Tagarchief: lila

Lepidoliet

Standaard

categorie : Sieraden, juwelen, mineralen en edelstenen

.

.

Lepidoliet

.

Kenmerken van lepidoliet

.

Lepidoliet is een mica, een groep mineralen waarvan sommige belangrijk zijn voor de edelsteentherapie. Het is meestal roze-lila, maar kan ook kleurloos, grijzig, paars, rozerood of blauwachtig zijn. Nauw verwant aan lepi-doliet zijn biotiet, fuchsiet en muscoviet. Mica’s glimmen en glinsteren mooi en daarom hebben ze als bijnaam glimmer. Bij de lepidoliet is de glinstering duidelijk zien. Een andere naam voor lepidoliet is lithiumglimmer.

Lepidoliet is makkelijk splijtbaar en kan grote platen vormen. Omdat mica’s onbrandbaar zijn, werden die platen lepidoliet graag gebruikt waar vuurvastheid nodig is: bijvoorbeeld als ruitjes van kolenkachels of oliekachels. In de natuur verandert mica door verwering in zeer vruchtbare klei.

In de edelsteentherapie is lepidoliet belangrijk dankzij het lithium, wat belangrijk is voor de geest. Het mineraal bezit niet alleen de beschermende werking die alle mica’s hebben; lepidoliet maakt flexibel van geest en geeft rust in het hoofd.

.

.

.

.

Herkomst van de naam

.

Lepidoliet betekent ‘schubbensteen’. De naam is gevormd uit de Griekse woorden lepidon (schilfer, schub) en lithos (steen). Het mineraal heette vroeger lilalith. Deze naam verwijst naar de lila kleur. Bij later wetenschappelijk onderzoek werd de naam veranderd in lepidoliet. Dat vond men een degelijker naam.

De naam ‘mica’ is ontleend aan het Latijnse mica (korreltje, kruimel, beetje), waarschijnlijk onder invloed van het Latijnse micare (fonkelen, glinsteren). Beide namen verwijzen naar het zilverig-roze en schilferige uiterlijk van ruwe lepidoliet. In het Noors heet mica wel kråkesølv (kraaienzilver), omdat kraaien graag glinsterende micahoudende steentjes in hun nest stoppen.

.

.

 

.

.

 

Door de eeuwen heen

.

Mica, inclusief lepidoliet, wordt op heel veel plaatsen gevonden. Graniet bevat bijvoorbeeld altijd een deel mica. In Nederland vind je mica in stenen die tijdens de ijstijden door het ijs naar hier werden meegevoerd. Mica was al bekend in de prehistorie. Er zijn voorwerpen van mica gevonden bij de Azteken, in het oude Egypte, bij de oude Grieken en Romeinen. Om een mooie glinstering te krijgen, werden bepaalde soorten keramiek versierd met een glazuur waarin verkruimelde mica zit. Dit gebeurt tegenwoordig nog steeds. In de 18e eeuw werd lepidoliet erkend als een zelfstandig mineraal.

Tot aan de 19e eeuw werd mica op alleen gevonden als kleine, vlokkige kristallen. Mooie, grote micakristallen waren zeldzaam. De isolerende werking was al bekend. Het gebruik van mica veranderde toen in de 19e eeuw doorzichtige mica met grote kristallen werd gevonden in Zuid-Amerika en Afrika. Vanwege zijn vuurvastheid en doorzichtigheid werd deze Zuid-Amerikaanse en Afrikaanse mica veel gebruikt voor de ruitjes van oliekachels en kolenkachels. Het betrof vooral muscoviet, maar ook lichtere versies van lepidoliet.

In de loop van de 19e eeuw werd mica industrieel belangrijk, vooral als isolerend en brandwerend materiaal. Daarnaast raakte het in gebruik voor kijkglazen, om glas en ruitjes te beschermen tegen de etsende werking van zuren. Mica kwam ook van pas als vulmiddel voor cement en asfalt. Zelfs bij het kleuren en binden van verven bewees mica z’n waarde. In 1861 onderzochten Robert Bunsen en Gustav Kirchhoff lepidoliet met microscoop en spectrometer.

