Category, categorie: Religion, religie-video
.
Jesus in hell: 3 days and 3 nights
.
Jezus 3 dagen en 3 nachten in de hel
.


.
.
.


“Verzamel voor jezelf geen schatten op aarde: mot en roest vreten ze weg en dieven breken in om ze te stelen. Verzamel schatten in de hemel, daar vreten mot noch roest ze weg, daar breken geen dieven in om ze te stelen. Waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. Het oog is de lamp van het lichaam. Dus als je oog helder is, zal heel je lichaam verlicht zijn.
Maar als je oog troebel is, zal er in heel je lichaam duisternis zijn. Als het licht in jezelf verduisterd is, hoe groot is dan die duisternis! Niemand kan twee heren dienen: hij zal de eerste haten en de tweede liefhebben, of hij zal juist toegewijd zijn aan de ene en de andere verachten. Jullie kunnen niet God dienen én de mammon.”
Pasteltekening van John Astria
Jezus was niet erg gericht op het bewaren van dingen. Het verhaal van de rijke man en Lazarus (Luk. 16:19-31) herinnert ons eraan hoe gemakkelijk we kunnen vergeten dat onze zegeningen van Gods genade komen en niet iets is wat we zelf hebben bereikt. Jezus bewaarde geen dingen terwijl hij hier was, hij deelde ze, gaf ze weg, gaf ze aan mensen in nood en gebruikte wat hij had om anderen te zegenen.
Jezus wil ons confronteren met een paar cruciale vragen: Wat is onze schat en waar bewaren we die? Elke aardse schat die we hebben, is kwetsbaar voor vernietiging. Al onze bezittingen, met uitzondering van onze relatie tot God en zijn mensen, zijn tijdelijk. Dus waarom stoppen we zoveel tijd in zaken die geen voldoening geven of die niet zullen blijven?
Jezus roept ons op om te investeren in wat duurzaam, eeuwig en uiteindelijk perfect is. Als we dat doen, kan niets onze gezegende zekerheid vernietigen en wegnemen, de zekerheid dat wij zullen zegevieren in Jezus.
Edele Heer, ik dank u dat u zo hevig in mij investeert en in de wereld waarin ik woon. Er is niemand die van me kan houden zoals u. Vader, help me alstublieft om me te focussen op mijn prioriteiten en mijn gedachten over hemelse zaken net zoals het plaatsen van mijn schatten in de hemel. In Jezus’ heilige naam bid ik. Amen.
38 Johannes zei tegen Jezus: “Meester, we hebben iemand gezien die niet met ons meegaat, maar die toch namens U duivelse geesten uit de mensen wegjaagt. We hebben het hem verboden, omdat hij niet met ons meegaat.”
39 Maar Jezus zei: “Houd hem niet tegen. Want iemand die wonderen doet omdat hij in Mij gelooft, kan niet kort daarna slechte dingen over Mij zeggen. 40 Want mensen die niet tégen ons zijn, zijn vóór ons.”
41 Jezus zei: “Als iemand die in de Messias gelooft aan jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie leerlingen van Hem zijn, zal hij daarvoor een beloning krijgen.
42 Maar pas op als je één van deze kinderen die in Mij geloven, overhaalt om slechte dingen te doen. Het zou dan beter voor je zijn geweest, als je met een grote steen om je nek in zee was gegooid, dan dat je daarvoor de straf moet dragen.”
43 Jezus zei: “Als je in de verleiding komt om met je hand iets slechts te doen, hak hem dan liever af. Dan ga je met maar één hand het eeuwige leven binnen. Dat is beter dan met twee handen in het onblusbare vuur van de hel gegooid te worden.
44 Daar gaan je wormen niet dood en wordt het vuur niet geblust.
45 En als je in de verleiding komt om met je voet iets slechts te doen, hak hem dan liever af. Dan ga je met maar één voet het eeuwige leven binnen. Dat is beter dan met twee voeten in het onblusbare vuur van de hel gegooid te worden.
46 Daar gaan je wormen niet dood en wordt het vuur niet geblust.
47 En als je door iets wat je ziet in de verleiding komt om iets slechts te doen, ruk dan liever je oog uit. Dan ga je met maar één oog het Koninkrijk van God binnen. Dat is beter dan met twee ogen in de hel gegooid te worden.
48 Daar gaan je wormen niet dood en wordt het vuur niet geblust.
49 Iedereen zal met het vuur van verleidingen zout worden gemaakt. Net zoals er op elk offer zout gedaan wordt.
50 Zout is goed, maar als zout niet meer zout is, waarmee kun je het dan nog zout maken? Zorg dat er zout in jullie zit. En maak geen ruzie met elkaar.”
