Categorie: religie/video
De tweede dag voor het sterven van Jezus
preview en aankoop boek “De Openbaring “:
http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget
Zijn naam was eerst Abram (‘hoge vader’, ‘vader der hoogheid’), doch na de goddelijke belofte van een talrijk kroost (Gen. 12:2; 17:5), ontving hij op 99-jarige leeftijd de naam Abraham, welke hij de hele Bijbel door behoudt. De nieuwe naam betekent ‘vader van een grote menigte’. Hij zou worden ‘tot een groot volk’ (Gen. 12:2) en ‘een vader van menigte der volken’ (Gen. 17:5).
Terah en zijn zonen Abraham en Nahor hebben andere goden gediend. Jozua verhaalde daarvan:
Joz 24:2 Toen zei Jozua tegen heel het volk: Zo zegt de Heere, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen van oude tijden af gewoond, Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.
Joz 24:14 Nu dan, vrees de Heere, dien Hem in oprechtheid en trouw, doe de goden weg die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte, en dien de Heere.
Joz 24:15 Maar als het in uw ogen kwalijk is de Heere te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden,gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de Heere dienen!
Joz 24:16 Toen antwoordde het volk en zei: Er is geen sprake van dat wij de Heere zouden verlaten om andere goden te dienen.
Abram werd door God geroepen om zijn land en familie te verlaten en te gaan naar een ander land dat God hem zou wijzen. Jahweh zou hem tot een groot volk maken, namelijk het volk van Israël. In hem zouden alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
Ge 12:1 De Heere nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.
Ge 12:2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.
Ge 12:3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
Ge 12:4 Toen ging Abram op weg, zoals de Heere tot hem gesproken had, en Lot ging met hem mee. Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran vertrok..
.
Hij zei eens van Abraham:
Ge 18:19 want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des Heeren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Heere aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.
De vrouwen van Abraham waren Sara, Hagar en Ketura. Hij nam Ketura tot vrouw nadat Sara, 127 jaar oud (Gen. 23:1) gestorven was; Abraham was toen 137 jaar oud. De naam “Ketura” betekent “reukwerk”. Abrahams zonen waren:
Sara’s overlijden in Hebron gaf hem aanleiding om een spelonk te kopen van de Hethiet Efron (Gen. 23). Hij kocht de spelonk en de akker van Efron voor 400 zilverstukken. Dat was zijn eerste, aangekochte eigendom in het land Kanaän. Na de dood van Sara heeft Abraham nog 38 jaar geleefd. Hij bereikte een leeftijd van 175 jaar. Door zijn zonen Izak en Ismaël werd hij begraven in de spelonk van Machpela.
God noemde Abraham tegenover de filistijnse vorst Abimelech “een profeet” (Gen. 20:7).
Ge 20:7 Nu dan, geef de vrouw van die man terug, want hij is een profeet! Hij zal voor u bidden, zodat u in leven blijft. Als u haar echter niet teruggeeft, weet dan dat u zeker zult sterven, u en al wat van u is.
Dat Abraham een profeet was, bleek uit zijn antwoord aan Izak, onderweg naar de offerplaats.
Ge 22:7 Toen sprak Izak tot zijn vader Abraham en zei: Mijn vader! Hij zei: Zie, hier ben ik, mijn zoon. Hij zei: Zie, hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam voor het brandoffer?
Ge 22:8 Abraham zei: God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon. Zo gingen zij beiden samen.
De profeet Abraham sprak tot zijn knecht, die de opdracht kreeg naar Abrahams familie te gaan en daar een vrouw voor Izak te vinden.
Ge 24:7 De Heere, de God van de hemel, Die mij uit mijn familie en uit mijn geboorteland weggehaald heeft, Die tot mij gesproken heeft en Die mij gezworen heeft: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven -die God zal Zijn engel voor u uit sturen, opdat u voor mijn zoon daarvandaan een vrouw zult nemen.