Zij ontdekten dat lepidoliet rubidium en cesium bevat. Sinds de 20e eeuw worden deze zeldzame mineralen uit de lepidoliet gewonnen voor industriële toepassingen. Omdat lepidoliet ook een lithiumerts is, wordt de lepidoliet tegenwoordig graag gebruikt als bron voor lithium. De mica muscoviet (dat geen lithium bevat) is nu in gebruik voor de ruitjes van kachels.

.

.

.

.

Spiritueel

.

* Lepidoliet maakt flexibel van geest, vrolijk, enthousiast en geeft nieuwe ideeën.
* Lepidoliet helpt je niet alleen je eigen grenzen te bewaken, maar ook andermans grenzen te respecteren.
* Lepidoliet onder het hoofdkussen geeft aangename dromen.
* Lepidoliet kan goede diensten bewijzen bij genezing van dwangpatronen of fobieën. Het mineraal helpt die patronen te doorbreken en een nieuwe balans te vinden.
* Zachtroze lepidoliet houdt onvoorwaardelijk van alles en iedereen. Het stimuleert het intellect en maakt analytisch.
* Lepidoliet helpt je om in moeilijke situaties trouw te blijven aan je eigen principes.
* Lepidoliet heelt geestelijke pijn, zoals liefdesverdriet, getob, problemen met collega’s of relaties.

.

.

 

.

.

Chemische samenstelling

.

.Lepidoliet heeft een typische mica-samenstelling met de algemene formule (AB2-3X,Si)4O10(O,F,OH)2

De bestanddelen A, B en X variëren:

  • A staat meestal voor kalium (maar soms barium, calcium, natrium).
    Bij lepidoliet is A kalium.
  • B is aluminium, chroom, ijzer, lithium, mangaan, magnesium, zink
    (soms titanium, vanadium); bij lepidoliet is B lithium.
  • X is meestal aluminium (soms ook beryllium, borium, of driewaardig ijzer).
    Bij lepidoliet is X aluminium.

Lepidoliet is een lithiumerts. Het kan ook zeldzame aardmetalen als cesium en rubidium bevatten.
De mooie gele en roze kleuren worden veroorzaakt door ingesloten lithium en mangaan.

.

.

Samenstelling: K(Li, Al)3[(O, OH, F)2/AlSi3O10] + Ca, Cs, Fe, Li, Mg, Mn, Na, Rb
Hardheid: 2,5 – 4
Glans: glasglans. parelmoerglans
Transparantie: transparant, doorschijnend, doorzichtig
Breuk: bladerig, schilferig, oneffen
Splijtbaarheid: perfect
Dichtheid: 2,8 – 2,9
Kristalstelsel: monoklien

.

.

.

.

 

.

.

.

 

 

 

.

pijl-omlaag-illustraties_430109

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

.

JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Kleine ooievaarsbek : Geranium pusillum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de bleek lila of blauw-paarse, in paren staande bloemetjes met
– de van binnen gelige stempels en
– de in omtrek ronde, tot over de helft gespleten bladeren en
– stengels met alleen korte haren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Kleine ooievaarsbek is een eenjarige, vaak breed uitgroeiende plant van 5 tot 40 cm hoog. Ze is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen. Ze groeit op open plaatsen met vochtige, voedselrijke, vaak omgewerkte grond.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Kleine ooievaarsbek bloeit vanaf mei tot de herfst met bleek lila of blauw-paarse bloemen, die paarsgewijs bij elkaar staan. De bloemen hebben 5 hartvormig ingesneden kroonblaadjes. De stempels zijn aan de binnenkant gelig van kleur. De stempels van zachte ooievaarsbek hebben de kleur van de kroonbladen.

 

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels, blad- en bloemstelen zijn uitsluitend behaard met korte haren en naar boven toe ook met zeer kleine klierhaartjes. De bladeren zijn in omtrek rond en tot voorbij het midden gedeeld. De onderste bladeren staan in een rozet en verdorren gedurende de bloei.

