Categorie archief: Kamerplanten en bloemen

Grote pimpernel : Sanguisorba officinalis

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– eironde tot langwerpige, donkerrode tot bruinrode bloemhoofdjes
– in een vertakte bloeiwijze op
– lange stelen, die bovenaan kaal zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote pimpernel is een overblijvende, pollen vormende plant van 30 tot 100 cm hoog. Ze groeit op natte tot vochtige, voedselrijke grond in hooilanden, aan waterkanten, in bermen en langs spoorwegen. Ze is plaatselijk algemeen voor komend in de Lage landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote pimpernel bloeit vanaf juni tot en met september. De bloemen staan bij elkaar in een aarvormige bloei- wijze. Ze hebben 4 donkerrode tot bruinrode kelkbladen; kroonbladen ontbreken. Ze leveren veel nectar en lokken daarmee verschillende insecten en vlinders. Onderaan het hoofdje worden de nieuwe bloemen gevormd; de bovenste bloemen zijn het verst uitgebloeid. Pas geopende bloemen hebben nog witte kelkbladen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn oneven geveerd; ze bestaan uit 7 tot 13 gesteelde, langwerpige tot ovale deelblaadjes met een gezaagde rand. De bovenkant is groen, de onderkant is blauwgroen.

 

 

 

 

 

Bijzonderheden

 

Grote pimpernel is de waardplant van twee dagvlinders, donker pimpernelblauwtje en pimpernelblauwtje. Beide vlinders waren in de jaren 70 van de vorige eeuw bijna verdwenen. In 1990 zijn beide soorten geherintroduceerd en kunnen zich nu handhaven. Donker pimpernelblauwtje heeft zich in 2001 weer spontaan gevestigd in Limburg.

 

 

pimpernelblauwtje

 

 

 

Toepassingen

 

Grote pimpernel heeft bloedstelpende eigenschappen. In Rusland en China wordt de plant daarvoor nog steeds gebruikt. Thee van de bladeren werkt heilzaam tegen ontstekingen in mond en keel. Verder bevat de plant stoffen tegen darmstoringen, die ook nu nog in de homeopathie gebruikt worden.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soort

 

Naast grote pimpernel is er ook kleine pimpernel . De tweede helft van de naam is de grootste overeenkomst; ze zijn makkelijk van elkaar te onderscheiden. Kleine pimpernel is in alles kleiner. Beide soorten hebben eironde tot langwerpige bloemhoofdjes. Die van kleine pimpernel zijn groenig met rode accenten. Kleine bevernel heeft vergelijkbare bladeren, maar is bloeiend duidelijk van grote pimpernel te onderscheiden door de witte schermbloemen.

 

kleine pimpernel

 

 

 

kleine bevernel

 

 

 

Algemeen

 

rozenfamilie (Rosaceae)
– overblijvend
– algemeen tot ontbrekend
– 30 tot 100 cm

Bloem
– donkerrood tot bruinrood
– vanaf juni t/m september
– hoofdje
– 1 tot 3 cm
– 4 bloemdekbladen
– 4 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– samengesteld
– oneven veervormig
– top spits
– rand gezaagd
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote kattenstaart : Lythrum salicaria

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de aarvormige, dichtbloemige, helder roze bloeiwijzen met
– donker geaderde, stervormige, 5- of 6-tallige bloemen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote kattenstaart is overblijvende plant van 60 tot 120 cm hoog, die groeit aan waterkanten en op natte, voedselrijke grond in graslanden, veenmoerassen, lichte loofbossen, rietlanden en duinvalleien.
De plant is zeer algemeen voorkomend in de Lage Landen.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote kattenstaart bloeit van juni tot en met september met dichtbloemige, aarvormige bloeiwijzen. De helder roze bloemen zijn 1 tot 1,5 cm groot en hebben vijf of zes kroonblaadjes die donker geaderd zijn. Ze staan in schijnkransen in de oksels van de schutbladen. De bloemen produceren twee soorten stuifmeel. Het gele stuifmeel dient als lokmiddel voor de insecten. Het groene stuifmeel, dat voor de insecten onzichtbaar is, blijft aan hun lichaam hangen en daarmee bestuiven ze andere bloemen.