Toen de aartsvader zich tegenover de Hethieten, van wie hij een gunst verzocht, “een vreemdeling en een inwoner bij u” noemde, noemden zij hem “een vorst Gods in het midden van ons’ (Gen. 23:6). God noemde hem tegenover zijn volk Israël “de rotssteen” waaruit de Israëlieten gehouwen zijn.
Jes 51:1 Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den Heere zoekt! aanschouwt den rotssteen, waaruit gij lieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt.
Jes 51:2 Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.
Jezus Christus wordt “de Zoon van Abraham” genoemd, omdat hij naar het vlees een afstammeling van Abraham is en evenals deze wandelde in geloof.
Mt 1:1 Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.
Joh 8:39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zei tot hen: Als u kinderen van Abraham was, zou u de werken van Abraham doen.
Abraham kreeg de belofte van het land Kanaän. Hij was gegaan en gekomen in het land dat God hem ter bezitting aanwees. Het land was voor hem en zijn ‘zaad’, zijn nageslacht. De landbelofte wordt meermaals herhaald.
Ge 12:1 De Heere nu zei tegen Abram: Gaat u uit uw land, uit uw familiekring en uit het huis van uw vader, naar het land dat Ik u wijzen zal.
Ge 12:7 Zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, Die hem verschenen was.
Ge 15:7 Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.
Ge 17:8 En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaän, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.
Het beloofde land is zelfs groter dan Kanaän en strekt zich uit tot de rivier Eufraat (of Frath).
Ge 15:18 Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.
Abraham bleef een vreemdeling in het land en woonde in tenten.
Hnd 7:5 En Hij gaf hem geen erfdeel daarin, zelfs geen voetbreed, en Hij beloofde het hem tot een bezitting te geven en zijn nageslacht na hem, terwijl hij geen kind had.
De landbelofte wordt door God aan Abrahams zoon Izak bevestigd
Ge 26:2 En de Heere verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal;
Ge 26:3 Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb.
Ge 26:4 En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,
Ge 26:5 Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.
Ook aan Jacob en Mozes werd de belofte door God bevestigd (Deut. 34:4).
Abraham kreeg ook de belofte van een talrijk nageslacht. Abraham is, overeenkomstig de belofte van God, een vader van vele volken geworden. De naam ‘Abraham’ betekent ‘vader van een grote menigte’ .
Ge 12:2 Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.
Ge 17:5 En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.
Ge 17:6 En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.
Ge 18:17 De Heere zei: Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?
Ge 18:18 Immers, Abraham zal zeker tot een groot en machtig volk worden, en alle volken van de aarde zullen in hem gezegend worden.
Ge 18:19 Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de Heere in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Heere over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.
God herhaalde Zijn belofte nadat Abraham zijn zoon offerde:
Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,
Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.
Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
De belofte van een talrijk nageslacht werd door God aan Izak herhaald:
Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,
Ge 26:5 omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.
Abraham heeft afstammelingen naar het vlees en naar het geloof. Van Abraham stammen af naar het vlees (lijfelijke nakomelingen):
Volgens de islamitische overlevering zijn de Arabieren de nakomelingen van Ismaël en daarmee kinderen van Abraham. Moslims zien Abraham als hun vader.
In figuurlijke of geestelijke zin, namelijk om hun geloof, worden gelovigen in de Bijbel kinderen van Abraham genoemd. Abraham geloofde God op het woord van Diens beloften en het werd hem tot gerechtigheid gerekend. Zo wordt ook ons geloof in Jezus Christus, de Zoon van God en de Heiland der wereld, ons tot gerechtigheid gerekend. In dat opzicht is de gelovige als Abraham en wordt hij door God als een zoon van Abraham beschouwd.
Ga 3:7 Erkent dan, dat zij die op grond van geloof zijn,zonen van Abrahamzijn.
Ga 3:29 En als u van Christus bent, dan bent u Abrahams nageslacht en volgens belofte erfgenamen.
Uit en door Abraham is dus een natuurlijk en aards volk (Israël) alsook een geestelijk en hemels volk (gemeente van Christus) ontstaan. Deze beide volken worden misschien aangeduid door de uitdrukkingen “de sterren aan de hemel” (gemeente van Christus) en “het zand aan de oever van de zee” (Israël).
Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,
Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als hetzand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.
Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden.
Abraham kreeg ook een belofte van zegen in hem: in hem zouden alle geslachten van het aardrijk gezegend worden.
Ge 12:3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.
God herhaalde Zijn belofte nadat Abraham zijn zoon offerde:
Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,
Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.
Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
De belofte van zegen wordt door God aan Izak herhaald:
Ge 26:4 Ik zal uw nageslacht zo talrijk maken als de sterren aan de hemel en uw nageslacht al deze landen geven. In uw nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden,
Ge 26:5 omdat Abraham Mijn stem gehoorzaamd heeft en Mijn voorschriften, Mijn geboden, Mijn verordeningen en Mijn wetten in acht genomen heeft.
Op de Pinksterdag herinnert Petrus zijn toehoorders aan deze belofte:
Hnd 3:25 U bent de zonen van de profeten en van het verbond dat God met uw vaderen heeft gemaakt, toen Hij tot Abraham zei: ‘En in uw nageslacht zullen alle families van de aarde gezegend worden’.
Deze zegen komt door een zoon van Abraham, namelijk Jezus Christus, tot alle volken van de aarde. Eén zegen is de rechtvaardiging uit geloof.
Ga 3:8 De Schrift nu, die voorzag dat God de volken op grond van geloof zou rechtvaardigen, verkondigde tevoren aan Abraham de blijde boodschap: ‘In u zullen alle volken gezegend worden’.
Nadat God aan Abraham meermaals de belofte van land, een talrijk nageslacht en zegen door hem voor de volken had gedaan, voegt Hij, nadat Abraham zijn eigen zoon offerde, er een nieuwe belofte bij.
Het zaad (nageslacht) van Abraham zou de poort van zijn vijanden in bezit nemen:
Ge 22:16 Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de Heere: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt,
Ge 22:17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.
Ge 22:18 En in uw Nageslacht zullen alle volken van de aarde gezegend worden, omdat u Mijn stem gehoorzaam geweest bent.
Wanneer wij Abrahams zaad (nageslacht) in het meervoud nemen, dus op zijn nakomelingen zien, dan zegt de belofte dat Abrahams nageslacht de poort van zijn vijanden (erfelijk) zal bezitten, hun steden innemen en het goed van hun land genieten. Een poortis in de Heilige Schrift het beeld van macht en sterkte (vgl. Matth. 16:18). In de poorten werden ook de rechtspraken gehouden. Jahweh wil daarmee dus aan Abraham zeggen, dat zijn nakroost over zijn vijanden zal heersen en zijn vijanden overwinnen zal.
Deze belofte ging in vervulling toen Israël zijn vijanden versloeg en het beloofde land innam. De volkomen vervulling geschiedt na de Grote Verdrukking en het geestelijke herstel van Israël. Israël zal dan niet langer de smaad en de staart, maar de eer en het hoofd der volken zijn.
Wanneer wij Abrahams zaad in het enkelvoud nemen, dus op zijn Nakomeling Jezus zien – zoals Paulus doet in Gal. 3:16 – dan zegt de belofte dat de Heer Jezus de poort van zijn vijanden zal innemen. De Heer Jezus is verhoogd aan Gods rechterhand totdat God al zijn vijanden tot zijn voetbank heeft gesteld.
Heb 1:13 Tot wie van de engelen echter heeft Hij ooit gezegd: ‘Zit aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden stel tot een voetbank voor uw voeten’?
Lu 19:27 Die vijanden van mij evenwel, die niet wilden dat ik over hen regeerde, brengt ze hier en slacht ze in mijn bijzijn af.
De Heer Jezus heeft door de dood de satan, die de macht over de dood had, teniet gedaan.
Heb 2:14 Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood te niet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel.
Hij heeft de sleutel van de dood en de hades (= dodenrijk).
Opb 1:18 en de levende; en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid, en Ik heb de sleutels van de dood en de hades.
Mt 16:18 En ook Ik zeg je dat jij Petrus bent, en op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hades zullen haar niet overweldigen.