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten met kleine (tot 10 mm) roze tot licht paarse bloemen
glanzige ooievaarsbek

gewone reigersbek
duinreigersbek
kleverige reigersbek

robertskruid
klein robertskruid

slipbladige ooievaarsbek
fijne ooievaarsbek

zachte ooievaarsbek
kleine ooievaarsbek
ronde ooievaarsbek

zeer zeldzaam in stedelijke gebieden en langs de binnenduinrand

2 van de 5 kroonbladen zijn iets kleiner met vlek
2 van de 5 kroonbladen zijn iets kleiner zonder vlek
5 gelijke kroonbladen zonder vlek, kleverige plant

donkergeel tot oranje stuifmeel
geel stuifmeel, stadsplant en daar zeldzaam

afstaand behaard, bovenste deel ook met klierharen
aangedrukt behaard zonder klierharen

helder roze stempels, stengels behaard met lange en korte haren
gele stempels, stengels behaard met alleen korte haren
kroonbladen zonder top-insnijding

 

 

 

glanzige ooievaarsbek

 

 

 

gewone ooievaarsbek

 

 

 

duin ooievaarsbek

 

 

 

robertskruid

 

 

 

klein robertskruid

 

 

 

slipbladige ooievaarsbek

 

 

 

fijne ooievaarsbek

 

 

 

zachte ooievaarsbek

 

 

 

ronde ooievaarsbek

 

 

 

Algemeen

 

– ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae)
– eenjarig
– zeer algemeen tot algemeen
– 5 tot 40 cm
– verspreiding

Bloem
– bleek lila of blauw-paars
– vanaf mei tot de herfst
– gesteeld, met 2 bij elkaar
– stervormig
– 2 tot 5 mm
– 5 ingesneden kroonbladen
– kroon niet vergroeid
– 5 kelkbladen, behaard
– 10 meeldraden
– 1 stijl met 5 stempels

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig gedeeld
– 5- tot 9-delig
– in omtrek rond
– top stomp
– rand getand
– handnervig
– behaard

Stengel
– liggend of opstijgend
– kort behaard, bovenaan ook met klierharen
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote kaardebol : Dipsacus fullonum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan 
– de grote, stekelige, lila bloemhoofdjes en
– de vergroeide stengelbladeren

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote kaardebol is een tweejarige plant van 0,9 tot 2 meter hoog. De plant komt plaatselijk algemeen voor. Ze wordt ook uitgezaaid. Ze groeit op vochtige, kalkhoudende, omgewerkte grond in bermen, op dijken en in ruigten. Grote kaardebol is in Nederland wettelijk beschermd.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote kaardebol bloeit vanaf juli tot en met september. De rechtopstaande, eironde bloemhoofdjes worden aan de onderkant omgeven door enkele opwaarts gebogen stekelige schutbladen, waarvan een aantal langer zijn dan het bloemhoofdje. De bloemen gaan eerst in een ring halverwege het hoofdje open en vandaar naar boven en naar beneden. De uitgebloeide bloemhoofdjes kunnen goed verwerkt worden in droogbloemboeketten.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn aan de voet vergroeid en vormen zo een opvangbakje voor water. Het nut van het waterbakje is niet bekend.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Grote kaardebol is een geneeskrachtige plant die een bloedzuiverende werking heeft. Bovendien is ze eet- lustopwekkend en vochtafdrijvend. Uit de wortel en het blad worden tegenwoordig smeersels samengesteld om de pijn bij reuma en jicht te bestrijden. Ook maakt men er een in te nemen medicijn van tegen tuberculose.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– tweejarig
– plaatselijk algemeen tot vrij   zeldzaam
– wettelijk beschermd
– tot 2 meter

Bloem
– lila, zelden wit
– vanaf juli t/m september
– hoofdje, 3 tot 9 cm lang
– buisbloem
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– kruisgewijs tegenoverstaand
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand gaaf tot getand of gezaagd
– voet om de stengel vergroeid
– netnervig
– witte middennerf aan de onderkant met stekels

