Category, categorie: The Bible explained/De Bijbel uitgelegd: video
.
.
Psalm 139 • Search me, o God, and know my heart
.
Psalmen 139 . Zoek mij, o God, en ken mijn hart
.
Paul LeBoutillier
.




Toen God Job tot het besef van Zijn almacht en wijsheid wilde brengen, koos Hij als voorbeeld de struisvogel (Job 39: 16-21). Dat lijkt vreemd omdat het juist deze vogel aan wijsheid ontbreekt. De struisvogel is de grootste, en waarschijnlijk ook sterkste van alle vogels, maar hij kan niet vliegen.
Job 39: 16-21
16 Heb jij de pauwen hun prachtige veren gegeven?
Of vleugels aan de ooievaars en struisvogels?
17 Een struisvogel legt haar eieren gewoon in de grond
en laat het aan het warme zand over om ze uit te broeden.
18 Ze vergeet dat iemand ze zou kunnen vertrappen
en dat de wilde dieren ze zouden kunnen opeten.
19 Ze behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar zijn.
Het maakt haar niet uit als ze voor niets eieren heeft gelegd.
20 Want Ik heb haar geen wijsheid gegeven.
Ik heb haar nu eenmaal niet verstandig gemaakt.
21 Wanneer ze van de grond opstaat,
rent ze sneller dan paarden en ruiters en lacht hen uit.
Daaruit mogen wij niet concluderen dat hij een ontwikkeling tussen reptiel en vogel is. Hij is een vogel met grote slagpennen, die hij gebruikt bij het wegrennen. Met een topsnelheid van ca. 100 km per uur is hij sneller dan een antilope. Je zou denken dat hij niet te vangen is, zeker als je ook denkt aan zijn scherpe gezichtsvermogen en voorzichtigheid.
Maar als tegenbewijs vinden wij hem in bijna elke dierentuin. Hoe komt dat? Een voorbeeld van zijn gebrek aan wijsheid: in plaats van rechtuit te rennen loopt hij in een grote cirkel. De struisvogel is een bewoner van woeste plaatsen, en kan, evenals een kameel, lange tijd zonder water.
Hij is alleseter en lust zowel dierlijk- als plantaardig voedsel. Daarom werd hij voor de Israëlieten onrein verklaard (Deuteronomium 14: 15). Zodra het vrouwtje haar eieren in een nestholte op de grond heeft gelegd, zorgt zij er niet meer voor. Het mannetje moet dan de verantwoordelijkheid overnemen.
Deuteronomium 14: 15
11 Alle reine vogels mogen jullie eten. 12 Maar de volgende vogels mogen jullie niet eten: arenden, haviken, zeearenden, 13 wouwen, alle soorten gieren 14 en alle soorten kraaien. 15 Ook geen struisvogels, koekoeken en alle soorten sperwers.
’s Nachts zit hij op de eieren, om ze warm te houden en tegen jakhalzen te beschermen, maar overdag laat hij de eieren vaak onder een laag zand liggen, om door de zon verwarmd te worden. Vroeger waren struisvogels een algemeen verschijnsel van Noord-Afrika tot in Mesopotamië. Dit blijkt uit het boek Job maar ook uit die van Jes-aja en Jeremia. Deze profeten beschrijven het verwoeste Babel o.a. als een woonplaats voor struisvogels (Jesaja 13: 21-22; Jeremia 50: 39-40), om een treffend beeld van haar verlatenheid te geven.
Jesaja 13: 21-22
21 Er zullen alleen jakhalzen wonen. In de huizen zullen uilen wonen. Er zullen struisvogels lopen en duivelse geesten rondspringen. 22 In de burchten en prachtig versierde paleizen zullen allerlei wilde dieren wonen. Bin-nenkort gaat dit gebeuren. De dagen van Babel zijn geteld.”
Jeremia 50: 39-40
39 Daarom zullen er voortaan woestijndieren, jakhalzen en struisvogels in dat land leven. Er zal geen mens meer wonen. Voor eeuwig zal het onbewoond blijven. 40 Het zal net zo onbewoond blijven als Sodom en Gomorra met de steden daar omheen die Ik vernietigd heb, zegt de Heer.