Hij zal bij zijn toekomstige verschijning in de wereld zijn vrederijk op aarde oprichten. Hij zal de wereld regeren, die voordien, na de zondeval, door satan werd geregeerd.
1Co 15:25 Want Hij moet regeren, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd.

Het tweede deel van het Oude Testament staat bekend als de historische boeken van de Bijbel. Nadat zij veertig jaar door de woestijn gezworven hadden en Mozes gestorven was, begon God de Israëlieten over de rivier de Jordaan te verhuizen. Onder leiding van Jozua en Kaleb trokken zij het Beloofde Land binnen. Deze boeken vertellen over hun reis naar en hun leven in het land van Kanaän. Dat leven was niet eenvoudig, want ze woonden omringd door vijandige landen met bijgelovige, godslasterlijke gebruiken en wrede gewoontes. De Israëlieten werden in een leven van geestelijk verval gezogen.
Er zijn twaalf historische boeken:
De boodschap van Jozua is zijn enorme Godsvertrouwen dat hem de moed en kracht gaf om het Hebreeuwse volk het Beloofde Land binnen te leiden. De eerste helft van zijn boek vertelt over de voortdurende strijd en moeilijkheden om het land te bereiken en te bewonen. De tweede helft van het boek verhaalt over de landsdelen die God toewees aan de verschillende stammen van Juda.
Het boek Rechters beslaat 325 jaar en laat zien dat het oordeel van God over onrecht ten uitvoer gebracht zal worden, maar dat Zijn vergeving en de mogelijkheid tot verzoening beschikbaar zijn voor wie tot inkeer komt. Kanaän was bewoond geweest door diverse godslasterende en slechte volken die vele valse goden en afgoden vereerden. De Israëlieten deden concessies en stonden toe dat invloeden van die praktijken hun intrede deden in hun manier van leven, en hen aantastten.
Het onderwerp van het boek Ruth bevestigt dat mensen zelfs in donkere tijden Gods liefde en bescherming zullen ervaren, als zij ernaar streven om God te dienen en niet zichzelf.
Deze negen boeken besluiten met de gevangenschap van Gods volk, de gestolen tempelschatten en de verwoesting van Salomo’s tempel.
Ezra, Nehemia en Ester ronden het historische deel in het Oude Testament af. Oorspronkelijk werden Ezra en Nehemia beschouwd als één boek. Nadat zij als slaven naar Babylon zijn gevoerd ziet het er niet best voor hen uit, maar het boek van Ezra begint met een gunst die verleend wordt.
Cyrus, de koning van Perzië, verklaarde dat de Heer hem opgedragen had om sommigen van de Hebreeuwse gevangenen vrij te laten en terug te laten keren naar het land van Juda. De anderen volgden snel. Ezra en Nehemia beschrijven de terugkeer en de wederopbouw en de opleving van Gods volk.
Hoewel de Bijbel Ester na het boek van Nehemia plaatst, zouden de gebeurtenissen in Ester ongeveer dertig jaar eerder hebben plaatsvonden dan die in het boek van Nehemia. Het verhaal bevat intrige, romantiek en een vertoon van Gods machtige soevereiniteit.
De historische boeken illustreren de pieken en dalen van de zonde, herstel, wonderen, afwijzing en oordeel. Door de eeuwen heen zien we dat het Joodse volk veel lessen verschaft waar ook wij vandaag de dag wat aan hebben. God verkoos het Joodse volk om getuige te zijn en verlossing te brengen aan alle andere volken op aarde.
Voordat de Messias, Jezus Christus van Nazareth, geopenbaard werd en het christendom begon, toonden deze boeken de principes van christelijke liefde voor de vijand, vergeving en Gods genade en barmhartigheid.
Hoewel het Joodse volk in geestelijk verval raakte, was en is de mogelijkheid voor herstel bij God door inkeer altijd beschikbaar. Velen van hen hadden er moeite mee om waarachtig en trouw te blijven. Hun voortbestaan en toewijding dienen als uitstekende voorbeelden.