Toen Maria in 1925 in Pontevedra verscheen zag Lucia haar op een wolk van licht met het Jezuskind aan haar zijde. Maria legde haar hand op de schouder van Lucia en hield in haar andere hand een met doornen gekroond Hart. Tegelijkertijd zei het Jezuskind: ‘Heb medelijden met het Hart van je Allerheiligste Moeder dat bedekt is met doornen waarmee ondankbare mensen het ieder ogenblik doorboren met godslasteringen en ondankbaarheid’
Daarna zei Maria tot Lucia:
‘Zie, mijn dochter, zie mijn Hart omgeven van doornen, door de mensen onophoudelijk gekwetst. Troost jij mij ten minste en maak mijn belofte bekend: Ik zal allen die gedurende vijf maanden achtereen op de eerste zaterdag van de maand biechten, de H. Communie ontvangen, de rozenkrans bidden en mijn 15 minuten gezelschap houden om de 15 mysteries van de rozenkrans te overwegen, met de bedoeling mij te troosten,
Twee maanden later op 15 februari 1926 verscheen het kindje Jezus opnieuw aan Lucia en moedigde haar aan de devotie tot het Heilig Hart van Maria te verspreiden, ongeacht de moeilijkheden waarop haar biechtvader haar gewezen had. Lucia wees op de moeilijkheden die sommige mensen ondervonden om op de eerste zaterdag van de maand te biechten. Ze vroeg of men ook acht dagen voor of na de eerste zaterdag te biechten mocht gaan.
Jezus zei haar toen:
‘Ja, de biecht mag zelfs langer geleden zijn, op voorwaarde dat als men Mij ontvangt, in staat van genade is en men de bedoeling heeft het Onbevlekt Hart van Maria te troosten.’
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
.
.
1 : staat voor de volmaaktheid en éénheid van God
2 : staat voor gemeenschap en getuigenis
3 : symboliseert de Goddelijke Drie-eenheid
4 : is het getal van de aarde en de windstreken ( wereldwijd )
5 : vertegenwoordigt de behoeften en de verantwoordelijkheid van de mens tegenover God
6 : is de mens in zijn onvolmaaktheid ; 666 is 3 keer de imperfecte mens, het symbool van Satan
7 : staat voor een afsluiting van een periode met een nieuw begin als gevolg
8: is het begin van een nieuw tijdperk
9 : symboliseert de volmaaktheid ; 999 is 3 maal de perfecte mens, het symbool van God
10 : geeft de verantwoordelijkheid van de mens tegenover God weer aangaande Zijn wet
12 : symboliseert de volmaaktheid in Goddelijk bestuur
.
.
Verklaring:
Maria heeft de opdracht gekregen van God (3) om te verschijnen aan drie herderskinderen omdat zij de schuld van het bewust zondigen nog niet in het hart dragen. Hij wil de imperfecte mens (6) zes keer (6) tot inkeer doen komen en waarschuwen voor zijn toorn mocht dat niet gebeuren.
.
.
.
.
.
De verschijningen van Maria werden voorafgegaan door drie bezoeken van een engel. Op 13 mei 1917 zou Maria voor de eerste keer aan de kinderen verschenen zijn en beloofd hebben elke maand opnieuw op de dertiende te zullen verschijnen.
Ze riep de kinderen op om boete te doen en offers te brengen met het doel lijdende zielen uit het vagevuur te helpen en te bidden voor de bekering van zondaars, opdat die niet naar de hel zouden gaan.
De kinderen zagen daarom af van eten en drinken op bijzonder warme dagen en droegen een touw om hun middel bij wijze van offer. Ook droeg Maria hen op iedere dag de Rozenkrans te bidden voor de vrede.
Verklaring:
Een engel die God vertegenwoordigt (3) moet een Goddelijke (9) ,wereldwijde Boodschap (4) komen aankondigen.
.
.
.
.
.
Twee van de drie herderskinderen, de broer en zus Francisco Marto en Jacintha Marto, werden het slachtoffer van de Spaanse Griep. Paus Johannes Paulus II verklaarde hen in 2000 zalig. Het derde herderskind, hun nichtje Lucia Dos Santos , trad in 1925 in in een Spaans karmelietessen klooster. Zij schreef zelf haar herinneringen aan de verschijningen op. Lucia stierf op 13 februari 2005.
Verklaring:
De 2 herderskinderen die vroeg sterven zijn de getuigen (2) van de verschijning en worden later zalig verklaard. Voor zuster Lucia breekt er een nieuw tijdperk aan (8) bij haar intrede in het klooster. Na haar leven op aarde (7) begint voor haar een nieuw hemels leven. Wereldwijd (4) wordt haar dood verkondigd.
.
.
.
.
.
In de lente van het jaar 1917 op 13 mei verschijnt in Fátima, Portugal, een hemelse vrouw aan drie herderskinderen. De vrouw zegt dat ze op de 13e van elke maand van mei tot oktober zal terugkomen.
Verklaring :
God (9) laat Maria verschijnen aan onschuldige kinderen (3) om een aan de wereld gerichte (4) boodschap te verkondigen
.
.
.
Op 13 juni verschijnt Maria aan de drie kinderen en aan zo een zestig mensen uit het dorp om twaalf uur.
Verklaring :
De Drievuldigheid (3) laat Maria verschijnen aan de herderskinderen en aan een groep niet perfecte mensen (6). Zijn boodschap, die op het punt staat globaal verspreid te worden (4), is dat de mens moet tot inkeer komen en zijn zonden moet belijden om eeuwig te kunnen verwerven onder Zijn latere Goddelijk bestuur (12).