Stengel
– rechtop tot 2 meter
– meerkantig
– gestekeld
– naar boven toe vertakt

zie wildebloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zeeraket : Cakile maritima

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de lila tot witte bloemen en vlezige bladeren en
– de plaats waar ze groeit; op het strand en in de duinen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Zeeraket is een eenjarige plant van 10 tot 60 cm. Ze komt voor langs de kusten van bijna heel Europa. Ze is bij ons vrij algemeen en groeit op het strand, in de zeereep (de eerste rij duinen na het strand) en in de binnen- duinen. Kom je haar elders tegen dan is ze vrijwel zeker aangevoerd met duinzand.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode is vanaf juni tot en met oktober en ze bloeit met lila tot witte, naar nectar ruikende, 4-tallige bloemen, die doen denken aan pinksterbloemen.

 

 

 

 

 

Blad, stengel en vrucht

 

De bladeren staan verspreid langs de stengel en zijn vlezig. De vruchten zijn gedrongen en staan op een korte, dikke steel. De zaden hebben een kurkachtige wand, blijven daardoor drijven en worden door getijde- en zeestromingen verspreid.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

– kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– vrij algemeen in de duinen
– 10 tot 60 cm

Bloem
– lila tot wit
– vanaf juni t/m oktober
– tros
– 10 tot 15 mm
– stervormig
– 4 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lijn/lancet- tot veervormig
– top stomp
– rand gaaf of getand
– voet gevleugeld
– veernervig
– vlezig

Stengel
– opstijgend
– glad en kaal
– rolrond of meerkantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Groot kaasjeskruid : Malva sylvestris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de grote (2,5 tot 4 cm) paarse, lila, roze of roodpaarse bloemen met donkere strepen op de kroonbladen en die met 3 tot 5 bij elkaar in de bladoksels staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Groot kaasjeskruid is een overblijvende, afstaand behaarde plant van 30 tot 120 cm hoog. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, vaak omgewerkte grond aan dijken en in bermen. Ze is algemeen voorkomend en wordt ook uitgezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Groot kaasjeskruid bloeit vanaf juni tot in de herfst. Van de kaasjeskruiden heeft groot kaasjeskruid de grootste bloemen. De kroonbladen zijn 18 – 25 mm lang, 3 tot 4 maal zo lang als de kelkbladen.
De bloemen zijn zeer gevarieerd van kleur; van zacht lila tot donker roodpaars, zelden wit. Ze zijn gesteeld en staan met 2 tot 5 bij elkaar in de bladoksels. De 5 kroonbladen hebben een aantal donkere strepen in de lengte en een diep uitgerande top.

De meer dan 20 meeldraden zijn gedeeltelijk met elkaar buisvormig vergroeid en omsluiten de nog niet volledig ontwikkelde stijlen. Als de meeldraden zijn uitgerijpt, gaan ze hangen. Dan pas ontwikkelen de stijlen zich verder, komen tevoorschijn uit de koker en spreiden zich uit. Zelfbestuiving is hierdoor uitgesloten.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn in omtrek rond tot niervormig en tot ongeveer 1/3 ingesneden. De onderste zijn duidelijk 7-lobbig, de bovenste 3 tot 5-lobbig. Bij de aanhechting van de bladsteel zit vaak een roodpaarse vlek.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Vanwege het hoge gehalte aan slijmstoffen kun je de bladeren en bloemen van groot kaasjeskruid gebruiken tegen hoest en als verzachtend middel tegen ontstekingen in de mond en de keel. Bij overmatig gebruik werkt het laxerend. Vroeger werd groot kaasjeskruid gegeten als groente, omdat ze een aantal belangrijke vitamines bevat.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kaasjeskruidfamilie (Malvaceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– ook uitgezaaid
– 30 tot 120 cm

Bloem
– paarslila tot rozerood, zelden wit
– vanaf juni tot in de herfst
– bundel
– stervormig
– 2,5 tot 4 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 3 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– 5 tot meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– top stomp
– rand gekarteld
– voet licht hartvormig
– handnervig
– behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijenorchis : Ophrys apifera

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bloem6-g

 

 

Goed te herkennen aan
de orichideebloemen met drie roze of lila soms witte kroonbladen met groene middennerf en een bruine, geelgroen gevlekte, onderaan behaarde, gewelfde middenlob.