Dit zijn enkele noemenswaardige verzen uit deze boeken:
1 Samuël 15:22-23 zegt: “Gehoorzaamheid is beter dan offers, volgzaamheid is beter dan het vet van rammen. Weerspannigheid is even erg als toverij, en eigenzinnigheid is even slecht als afgodendienst. U hebt de opdracht van de Heer verworpen; daarom verwerpt Hij u als koning!”
In 2 Kronieken 7:14 staat: “…en wanneer dan Mijn volk, het volk dat Mij toebehoort, het hoofd buigt, al biddend Mijn aanwezigheid zoekt en terugkeert van zijn dwaalwegen, dan zal Ik het aanhoren vanuit de hemel, zijn zonden vergeven en het land genezen.”
2 Kronieken 30:9 zegt: “Want als u terugkeert tot de Heer, zullen uw verwanten en uw kinderen genadig behandeld worden door degenen die hen hebben weggevoerd, en zullen ze weer naar dit land mogen terugkeren. De Heer, uw God, is immers genadig en liefdevol; als u naar Hem terugkeert, zal Hij zich niet van u afwenden.”

De bestudering van het Oude Testament verschaft een waardevolle en noodzakelijke ondergrond voor begrip van het Nieuwe Testament en hoe we dat op ons leven moeten toepassen. In het Oude Testament ontdekken we hoe alle geschiedenis tot stand gekomen is en lezen we over Gods relatie met de mensheid.
Het Oude Testament is oorspronkelijk geschreven in het Hebreeuws. Enkele kleine tekstdelen zijn in het Aramees geschreven. Het omvat 39 boeken en net als het Nieuwe Testament kan het opgedeeld worden in vijf delen:
De Pentateuch (bestaande uit de eerste vijf boeken) bevat de wetten en instructies die aan Mozes en het volk van Israël gegeven zijn. Mozes heeft de boeken Genesis tot en met Deuteronomium geschreven.
De historische boeken (Jozua tot en met Ester) worden toegeschreven aan Jozua.
De poëtische boeken zijn geschreven door verschillende auteurs (Job tot en met Hooglied). Het meest gelezen boek van deze vijf is wellicht het boek Psalmen; liederen die hoofdzakelijk door David geschreven zijn.
Er zijn vier grote profeten — Jesaja, Jeremia, Ezechiël en Daniël. Heel toepasselijk worden deze mannen boodschappers van God genoemd, omdat hun geschriften samengesteld zijn vanuit een profetisch oogpunt.
De kleine profeten zijn Hosea tot en met Maleachi. Zij worden “klein” genoemd vanwege het feit dat hun geschriften korter zijn dan de boeken van de grote profeten.
Een overzicht van het Oude Testament toont onze basis van het begin van het leven tot het nieuwe leven dat geboden wordt in het Nieuwe Testament. Alle Bijbelboeken zijn geschreven door mannen van God die door God geïnspireerd waren. Daarom is elk woord gegeven om te leren, onderwijzen, corrigeren en als richtlijn voor het dagelijks leven.
(2 Timoteüs 3:16-17). “Elke Schrifttekst is door God geïnspireerd en kan gebruikt worden om onderricht te geven, om dwalingen en fouten te weerleggen, en om op te voeden tot een deugdzaam leven, zodat een dienaar van God voor zijn taak berekend is en voor elk goed doel volledig is toegerust” .
Uiteindelijk gaat Gods Woord over Zijn doel en relatie met de mensheid:
(1 Tessalonicenzen 2:13 ) “Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u Zijn Woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het Woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft.”
Een overzicht van het Oude Testament bevat vele profetieën over Jezus Christus, de Messias, Gods reddende plan en Zijn beloftes, die vervuld worden in het Nieuwe Testament. Jezus Christus is de hoop en het onderliggende thema van alle Bijbelboeken, inclusief het Oude Testament.
In Lucas 24:27 legde Jezus Zijn apostelen de Bijbel uit: “Daarna verklaarde Hij hun wat er in al de Schriften over Hem geschreven stond, en Hij begon bij Mozes en de profeten.”