.
.
.
Op 13 juli verschijnt Maria aan de drie kinderen en aan zo een vierduizend mensen. De verschijning deed zich weer precies om twaalf uur voor.
Verklaring :
Dezelfde uitleg als bij de tweede verschijning, alleen wordt de boodschap nog ruimer (4) verspreid
.
.
.
Op 13 augustus te Cova da Ira zou Maria verschijnen aan de drie kinderen en aan 20.000 mensen ter plaatse. Op 13 augustus echter werden de drie kinderen door het plaatselijke hoofd van bestuur in zijn huis vastgehouden. De kinderen kwamen zo niet naar de plek van de verschijning en ook de Verschijning bleef weg. Zes dagen later, op 19 augustus verscheen de H. Maagd weer.
Verklaring :
De Drievuldigheid (3) laat Maria verschijnen aan de herderskinderen met een hele groep mensen als getuigen (2). De verspreiding van het nieuws wordt nog groter (4). De kinderen worden tegen gehouden door imperfecte (6) mensen. God laat Maria volgens zijn wet en wil (10) terug verschijnen.
.
.
.
Op 13 september verschijnt Maria aan de drie kinderen en 30.000 mensen. Er vinden zeer merkwaardige verschijnselen aan de hemel plaats. De zon verliest haar glans, de lucht krijgt een goudgloed en langs de hemel ziet men bloembladeren neerdwarrelen die halverwege schenen op te lossen in de lucht. Het verschijnsel van de vallende bloembladeren herhaalt zich op 13 mei 1918, en nog eens zes jaar later op 13 mei 1924.
Verklaring :
De Drievuldigheid (3) laat Maria verschijnen aan de herderskinderen en laat haar een Goddelijk wonder ( 3 van 30000 ) uitvoeren voor heel veel mensen. God wil dat volgens zijn wet (10) een gedeelte van het wonder wordt herhaald in mei 1918. Dan laat hij dat wonder nog éénmaal herhalen zes jaar later voor de zondige mens (6). God voorziet reeds een nieuw wonder (7) bij de zesde verschijning.
.
.
.
Op 13 oktober vindt de laatste verschijning plaats aan de 3 herderskinderen en 70.000 mensen.
De Verschijning had beloofd dat zich bij haar laatste bezoek tekenen zouden voordoen waardoor velen aan de waarheid van de verschijningen zouden gaan geloven.
De zon begon te beven en te schudden, hij draaide om zijn as als een vuurrad en straalde hierbij telkens anders gekleurde lichtbundels uit. Toen stond hij enige ogenblikken stil. Opeens leek het of de zon loskwam van de hemel en zich met sprongen zigzaggend naar de menigte bewoog en op de aarde zou neerkomen.
Grote schrik maakte zich van de mensen meester, en zij vielen op hun knieën in de modder. Dit gebeurde drie keer achtereen.
Verklaring :
God (3) laat Maria voor de laatste keer verschijnen aan de herderskinderen en een hele grote massa mensen. Het hele gebeuren is al wereldwijd bekend (4). God wil een verandering (7) in de harten van de mens teweeg brengen door ze wonderen te laten zien en ze te waarschuwen voor de eeuwige hel. Hij laat het mirakel van de zon meerde keren plaats vinden (3) om zijn glorie te bevestigen.
.
.
.
.
.
In het eerste geheim beschreef Maria de verschrikkingen van de hel. Daarbij voorspelde zij het einde van de Eerste Wereldoorlog en tevens het begin van de Tweede Wereldoorlog.
.
Ook deed de Maagd Maria een oproep aangaande Rusland dat moest toegewijd worden aan het Onbevlekte Hart van Maria. Nadrukkelijk vraagt Maria om de rozenkrans te bidden.
.
Het derde geheim was lange tijd alleen bekend bij het Vaticaan dat pas in 1960 openbaar gemaakt zou worden door de paus. Het visioen verklaart dat de profetie een aanslag was van Mehmet Ali Agca op paus Johannes Paulus de tweede in 1981. Die aanslag vond eveneens plaats op 13 mei en de paus gelooft daarom dat het aan Onze-Lieve-Vrouw van Fátima te danken was dat de kogel in zijn buik, en niet in zijn hoofd terechtgekomen was.
Verklaring:
Maria moest van God (3) geheimen openbaren. Na de openbaring van het laatste geheim (7) wist de mensheid de gruwel van de toekomt mocht men niet tot inkeer en bekering komen. De wereldbekende aanslag (4) op de paus moest Maria voorspellen en gebeurde in 1981 volgens God plan (10).
.
.
.
.
.