 

 

bijenorchis

 

 

 

Algemeen

 

Bijenorchis is een overblijvende plant van 20 tot 50 cm, die bloeit in juni en juli. Ze groeit op grazige, enigszins vochtige, kalkhoudende grond in kalkgraslanden en bermen, aan slootkanten en op opgespoten terreinen. Ze is zeldzaam en in Nederland wettelijk beschermd. De laatste 20 jaar is ze behoorlijk in aantal toegenomen.

 

 

Bijenorchis

 

 

 

Bloem

 

De bloeiwijze is een ijle aar van 2 tot 8 bloemen. Bijenorchis vormt in het najaar een rozet en gaat zo de winter door. De bloem zit ingewikkeld in elkaar. Ze heeft 3 buitenste, gekleurde bloemdekbladen, variërend van roodachtig wit tot lila of roze met een groene middennerf. Ze kunnen afstaan of teruggeslagen zijn. Dan de 2 binnenste, veel kleinere bloemdekbladen, die wat aan hoorntjes doen denken. Deze zijn groen of roodachtig en behaard.

Het meest opvallend is de 3-lobbige lip (is een vergroeid binnenste bloemdekblad), die bestaat uit een 1 grote, gewelfde, onderaan behaarde, bruine, geelgroen gevlekte middelste lob en 2 kleinere, omhoog gebogen, behaarde, bruine zijlobben. Het vlekkenpatroon op de middenlob varieert sterk van plant tot plant. Tot slot de groene, gebogen stempelzuil. De bloem lijkt op een steel te staan, maar dat is het vruchtbeginsel.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

orchideeënfamilie (Orchidaceae)
– overblijvend
– zeldzaam tot zeer zeldzaam
– wettelijk beschermd
– 20 tot 50 cm

Bloem
– roze, lila, wit, groen, bruin
– juni en juli
– ijle aar
– orchideebloem
– 10 tot 13 mm
– 6 bloemdekbladen
– 1 stempelzuil

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallel nervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Beemdkroon : Knautia arvensis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

beemdkroon

 

 

Goed te herkennen aan
– het afgeplatte lila bloemhoofdje met 4-slippige bloemen en
– de sterk stralende randbloemen en
– de talrijke behaarde omwindselblaadjes en
– de door witte beharing grijsgroene stengels en bladeren

 

 

bloemen-beemdkroon

 

 

 

Algemeen

 

Beemdkroon is een overblijvende plant van 15 tot 60 cm hoog. Ze groeit op vochtige, kalkhoudende grond in grazige, vaak zandige bermen en op dijken, ook aan struikgewasranden en in de binnenduinen. Beemdkroon staat op de rode lijst als algemeen voorkomend, maar sterk afgenomen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Beemdkroon bloeit vanaf juni tot en met september met afgeplatte lila (zelden witte, zeer zelden gele) bloemhoofdjes. De hoofdjes bestaan uit talrijke trechtervormige bloemetjes, elk met vier kroonslippen. De buitenste bloemen zijn vergroot en asymmetrisch. Door tabaksrook verkleuren de bloemetjes in het hoofdje van lila naar gifgroen. Daarom wordt ze ook wel het tabaksbloempje genoemd.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengels en bladeren lijken grijsgroen door de witte beharing. Hoe hoger de bladeren aan de stengel staan, hoe sterker ze in bladslippen zijn verdeeld. De onderste bladeren zijn meestal ongedeeld.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

De plant heeft sappige bladeren die voor de liefhebber door de sla kunnen worden gemengd.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

beemdkroon : afgeplatte bloemhoofdjes met 4-slippige bloemen en vergrote randbloemen, onderste bladeren ongedeeld.

duifkruid : afgeplatte bloemhoofdjes met 5-slippige bloemen en vergrote randbloemen, onderste bladeren veerdelig.

blauwe knoop : half-bolvormige, later bolvormige bloemhoofdjes met 4-slippige bloemen en zonder vergrote randbloemen.