Het Nieuwe Testament geeft meerdere malen aan dat Jezus niet gekomen was om de Wet uit het Oude Testament af te schaffen. In Matteüs 5:17-18 zei Jezus:
“Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn”.
Een begrip van het Oude Testament is essentieel om een volledig beeld te krijgen van Gods karakter en Zijn reddende werk door de geschiedenis heen. Gods karakter, Zijn eigenschappen en daden, Zijn lange lijden, Zijn liefde, barmhartigheid en vergeving ontvouwen zich vanaf het begin van de schepping tot aan de beloofde wederkomst van Christus.
In een overzicht van het Nieuwe Testament zul je een inleiding, geschiedenis en genealogie vinden, en daarnaast de verklaring of uitleg van teksten en hun toepassingen op het leven. Het Nieuwe Testament werd oorspronkelijk geschreven in alledaags Grieks in de periode tussen 45 en 95 na Christus. De Griekse taal en godsdienstige overtuigingen hebben veel invloed gehad op de Joodse en heidense bewoners van de regio, en blijken duidelijk in de boeken van het Nieuwe Testament.
Over het algemeen wordt het Nieuwe Testament in vijf gedeeltes opgedeeld:
De Evangeliën zijn geschreven vanuit vier verschillende perspectieven ( Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes) maar horen wel bij elkaar.
Handelingen heeft betrekking op historische gebeurtenissen; ook wel “Handelingen der Apostelen” genoemd.
De Epistels (zendbrieven) zijn geschreven door Paulus en te vinden in de boeken Romeinen tot en met Filemon.
De Algemene Epistels zijn door diverse schrijvers geschreven en zijn te lezen in Hebreeën tot en met Judas.
Het boek Openbaring (dat hoofdzakelijk uit profetieën bestaat)is geschreven door Johannes tijdens zijn gevangenschap op het eiland Patmos. Net als de rest van de Bijbel wordt van al deze Schriftteksten gesteld dat zij ingegeven zijn door God Zelf en dat de schrijvers door de Heilige Geest geleid werden.

Door John Astria
Een overzicht van het Nieuwe Testament laat in de vier Evangeliën zien dat we kunnen leren over de geboorte, bediening, kruisiging en opstanding van Jezus. Evangelie betekent het Goede Nieuws van Jezus Christus. De Israëlieten wachtten op de komst van de beloofde Messias. God zond Jezus als vleesgeworden God, om die Messias te zijn.
Het boek Handelingen begint na de opstanding van Christus. Het gaat voornamelijk over de kracht die aan de apostelen en volgelingen van Christus gegeven werd door de uitstorting van de Heilige Geest. Zij kregen de opdracht om er op uit te trekken en anderen over Hem te onderrichten, en genezende en verlossende wonderen te verrichten in verre landen. Het was het begin van de stichting van de Kerk.
Paulus heeft brieven geschreven aan specifieke kerken die hij had gesticht of bezocht. De brieven werden geschreven om officiële leer en handelwijzen door te geven, alsmede veel bemoediging.
De Algemene Epistels, die aanvullende scholing en lessen bieden, kunnen op ons dagelijks leven toegepast worden.
De Openbaring is het laatste boek van het Nieuwe Testament. Het is een profetisch boek dat de aangewezen tijd beschrijft waarop Jezus zal terugkeren naar de aarde voor al diegenen die trouw geloofd hebben en Hem volgen. Het is vooral een boek van hoop voor allen die Jezus aanvaard hebben. Zij (Zijn Kerk) worden Zijn Bruid genoemd.
Een overzicht van het Nieuwe Testament laat zien hoe de beloftes, het oordeel en de beloningen van het Oude Testament vervuld zijn. God zond Jezus in menselijke gedaante om een manier tot verzoening met Hemzelf te verschaffen. Christus nam de zonden van de wereld op Zich zodat de schuld voor jouw en mijn zonden volledig door Hem betaald is.
Iedereen heeft gezondigd (God getrotseerd of verworpen) en heeft behoefte aan inkeer en vergeving. Het Nieuwe Testament geeft een bouwtekening voor het leiden van een rechtvaardig leven dat God welgevallig is, en de voorziening die Hij ons geboden heeft om dat te bereiken. Alleen door Jezus Christus krijgen wij de kans om de weg naar hereniging met God voor eeuwig te aanvaarden.