In 1925 verscheen Maria aan Lucia met het Jezuskind aan haar zijde. Het Jezuskind zei : ‘Heb medelijden met het Hart van je Allerheiligste Moeder dat bedekt is met doornen waarmee ondankbare mensen het ieder ogenblik doorboren met godslasteringen en ondankbaarheid’
Daarna zei Maria tot Lucia: ‘Zie, mijn dochter, zie mijn Hart omgeven van doornen, door de mensen onophoudelijk gekwetst. Troost jij mij tenminste en maak mijn belofte bekend: Ik zal allen die gedurende vijf maanden achtereen op de eerste zaterdag van de maand biechten, de H.Communie ontvangen, de rozenkrans bidden en mij 15 minuten gezelschap houden om de 15 mysteries van de rozenkrans te overwegen, met de bedoeling mij te troosten, in het uur van hun dood bijstaan met de nodige genaden voor de redding van hun zielen.’
Twee maanden later op 15 februari 1926 verscheen het kindje Jezus opnieuw aan Lucia en moedigde haar aan de devotie tot het Heilig Hart van Maria te verspreiden. Lucia wees op de moeilijkheden die sommige mensen ondervonden om op de eerste zaterdag van de maand te biechten.
Ze vroeg of men ook acht dagen voor of na de eerste zaterdag te biechten mocht gaan. Jezus zei haar toen ‘Ja, de biecht mag zelfs langer geleden zijn, op voorwaarde dat als men Mij ontvangt, in staat van genade is en men de bedoeling heeft het Onbevlekt Hart van Maria te troosten.’
Verklaring :
In 1925 (8) heeft het Jezuskind, als het met Maria verschijnt, een nieuwe boodschap voor Lucia. God laat de blijde boodschap brengen dat elke zondig mens (6) zijn verantwoordelijkheid (5) in handen heeft om in het uur van de dood bijstand te krijgen van Maria. De volmaakte eenheid van God (1) vraagt dat men biecht, de communie ontvangt en dat men de rozenkrans bidt op bepaalde tijdstippen om boetedoening voor zonden (6).
Het Jezuskind (9) verschijnt opnieuw als getuigenis (2) aan Lucia. God verandert zijn voornemen (8) om de zondige mens (6) op een later tijdstip te laten biechten.
.
.
.
.
.
.
Pasteltekening van John Astria
Pasteltekening van John Astria
Jezus zei “die werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft” Johannes 5:36b. Jezus veranderde water in wijn als begin van Zijn tekenen (Johannes 2:1-11). Nadat Hij 2 broden en 5 vissen zegende, konden er meer dan 5000 mensen van eten (Matteus 14:13-21). We zien Jezus de winden en de zee bestraffen zodat zij stil werden (Matteus 8:23-27).
Toen Zijn discipelen Hem over het water zagen lopen, zeiden ze “Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon” (Matteus 14:22-33). Om te laten zien dat Hij de macht had om op aarde zonde te vergeven genas Hij een verlamde man (Matteus 9:1-8). “En vele scharen kwamen bij Hem, die lammen, kreupelen, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden, en zij legden die aan zijn voeten neer.
En Hij genas hen, zodat de schare zich verwonderde, want zij zagen stommen spreken, kreupelen gezond, lammen lopen en blinden zien. En zij verheerlijkten de God van Israel” Matteus 15:30-31. Zelfs doden werden door Jezus terug tot leven gebracht (Matteus 9:18-26; Johannes 11:1-45) en ook over boze geesten had Jezus macht (Markus 1:21-28; Matteus 12:28-29).
De melaatse werd terstond genezen (Matteus 8:1-3). De twee blinden werden terstond ziende nadat Jezus hen aanraakte (Matteus 20:29-34). De verlamde kon op Jezus’ Woord voor het oog van allen weer lopen, waardoor zij die het zagen, zeiden: “zo iets hebben wij nog nooit gezien”(Markus 2:1-12). De koorts van Petrus’ schoonmoeder verliet haar toen Jezus haar hand vatte (Markus 1:29-31).
De vrouw die al 12 jaar aan bloedvloeiingen leed, werd terstond genezen toen zij Jezus’ kleed aanraakte (Markus 5:25-34). We zien dat Jezus tekenen en wonderen terstond gebeurden, dat is onmiddellijk, dadelijk, direct. Er is één voorbeeld te vinden waar Jezus ervoor koos om een blinde man in 2 stappen te genezen (Markus 8:22-25).
Nikodemus, een Farizeeër zei tegen Jezus “Rabbi, wij weten, dat Gij van God gekomen zijt als leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij God met Hem is” Johannes 3:2b.
Johannes zegt op het einde van zijn evangelie “Jezus heeft nog wel vele andere tekenen voor de ogen zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in zijn naam” Johannes 20:30-31.
Op pinksterdag na Jezus’ opstanding predikte Petrus “Jezus, de Nazoreeer, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet” Handelingen 2:22. God had krachten, wonderen en tekenen door Jezus in hun midden verricht en allen waren ervan op de hoogte. Deze dingen waren niet ergens in het verborgene gebeurd.
Tijdens Zijn leven riep Jezus Zijn 12 apostelen tot Zich en “gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen” Hij zei “Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet” Matteus 10:1, 7-8.
“Daarna wees de Here nog tweeenzeventig aan en Hij zond hen twee aan twee voor Zich uit naar alle steden en plaatsen, waar Hij zelf komen zou” en Hij zei “geneest de zieken, die er zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen. … En de tweeen zeventig zijn teruggekeerd met blijdschap en zeiden: Here, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in uw naam. … Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen” Lukas 10:1,9,17,19.
