door het evangelie
Pasteltekening van John Astria
Ik wil tegenover deze veelgehoorde vraag een andere vraag zetten: Als Jezus Christus zich als een lam heeft laten afslachten om ons te verlossen, waarom vertikken zoveel mensen het dan om zijn doorboorde hand – die hen wil redden – vast te grijpen?
Waarom slaan zovelen liever Gods uitgestrekte hand van zich weg, dan zich door Hem te laten verlossen? Waarom willen zoveel mensen liever verloren gaan, dan zich van het kwaad in hun hart af te keren en zich te laten reinigen door het offer van Jezus Christus? Die vraag is veel belangrijker. Dat is waar het om gaat. God wil mensen redden!

Wie Christus erkent wordt gered uit de klauwen van Satan
Pasteltekening van John Astria
Omdat ze het kwaad liever hebben dan het goede, al beweren ze van zichzelf de goedheid zelve te zijn
De Bijbel zegt dat Jezus Christus is afgedaald in het dodenrijk en daar zijn verlossing heeft verkondigd aan de geesten van de gevangen zielen. Elk mens, levend of dood, heeft dus de kans verlost te worden.
1 Petrus 3:18
‘Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te verkondigen.’
1 Petrus 4:6
‘Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.’
Romeinen 14:9
‘Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij èn over doden èn over levenden heerschappij voeren zou.’


Goed te herkennen aan
– dicht bebladerde tere plant met
– trossen gele lipbloemen en
– dubbel geveerde bladeren met toegespitst topje
Algemeen
Gele helmbloem is een dicht bebladerde, overblijvende, tere plant van 15 tot 30 cm hoog. Ze groeit in pollen op zonnige tot licht beschaduwde stenige plaatsen, zoals op oude muren (van kastelen, kaden of tuin), rotswanden, puinhellingen en tussen stoeptegels. Gele helmbloem wordt in tuinen aangeplant, waar ze zich sterk kan uitbreiden. Vanuit tuinen kan ze ook verwilderen. In het wild is ze wettelijk beschermd.
Bloem
Ze bloeit vanaf mei tot de herfst met 1 tot 2 cm grote gele bloemen, die in trossen van 5 tot 16 bloemen bij elkaar staan. Ze staan horizontaal of schuin omhoog op rechte steeltjes, die aan de bovenkant afgeplat zijn.
Algemeen
– papaverfamilie (Papaveraceae)
– overblijvend
– vrij zeldzaam in stedelijke gebieden
– wettelijk beschermd
– 15 tot 30 cm hoog
Bloem
– geel
– vanaf mei tot de herfst
– tros
– 10 tot 20 mm
– gespoord
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 2 kelkbladen
Blad
– verspreid
– samengesteld
– dubbel geveerd
– top stomp met een klein puntje
– rand gaaf
– voet wigvormig
– handnervig
Stengel
– rechtop of (over)hangend
– sterk vertakt
– glad en kaal
– bovenkant afgeplat, verder rolrond
zie wilde bloemen
Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes met 5 tot ongeveer de helft ingesneden kroonbladen en
– de 5 stijlen per bloem en
– de behaarde, maar niet kleverige stengels
.
Algemeen
Gewone hoornbloem is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende (soms eenjarige), geheel behaarde plant van vochtige, voedselrijke, grazige grond.
.
Bloem
Ze wordt 4 tot 45 cm hoog en bloeit vanaf april tot in de herfst met kleine witte bloemetjes, die in een losse tros staan en 5 tot de helft ingesneden kroonbladen hebben. De kroonbladen zijn iets korter tot iets langer dan de kelkbladen.
Blad
Het blad is donkergroen, langwerpig en aan beide zijden behaard. Ook de vaak paarsachtige stengel is behaard, maar niet met klierharen, zoals de stengel van een aantal andere soorten hoornbloemen.
Algemeen
– anjerfamilie (Caryophyllaceae)
– overblijvend, soms eenjarig
– zeer algemeen
– 4 tot 45 cm
Bloem
– wit
– vanaf april tot in de herfst
– losse tros
– stervormig
– 4 tot 10 mm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 10 meeldraden
– 5 stijlen
Blad
– (kruisgewijs) tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig
– top stomp
– rand gaaf
– voet vergroeid
– 1-nervig
– aan beide zijden zacht behaard
Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond
– vaak paarsachtig
zie wilde bloemen
.
| 2 Koningen 16 | 1 – 20 | Achaz koning van Juda |
|---|---|---|
| 2 Koningen 17 | 1 – 5 | Hoséa, laatste koning van Israël |
| 6 – 23 | Samaria ingenomen | |
| 24 – 41 | Het land door vreemde volken bezocht |
.
.
.
.
.


.
| 2 Koningen 13 | 1 – 9 | Jóahaz koning van Israël |
|---|---|---|
| 10 – 13 | Joas koning van Israël | |
| 14 – 21 | Dood van Elísa | |
| 22 – 25 | Overwinning van Jóahaz op de Syriërs | |
| 2 Koningen 14 | 1 – 22 | Amázia koning van Juda |
| 23 – 29 | Jeróbeam II koning van Israël | |
| 2 Koningen 15 | 1 – 7 | Azária koning van Juda |
| 8 – 12 | Zacharía koning van Israël | |
| 13 – 16 | Sallum koning van Israël | |
| 17 – 22 | Menáhem koning van Israël | |
| 23 – 26 | Pekáhia koning van Israël | |
| 27 – 31 | Pekah koning van Israël | |
| 32 – 38 | Jotham koning van Juda |
.