 

 

 

 

 

Blad

 

De onderste bladeren staan in een krans van drie, de bovenste staan in paren tegenover elkaar. Ze zijn spits en smal, lancetvormig. Ze gaan geleidelijk over in de schutbladen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

In de volksgeneeskunde dient de plant als bloedstelpend middel. De looistofrijke wortels worden eveneens medisch toegepast bij maag- en darmaandoeningen.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kattenstaartfamilie (Lythraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen voorkomend
– 60 tot 120 cm hoog

Bloem
– helder roze
– vanaf juni t/m september
– aarvormige tros
– 1 tot 1,5 cm
– stervormig
– 5 of 6 kroonbladen, niet vergroeid
– 4 kelkbladen
– 10 of 12 meeldraden, in twee kransen
– 1 stijl

Blad
– tegenoverstaand of in kransen van 3
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet hartvormig of afgerond
– veernervig
– behaard
– geen bladsteel, wel steunblaadjes

Stengel
– rechtop
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

Grote engelwortel : Angelica archangelica

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– het formaat van de plant en
– de grote, groene bolvormige schermen

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote engelwortel is een lichtgroene, overblijvende (tot 4-jarige) plant op natte, zeer voedselrijke grond aan waterkanten en in grienden. Ze kan tot 2,5 meter hoog worden. De plant komt algemeen voor en wordt ook gekweekt in tuinen als keukenkruid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Grote engelwortel bloeit in juni en juli met grote, bolvormige, groenachtig witte schermen, die veel insecten aantrekken. De grote schermen kunnen tot 20 cm breed worden en net als de kleinere schermpjes bestaan ze uit 20 tot 40 stralen. Het omwindsel onder het grote scherm ontbreekt of bestaat uit maximaal 3 blaadjes. Het omwindsel onder de kleinere schermen bestaat uit talrijke blaadjes.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De stevige, ronde, gegroefde stengels zijn lichtgroen, maar vaak ook bedauwd roodbruin. De onderste bladeren zijn groot, 2- tot 3-voudig geveerd en hebben een ronde steel. De bovenste zijn minder gedeeld en zitten met een grote, opgeblazen schede aan de stengel. Alle bladeren bestaan uit eironde tot langwerpige deelblaadjes, die onregelmatig gezaagd zijn.

 

 

 

 

 

Toepassingen

 

Uit de zaden en de wortel van grote engelwortel wordt een geurende olie geperst, die wordt gebruikt in de cosmetische industrie en bij het maken van verschillende likeuren. Daarnaast worden stoffen uit de wortel medicinaal toegepast bij spijsverteringsproblemen, gebrek aan eetlust en als urineafdrijvend middel.

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten
  gewone engelwortel
– scherm 3 tot 15 cm breed, 15 tot 40 stralen
– bloemen zijn 2 mm, wit of roze
– plant donkergroen, nauwelijks ruikend
– eindblaadjes ongedeeld, voet niet aflopend
– tot 1,8 meter hoog
– wortelbladeren met gootvormige stengel
  grote engelwortel
– scherm tot 20 cm breed, 20 tot 40 stralen
– bloemen zijn 3 tot 4 mm, groenachtig wit
– plant lichtgroen, bij kneuzing sterk ruikend
– eindblaadjes vaak 3-delig met aflopende voet
– tot 2,5 meter hoog
– wortelbladeren met rolronde stengel

 

 

 

 

 

 

 

 

gewone engelwortel

 

 

Naast de twee bovengenoemde soorten zijn er nog een aantal (zeer) algemeen voorkomende planten met witte schermbloemen, zoals fluitenkruid en gewone berenklauw.