Hierop doelt waarschijnlijk ook de engel in Openbaring, wanneer hij de val van het geestelijke Babel uitroept en het “een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte” noemt (Openbaring 18:2). Maar een mens kan zich ook zo verlaten voelen, zoals Job ervoer in zijn ellende. “Een broeder van jakhalzen ben ik geworden, en een met-gezel van struisvogels” (Job 30: 29).
Een struisvogel loopt heen en weer met een trotse blik en statige houding, alsof hij wil zeggen dat hij de koning van de vogels is. Het lijkt een goed beeld van de mens “die met al zijn praal geen inzicht heeft” en daarom “gelijk is aan de beesten, die vergaan” (Psalm 49: 21).
Wij moeten daarom zorgen dat wij hemelse wijsheid verkrijgen om het rechte spoor te gaan. “Want de Here geeft wijsheid, uit zijn mond komen kennis en verstandigheid; Hij bewaart hulp voor de oprechten, Hij is een schild voor wie onberispelijk wandelen, terwijl Hij waakt over de paden van het recht, en de weg zijner gunstgenoten be-schermt.” (Spreuken 2: 6-8).
Dat volgende geslacht zou er dan weer op eigen manier mee kunnen werken: opnieuw verklaren en eigen erva-ringen doorgeven. Als dat waar is, moeten we rekening houden met menselijke fouten in de Bijbel. Bij deze op-vatting wordt de Bijbel een feilbaar boek. Een boek waarop je kritiek kunt hebben, zoals op ieder ander boek. Een boek, waarin de verschillende schrijvers elkaar dan ook tegenspreken. En de vraag die daaruit volgt is dan natuurlijk:
Wat is er eigenlijk waar in het boek, dat zichzelf aandient als het Woord van God ?
In het begin van de Bijbel kunnen we lezen over de schepping van de mens en van de wereld en over de opstand van de mens tegen God. Er zijn veel mensen die zeggen, dat dat niet echt gebeurd is. Ze beweren zelfs dat in de eerste elf hoofdstukken van het boek Genesis volksverhalen worden verteld, maar dat de werkelijke geschied-schrijving pas begint als het gaat over Abraham. Maar ook als het over feiten gaat in de geschiedenis, zou de Bij-bel niet betrouwbaar zijn. Er zouden veel vergissingen gemaakt zijn door de schrijvers van de Bijbel.
Zij hebben eigen voorstellingen vaak doorgegeven alsof het gedachten van God waren. Er zijn talloze voorbeel-den aan te halen op basis waarvan de mens van vandaag de Bijbel eerder ziet als een sprookje, dan als het Woord van God. Volgens velen is de Bijbel daarom een feilbaar, menselijk boek. Wat erin vertelt wordt is niet echt ge-beurd, maar je kunt er wel lering uit trekken.
Jezus heeft nooit over de Bijbel gesproken zoals we dat in het voorgaande hebben weergegeven. Hij kende het Oude Testament precies zo als wij. Toen Jezus leefde was het Oude Testament al bekend in de vorm die wij nu nog kennen. Jezus heeft dat Oude Testament aanvaard in z’n geheel als het Woord van God. Hij citeert vaak het Oude Testament of noemt de naam van (Mat th.8 : 4) een schrijver: Mozes, Jesaja.
De schrijvers zijn voor Hem even gezaghebbend als wanneer Hij zegt:
‘Er (Matth. 4: 4) staat geschreven’ of ‘De Schrift (Matth. 21: 42) zegt’.
Voor Jezus is er geen tegenstelling tussen God als auteur van de Bijbel en de mens die door God wordt ingescha-keld. Als Jezus uit het Oude Testament citeert, citeert Hij de woorden van de schrijvers als de Woorden van God. Christus heeft eerbied voor de Bijbel als het Woord van God. Jezus dacht aan het hele Oude Testament, toen Hij zei:
‘Uw (Joh.17: 17) Woord is de waarheid!’
Jezus en Zijn discipelen staan nooit kritisch tegenover de inhoud van het Oude Testament. Zij hebben die inhoud in zijn geheel en zonder voorbehoud aanvaard. Ook de geschiedkundige gedeelten.
