Categorie: mode en kledij
Christian Dior-2021-resort
























































































































































































Napoleon Bonaparte, misschien wel een van de belangrijkste politieke leiders uit de moderne tijd, werd geboren op 15 augustus 1769 in Ajaccio, de hoofdstad van het Franse eiland Corsica. Zijn ouders waren afkomstig uit de lagere adel en dus relatief welvarend. Hij genoot een strenge opvoeding.

In zijn jeugd werd al snel duidelijk dat Napoleon een grote toekomst had. Zijn vader, die advocaat was, zorgde ervoor dat de jonge Napoleon op 9-jarige leeftijd een studiebeurs kon krijgen. Hij vertrok naar Autun, op het Franse vasteland, om daar Frans te leren en later zijn opleiding op een militaire academie te vervolgen.

Napoleon doorliep de militaire opleidingen die hij volgde glansrijk en werd al op 16-jarige leeftijd benoemd tot tweede luitenant in het Franse leger. Dit was in 1785, vier jaar voordat de Franse Revolutie losbarstte. Toen deze in 1789 uitbrak, sloot de jonge Napoleon zich aan bij de revolutionaire Jacobijnen, een belangrijke fractie van voorstanders van de omverwerping van het oude Franse regime. Hij leidde op Corsica een regiment van vrijwillige Revolutionaire troepen en werd in 1792 benoemd tot officier in het reguliere Franse leger.
Tijdens de Franse Revolutie begon de grote zegereeks van Napoleon. Om te beginnen baarde hij in 1795 veel opzien door een opstand in Parijs neer te slaan. Op dat moment waren de Jacobijnen overigens al afgezet en was de chaos in Frankrijk groot. Napoleon liet het leger dat hij leidde schieten op een groep koningsgezinde demonstranten en toonde hiermee zijn grote betrouwbaarheid. Dit was zijn eerste belangrijke overwinning. Er zouden er nog vele volgen.

Franse Revolutie
.
Door de overwinning in Parijs werd Napoleon aangesteld als opperbevelhebber van het Franse leger dat Italië moest veroveren. De Fransen waren inmiddels overal in Europa oorlog aan het voeren en wilden vanuit Italië het laatste grote rijk, dat van Oostenrijk, aan kunnen vallen. Deze Italiaanse veldtocht begon in 1796 en Napoleon behaalde in de Italiaanse gebieden het ene succes na het andere. In 1797 was het leger van Napoleon al zover dat het Oostenrijk dwong om grondgebied af te staan. Verschillende Italiaanse gebieden waren veroverd en de populariteit van Napoleon in Frankrijk nam enorme vormen aan, hij werd inmiddels ‘de redder van Frankrijk’ genoemd.
Na de succesvolle Italiaanse veldtocht laat Napoleon zich met geroofde Italiaanse kunst bejubelen in Parijs. De regering in Parijs, het Directoire, begon zich zorgen te maken om de macht die Napoleon als gevolg van zijn populariteit naar zich toe trok. Napoleon begon echter aan de volgende opdracht: de Britten op zee bestrijden, zodat Frankrijk een groter koloniaal rijk kon worden dan het Britse Rijk was. Hij trok met een vloot naar de Middellandse Zee om voor de kust van Egypte tegen de Britten te vechten. Ook dit werd een groot succes. Napoleon slaagde er in 1799 in om via Alexandrië Caïro te veroveren. Hij had in deze strijd zeggenschap over een leger van 32.300 soldaten.

Veldtocht naar Egypte
Ondertussen werd Frankrijk steeds meer geteisterd door interne problemen. Er was enorme inflatie, er werden op militair gebied verliezen geleden en het werd steeds duidelijker dat de macht van het Directoire tanende was. Een van de drie leiders van het Directoire, Emmanuel Joseph Sieyes (1748-1836), plande een staatsgreep en vroeg Napoleon hierbij om hulp. De staatsgreep van 18 Brumaire vond op 9 november plaats. Hoewel Sieyes zichzelf als nieuwe leider van de Franse Republiek in gedachten had, zorgde Napoleon er tijdens deze staatsgreep voor dat hij zelf de machtigste man in Frankrijk werd. Het Napoleontische tijdperk begon.
Aanvankelijk was Napoleon één van de drie consuls die de Franse Republiek moest leiden, maar doordat hij de militaire macht in handen had kon hij de andere machthebbers gemakkelijk aan de kant schuiven, waardoor hijzelf oppermachtig werd. Op papier was er echter nog een aantal jaren sprake van een verdeling van de macht, maar daar maakte Napoleon stapsgewijs een einde aan. Hij veranderde de schijndemocratie die Frankrijk op dat moment was langzaam maar zeker in een dictatoriale staat waarvan hij zelf de leiding had.
Napoleon slaagde er in de jaren daarna in om al zijn politieke tegenstanders te verslaan. Dit deed hij onder meer door vrede te sluiten met Groot-Britannië en de Paus, hierdoor werden de interne problemen in Frankrijk kleiner, waardoor Napoleons macht juist groter werd. In 1802 liet hij zich tot consul voor het leven benoemen. Twee jaar later, in 1804, laat hij zichzelf tot keizer kronen. Vanaf dat moment heeft Napoleon dus echt alle macht in Frankrijk in handen. Dit zal uiteindelijk zorgen voor enorme veranderingen, niet alleen in Frankrijk, maar ook in de rest van Europa.