 

 

 

Algemeen

 

schermbloemenfamilie (Apiaceae)
– overblijvend, tot 4-jarig
– algemeen tot zeldzaam
– ook als keukenkruid
– 90 tot 250 cm

Bloem
– groenachtig wit
– juni en juli
– scherm
– 3 tot 4 mm
– stervormig
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 2 stijlen

Blad
– verspreid
– samengesteld
– 2- of 3-voudig oneven veervormig
– deelblaadjes eirond tot langwerpig
– top spits
– rand onregelmatig gezaagd
– voet afgerond of (half)
stengelomvattend
– veernervig

Stengel
– rechtop
– glad en kaal
– rond en gegroefd

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Grote egelskop : Sparganium erectum

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de bolvormige vrouwelijke of mannelijke hoofdjes
– aan een vertakte bloeistengel en
– de stekelige bollen van spitse vruchten en
– de lange, smalle (6-30 mm), rechtopstaande, gekielde bladeren en
– de groeiplaats in en aan ondiep zoet water

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Grote egelskop is een overblijvende, woekerende oeverplant van 30 tot 100 (180) cm hoog. Ze groeit aan en in zoet, voedselrijk, niet te diep, stilstaand of langzaam stromend water. Het is een zeer algemeen voor komende plant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

De bloeiperiode loopt vanaf juni tot en met september. De stengel van de bloeiwijze is vertakt. Dit onderscheidt grote egelskop van kleine, kleinste en drijvende egelskop. Zowel de hoofdstengel als de korte zijstengels zijn zigzag gebogen. Aan elke vertakking en aan het einde van de hoofdtak zitten een aantal bolvormige, ongesteelde bloeiwijzen. De onderste (1-4) bloeiwijzen zijn vrouwelijke hoofdjes en bestaan alleen uit vrouwelijke bloemen. De bovenste, kleinere hoofdjes bestaan uit mannelijke bloemen. Meestal zijn er veel meer mannelijke hoofdjes dan vrouwelijke.

De vrouwelijk bloemen hebben een lange, draadvormige, vuilwitte stijl en stempel (soms twee) en groen bruinachtige bloemdekblaadjes. De mannelijke bloemen bestaan uit 1-3 meeldraden, die omgeven worden door 4 vliezige bloemdekbladen. De bloemen stellen niet zoveel voor, idat is ook niet zo belangrijk omdat bestuiving door de wind plaatsvindt. Na bevruchting ontwikkelen de vrouwelijke hoofdjes gesnavelde vruchtjes, waar de plant haar naam aan dankt.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn 6 tot 30 mm breed, onderaan driehoekig in doorsnede, bovenaan plat, gekield en niet of nauwelijks gedraaid. De bladeren van lisdodden en zwanenbloem zijn wel gedraaid. De bladeren van grote egelskop worden door meerkoeten gebruikt als nestmateriaal.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

Een ondersoort van grote egelskop is blonde egelskop (Sparganium erectum subsp. neglectum), enkel van elkaar te onderscheiden door de vorm van de vruchtjes : rijpe vruchtjes van blonde egelskop zijn 2x zo hoog als breed. Rijpe vruchtjes van grote egelskop zijn iets hoger dan breed. Van alle egelskopsoorten (grote, kleine, kleinste en drijvende) heeft grote egelskop als enige een vertakte bloeistengel.