 

 

Duifkruid

Duifkruid

 

 

 

Blauwe knoop

Blauwe knoop

 

 

 

 

Algemeen

 

kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae)
– overblijvend
– vrij algemeen in Zuid-Limburg,
elders vrij tot zeer zeldzaam
– 15 tot 60 cm

Bloem
– lila (zelden wit, zeer zelden geel)
– vanaf juni t/m september
– hoofdje
– 2 tot 4 cm
– klok- of buisvormige bloemen
– 4 kroonbladen, vergroeid
– 4 meeldraden
– 1 stijl
– een aantal rijen bladachtige   omwindselblaadjes

Blad
– zeer variabel van vorm
– enkelvoudig
– bovenste bladeren :
– tegenoverstaand
– zittend
– veervormig ingesneden
– onderste bladeren :
– rozet
– gesteeld
– langwerpig tot lancetvormig
– top spits
– rand gaaf, grof gezaagd tot gekarteld
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-beemdkroon

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Akkerdistel : Cirsium arvense

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

bluhende_distel

 

 

Goed te herkennen aan
– de lichtpaarse, smalle, lang gesteelde, bloemhoofdjes en
– de stekelig, gegolfde of gekroesde bladeren

 

 

akkerdistel_01

 

 

 

Algemeen

 

Akkerdistel is een zeer algemeen voorkomende overblijvende plant. Van de distels is ze de meest voorkomende. De plant wordt 60 tot 120 cm hoog en bloeit van juni tot en met september met lichtpaarse, lila (zelden witte) lang gesteelde, geurende bloemhoofdjes, die in een pluim staan. Je ziet akkerdistel op open, vochtige, zeer voedselrijke, omgewerkte grond op akkers, braakliggende terreinen en langs wegen en dijken.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Onder de bloemhoofdjes zit een omwindsel, dat bestaat uit aangedrukte omwindselbladen. Ze hebben een stekelige punt, die afstaand maar niet teruggeslagen is. Het omwindsel is paars gekleurd wat de kleur van de bloeiwijze extra versterkt. Een enkele keer kun je in de hoofdjes van de mannelijke plant ook vrouwelijke bloemen vinden.

De mannelijke bloemenhoofdjes zijn tot anderhalf maal groter dan de vrouwelijke. De zoete, muskusachtige geur van de vrouwelijke bloemen trekt allerlei insecten aan, die beloond worden met veel nectar. De vruchtjes zijn een belangrijke voedselbron voor veel vogels. In de moeilijk toegankelijk distelhaarden broeden meerdere vogelsoorten.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stengel is niet of zeer smal stekelig gevleugeld, aan de top sterk vertakt, het bovenste deel is meestal kaal. De stekelige bladeren zijn lancetvormig, veerspletig met gegolfde of gekroesde rand, aan de bovenkant kaal en glanzend, de onderzijde kan zilverig wit zijn.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Akkerdistel is een lastig onkruid. Door de vele pluizige vruchtjes kan de plant zich sterk uitzaaien. Ook vormt ze worteluitlopers. Ploegen van akkers werkt in het voordeel van de plant, want elk stukje uitloper kan weer uitgroeien tot een zelfstandige plant. Bovendien is de plant resistent tegen veel onkruidverdelgende middelen. Akkerdistel heeft daarom als bijnaam “Boerenplaag”.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– lichtpaarse, zelden witte buisbloemen
– vanaf juni t/m september
– lang gesteelde hoofdjes in pluimen
– 1,5 tot 3 cm
– omwindselbladeren gestekeld
en topje afstaand

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig, veerspletig
– top stekelpuntig
– rand stekelig getand, soms gegolfd
of gekroesd
– voet aflopend
– veernervig
– bovenkant glanzend en kaal
– onderkant kaal, soms wit viltig
behaard

Stengel
– rechtop
– aan de top sterk vertakt
– glad en kaal of zeer smal stekelig
gevleugeld

zie wilde bloemen

 