Keizer Napoleon
Napoleon voert een groot aantal hervormingen door in Frankrijk, waarvan vele tot op de dag van vandaag bestaan. Hij zet een efficiënt bureaucratisch systeem op, waardoor steeds meer centraal kan worden gereguleerd. Zo voert hij overal dezelfde lengtematen en gewichten in en zorgt hij ervoor dat het onderwijs door de staat wordt gereguleerd. Ook zorgt Napoleon voor een einde aan de enorme inflatie in Frankrijk door in 1800 de Bank van Frankrijk in het leven te roepen. Verder weet hij de macht van de katholieke kerk in te perken door deze aan de staat te binden.
In 1804 komt er onder leiding van Napoleon een geheel nieuw wetboek tot stand. Hierin worden verschillende idealen uit de Franse Revolutie vastgelegd. In dit wetboek, dat Code Civil heet maar ook wel Code Napoleon wordt genoemd, wordt onder andere de persoonlijke vrijheid van iedere burger vastgelegd. Ook wordt in de Code Civil gewaarborgd dat iedereen gelijk is voor de wet en wordt de macht van de kerk nog verder ingeperkt. Bij deze zogenaamde gelijkheid voor de wet kan overigens wel worden opgemerkt dat mannen aanzienlijk meer rechten kregen dan vrouwen. Ook werd in de Code Civil eens te meer vastgelegd dat de burgerij in Frankrijk leidinggevend was.

Code Civil
Op militair gebied ging het Frankrijk intussen voor de wind. Waar de Fransen voor Napoleons alleenheerschappij met wisselend succes al in oorlog waren met vrijwel elk ander land in Europa, kreeg Frankrijk onder zijn militaire bewind een groot deel van Europa onder haar macht. Sommige landen, zoals België en Nederland, werden direct ingelijfd bij het Franse Keizerrijk. Andere Europese landen werden bondgenoten van Napoleons Frankrijk of stonden onder indirecte controle. Napoleon behaalde het ene militaire succes na het andere. De oorlogen die hij voerde in de tijd dat hij keizer was, worden ook wel de Napoleontische oorlogen genoemd.
De invloed die Napoleons Frankrijk op de bestuurlijke indeling van de landen die onder zijn heerschappij vielen had, was groot. Zo werd de Code Civil niet alleen in Frankrijk ingevoerd. Napoleon gebruikte het als exportproduct, waardoor het wetboek onder andere in België en Nederland werd ingevoerd. Maar dit was niet de enige verandering in Europa die direct of indirect door de heerschappij van Napoleon veroorzaakt werd. Zo verspreidden liberale ideeën zich over heel Europa, werden staten veel centralistischer en sterker en werd het nationalisme een populaire ideologie.
Een ander gevolg van Napoleons heerschappij in grote delen van Europa, is dat er onvrede was over zijn macht. In grote delen van zijn Rijk was veel armoede en heerste hongersnood. Zo leidde Napoleons bondgenootschap met Rusland tot onvrede onder de Russische bevolking, onder andere onder handelaren, omdat de Russische economie leed onder het bondgenootschap. De Russische tsaar, Alexander I (1777-1825), zegde daarom in 1810 het bondgenootschap met Frankrijk op en herstelde de banden met Groot-Brittannië, van oudsher een vijand van Frankrijk.
Hier was Napoleon niet van gediend en twee jaar later, in 1812, trok hij met een leger van liefst 600.000 man richting Rusland. Dit was op het moment het grootste leger dat ooit op de been was geweest. Het werd dan ook de Grande Armée (het grote leger) genoemd. Napoleon verklaarde Rusland de oorlog en trok met zijn leger via Polen het land binnen. Aanvankelijk met enig succes, in september 1812 bereikte Napoleon met zijn leger Moskou. Maar de verliezen onder de Grande Armeé waren enorm en Moskou was geëvacueerd, waardoor de Russen de stad niet verdedigden en de tsaar nog steeds aan de macht was. Napoleon stelde vrede voor, maar dit werd door de Russen geweigerd.

veldtocht Rusland
Napoleons troepen waren uitgeput en flink in aantal afgenomen. Ondertussen hadden de Russen nog een andere tactiek. Ze staken Moskou in brand, waardoor Napoleon zich in oktober 1812 gedwongen zag om zich met zijn leger, of wat er nog van over was, terug te trekken. De voorraden van de Grand Armeé waren uitgeput en de gevolgen voor het leger, dat uit soldaten van verschillende nationaliteiten bestond, waren enorm.
Er was tijdens de terugtocht vanuit Rusland nog maar 30.000 man over en het leger zou nog verder slinken, niet in de laatste plaats door de strenge winter. Volgens de overlevering bleef er van de Grand Armeé uiteindelijk nog maar 1000 man over. Hierdoor groeide het verzet tegen Napoleon, verschillende andere Europese landen verklaarden hem de oorlog. Ondertussen was Napoleon zelf al terug naar Parijs gevlucht, in een poging te redden wat er te redden viel. Maar het bleek te laat.
Verschillende legers waren inmiddels opgerukt naar Parijs om een einde te maken aan de heerschappij van Napoleon. Napoleon wordt op 6 april 1814 gedwongen om af te treden. Hij werd naar het Italiaanse eiland Elba gestuurd, waar hij de heerschappij over kreeg. In Frankrijk werd de oude monarchie in ere hersteld. Toch was dit niet het einde van de politieke carrière van Napoleon.

Verbanning naar Elba
Na de val van Napoleon ontstond in Europa chaos en ook in Frankrijk was lang niet iedereen tevreden over de herstelde koninklijke macht. Koning Lodewijk XVIII (1755-1824) regeerde namelijk met harde hand. Napoleon ontsnapte vervolgens van Elba en keerde terug naar Frankrijk. Een groot deel van het leger had genoeg van koning Lodewijk XVIII en liep over naar Napoleon, die opnieuw de macht greep, tot grote schrik van andere Europese landen. Hij stelde dat hij Frankrijk op vreedzame wijze wilde gaan regeren, maar daar had de rest van Europa weinig vertrouwen in. En terecht, want al snel bleek dat Napoleon van plan was zijn grote macht te herstellen. Hij stelde een leger samen en trok richting het huidige België.
Napoleons bedoeling was om in België de Engelsen en de Pruisen te verslaan. Aanvankelijk boekten hij en zijn leger enig succes, maar op 18 juni 1815 komt het laatste leger van Napoleon toch echt ten val. Bij Waterloo wordt het verslagen door een vijandig Frans leger, het Engelse leger en een aantal Nederlandse troepen. Napoleon probeerde te vluchten, maar was uiteindelijk genoodzaakt zich over te geven aan de Engelsen. Na honderd dagen kwam er voor de tweede en laatste keer een einde aan de heerschappij van Napoleon.