 

 

blonde egelskop

 

 

 

Algemeen

 

– egelskopfamilie (Asteraceae)
– overblijvende water-/oeverplant
– zeer algemeen tot vrij zeldzaam
– 30 tot 100 (180) cm

Bloem
– groen
– vanaf juni t/m september
– talrijke mannelijke hoofdjes
– 1 tot 4 vrouwelijke hoofdjes
– 1 tot 1,5 cm

Blad
– in 2 rijen
– enkelvoudig
– zwaardvormig
– top spits
– rand gaaf
– voet (half) stengelomvattend
– parallelnervig

Stengel
– rechtop
– kaal

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Groot spiegelklokje : Legousia speculum-veneris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de grote, paarse 5-tallige bloemen met
– kelkslippen ongeveer even lang als de kroonslippen en
– een onderstandig vruchtbeginsel, dat lijkt op een kantige steel

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Groot spiegelklokje is een eenjarig plantje van 10 tot 40 cm hoog, dat groeit op open, vochtige, kalkhoudende grond in graanakkers en open bermen. Ze staat op de rode lijst als ernstig bedreigd. Ze is ook te koop als tuinplant.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Groot spiegelklokje bloeit vanaf juni tot en met augustus met 5-tallige paarse bloemen, die samen een losbloemige pluim vormen. De cultuurplanten zijn vaak wit. De bloemen lijken op een lange, driekantige steel te staan, maar dat is het onderstandige vruchtbeginsel. De 5 kroonbladen zijn vergroeid en tot iets minder dan de helft gespleten. De kroonslippen van volledig geopende bloemen staan vlak af, zijn iets uitgerand en hebben een spitsje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Algemeen

 

klokjesfamilie (Campanulaceae)
– eenjarig
– zeer zeldzaam
– ook als tuinplant
– 10 tot 40 cm

Bloem
– paars
– vanaf juni t/m augustus
– gesteeld alleenstaand
– stervormig
– 15 tot 25 mm
– 5 kroonbladen, vergroeid
– 5 kelkbladen
– 5 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– langwerpig
– top spits
– rand zwak gekarteld
– voet (half)stengelomvattend of
aflopend
– kromnervig

Stengel
– rechtop
– weinig behaard
– kantig

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gewone melkdistel : Sonchus oleraceus

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– lichtgele bloemhoofdjes, die uitsluitend bestaan uit lintbloemen en
– de slappe grijsgroene bladeren met geoorde voet en stekelige rand

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewone melkdistel is een zeer algemeen voorkomende eenjarige plant, die groeit op open, vochtige, zeer voedselrijke, vaak omgewerkte grond in akkers, (moes)tuinen, braakliggende terreinen, bermen, tussen stoeptegels en langs stoepranden.

 

 

 

Bloem

 

Ze wordt 30 tot 90 cm hoog en bloeit vanaf juni tot in de herfst. De bloemhoofdjes bestaan uit talrijke lichtgele lintbloemen. De onderkant van de buitenste lintbloemen is vaak zilverig roodpaars. De bloemhoofdjes zijn ’s morgens geopend en in de middag sluiten ze zich weer.

 

 

 

Blad

 

De slappe stengelbladeren hebben afgeronde oortjes en zijn veerdelig, waarbij de eindslip meestal groter is dan de overige bladslippen. Ze zijn dof- of grijsgroen van kleur en soms wat paars aangelopen. De bladrand is golvend en stekelig getand. De bovenste bladeren zijn vaak ongedeeld met spitse, afstaande oortjes en bijna gaafrandig.

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

akkermelkdistel : heeft gele klierharen en stengelbladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

moerasmelkdistel : heeft zwarte klierharen en alle bladeren hebben een pijlvormige voet met spitse oortjes.

gewone melkdistel : geen klierharen, gedeelde bladeren met grote driehoekige eindlob en ongedeelde bovenste bladeren met spitse, afstaande oortjes.

gekroesde melkdistel : geen klierharen, stekelige, langwerpige bladeren met ronde, tegen de stengel aangedrukte oortjes.