Na Zijn opstanding verscheen Jezus aan de elf apostelen met de opdracht om het evangelie van geloof en doop tot behoudenis aan de hele schepping te prediken (Markus 16:15-16). “Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuw tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen;
op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden. De Here Jezus dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en heeft Zich gezet aan de rechterhand Gods. Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden” Markus 16:17-20.
De lege plaats van de apostel Judas werd aangevuld met een man die ooggetuige was van Jezus’ opstanding en die zich bij hen had aangesloten vanaf de tijd dat Jezus is beginnen te prediken (Handelingen 1:20-26). Een apostel werd door God aangewezen zoals Saul (Paulus) door de Here werd uitverkoren als een werktuig om Zijn Naam te verkondigen (Handelingen 9:15).
Paulus zegt daarom ook “Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene” 1 Korintiërs 15:7-8. Deze apostelen waren te onderscheiden van anderen zoals Paulus de Korintiërs duidelijk maakt “De tekenen van een apostel zijn bij u verricht met alle volharding, door tekenen, wonderen en krachten” 2 Korintiërs 12:12.
Vanaf pinksterdag zien we dan ook “En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk … En des te meer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen.
En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mede. En zij werden allen genezen.” Handelingen 5:12a, 14-16. Merk op dat ook nu weer alle zieken werden genezen! Eerder had Petrus een man die van geboorte af lam was, in Jezus’ Naam genezen (Handelingen 3:1-10). Hij had ook een gestorven vrouw weer tot leven gewekt (Handelingen 9:32-42). Paulus dreef in Jezus’ Naam boze geesten uit (Handelingen 16:16-18), wekte doden op (Handelingen 20:9-12) en zelfs de bijt van een slang had geen werking op hem (Handelingen 28:3-6).
“En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren” Handelingen 19:11-12. Tegenstanders konden niet loochenen welke wondertekens door de handen van de apostelen geschiedden (Handelingen 4:16).
Filippus, een evangelist, predikte de Christus in Samaria. “En toen de scharen Filippus hoorden en tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd. Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen en er kwam grote blijdschap in die stad” Handelingen 8:6-8.
Ook Simon die een tovenaar was geweest “kwam tot geloof, en na gedoopt te zijn, bleef hij voortdurend bij Filippus, verbijsterd door die tekenen en grote krachten, die hij zag geschieden”. Toen de apostelen hoorden dat Samaria het woord Gods had aanvaard, zonden zij Petrus en Johannes tot hen en dezen legden hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest.
Toen Simon zag dat door de handoplegging van de apostelen de Geest werd gegeven wilde hij deze macht kopen maar Petrus bestrafte hem daarvoor (Handelingen 8:14-25). Het kwam Simon niet toe om door handoplegging de Geest te geven, zelfs Filippus die zelf tekenen en grote krachten kon doen, bezat deze macht niet. Enkel de apostelen hadden deze macht (vgl Handelingen 19:5-7; 2 Timoteus 1:6).
Paulus zegt daarom ook tegen de christenen te Rome “Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking” Romeinen 1:11 (1 Korintiërs 12:1-11). Hij sprak ook over het einde van deze gaven (1 Korintiërs 13:8-13).
Jezus, Zijn apostelen en hen die door handoplegging van de apostelen de Geest ontvingen, konden tekenen en wonderen verrichten. Deze tekenen en wonderen zijn geschied om te bevestigen dat de sprekers boodschappers van God waren.
“Daarom moeten wij al onze aandacht richten op wat we gehoord hebben, dan zullen we niet uit de koers raken. Want als het door engelen gesproken woord al zo veel rechtskracht bezat dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf volgde, hoe zullen wij dan aan die straf ontkomen wanneer we geen acht slaan op de zoveel meer omvattende redding die begonnen is met de woorden van de Heer, en die voor ons bevestigd werd door hen die deze woorden hebben gehoord? Ook God zelf getuigde daarvan, door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten, en door de gaven van de heilige Geest overeenkomstig zijn wil te verdelen” Hebreeën 2:1-4.
Het Woord van God is op betrouwbare wijze aan ons overgeleverd en God zelf heeft dat Woord bevestigd! Laat u niet misleiden door hen die beweren Gods boodschappers te zijn en zeggen tekenen en wonderen te kunnen doen (zie 2 Tessalonissenzen 2:9-17). Hedendaagse tekenen en wonderen komen nog niet eens in de buurt van wat Gods ware boodschappers deden in de eerste eeuw. Breng het woord van Jezus en Zijn apostelen, dat eens voor altijd is overgeleverd, in toepassing en God zal met u zijn (Filippenzen 4:9; Judas 3).