Slag bij Waterloo
Napoleon vroeg asiel aan in Engeland en de Engelsen stemden hier mee in. Ze waren echter vastbesloten om hem niet in Europa te laten blijven en kozen ervoor om hem naar het eiland Sint-Helena te verbannen. Dit eiland ligt in de Atlantische Oceaan in de buurt van Zuid-Afrika. Omdat Napoleon na zijn eerste verbanning wist te ontsnappen, werd het eiland de rest van Napoleons leven streng bewaakt.
Hij schreef er zijn memoires en genoot wel enige vrijheid op het eiland, maar zijn gezondheid ging snel achteruit. Op 5 mei 1821 sterft Napoleon op Sint-Helena. Hij is op dat moment 51 jaar oud. Over de doodsoorzaak bestaan verschillende theorieën, maar het meest waarschijnlijk is dat hij stierf aan een vorm van maagkanker, hoewel er ook historici zijn die beweren dat hij is vermoord.

Verbanning naar St Helena
Er zijn een paar feiten over Napoleon die iedereen weet: hij was keizer van Frankrijk, hij veroverde half Europa, hij vond zijn Waterloo in Waterloo en hij was klein. Dat laatste lijkt nu niet te kloppen. Jarenlang is gedacht dat Napoleon 1 meter 57 was. Maar er zijn sterke aanwijzingen dat die lengte gebaseerd is op verkeerde meetgegevens.
Napoleon was degene die het metriek stelsel in Europa invoerde. Maar overal werd nog jarenlang het oude meetstelsel gehanteerd. En dus noteerde de Franse dokter Francesco Antommarchi na de dood van Napoleon op Sint Helena in het autopsierapport de lengte van Napoleon volgens het oude Franse stelsel: 5 voet, 2 inches.
De Engelsen namen dat klakkeloos over, zonder zich te realiseren dat de Franse inch iets langer is dan de Engelse inch. In werkelijkheid was Napoleon dus ongeveer 1 meter 70: de gemiddelde lengte van Fransen in die tijd. In zijn tijd stond Napoleon bekend als ‘de kleine korporaal’, maar dat kwam waarschijnlijk omdat de keizer zich omringde door lange lijfwachten. Leden van de Keizerlijke Garde moesten minimaal 1 meter 80 zijn.