 

 

De 4 melkdistels behoren tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

 

akkermelkdistel

 

 

 

 

moerasmelkdistel

 

 

 

 

gekroesde melkdistel

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– eenjarig
– zeer algemeen
– 30 tot 90 cm hoog

Bloem
– lichtgele lintbloemen
– vanaf juni tot in de herfst
– hoofdjes in een losse tros
– 1 tot 2 cm

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig tot veervormig   ingesneden
– top stomp
– rand (golvend) stekelig getand of   gaaf
– voet (half)stengelomvattend
– veer- of netnervig

Stengel
– rechtop
– glad of bovenaan met klierharen
– kantig tot rolrond

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Groot kaasjeskruid : Malva sylvestris

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
de grote (2,5 tot 4 cm) paarse, lila, roze of roodpaarse bloemen met donkere strepen op de kroonbladen en die met 3 tot 5 bij elkaar in de bladoksels staan

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Groot kaasjeskruid is een overblijvende, afstaand behaarde plant van 30 tot 120 cm hoog. Ze groeit op vochtige, voedselrijke, vaak omgewerkte grond aan dijken en in bermen. Ze is algemeen voorkomend en wordt ook uitgezaaid.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Groot kaasjeskruid bloeit vanaf juni tot in de herfst. Van de kaasjeskruiden heeft groot kaasjeskruid de grootste bloemen. De kroonbladen zijn 18 – 25 mm lang, 3 tot 4 maal zo lang als de kelkbladen.
De bloemen zijn zeer gevarieerd van kleur; van zacht lila tot donker roodpaars, zelden wit. Ze zijn gesteeld en staan met 2 tot 5 bij elkaar in de bladoksels. De 5 kroonbladen hebben een aantal donkere strepen in de lengte en een diep uitgerande top.

De meer dan 20 meeldraden zijn gedeeltelijk met elkaar buisvormig vergroeid en omsluiten de nog niet volledig ontwikkelde stijlen. Als de meeldraden zijn uitgerijpt, gaan ze hangen. Dan pas ontwikkelen de stijlen zich verder, komen tevoorschijn uit de koker en spreiden zich uit. Zelfbestuiving is hierdoor uitgesloten.

 

 

 

 

 

Blad

 

De bladeren zijn in omtrek rond tot niervormig en tot ongeveer 1/3 ingesneden. De onderste zijn duidelijk 7-lobbig, de bovenste 3 tot 5-lobbig. Bij de aanhechting van de bladsteel zit vaak een roodpaarse vlek.

 

 

 

 

 

Toepassing

 

Vanwege het hoge gehalte aan slijmstoffen kun je de bladeren en bloemen van groot kaasjeskruid gebruiken tegen hoest en als verzachtend middel tegen ontstekingen in de mond en de keel. Bij overmatig gebruik werkt het laxerend. Vroeger werd groot kaasjeskruid gegeten als groente, omdat ze een aantal belangrijke vitamines bevat.

 

 

 

 

 

Algemeen

 

kaasjeskruidfamilie (Malvaceae)
– overblijvend
– algemeen tot vrij zeldzaam
– ook uitgezaaid
– 30 tot 120 cm

Bloem
– paarslila tot rozerood, zelden wit
– vanaf juni tot in de herfst
– bundel
– stervormig
– 2,5 tot 4 cm
– 5 kroonbladen, niet vergroeid
– 5 kelkbladen, vergroeid
– 3 bijkelkbladen
– meer dan 20 meeldraden
– 5 tot meer dan 20 stijlen

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– handvormig ingesneden
– top stomp
– rand gekarteld
– voet licht hartvormig
– handnervig
– behaard

Stengel
– rechtop of opstijgend
– behaard

zie wilde bloemen

 

 

 

 

 

 

 

 

Grijskruid : Berteroa incana

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

.

.

.

.

Goed te herkennen aan
– de kleine witte bloemetjes,
– die in een dichte tros aan het einde van de stengel staan en
– de door beharing grijsgroene bladeren en stengels

.

.

.

.

Algemeen

.