Johannes 17 : 3 > ‘’dit betekent eeuwig leven, dat zij voortdurend kennis in zich opnemen van u, de enige ware God en van hem die gij hebt uitgezonden, Jezus Christus.‘’
Openbaring 1 : 3 > ‘’ gelukkig is hij die deze profetische woorden van de Here voorleest; en dat geldt ook voor de mensen die ernaar luisteren en het zullen onthouden. Want de tijd dat deze dingen werkelijkheid worden, komt steeds dichterbij.‘’
Openbaring 22 : 7 > Jezus zegt : ‘’ ja, ik kom gauw. Gelukkig is hij die de profetische woorden van dit boek onthoudt.‘’
Dit zijn enkele citaten uit de Bijbel waarin God de mens aanmaant kennis in zich op te nemen over zichzelf en Jezus Christus. Wie God zoekt zal hem vinden. Het is aan de mens om de eerste stap te zetten . Wanneer we God om inzichten vragen zal de Heilige Geest ons geestelijk denken verlichten. Het onbegrijpelijke wordt plots of op het gepaste moment verstaanbaar.
In het eerste en het laatste hoofdstuk van de openbaring zegt Christus tot twee maal toe dat het lezen ervan een zegening geeft. Het woord van God, de Bijbel, is meer dan de traditionele preken en parabels die we al jaren kennen. Kennis opnemen van God is niet alleen bestemd voor theologen, maar voor iedereen. Door die opname van kennis krijgen we inzichten in het verleden en heden waardoor we met een gerust hart en vertrouwen de toekomst tegemoet kunnen gaan.
Het is duidelijk dat kwaadspreken over anderen, roddelen, het karakter van satan typeert. Wie roddelt, begeeft zich op het terrein van satan.
Roddel komt vaak voort uit jaloezie, of een slecht zelfbeeld. Er wordt vaak geroddeld over mensen, die andere gewoontes hebben. Roddel stelt iemand in een negatief daglicht en kent geen mededogen of barmhartigheid.
Bij kwaadspreken gaat men voorbij aan de persoonlijkheid en de achtergrond van waaruit iemand handelt. Daarom staat er ook in de tien geboden:
Gij zult geen vals (leugenachtig, misleidend) getuigenis spreken tegen uw naaste. (Exodus 20:16)
Als iemand iets negatiefs over een ander hoort vertellen, wordt dat gewoonlijk weer aan anderen doorverteld en gaat het verhaal een eigen leven leiden. Meestal wordt het steeds pittiger en dramatischer. Iets dat verteld wordt als een veronderstelling, “ik meen te weten dat …”, wordt gaandeweg steeds zekerder en uiteindelijk doorverteld als een vaststaand feit.
Wanneer iemand een persoon, over wie men heeft horen roddelen, voor het eerst ontmoet, zal hij er moeite mee hebben om vrij en open tegenover deze persoon te staan. De eerste indruk is bij voorbaat negatief beïnvloed.
Hierdoor ontstaat argwaan en de ander zal zich, onbewust, eerst moeten bewijzen, om die argwaan weg te nemen.
Stel dat, om wat voor reden dan ook, mijnheer X zich bedrinkt. Het is mogelijk dat dit nooit eerder is gebeurd en ook nadien niet meer, maar net die ene keer heeft iemand dat gezien. Als deze persoon overal gaat rondvertellen, dat hij mijnheer X dronken gezien heeft, dan is de kans reëel dat hij door veel mensen als een dronkaard wordt beschouwd en dat men hem gaat mijden.
Het is duidelijk dat er in het vorige geval een verwijdering ontstaat tussen mijnheer X en zijn omgeving.
Roddel is vaak de oorzaak van geschillen binnen families en hele gemeenschappen kunnen uit elkaar vallen vanwege kwaadsprekerij.
Jezus bad tot zijn Vader:
Ik bid … voor hen, die … in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. (Johannes 17:20-21)
Aan de andere kant zei Jezus:
Wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit. (Mattheüs 12:30 / Lukas 11:23)
Roddelen veroordeelt
Oordelen is niet aan de mens. Zelfs Jezus zei:
Indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. (Johannes 12:47)
Roddel getuigt van onvergevingsgezindheid
Farizeeën kwamen bij Jezus roddelen over een vrouw, die betrapt was op overspel. Ze hadden haar zelfs meegebracht en volgens de wet van Mozes moest zij gestenigd worden, samen met de man waarmee ze overspel gepleegd had. De farizeeën hadden de wet aan hun kant.
Maar Jezus zei:
Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar. (Johannes 8:7)
En toen iedereen afdroop, zonder verder iets te zeggen, zei Hij tot de vrouw:
Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer! (Johannes 8:11)
Wie roddelt heeft niets begrepen van de liefde van Jezus
Paulus schrijft:
Wie zijt gij, dat gij de knecht van een ander oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Here is bij machte hem vast te doen staan. (Romeinen 14:4)
Het is verkeerd om een oordeel over anderen uit te spreken en helemaal verkeerd om dit persoonlijke oordeel rond te bazuinen.
Wie roddelt verstrooit, schaadt mensen en schaadt ook het getuigenis van de gemeente in de wereld, als het beeld van Jezus Christus.
Indien iemand in de fout is gegaan, waarschuwt Paulus:
Broeders (zusters), zelfs indien iemand op een overtreding betrapt wordt, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen. (Galaten 6:1)
Wie tot in het diepst van zijn hart beseft volkomen aanvaard en vergeven te zijn door Jezus, staat vergevingsgezind in het leven.