Dodenmasker van Napoleon I Bonaparte, Luigi Calamatta, 1834
.
.
.
De eerste melding van een eik in de Bijbel vinden wij in Genesis 35:8, als Jakob Debora, de voedster van Rebekka, onder een eik begraven heeft. Er had daar een plechtige rouw plaatsgevonden, want Debora had haar meesteres meer dan 80 jaar gediend (Genesis 24:58).
Genesis 35:8
8 Toen Debora, de verzorgster van Rebekka, stierf, werd ze onder een eik aan de zuidkant van Bet-El begraven. Sindsdien noemden de mensen die eik ‘Tranen-Eik.’
In de Bijbel worden drie Hebreeuwse woorden vertaald met ‘eik’, maar ook wel met ‘terebint’. Uit de context moet men bepalen welke soort wordt bedoeld. In algemeenheid kan worden gezegd, dat eiken veel groter dan tere-binten zijn en meer verspreid over het land Israël voorkomen. In tegenstelling tot de ceders van de Libanon zijn slechts enkele van de vele soorten eikenbomen in het land Israël altijd groen. Toch zijn er bepaalde overeen-komsten: beide zijn ze groot en sterk, leven ze lang, en verschaffen ze door hun brede vorm veel schaduw.
In de Bijbel worden zij vaak gebruikt als beeld van menselijke sterkte en trots. Soms worden zij in één adem genoemd met de ceders, b.v. in Amos 2:9: “En toch heb Ik ter wille van jullie de Amorieten uitgeroeid, die zo groot waren als ceders en zo sterk als eiken.” Vanwege de hardheid van hun hout werden eiken gebruikt om er roeiriemen van te maken: “Van eiken uit Basan waren je riemen” staat in een beschrijving van de toenmalige heerlijkheid van Tyrus (Ezechiël 27:6).
De beste eikenbomen waren kennelijk in het gebied Basan te vinden, zo kunnen wij b.v lezen in Jesaja 2:13-18. Basan was een streek ten oosten van de rivier de Jordaan, die vroeger aan Og, een van de overgebleven reuzen, behoorde. Nadat Israël onder Jozua Basan had veroverd, kreeg de halve stam Manasse het gebied als erfdeel (Jozua 13:29-31).
.
Jesaja 2:13-18
13 Alles zal moeten buigen: ook de trotse en hoge cederbomen van de Libanon, de eikenbomen van Basan, 14 de trotse bergen en de hoge heuvels, 15 de hoge torens en de sterke muren, 16 de schepen van Tarsis en de prachtige versieringen. 17 Alles waar de mensen trots op zijn, zal moeten buigen. En alle trotse mensen zullen moeten buigen. Op die dag zullen ze toegeven dat God de hoogste Heer is. 18 Er zal geen enkele afgod over-blijven.
Ook voor minder verheven doeleinden werden eiken gebruikt. God maakte zijn volk het verwijt, dat zij op de bergtoppen offers aan de afgoden brachten in plaats van Hem te eren. Deze afgoderij vond plaats onder de schaduwrijke bomen, waaronder eiken (Hosea 4:13-15). Maar de afgodsbeelden zelf werden ook wel van eiken-hout gemaakt, en daarvoor werden zelfs bomen gekweekt (Jesaja 44:14-17).
Hosea 4:13-15
13 Ze brengen offers op de bergtoppen. Onder eiken, populieren en dennen op de heuvels offeren ze, omdat het er zo prettig is in de schaduw. Omdat zij dat doen, gaan ook hun dochters en schoondochters met allerlei mannen naar bed. 14 Toch zal Ik hén daar niet voor straffen. Want ze weten niet beter: ze gaan om met hoeren en brengen met hen offers aan de afgoden. Ja, het loopt verkeerd af met mijn volk, omdat het mijn wetten en leefregels niet kent.
Jesaja 44:14-17
14 Hij had er een jonge cederboom, eikenboom of dennenboom voor omgehakt. Hij had die van tevoren uit-gekozen en voor zichzelf opgekweekt tussen de bomen van het bos. De regen zorgde ervoor dat de boom groot werd. 15 Van een deel van de omgehakte boom hakt hij brandhout. Bij het vuur warmt hij zich. Ook maakt hij een vuur waarop hij zijn brood bakt.
Van een ander deel van de boom maakt hij een godenbeeld, knielt ervoor neer en aanbidt het. 16 Dus van de ene helft van het hout maakt hij een vuur waarop hij het vlees braadt voor de maaltijd. Ook houdt hij zich warm bij het vuur en geniet van de warmte. 17 En van de rest van het hout maakt hij een god, een beeld. Hij knielt ervoor, aanbidt het en zegt: ‘Red mij, want u bent mijn god!’
.
.
.
.
.
.
.
Weinig christenen begrijpen de ‘rede over de laatste dingen’ van de Heer Jezus vermeld in Mattheüs 24 en 25. Vooral de dingen die onmiskenbaar op Israël slaan, worden dikwijls geldig geacht voor de Gemeente. In de Bijbel wordt het woord gemeente weergegeven als een algemene benaming voor de wereldwijde gemeenschap van ware christengelovigen.
Het is belangrijk dat wij een goed inzicht hebben in de verschillen in de eindtijd tussen enerzijds die van Israël en anderzijds die van de Gemeente. Als we het profetische Schriftwoord in wijsheid naspeuren, dan krijgen deze pro-fetieën een geheel ander aanzien. De ‘laatste dagen’ voor de Gemeente zijn namelijk niet die van Israël. De ‘laat-ste dagen’ van Israël liggen in het tijdvak van de zevenjarige verdrukking en hebben op hun beurt helemaal niets met de Gemeente te maken.
.
.
Om een juiste uitleg van hoofdstuk 24 te kunnen garanderen is het noodzakelijk ten opzichte van de andere Evangeliën na te gaan welke de plaats van het Evangelie naar Mattheüs inneemt in het Nieuwe Testament. Niet alleen de opname was een geheimenis dat pas later door Paulus geopenbaard is maar ook de Gemeente was nog niet ontstaan. Dit gebeurde in Handelingen 2 met de uitstorting van de Heilige Geest.
Door het vermelden van het geslachtsregister van de Heer Jezus aan het begin van het Evangelie zien we dat Mattheüs het erom te doen geweest is om de Heer Jezus voor te stellen als de beloofde Messias, de Zoon van Abraham en Zoon van David. Hij is Degene in Wie de beloften en profetieën vervuld zijn, de Emmanuël (‘God met ons’) van God gekomen. Te midden van zijn volk heeft Hij de tekenen verricht die zijn Messiasschap bewijzen en het koninkrijk aankondigen.
De andere Evangeliën benadrukken een ander kenmerk van de Heer Jezus. Markus laat ons de Heer Jezus zien als de ‘dienstknecht’, Lukas als ‘de Zoon des mensen’ en Johannes tenslotte als ‘Zoon van God’.
.
.
1. De afkomst van de Messias van David (1:1)
2. De wijzen uit het oosten zoeken de Koning (2:2)
3. De Christus wordt geboren in Bethlehem (2:5)
4. Johannes de Doper kondigt het koninkrijk aan (3:1)
5. Er is sprake van Jeruzalem, de heilige stad (4:5)
6. De zogenaamde Bergrede – de grondbeginselen van het Koninkrijk (hfdst.5-7.)
7. Uitzending van de discipelen gepaard gaande met de krachten van het Koninkrijk (10:1-15)
8. Heil in beginsel alleen voor Israël (10:5; 15:34)
9. Verwerping van de Koning. (11:2; 14:1) (In principe is dit al gebeurd door de arrestatie en moord op Johannes de Doper)
10. De verwerping van Koning Jezus definitief (12:22-32, 46; 13:2)
11. Koninkrijk in verborgen vorm word aangekondigd (Mt13)
12. Aankondiging van de (toekomstige) Gemeente (Mt16:18)
13. Daaropvolgend de aankondiging van Jezus lijden en sterven (16:21)
14. Intocht in Jeruzalem (21:5) gevolgd door de vervloeking van de vijgenboom en de terzijde stelling van Israël (21:43)
15. Weeklacht over Jeruzalem (23:37)
16. Rede over de laatste dingen waarin het oordeel over Israël, Christendom en de volkeren (Mt24-25)
17. Tenslotte de daadwerkelijke verwerping en kruisiging van de Koning (27:29, 38)
18. De opstanding, hemelvaart en de opdracht en uitzending van Jezus’ discipelen (Mt28)
.
.
Hoofdstuk 1-10 – De aankondiging en openbaring van de Koning.
Hoofdstuk 11-13 – De tegenstand van de Koning.
Hoofdstuk 14-20 – De terugtrekking van de Koning.
Hoofdstuk 21-27 – De verwerping van de Koning.
Hoofdstuk 28 – De opstanding van de Koning.
.
.
.
Een eerste maar beperkte vervulling van de ‘profetie over de laatste dingen’ kwam tot stand in 70 n.Chr., toen de Romeinen Jeruzalem verwoestten en de Joden over de hele wereld werden verspreid (diaspora). In die tijd werd echter het gedeelte van Mt24:29-31 (Mk13:24-27; Lk21:25-27) niet vervuld, namelijk: de wederkomst van de Heer.
Wij die vlak voor de wederkomst leven moeten deze profetische schriftplaatsen nu bezien in de grotere dimensie die ze hebben, namelijk de uiteindelijke en algehele vervulling. Ze hebben nu een betekenis voor enerzijds de Gemeente, die door haar Heer vóór de zevenjarige verdrukking in de lucht zal opgenomen worden naar het vaderhuis, en anderzijds de Joden die tijdens deze verdrukking tot bekering zullen komen en daarna hun Messias op aarde zullen zien verschijnen.
Nu is het beslist zo dat de periode van de Gemeente niets van doen heeft met het Joodse tijdperk, en omgekeerd. In de verdrukkingstijd neemt God de draad met Israël terug op en dan is het gemeente- en genadetijdperk afgesloten. Israël en de Gemeente staan op totaal verschillende verbondsgronden.