 

flora-g

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

JOHN ASTRIA

Vierzadige wikke : Vicia tetrasperma subsp. tetrasperma

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

vicia-tetrasperma-vierzadige-wikke-04

 

 

Goed te herkennen aan
– 1 tot 3 bloemige trosjes van kleine licht lila of blauwachtig witte vlinderbloemen en
– de gerankte bladeren met 3 – 8 paar deelblaadjes

 

 

vierzadige-wikke-yerseke-moer-peter-706

 

 

 

Algemeen

 

Vierzadige wikke is een eenjarig, teer plantje met een klimmende, vaak vertakte stengel van 15 tot 70 cm lang. Ze groeit op vochtige, matig voedselrijke grond in akkers, bermen en op dijken.

 

 

Vierzadige wikke

 

 

 

Bloem

 

De bloeitijd is vanaf mei tot en met augustus. De bloemen zijn blauwachtig wit tot licht lila. Ze staan in trosjes van 1 tot 3 bloemen. De steel van het trosje is in de vruchttijd ongeveer even lang als het draagblad, in tegenstelling tot die van slanke wikke, waarvan de steel van het trosje langer is dan het draagblad.

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

vlinderbloemenfamilie (Fabaceae)
> – eenjarig
– vrij algemeen tot zeer zeldzaam
– 15 tot 70 cm

Bloem
– blauwachtig wit tot licht lila
– vanaf mei t/m augustus
– armbloemige losse tros
– vlinderbloem
– 4 tot 5 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 10 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– even veervormig
– top rankend
– deelblaadjes :
– lijnvormig tot langwerpig
– top rond of met een stekelpuntje
– rand gaaf
– voet wigvormig
– 1-nervig

Stengel
– klimmend
– weinig kort behaard

zie wilde bloemen

 

 

botanische-tekening-gr-vierzadige-wikke

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

 

JOHN ASTRIA

Phacelia : Phacelia tanacetifolia

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

phacelia_flower

 

 

 

Goed te herkennen aan
de rijkbloeiende, lila schichten met bloemen, waarvan de meeldraden en stijlen ver buiten de bloemen steken.

 

 

phacelia1

 

 

 

Algemeen

 

Phacelia is een eenjarige, vrij algemeen voorkomende plant, oorspronkelijk afkomstig uit Californië, en is in de Lage landen volledig ingeburgerd. Ze groeit op open, vochtige, voedselrijke, omgewerkte grond en wordt 20 tot 80 (120) cm hoog. Ze heeft een breed vertakt wortelstelsel en maakt daardoor de grond goed los.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze bloeit vanaf mei tot en met september met lila bloemen, die in een schicht staan. De schicht is in eerste instantie opgerold, maar rolt zich tijdens de bloei uit. De meeldraden en stijlen steken ver buiten de bloemen. De kelkbladen zijn lang, afstaand, ruw behaard en roodbruin of groen.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De weinig kort behaarde bladeren zijn enkel of dubbel geveerd of veerdelig en staan verspreid aan de naar boven toe behaarde stengels.

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Phacelia bevat stoffen, die gebruikt worden in de parfumindustrie. Huidcontact met de plant kan een onaangenaam prikkelend gevoel geven.

 

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Phacelia is een uitstekende groenbemester. Daarnaast produceert ze veel nectar en is daardoor aantrekkelijk voor bijen. Ze wordt daarom ook bijenvoer of bijenvriend genoemd.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

ruwbladigenfamilie (Boraginaceae)
– eenjarig
– vrij algemeen, volledig ingeburgerd
– 20 tot 80 (120) cm

Bloem
– lila, zelden wit of roze
– vanaf mei t/m september
– schicht
– klokvormig
– 1 tot 1,5 cm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– enkel of dubbel geveerd of veerdelig
– deelblaadjes langwerpig
– top spits
– rand getand of gelobd
– veernervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– naar boven toe behaard

zie wilde bloemen

 

 

phacelia11

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

JOHN ASTRIA