Grijskruid is een 20 tot 50 cm hoge, eenjarige plant. Ze groeit op open plaatsen met matig voedselrijke, zandige grond in bermen, langs spoordijken, in de duinen, op industrieterreinen en in graslanden. Ze is vrij algemeen voor komend. Grijskruid wordt ook uitgezaaid.

.

.

.

.

Bloem

.

Grijskruid bloeit vanaf juni tot en met september met witte bloemetjes, die 4 gespleten kroonbladen hebben. De bloemen van grijskruid staan in dichte trossen aan het einde van de stengel.

.

.

.

.

Blad en stengel

.

Behalve op de kroonbladen hebben alle delen van de plant een dichte, aanliggende, stervormige beharing, wat de plant een grijsgroen uiterlijk geeft. De stengelbladeren staan verspreid aan de stengel, zijn lancetvormig met een stompe top en gave (soms getande) rand.

.

.

.

.

.

.

Vrucht

.

Tijdens de bloei worden de stengels langer en vormen zich onder de bloeiwijze langs de stengel elliptische, iets bolle, behaarde, rechtopstaande vruchtjes. In elke vruchtje zitten 6 tot 10 zaden.

.

.

.

.

Algemeen

kruisbloemenfamilie (Brassicaceae)
– eenjarig
– vrij algemeen tot zeldzaam
– ook uitgezaaid
– 20 tot 50 cm

Bloem
– wit
– vanaf juni t/m september
– dichte tros
– stervormig
– 8 tot 16 mm
– 4 gespleten kroonbladen
– niet vergroeid
– 4 behaarde kelkbladen
– 6 meeldraden
– 1 stijl

Blad
– verspreid
– enkelvoudig
– lancetvormig
– top stomp
– rand gaaf of iets getand
– 1-nervig
– behaard

Stengel
– rechtop
– behaard
– rolrond

zie wilde bloemen

.

.

.

.

.

.

De Judaspenning

Standaard

Categorie: kamerplanten en bloemen

.

.

.

.

De Judaspenning

.

De judaspenning (Lunaria annua) is een tweejarige, 50-80 cm (soms tot 100 cm) hoge plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae). De vaste judaspenning (Lunaria rediviva) lijkt op de judaspenning, maar heeft langwerpige in plaats van ronde zaaddozen.

.

.

.

.

Botanische beschrijving

.

De bovenste bladeren zijn zittend of zeer kort gesteeld, de onderste zijn gesteeld. De bladeren zijn grof gekarteld, en ei- tot hartvormig.
De bloemen zijn reukloos en 2,5-3 cm groot. De kleur van de bloemen wordt omschreven als paars, mauve of wit. De bloemen zijn gegroepeerd aan de top van de rechtopstaande stengel. De bloeitijd loopt van april tot in juni.
De hauwtjes zijn bijna rond. De vruchten zijn plat en 3-6 cm groot.
De plant is aantrekkelijk voor vlinders. De plant ontsnapt vaak uit tuinen en groeit dan langs bosranden, bij heggen, en in wegbermen. De plant heeft een voorkeur voor zonnige tot licht beschaduwde standplaatsen.

.

.

zaaddozen

.

.

Verspreiding

.

De plant is afkomstig uit Zuidoost-Europa. In zowel België als Nederland is de soort algemeen vanuit tuinen verwilderd aanwezig, iets wat ook voor andere delen van Midden- en West-Europa geldt.

Er zijn verschillende cultivars ontwikkeld:
Lunaria annua ‘Alba Variegata’
Lunaria annua ‘Albiflora’
Lunaria annua ‘Atrococcinea’
Lunaria annua ‘Munstead Purple’
Lunaria annua ‘Sissinghurst White’
Lunaria annua ‘Variegata’

  • Hoogte: 50 tot 100 cm.
  • Standplaats: volle zon.
  • Zaaien: V t/m begin VII. Kiemtijd 14 – 21 dagen. Lichtkiemer. Zaden dus nauwelijks bedekken. Verplanten in de zomer en uitplanten op 30 cm in oktober of voorjaar.
  • Bloei: vanaf half IX t/m X.
  • Kenmerken: Trekt vlinders aan. Een tweejarige plant die zijn naam dankt aan de zaaddozen die op penningen lijken.