Christenen verwachten hun Heer altijd, de Heer komt voor de belijdende kerk op een uur dat niemand kent. Christenen moeten beslist geen tekenen afwachten en zij zullen de komende Antichrist en de verdrukking geenszins meemaken. Joden echter krijgen tekenen waarnaar zij in de verdrukkingstijd zullen uitkijken als bakens van waarschuwing, attentie en bemoediging.
Pasteltekening van John Astria
.
.
In deze bespreking volgen wij ‘de rede over de laatste dingen’ in de versie volgens Mattheüs. Mattheüs 24-25 laat zich opsplitsen in drie thematische delen die toepasselijk zijn voor Joden, christenen en de volken:
.
.
.
.
Als we naar Mattheüs 24 kijken, dan zien we in de eerste drie verzen de behandelde onderwerpen van de profetie en dat zijn:
De tempel en de vraag naar tekenen zijn eigen aan de Joden (1Kor1:22; Mat12:38; Joh4:48). Dit heeft niets met de Gemeente te maken, maar alles met Israël. De Gemeente kan er wel wat uit leren, zoals uit de gehele Schrift trou-wens (Rm15:4), maar dat is wat anders dan de profetie rechtstreeks op haar toepassen.
In 70 n.Chr. werd de profetie betreffende de tempel vervuld. Deel II en III van de profetie echter werden toen niet vervuld. Dit komt omdat het gemeentetijdperk nog tussen de Israëltijdperken in geschoven moest worden. Maar dat was op het moment van de profetie nog een ‘verborgenheid’ (Rm11:16-25; Ef3:3-6; Kol1:24-27).
.
.
Dit gedeelte is niet voor de Gemeente bedoeld want zij moet geen tekenen afwachten maar hun Heer altijd ver-wachten. Ook de uitdrukking ‘wie zal volharden tot het einde zal behouden worden’ (Mt24:13) kan niet op de Gemeente slaan, want voor hen is behoud geen zaak van eigen volharding. Nergens in het Nieuwe Testament wordt tot christen-gelovigen gezegd dat zij voor hun behoud moeten volharden. God is hun volharding (Rm15:5; 1Kor1:11). De kerk, gezien als christelijk getuigenis op aarde, wordt gevraagd te waken.
De Gemeente wordt ook niet misleid door het optreden van valse christussen. De Gemeente verwacht geen op aarde verschijnende Christus, maar een opname, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Thes4:17), naar het Vaderhuis (Jh14:3). Het gaat hier over Israëlieten die zullen leven ná de opname van de Gemeente. Zij zullen dan pas tot be-kering komen en gaan uitkijken naar de (weder)komst van hun Messias. Zij krijgen waarschuwingen te horen opdat zij, in de verdrukkingstijd die dan is losgebarsten, zouden ‘volharden tot het einde’.
Zij krijgen te horen dat dit nog maar een ‘begin van de weeën is’ die over de aarde komen. Deze periode is de eerste halve jaarweek, naar analogie met de tweede helft van deze profetische ‘week’ in Dn9:27. Daarna moet de verschrikkelijke ‘grote verdrukking’ komen. Wat hier wordt beschreven komt overeen met Openbaring 6: de ver-breking van de eerste zes zegels. In die tijd wordt niet meer het evangelie van de genade gepredikt, maar ‘het evangelie van het koninkrijk’ (Mt24:14) door de Joden (zie de ‘twee getuigen’ in Op11).
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
Bemerk goed de Joodse kenmerken: ‘heilige plaats’ (de herbouwde tempel!), ‘Jeruzalem’, ‘zij die in Judea zijn’ en ‘sabbat’. Deze passage heeft geheel niets met de Gemeente van doen, maar alles met de Joden, die in hun land zijn teruggekeerd. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt wordt de Gemeente niet misleid door valse christussen. Zij ziet niet uit naar een op aarde verschijnende Christus en zij verwacht een plotselinge, hemelse opname die zij altijd moet verwachten, onafgezien gebeurtenissen of tijden.
Hier begint de ‘grote verdrukking’. De Joden kunnen het tijdstip ervan gemakkelijk berekenen zodat het hen niet onverwachts overvalt. Ze omvat de tweede helft van de ‘week’ in Dn9:27. Deze is 1260 dagen (Op11:3; 12:6), 42 maanden (Op11:2; 13:5) of ‘een tijd, tijden en een halve tijd’ (Dn7:25; 12:7; Op12:14) lang. Dit zijn 3,5 profetische jaren. De grote verdrukking begint onzichtbaar met het neerwerpen van de duivel uit de hemel (Op12:7-9).
In Dn12:11 lezen we dat aan het begin van de laatste halve week het dagelijks offer zal worden gestaakt en dat daarvoor in de plaats een ‘gruwel’ zal worden opgericht (Dn9:27 en 12:11; Mt24:15; Mk13:14). Dit is het zichtbare begin van de ‘grote verdrukking’ (Mt24:21; Mk13:19; Op7:14). Dit is de ‘tijd van benauwdheid voor Jakob’ (Jr30:7; zie ook Dn12:1).
.
Pasteltekening van John Astria
.
.
De Heer verschijnt nu zichtbaar voor iedereen die op aarde leeft. Dit is niet bedoeld voor de Gemeente, want hun opname is reeds achter de rug. Bij de opname verschijnt de Heer voor de Gemeente alléén, zijn bruid, wanneer ze wordt opgenomen, ‘de Heer tegemoet in de lucht’ (1Th 4:17). Hier in Mt 24:30 komt de Heer fysisch terug op aarde, op dezelfde wijze als dat hij van zijn discipelen was vertrokken, bij de hemelvaart: ‘En alzo zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heen voer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding; Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heen varen’ (Hd1:10-11).
De tijdslijn maakt nu een sprong en loopt verder in Mat25:31, waar het oordeel over de volkeren begint. Eerst echter zijn er nog een paar excursies die betekenis hebben voor Israël én de Gemeente.
.
.
‘Wanneer gij al deze dingen zult zien’ (vs. 33): zoals betoogd moet de Gemeente geen tekenen afwachten, maar in alle tijden en omstandigheden haar Heer verwachten (Tt2:13; 1Th1:10; Fil 3:20). De Schriftplaatsen over de Opna-me spreken nooit over voorafgaande tekenen: Mt24:36-44; Jh14:1-3; 1Kor15:51-55; 1Th1:9, 10. Deze gelijkenis heeft daarom weer niets van doen met de Gemeente.
De vijgenboom is Israël (vgl. Lk13:6-9). Uit de vijgenboom-gelijkenis mag Israël leren, dat wanneer zij ‘al deze dingen’ zullen zien gebeuren, de zomer nabij is, en dat betekent dat de komst van de Messias en zijn vrederijk ‘nabij is, voor de deur’ (vs. 33). Het uitlopen van de vijgenboom is in de eerste plaats een beeld van ‘deze dingen’, namelijk de ontwikkelingen die precies gebeuren zoals de Heer ze in zijn rede heeft voorzegd.
Als de takken van de vijgenboom zacht worden en de bladeren uitlopen, dan betekent dit dat Israël aan een gees-telijk ontwaken is begonnen. Dat zal niet gebeuren vóór maar wel ná de opname van de Gemeente. Het gaat hierover niets anders dan ontwikkelingen vlak ná het Gemeentetijdperk, wanneer God de draad met Israël weer opneemt en zij ‘ontwaken’ zullen als een vijgenboom in de lente.
In Lk21:29-31 spreekt de Heer niet enkel over de vijgenboom maar ook over alle bomen: ook de naties van de eindtijd komen tot ontwaken. Wij zien in onze tijd dat Israël aan een nationale heropstanding bezig is sinds 1948, maar dat is niet de eigenlijke vervulling van Jezus’ woorden. De woorden van de Heer betreffen het Israël van de eindtijd, ná het Gemeentetijdperk, in de zeventigste jaarweek. In Jezus’ rede van de laatste dingen is eerder een geestelijk ontwaken bedoeld.
Wij kunnen in de huidige nationale ontwikkelingen wel een voorbode zien, namelijk dat ook de geestelijke herop-standing niet meer veraf kan zijn, maar de tempel is nog niet herbouwd, de eredienst is nog niet hersteld en de Joden zijn nog steeds ‘verhard’ (Rm11:25).
.
.
‘Dit geslacht’ (vs. 34) is het Joodse volk, zowel de tijdgenoten van Jezus als, in bredere zin, het Joodse volk tot aan de volledige vervulling van de profetie en de wederkomst van de Heer (vs. 30). ‘Dit geslacht’ is niet een periode van één generatie, zoals sommige christenen denken (en ook sekten, zoals de Jehovah-getuigen). De Heer Jezus bedoelt hiermee de Christus-verwerpende Joden, die er altijd zouden zijn, doorheen de eeuwen, tot aan Zijn wederkomst. Zij blijven als volk bestaan totdat ‘Al deze dingen zullen geschied zijn’ (vs. 34).
Dit is de hele periode van de verwerping van Israël en gelijk ook de tussenvoeging van de Gemeente (Rm11). Al die tijd zou de Heer Israël bewaren: ‘Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!’ (Rm11:32-33).
.
.
.
Een belangrijk argument hierbij is hetgeen staat in M24:36: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.’ Deze Schriftplaats mogen we niet uithollen door te gaan bewe-ren dat één geslacht gelijk staat aan één generatie, of nog erger: één geslacht = 40 jaar. Het is wel zo dat de verwoesting van Jeruzalem in 70 n.Chr. binnen zo’n tijdvak is te plaatsen, achteraf bekeken, maar dat betekent niet dat wij zo mogen berekenen. Trouwens, in 70 n.Chr. werd de profetie niet vervuld want ‘die dag’, of ‘de dag des Heren’, en ‘de wederkomst des Heren’ is toen niet gebeurd.