De kritische geluiden over de juistheid van de Bijbel zijn niet terecht. Jezus heeft de eerste hoofdstukken van Ge-nesis heel duidelijk als waar gebeurde geschiedenis aanvaard. Hij (Matt 9:4) zegt:
‘Hebt gij niet gelezen, dat de Schepper hen van de beginne als man en vrouw heeft gemaakt?’
En (Rom.5:12-15) Paulus:
‘Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen zo is ook door één mens, Jezus Christus, de redding tot stand gebracht’ .
Wie het bestaan van Adam niet erkent, trekt daarmee ook het bestaan en het werk van (1 Cor. 15:45) Jezus, de tweede Adam, in twijfel. De schrijvers van de Bijbel dragen niet hun ideeën en voorstellingen uit. God zelf spreekt zo. Dat slaat ook op het zogenaamde verouderde wereldbeeld. Wat in de Bijbel te lezen staat is het Woord van God.
Pasteltekening van John Astria
Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is.’
God Laat Mozes dat later ook verklaren:
‘Neemt u er dan terdege voor in acht want gij hebt generlei gedaan te gezien op de dag dat de Here op Horeb tot u sprak uit het midden van het vuur dat gij niet verderfelijk handelt door u een gesneden beeld te maken in de gedaante van enige afgod: een afbeelding van een mannelijk of vrouwelijk wezen; een afbeelding van een of ander dier op de aarde; een afbeelding van een of ander gevleugeld gevogelte, dat langs de hemel vliegt; een afbeelding van een of ander gedierte, dat op de aardbodem kruipt; een afbeelding van een of andere vis, die in het water onder de aarde is; en dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels, aanziet en u Iaat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen.’
In dit (Deut.4:15-19) gedeelte wordt ons duidelijk wat er bedoeld wordt met de uitdrukking: in de hemel, op de aarde en onder de aarde. Het gaat hier gewoon om het luchtruim met de sterren, de aarde en om het water dat nu eenmaal lager ligt dan de aarde. In de Bijbel schrijft God in een taal die Zijn volk dagelijks gebruikt. Het taalge-bruik in de Bijbel is te vergelijken met ons eigen taalgebruik. In ons taalgebruik van iedere dag zeggen wij ook dingen die niet met de natuurkundige werkelijkheid overeenkomen. Ook wij zeggen: de zon komt op en de zon gaat onder. Ook wij schrijven en spreken over de hemel boven ons en over het water dat lager ligt dan de aarde.
Een voorbeeld uit het Nieuwe Testament (Hand.27: 27). Als er staat dat het scheepsvolk vermoedde, na de schip-breuk, dat er land naderde, zullen zij net zo min als wij in ons hedendaags taalgebruik, bedoeld hebben dat het schip stillag en het land op ze toekwam. De Bijbel spreekt geen wetenschappelijke taal. Gelukkig maar. De Bijbel is een boek voor mensen en geschreven in de taal van gewone mensen. De Bijbel gebruikt de taal van de mensen van toen, hun gewone omgangstaal.
De Bijbel is het onfeilbare Woord van God. Daarvoor zijn er geen bewijzen. Na het voorgaande is het wel duidelijk dat veel van wat fouten in de Bijbel genoemd worden, vanuit de Bijbel zelf te weerleggen zijn. Van het Oude en van het Nieuwe Testament geldt beide:
‘Nooit is een profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken!’
De Bijbel is het betrouwbare Woord van God: Dát staat in de Bijbel zelf. Wij mogen er van overtuigd zijn dat dat woord door God gesproken is en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze aan ons is overge-bracht. Er valt geen enkele rechtmatige grond te ontlenen aan de Bijbel om te spreken van een feilbare overle-vering, die wij van de menselijke factor moeten ontdoen. De Bijbel is betrouwbaar, daar mag je zeker van zijn.