De opdracht is:
God lief te hebben boven alles en je naaste als jezelf. (Lukas 10:27)
Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat,
wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt,
dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag.
En de Here zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt.
En de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen: Hersteller van bressen, Herbouwer van straten. (Jesaja 58:9-12)
.
.
.
.
.
Het karakter van de satan komt in het woordgebruik in het O.T. tot uiting op twee manieren:
Het Hebreeuws voor de satan is: satan.
In het Nederlands taalgebruik is dit woord als eigennaam overgenomen.
Volgens de OLB, de On Line Bijbel vertaling is satan:
Het werkwoord satan wordt volgens de OLB vertaald als: tegenstander zijn, als tegenstander handelen, weerstaan, zoals o.a. in de tekst, waar David zegt:
Mijn vijanden echter leven, zij zijn machtig, talrijk zijn zij, die mij trouweloos haten, zij, die mij kwaad voor goed vergelden en mij weerstaan (satan), omdat ik het goede najaag. (Psalmen 38:19-20)
Satan als zelfstandig naamwoord wordt in 23 verzen gebruikt, waarbij 8 maal vertaald wordt als tegenstander, zoals bijvoorbeeld in:
Maar de toorn Gods ontbrandde, toen hij (Bileam was op weg om het volk Israël te vervloeken) ging, en de Engel van de Here stelde zich op de weg als zijn tegenstander (satan); Bileam reed op zijn ezelin en had twee van zijn dienaren bij zich. (Numeri 22:22)
.
.
In ons taalgebruik komt het woord satan vaak als een eigennaam voor. Het is de vraag of satan ook in Bijbelse tijden als eigennaam gebruikt werd.
Het is best mogelijk dat men in de tijd van het Oude Testament, bij het gebruik van het woord satan, niet zozeer dacht aan de naam van een gevallen engel, maar eerder aan de tegenstander van God.
Bij het lezen van de Bijbel zou bij satan misschien beter telkens ‘de tegenstander’ ingevuld kunnen worden, wat duidelijker uitdrukt wie hij werkelijk is.
.
.
.
.
.
In het Nieuwe Testament worden twee namen voor de tegenstander van God gebruikt, namelijk:
De satan is de vertaling van het Grieks satanas
Volgens de OLB is satanas:
Satanas komt voor in 28 Bijbelverzen en wordt steeds door satan vertaald. Volgens de OLB is satanas een zelfstandig naamwoord.
In de meeste Bijbelverzen wordt satanas voorafgegaan door een lidwoord, dus ‘de satan’. Ook hier kan afgevraagd worden, zoals bij satan in het Hebreeuws, of in de tijd van het Nieuwe Testament satanas wel gebruikt werd als eigennaam, zoals het in het Nederlands vaak gebeurd.
Misschien zou het ook hier beter zijn om satan, of ‘de satan’ te vervangen door tegenstander, of ‘de tegenstander’ wat weergeeft wie hij werkelijk is.
En Jezus werd in de woestijn veertig dagen verzocht door de satan (de tegenstander) en Hij was bij de wilde dieren, en de engelen dienden Hem. (Markus 1:13)
Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan (tegenstander)! Er staat immers geschreven: De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. (Mattheüs 4:10)
De satan stelt zich op als een tegenstander, omdat hij er steeds op uit is mensen van hun goede voornemens af te brengen.
.
.
.
Dat is duidelijk als hij Jezus verzoekt in de woestijn en probeert om Hem ongehoorzaam te doen zijn aan zijn Vader. (Mattheüs 4:1-11)
.
.
.
.
zoals in wat Petrus zei:
21 Vanaf dat moment begon Jezus aan zijn leerlingen uit te leggen wat er zou gaan gebeuren. Dat Hij naar Jeruzalem moest gaan. Dat Hij daar mishandeld moest worden door de leiders van het volk, de leiders van de priesters, en de wetgeleerden. Dat Hij zelfs moest worden gedood. Maar ook dat Hij op de derde dag uit de dood zou opstaan.
22 Toen nam Petrus Hem apart. Hij begon Hem streng tegen te spreken. Hij zei: “Heer, God zal ervoor zorgen dat dat niet zal gebeuren!” 23 Maar Jezus draaide Zich om en zei tegen Petrus:“Ga weg, duivel! Je probeert Mij ongehoorzaam aan God te maken. Want jij wil niet wat God wil, maar wat mensen willen!”
.
.
De duivel is de vertaling van diabolos.
Volgens de OLB is ‘diabolos’:
Het is duidelijk dat het woord diabolos het begrip laster, kwaad spreken in zich heeft.
Diabolos komt in 36 verzen voor en wordt in 33 verzen vertaald met ‘de duivel’.