Het woord van de Heer in Mt24:36 laat zeker niet toe van 30 of 40 jaar af te tellen tot alles zou zijn geschied. Slechts in de verdrukkingstijd zullen de Joden twee keer 3,5 jaar of 1260 dagen kunnen aftellen, daarnaast ge-holpen door zichtbare tekenen. Tekenen en berekenen is voor de Joden, en de Joods bedelingen, maar de Gemeente heeft daar helemaal niets mee te maken.
.
Dit gedeelte kan onmogelijk op Israël van toepassing zijn. Hier is geen sprake meer van uitkijken naar tekenen, maar van een onbekend tijdstip waarop de Heer komt. Dit is de komst voor de Gemeente. Daarachter ligt er nog een bekend tijdstip waarop de Heer komt, voor Israël en de overblijvende volken, aan het eind van de grote verdrukking. Daartussen liggen de zeven jaren van de 70e. jaarweek of de ‘Dag des Heren’. Van die onbekende dag waarop de Heer zijn Gemeente ophaalt en aanstonds de ‘Dag des Heren’ begint, staat er: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen’ (Mt24:36).
Dit is niet Jezus’ zichtbare komst op het einde van de grote verdrukking, want dat is een bekende dag. Men kan na de opname zeven jaren op de kalender uitzetten. Als de ‘gruwel der verwoesting’ (Mt24:15) in de tempel komt te staan, dan kan men beslist 3,5 jaar (Dn7:25; 12:7; Op12:14), of 1260 dagen (Op11:3; 12:6), of 42 maanden (Op11:2; 13:5) op de kalender uitzetten om precies te weten wanneer de Heer komt.
Het onbekende tijdstip van Jezus’ komst (Mt24:36), is niet alleen onbekend voor ongelovigen maar ook voor ge-lovigen, ja zelfs voor de Zoon des mensen. Dit moeten we goed onderscheiden van Jezus’ komen ‘als een dief’ (1Th5:2; 2Pet 3:10; Op3:3; 16:15), namelijk voor degenen die niet waakzaam zouden zijn of in ongeloof vertoeven. Voor dezen komt de Heer altijd als een dief, gelovigen zijn altijd waakzaam: zij houden er altijd rekening mee dat de Heer vandaag nog kan komen, en zij leven er helemaal naar toe, ook al weten zij ‘dag nog uur’.
De wereld zal erg verrast worden door de plotselinge opname van de Gemeente. In die tijd zullen zij hun gewone gangetje gaan en eten, drinken, huwen … alsof er niets aan de hand is. Er is in de passage geen sprake van een grote verdrukking maar eerder van een relatieve vrede. Niemand had ermee gerekend dat er zo’n ingrijpende ge-beurtenis zou plaatsvinden. Als gevolg daarvan worden zij nu verrast door de plotselinge wegname (opname) van vele mensen, waarbij zelfs familieleden. Daarop komt de hele wereld in beroering en de verdrukkingstijd begint.
Voor alle duidelijkheid, in Mt24:40-41 staat er (tweemaal): ‘de een zal aangenomen en de ander zal verlaten wor-den. Dit wegnemen betekent de opname, en de overige mensen worden gelaten waar zij zijn om overge-leverd te worden aan de verdrukkingstijd. De dag des Heren begint dus wanneer Hij Zijn gemeente onverwachts opneemt (1Kor15:51-52), vóór alle oordelen die over de wereld komen. De opname op zich is reeds een oordeel voor de naamchristenen en ongelovigen die achtergelaten worden. De Heer redt zijn Gemeente echter van de komende toorn (1Th1:10; 5:9), de grote verzoeking (Op3:10,11).
In Op 4 en 5 zien we de opgenomen Gemeente vertegenwoordigd in de 24 oudsten. Wanneer in Op 6 de ver-drukkingstijd losbarst is er geen sprake meer van de Gemeente. In Op 1 tot 3 komt de naam ‘Gemeente’ 19 maal voor; daarna niet meer, dan is alles terug kenmerkend Joods: het Gemeentetijdperk is voorbij. Deze komende ‘toorn’ is niet de hel. De toorn begint met het verbreken van de zegels van het oordelenboek (zie Op 5) vanaf Op 6. Wanneer die verbroken worden zien we in Openbaring de uitbarsting van het ene oordeel na het andere, steeds krachtiger. Voortdurend is er sprake van Gods toorn.
Het verschijnen van de Antichrist is een van de grootste uitingen van Gods wraak (Dn9:27; 2Th2:9-12; Op6:1, 2). Deze toorn duurt de volle zeven jaar, de zeventigste jaarweek. Dit alles is de “Dag des Heren” (2Th2) en dat wordt de Gemeente bespaard. De opname van de Gemeente (2Th2), de tempel van de Heilige Geest, geeft aanleiding tot het uitbreken van de verdrukkingstijd die overeenkomt met de laatste jaarweek in Daniël 9. God neemt dan de draad weer op met Israël (Rm11).
Israël zal geestelijk opstaan en alle gebeurtenissen voltrekken zich zoals de Heer die heeft voorzegd. Uit die vervullingen kan Israël opmaken dat de Messias en Zijn vrederijk nabij is, voor de deur. Met het boek Daniël of Openbaring kunnen zij dan zelfs precies berekenen wanneer hun Heer komt.
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
Dit gedeelte vindt rechtstreeks aansluiting bij Mt24:31 alwaar sprake is van het bijeen vergaderen van de uitver-koren, de getrouwe Joden. Hier echter worden de volken verzameld en gescheiden als schapen en bokken. De troon die we hier zien is deze van bij het begin van het duizendjarig vrederijk. Alle nog levende volken worden ervoor verzameld. Zij worden beoordeeld over de manier waarop zij de predikers van het Koninkrijk hebben behandeld (Mt24:14). Dit mogen we niet verwarren met de ‘grote witte troon’ uit Op20:11, die helemaal aan het eind van het duizendjarig vrederijk komt, en dan zullen ook de doden geoordeeld worden.
.
.De Schriftuurlijke conclusie kan niet anders zijn dan dat de uitdrukking ‘dit geslacht’ (Mt24:34, Mk13:30 en Lk21:32), enkel te maken heeft met het Joodse volk als zodanig en niet een bepaald tijdperk van één generatie. Pas ná het Gemeentetijdperk, en niet ervóór, zal God de draad met Israël terug opnemen in de verdrukking. Dan pas wordt Israël geestelijk hersteld en komen zij tot bekering. Vóór deze verdrukking moeten wij niet ‘één gene-ratie’ van Israël afmeten. Pas in de verdrukking zullen de tekenen der tijden duidelijk worden.
Vóór de verdrukking is er slechts één belangrijke gebeurtenis, en gelijk ook een teken voor Israël en de wereld: de opname van de Gemeente. Dit zal als een totale verassing komen en aanleiding geven tot de verdrukking. Wel is het waar dat het ‘wereldtoneel’ voor de aanstaande gebeurtenissen in onze tijden wordt opgezet, zowel met be-trekking tot de volken, de (moslim)vijanden van Israël, de oprichting van de staat Israël, de terugkeer van Joden, het gedeeltelijke bezit van Jeruzalem, enz.
Maar dit is niet het ‘begin van de weeën’ (‘beginsel der smarten’ ) van Mt24:8, waarbij de tekenen der tijden duidelijk worden voor de Joden, en die hen ook tot bekering zullen leiden. Vóór de verdrukking is er beslist geen tijdperk van ‘één generatie’ van Joden waarop ook maar iets van de rede der laatste dingen van de Heer van toepassing is. De Gemeente heeft die tekenen niet nodig, en Israël zou ze in haar onbekeerde toestand niet kun-nen zien. Er zijn wel twee perioden met tekenen over de laatste dingen: 1e. de periode 33-70 n. Chr, en 2e. de ‘zeventigste jaarweek’ (de verdrukking).
Wij moeten vóór de Opname geen tekenen der tijden verwachten, noch voor de Gemeente, noch voor Israël. De Schrift wijst eerder op het tegendeel, het leven gaat zijn gewone gangetje totdat plots de Gemeente wordt opgenomen (Mt24:38). Daarna zal het Joodse volk de tekenen zien die haar toebehoren, en tot bekering komen.
.
.
Het mineraal dioptaas is een koper-silicaat met de chemische formule CuSiO2(OH)2. Het behoort tot de cyclosilicaten. Het doorzichtig tot doorschijnend donker blauw-groene, smaragdgroene of turquoise dioptaas heeft een glasglans, een groene streepkleur en de splijting van het mineraal is goed volgens het kristalvlak [1011]. Het kristalstelsel is trigonaal. Dioptaas heeft een gemiddelde dichtheid van 3,31, de hardheid is 5 en het mineraal is niet radioactief. De dubbelbreking van dioptaas is 0,0510 tot 0,0530.
.
De naam van het mineraal dioptaas is afgeleid van de Griekse woorden dia (“door”) en optamai, dat “zicht” betekent.
.
.
Dioptaas is een secundair mineraal dat voorkomt in geoxideerde koperafzettingen. De typelocaties van dioptaas zijn in Namibië en Kazachstan. Het mineraal wordt verder gevonden in de Christmas mijn, Gila county, Arizona, Verenigde Staten.
.
Onder mineralenverzamelaars is dioptaas een heel erg gewild mineraal. Verder kent het geen toepassingen. Om als edelsteen te dienen is dioptaas zeker mooi genoeg, maar niet hard en sterk genoeg. Het wordt dus maar heel zelden tot een edelsteen geslepen.