.
.
Pasteltekening van John Astria
Is het nodig dat wij onze zonden belijden aan God, nadat Jezus voor onze zonden gestorven is? In het Onze Vader wordt hierover gesproken maar toen woonde Jezus nog op de aarde. Het is nuttig eerst iets dieper in te gaan op de begrippen verlossing en vergiffenis. De eis die eigenlijk aan ons wordt gesteld, is dat wij in het geheel niet zondigen. Alleen absolute volmaaktheid maakt ons aanvaardbaar voor God. Helaas is alleen Jezus er in geslaagd die volmaaktheid te tonen. De overige mensen slagen daar niet in, en hebben daarom verlossing nodig.
De openbaring van Gods verlossingsplan maakt duidelijk dat wij op bepaalde voorwaarden toch kunnen worden aangenomen, en zo ontkomen aan de dood die wij eigenlijk zouden verdienen. En dat het verlossingswerk van Christus daar een grote rol bij speelt. Maar het basisprincipe is en blijft dat zonde onacceptabel is voor God. Met andere woorden: van ons wordt gevraagd dat wij ons uiterste best doen die volmaaktheid van Jezus, op zijn minst zo goed mogelijk, te benaderen.
Maar wanneer wij daarin tekort schieten, is het niet een kwestie van ‘game over’, zoals onder de wet van Mozes strikt genomen het geval was, maar kunnen we vergiffenis vragen en verder gaan. De bedoeling is dan uiteraard wel dat wij van onze fouten leren, en wel degelijk naar dat voorbeeld van Christus toegroeien.
Uiteraard kan het niet de bedoeling zijn dat wij gewoon ons eigen leven leiden, en de rekening daarvoor door Christus laten betalen. Zijn verlossingswerk is geen vrijbrief om onze eigen gang te gaan. Waar wij tekort schieten, mogen we ons beroepen op de verlossing die Hij tot stand bracht, maar dat is geen verkregen recht. Christus betaalt als het ware onze schulden, maar dit betekent wel dat wij niet de vrijheid hebben om bewust nieuwe schulden te maken,omdat de rekening toch al zou zijn voldaan.
Dit houdt in dat wij, wanneer we toch weer in de fout zijn gegaan, in elk geval bereid moeten zijn te erkennen dat het fout was. En dat kunnen we alleen maar doen door onze zonde te belijden. En de tweede eis is, dat wij onze uiterste best moeten doen om herhaling te voorkomen. En dit op zijn beurt vergt dat wij ons bewust zijn van onze fouten. En niets maakt je zo goed bewust van je fouten als de noodzaak ze te belijden.
Anders gaan we maar denken dat het allemaal wel meevalt. Jacobus raadt ons zelfs aan die fouten te belijden tegenover elkaar (Jac.5:16), hoeveel temeer aan God. De Schrift vertelt ons dat we radicaal moeten veranderen. We moeten al onze menselijke neigingen achter ons laten, en ons zo volledig mogelijk richten op het voorbeeld van Jezus.
En die verandering moet zo radicaal zijn, dat het ons wordt voorgesteld als het worden van ‘een nieuwe mens’ (Efez. 4:22-24), of van een opnieuw geboren worden (Joh. 3:3). Dat kan alleen wanneer we ons voortdurend bewust zijn van wat we nog verkeerd doen, waar we nog tekort schieten, en wat er dus beter moet. En zelfs wanneer we in dit leven nooit die volmaaktheid van Jezus zelf zullen bereiken, dan moeten we er wel steeds dichter in de buurt komen.
In dit leerproces leren we het snelst van onze fouten. We herkennen onze fouten alleen wanneer we gedwongen worden die te erkennen, niet in de laatste plaats tegenover onszelf. Maar wanneer we al niet bereid zijn die toe te geven tegenover God, dan hebben we smoezen genoeg om ze te ontkennen tegenover onszelf.