 

.

.

zaden

.

.

EIGENSCHAPPEN

.

Hoogte: 50 – 100 cm
Kleur: wit tot donker paars
Winterhard: Ja
PH: Neutraal
Vochtigheid: Normaal
Licht: Zon halfschaduw
Evergreen: Bladverliezend
.
.

witte Judaspenning

.

.

.

.

Gewoon biggenkruid : Hypochaeris radicata

Standaard

categorie : kamerplanten en bloemen

 

 

 

 

 

Goed te herkennen aan
– de paardenbloem-achtige bloemhoofdjes, waarvan de buitenste lintbloemen aan de onderkant blauwachtig grijs gestreept zijn en
– de brede, driehoekige, afgeronde eindslip van de bladeren en
– de vertakte, bladerloze bloeistengels, die onder het hoofdje iets verdikt zijn

 

 

 

 

 

Algemeen

 

Gewoon biggenkruid is een zeer algemeen voorkomende, overblijvende plant, die groeit op droge tot vochtige, voedselrijke, open grond in graslanden en bermen, op dijken en langs heiden.

 

 

 

 

 

Bloem

 

Ze wordt 15 tot 60 (80) cm hoog en bloeit vanaf juni tot en met september met gele paardenbloem-achtige bloemhoofdjes. Ze zijn de hele dag geopend, in tegenstelling tot de hoofdjes van glad biggenkruid, die maar een paar uur per dag geopend zijn. De bloemhoofdjes bestaan uitsluitend uit gele lintbloemen. De buitenste lintbloemen hebben aan de onderkant een blauwachtig grijze streep. De middennerf van de omwindselblaadjes is borstelig behaard.

 

 

 

 

 

Blad en stengel

 

De bladeren staan allen in een rozet, voelen stevig aan en zijn vrij stijf behaard. Soms hebben ze ook ruwe bobbeltjes. Ze zijn ongesteeld, diep ingesneden tot bochtig getand, van boven grasgroen en van onderen blauwgroen. De eindlob is breed, driehoekig en afgerond. De vertakte, blauwgroene stengels hebben geen bladeren, maar soms wel een aantal schubvormige bladeren. Alleen onderaan zijn de stengels verspreid borstelig behaard. Onder het hoofdje is de stengel nauwelijks verdikt; er is nog een duidelijke overgang tussen stengel en omwindsel. Bij vertakte leeuwentand verloopt de overgang veel geleidelijker en is de stengel bovenaan meer verdikt.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vergelijkbare soorten

 

gewoon biggenkruid : lintbloemen ver buiten het omwindsel, onderkant buitenste lintbloemen blauwachtig grijs.

glad biggenkruid : lintbloemen nauwelijks buiten het omwindsel, onderkant buitenste lintbloemen geel.

 

.

 

 

 

 

 

vertakte leeuwentand : onderkant buitenste lintbloemen rood.

 

 

 

 

 

Gewoon biggenkruid behoort tot de gele composieten met uitsluitend lintbloemen; de groep met grote of kleine paardenbloem-achtige bloemhoofdjes.

 

 

 

Algemeen

 

composietenfamilie (Asteraceae)
– overblijvend
– zeer algemeen
– 15 tot 60 (80) cm

Bloem
– geel
– juni t/m september
– hoofdje, bestaande uit lintbloemen
– 2 tot 4 cm

Blad
– rozet
– enkelvoudig
– langwerpig tot lancetvormig
– top stomp
– rand bochtig getand
– voet steelachtig versmald
– veernervig
– stijf behaard

Stengel
– rechtop
– onderaan verspreid behaard
– rolrond

zie wilde bloemen