| Dioptaas | ||
| Mineraal | ||
| Chemische formule | CuSiO2(OH)2 | |
| Kleur | Donkerblauwgroen, smaragdgroen of turquoise | |
| Streepkleur | Groen | |
| Hardheid | 5 | |
| Gemiddelde dichtheid | 3,31 kg/dm3 | |
| Glans | Glas | |
| Opaciteit | Doorzichtig tot doorschijnend | |
| Splijting | Goed [1011] | |
| Kristaloptiek | ||
| Kristalstelsel | Trigonaal | |
| Dubbele breking | 0,0510 – 0,0530 | |






.
.
.
Dianiet is een zeer zeldzame steen met een hoge vibratie die gevonden is in Siberië, Rusland en die ook wel Siberische blauwe Jade genoemd wordt. Het is een mengeling van Kwarts, Tremoliet en blauw Amfibool. Dianiet is ontdekt in het jaar dat prinses Diana overleed en daarom is de steen naar haar vernoemd. Dianiet is een zeer zeldzaam mineraal. Het is licht- tot donkerblauw van kleur, met een vetachtige glans.
.
.
.
.
.
De steen dianiet is vernoemd naar Lady Diana, Princess of Wales
.
.
.
.
.
Dianiet wordt in zeer kleine hoeveelheid gevonden in Rusland
.
.