Genealogie is de geschiedkundige studie die zich bezighoudt met voorouderonderzoek dan wel de afstamming van de familienaam. Door de Bijbel heen zijn Bijbelcodes gebaseerd op allerlei alledaagse dingen, waaronder na-men en genealogieën. Laten we meteen maar toegeven dat dergelijke lijsten op het eerste gezicht erg saai lijken. Maar wanneer we vooruitgang boeken zul je zien dat Bijbelse namen en genealogieën niet alleen belangrijk zijn als bevestiging van de historische en culturele waarheid van de Bijbel, maar dat zij ook beladen zijn met inzicht, betekenis en soms zelfs een bovennatuurlijk ontwerp.
De eerste genealogie die we in de Bijbel aantreffen gaat van ADAM naar NOACH (Genesis 5). Deze genealogie zal door de hele Bijbel heen (Oude en Nieuwe Testament) om verschillende redenen belangrijk blijken. Men zou kunnen aantonen dat via dit artikel de Bijbel ontworpen is door een schepper. Dit bewijs is gebaseerd op de Hebreeuwse oorsprong van deze chronologisch op elkaar volgende namen namen.
ADAM: adomah betekent “man”. Dit is absoluut logisch, omdat hij de eerste mens was.
SET betekent “toegewezen” of “gegeven”. Eva zei: “God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven”.
ENOS betekent “sterfelijk”, “broos” of “miserabel”, en werd gebruikt in de context van diepe rouw, ziekte, misère of ellende. In de dagen van Enos begon de mens God te onteren.
KENAN betekent “verdriet”, “requiem” of “elegie”. Nogmaals, dit was een zwarte bladzijde in de geschiedenis en ouders kozen vaak namen voor hun kinderen die verwezen naar de omstandigheden tijdens de geboorte.
MAHALALEL: mahalal betekent “gezegend” of “lof” en El was de naam voor God. Daarom betekent Mahalel traditioneel “de gezegende God” (opmerking: je zult zien dat veel Hebreeuwse namen het woord El bevatten, zoals Dani-el, “God is mijn rechter”, en Nathani-el, “Geschenk van God,” enzovoorts).
JERED: yaradh betekent “zal neerkomen”. Veel schriftgeleerden geloven dat dit afkomstig is uit de tijd waarin de “zonen van God” (gevallen engelen) op aarde “neerkwamen” om de dochters van de mensen te onteren (gemeenschap met vrouwen), wat resulteerde in de zogenaamde Nephilim (de nakomelingen).
HENOCH betekent “onderwijzen” of “aanvang”. Later in de Bijbel leren we dat Henoch de eerste was van vier generaties priesters.
METUSELACH: muth betekent “dood” en shalach betekent “brengen” of “voortbrengen”. Daarom betekent zijn volledige naam “zijn dood zal brengen”.
LAMECH (waarvan de stam nog steeds te zien is in ons woord “lamenteren”) betekent hier in de Hebreeuwse context “wanhopend”.
NOACH: nacham betekent “verlossing bieden” of “troost”.
Als we dit alles nu op een rijtje zetten, dan vinden we:

Is het mogelijk dat Gods reddingsplan voor de mens al meteen hier in het begin van de Bijbel gevonden kan wor-den?
“(De) Mens (is) sterfelijk verdriet toegewezen; (maar) de gezegende God zal neerkomen (om te) onderwijzen (dat) Zijn dood rust zal brengen (aan) de wanhopenden.”
Natuurlijk zullen sommigen beargumenteren dat deze Bijbelcode de oorspronkelijke betekenis van de Hebreeuw-se stamwoorden uitrekt, zodat ze overeenstemmen met het Nieuwe Testament. Anderen zouden kunnen beargu-menteren dat dit alles pas achteraf werd verzonnen. Maar je kunt ons er niet van overtuigen dat een groep Jood-se rabbijnen met opzet probeerde een samenvatting van het christelijke Evangelie te verbergen op deze plek in het begin van de Bijbel, in de genealogie van hun zo dierbare Thora.


.
.


In tegenstelling tot onszelf opereert God niet op een lineaire tijdbalk. Hij is alziend en almachtig. Hij weet wat er was, wat er is, en wat nog zal komen. En dat allemaal op hetzelfde moment! Het is voor het menselijke verstand moeilijk te bevatten. En toch heeft de Heer, om ons te helpen, ons profetie gegeven om ons te bemoedigen en ons een glimp te geven van Zijn plannen, Zijn oordelen en Zijn zegens.