Maar we hebben geen carte blanche om zo maar onze gang te gaan, we kunnen niet op pad gaan met Jezus’ creditcard op zak. We zullen voor elke nieuwe schuld weer met het schuldbriefje bij God langs moeten gaan, en nederig vragen of dat misschien weer afgeboekt mag worden. Op zijn minst leren we ons dan te schamen voor ons gedrag.
Dat klinkt misschien allemaal erg negatief, en in werkelijkheid zal het effect ook veel positiever zijn want we bouwen een relatie op met God, die we anders niet zouden hebben. Maar we moeten nooit de vergissing maken dat zonde sinds Christus’ kruisdood niet serieus meer is. In Gods ogen is zonde nog steeds bloedserieus. En het belijden daarvan maakt ons daar beter dan wat dan ook van bewust.
Nog een laatste opmerking over het feit dat Jezus Zijn discipelen het ‘Onze Vader’ leerde, toen Hij ‘nog op aarde’ was. Uit zijn woorden blijkt dat Hij hier was om de zijnen voor te bereiden op het nieuwe Verbond en het nieuwe tijdperk dat komen ging. Het lijkt daarom niet logisch te verwachten dat Hij Zijn discipelen een ‘nieuw gebed’ zou leren, dat enkele jaren later alweer achterhaald zou zijn. We mogen er daarom van uitgaan dat dit gebed een patroon bevat, dat door alle eeuwen heen van belang blijft.
.
.
In de vijfde artikel van het Credo, belijden wij dat Jezus na zijn kruisdood is nedergedaald ter helle en de derde dag is verrezen uit de doden. Wat betekent de ‘nederdaling ter helle’ van Jezus ? Op de eerste plaats betekent het dat Jezus werkelijk is gestorven en begraven. Jezus is echt gestorven en zijn lichaam rust in een graf. Hij heeft de dood gekend zoals andere mensen.

Maar het werk van de verlossing en haar uitwerking – in de kracht van de kruisdood van Jezus – ging verder. Daarom betekent ‘nederdaling ter helle’ ook dat Jezus met zijn ziel, die verenigd is met zijn goddelijke persoon, afgedaald is in ‘het dodenrijk’, de ‘verblijfplaats’ van alle doden, die de Schrift benoemt als ‘de Sjeool’ of ‘de Hades’.
Jezus ging daar als verlosser heen om zijn blijde boodschap aan de doden te verkondigen. Hij is niet naar ‘de hel’ om de verdoemden te bevrijden, evenmin om de hel van de verdoemenis af te breken. Hij ging om de rechtvaardigen die Hem voorgegaan waren, te bevrijden, de grote profeten van het Oude Testament, zelfs Adam en Eva. DUS JEZUS GING IN HADES DE GELOVIGEN VOOR ZIJN KRUISDOOD BEVRIJDEN OM HEN NAAR HET PARADIJS TE BRENGEN!
Wij moeten er ons rekenschap van geven dat wij in het Credo geen mythologisch verhaal belijden. Het bestaan van de menselijke ziel en de nederdaling van de Heer Jezus ter helle is door God geopenbaard en is een onderdeel van de geloofsleer. Ze zijn terug te vinden in de H. Schrift, de geschriften van de kerkvaders, en in de levende overlevering van het geloof van de Kerk.

Zo vertelt Sint Petrus ons: “het evangelie is ook aan gestorvenen verkondigd…” (1 Pt. 4, 6); en dat: “de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven” (Joh. 5, 25).De Catechismus van de Katholieke Kerk vertelt ons dat ‘De nederdaling ter helle de volledige vervulling is van de evangelische aankondiging van het heil.
Zij is de allerlaatste fase van de Messiaanse zending van Jezus. Deze fase is zeer beperkt in de tijd, maar strekt zich ontzettend ver uit wat haar werkelijke betekenis betreft. Zij leert dat het verlossingswerk zich uitbreidt tot alle mensen van alle tijden en van alle plaatsen, want allen die zijn gered, hebben immers deel gekregen aan de verlossing.