.
.
.
samenstelling: NaAl(Si2O6)
hardheid: 6,5-7
dichtheid: 3,3-3,5
.
.
.
.

.
.
.
.
.
.

.
.
.
De judaspenning (Lunaria annua) is een tweejarige, 50-80 cm (soms tot 100 cm) hoge plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). De vaste judaspenning (Lunaria rediviva) lijkt op de judaspenning, maar heeft langwerpige in plaats van ronde zaaddozen.
.
.

.
.
Botanische beschrijving
.
De bovenste bladeren zijn zittend of zeer kort gesteeld, de onderste zijn gesteeld. De bladeren zijn grof gekarteld, en ei- tot hartvormig.
De bloemen zijn reukloos en 2,5-3 cm groot. De kleur van de bloemen wordt omschreven als paars, mauve of wit. De bloemen zijn gegroepeerd aan de top van de rechtopstaande stengel. De bloeitijd loopt van april tot in juni.
De hauwtjes zijn bijna rond. De vruchten zijn plat en 3-6 cm groot.
De plant is aantrekkelijk voor vlinders. De plant ontsnapt vaak uit tuinen en groeit dan langs bosranden, bij heggen, en in wegbermen. De plant heeft een voorkeur voor zonnige tot licht beschaduwde standplaatsen.
.
.

zaaddozen
.
.
Verspreiding
.
De plant is afkomstig uit Zuidoost-Europa. In zowel België als Nederland is de soort algemeen vanuit tuinen verwilderd aanwezig, iets wat ook voor andere delen van Midden- en West-Europa geldt.
Er zijn verschillende cultivars ontwikkeld:
Lunaria annua ‘Alba Variegata’
Lunaria annua ‘Albiflora’
Lunaria annua ‘Atrococcinea’
Lunaria annua ‘Munstead Purple’
Lunaria annua ‘Sissinghurst White’
Lunaria annua ‘Variegata’
.
.

zaden
.
.
.

witte Judaspenning
.
.

.
.

Pasteltekening van John Astria
Aartsengel Michaël is een van de bekendste en meest waargenomen aartsengelen. Hij is het meest bekend als beschermer en bestrijder van duistere machten. De energie van aartsengel Michaël is helder en krachtig. Zij beschermt, omhuld en versterkt. De kleur die bij Michaël hoort is blauw.
De thema’s waarvoor aartsengel Michaël staat zijn: helderheid, zuiverheid, reiniging, bevrijding, bescherming, kracht, structuur, wilskracht, handelen, moed, waarheid. Michaël wijst de weg en begeleidt ieder op weg terug naar de Bron. Hij brengt ons op de weg naar het licht, de weg van bewustwording.
Michaël waakt over de leertaken en ziet erop toe dat wij voldoende kracht hebben om onze weg te bewandelen. Hij staat ons bij wanneer wij het moeilijk hebben met onze taken, als wij in de knoop zitten.
Zeg dank en neem afscheid
.
.
.
.
.