Er zijn echter drie uitzonderingen (de duivel toegepast als metafoor):
(over diakenen) Evenzo moeten hun vrouwen zijn: waardig, geen kwaadspreeksters, nuchter, betrouwbaar in alles. (1 Timotheüs 3:11)
… want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers (Grieks: blasphemos – kwaadsprekend, lasterend), aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede … (2 Timotheüs 3:2-3)
Oude vrouwen eveneens, priesterlijk in haar optreden, niet kwaadsprekend, niet verslaafd aan veel wijn, in het goede onderrichtende. (Titus 2:3)
Omdat diabolos steeds gebruikt wordt met een lidwoord en vertaald wordt met ‘dé duivel’, kan ook hier afgevraagd worden of men in de tijd van Jezus eerder dacht aan ‘de lasteraar’ of ‘de kwaadspreker’.
Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel (de lasteraar), en hij zal van u vlieden. (Jakobus 4:7)
.
.
.
En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem. (Openbaring 12:9)
En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde; want de aanklager (kategoros)van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde (kategoreo: beschuldigde) voor onze God, is neergeworpen. (Openbaring 12:10)
Omwille van Jezus geeft God geen gehoor aan alles wat de satan, de duivel, de tegenstander, de kwaadspreker, bij zijn troon komt roddelen, zoals Johannes schrijft in zijn eerste brief:
Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak (parakletos: voorbidder, advocaat) bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden ( voor wie dat wenst!!) en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van de gehele wereld. (1 Johannes 2:1-2)
.
.
.
.
.
.
.
Pasteltekening van John Astria
1 Daarna riep Jezus zijn twaalf leerlingen bij Zich. Hij gaf hun de macht om duivelse geesten uit de mensen weg te jagen en om alle ziekten en kwalen te genezen. 2 Dit zijn de namen van die twaalf leerlingen, die Hij ook apostelen noemde: allereerst Simon, die ook Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas. Jakobus de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. 3 Verder Filippus, Bartolomeüs (= Natanaël), Tomas en de belasting-ontvanger Matteüs. Verder Jakobus de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs die ook Taddeüs wordt genoemd. 4 Verder Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem later heeft verraden.
5 Dit zijn de twaalf leerlingen die Jezus op pad stuurde. Hij beval hun: “Ga niet naar niet-Joodse mensen (heidenen). 6 Ga ook niet naar de steden in Samaria . Ga alleen naar de verdwaalde schapen van het volk Israël. 7 Vertel overal dat het Koninkrijk van God eraan komt. 8 Genees de zieken, maak doden weer levend, verjaag duivelse geesten. Jullie hebben niets voor deze macht hoeven betalen. Vraag er dus ook nooit een beloning voor. 9 Neem geen geld mee. 10 Ook geen reistas voor onderweg. Neem geen extra hemd, extra sandalen of een staf mee. Want een arbeider wordt altijd beloond voor zijn werk. Je zal krijgen wat je nodig hebt.
11 Als je een stad of een dorp binnenkomt, bekijk dan wie het daar waard is dat je bij hem logeert. Blijf bij hem tot je weer uit die stad vertrekt. 12 Als je zijn huis binnengaat, wens de mensen die er wonen dan vrede toe. 13 Als die mensen het waard zijn, zal je vrede over hen komen.
Maar als ze (heidenen) die vrede niet waard zijn, zal je vrede bij je terugkomen. 14 Als mensen niet naar je willen luisteren, ga dan weg uit dat huis of die stad. Klop het stof van je voeten af om hen te waarschuwen. 15 Luister goed! Ik zeg jullie dat het voor de streek van Sodom en Gomorra minder erg zal zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad.
16 Ik stuur jullie als schapen onder de wolven. Wees daarom net zo voorzichtig en slim als slangen, en net zo onschuldig als duiven. 17 Maar pas op voor de mensen. Want ze zullen jullie gevangen nemen en voor de rechter slepen. En ze zullen jullie zweepslagen geven in hun synagogen. 18 Jullie zullen ook voor bestuurders van provincies en voor koningen en keizers terecht staan omdat jullie in Mij geloven. Jullie zullen hun en de volken over Mij vertellen. 19 Als ze jullie gevangen nemen, maak je dan geen zorgen wat jullie moeten zeggen. Want jullie zullen de woorden krijgen op het moment dat jullie ze nodig hebben. 20 Want jullie zullen niet zelf spreken. Maar de Geest van jullie Vader zal door jullie heen spreken.
21 En een man zal zijn eigen broer laten doden. Een vader zal zijn eigen zoon laten doden. Kinderen zullen hun ouders laten doden. 22 Iedereen zal jullie haten omdat jullie in Mij geloven. Maar jullie moeten tot het einde volhouden. Dan zullen jullie worden gered. 23 Als de mensen jullie in de ene stad vervolgen, vlucht dan naar een andere stad. Want luister goed! Jullie zullen niet in alle steden van Israël zijn geweest, voordat de Mensenzoon komt.
24 Een leerling is niet beter dan zijn leermeester. En een slaaf is niet belangrijker dan zijn heer. 25 Voor een leerling is het genoeg om net zo goed te worden als zijn leermeester. En voor een slaaf is het genoeg om gelijk te worden aan zijn heer. Als de mensen de heer van het huis ‘Beëlzebul’ (= de leider van de duivelse geesten) noemen, dan zullen ze de dienaren die in zijn huis wonen, ook zo noemen!