In Openbaring 1:3 zegt Hij: “Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich hou-den aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij.”
Maar profetische verzen zijn door de hele Bijbel heen te vinden. Gods eerste profetische verkondiging vinden we in Genesis 3:15, wanneer Hij Satan aanspreekt over zijn verleiding van Eva. Sommige profetieën voorspellen de opkomst en ondergang van koninkrijken.
Een groot aantal van de profetieën in het Oude Testament wordt Messiaanse profetie genoemd; deze profetieën hebben betrekking op de komende Messias. Deze Schriftteksten zijn een overtuigende bevestiging van de nauw-keurigheid van de Bijbelse profetieën. Hier volg slechts een greep uit de honderden profetieën:
De vier Evangeliën in het Nieuwe Testament staan vol vervullingen van deze Messiaanse Profetieën door Jezus Christus. Zij voorspelden niet alleen (met 100% nauwkeurigheid) Zijn eerste komst om voor onze zonden te beta-len, maar verhalen ook over Zijn tweede komst (de “wederkomst“) om als Koning der Koningen te heersen (Openbaring 19:11-16).
Veel mensen denken dat profetieën mysterieus en onwerkelijk zijn. Om te begrijpen wat profetie precies inhoudt en voor ons vandaag de dag betekent, moeten we ons bewust zijn van het werkelijke bereik van de profetieën en de bedoeling van God. Profetie verbindt het verleden, het heden en de toekomst van de mensheid en geeft ons zo een balans van Gods complete en eeuwige doel.
WAT DENK JIJ?
Wij hebben allemaal gezondigd en verdienen allemaal Gods oordeel. God, de Vader, stuurde Zijn eniggeboren Zoon om dat oordeel op Zich te nemen voor iedereen die in Hem gelooft. Jezus, de Schepper en eeuwige Zoon van God, die Zelf een zondeloos leven leidde, hield zo veel van ons dat Hij voor onze zonden stierf om zo de straf op Zich te nemen die wij verdienen. Volgens de Bijbel werd Hij begraven en stond Hij op uit de dood. Als jij dit werkelijk gelooft, er in je hart op vertrouwt en alleen Jezus als je Redder aanvaardt door te zeggen: “Jezus is de Heer”, dan zul je van het oordeel gered worden en de eeuwigheid met God in de hemel doorbrengen.
Bidden is iets vragen aan God. Je moet dan natuurlijk wel geloven dat er een God en dat Hij bestaat. En je moet ook geloven, dat God naar je wil luisteren en al evenzeer geloven, dat Hij ook kan doen, wat je vraagt.
Bidden kun je leren. De discipelen, die in hun joodse opvoeding toch echt wel hadden leren bidden, zagen in de omgang van de Here Jezus met Zijn Hemelse Vader iets wat ze niet kenden. Dat bracht hen tot de vraag: “Here, leer ons bidden”. En Jezus leerde hun een gebed.
Ook wij mogen bidden leren. God wil gebeden zijn. Dus laten we werk maken van het gebed. In ons persoonlijk leven en in ons gemeenteleven mag gebed een centrale plaats innemen. Om met elkaar te ontdekken wat bidden nu eigenlijk is en hoe we dit vorm kunnen geven is deze studie van de Bijbel een geweldig middel.
Veel mensen zeggen dat bidden onzin is. Bidden is ook onzin als je niet gelooft dat God bestaat. Bidden is ook onzin als je wel gelooft dat er een wezen bestaat dat God genoemd wordt, maar niet wilt aannemen dat Hij zich nog met ons bemoeit.
Geloven in God en geloven dat Hij naar je luistert is niet vanzelfsprekend. Het is moeilijk te begrijpen als je be-denkt dat er op hetzelfde ogenblik talloze mensen bidden en in vele talen. Eén ieder met zijn eigen problemen, moeiten en vragen.
Als je aanvaardt dat God al die gebeden kan horen, moet je geloven in een God die dat allemaal kan en die alles weet. Je moet dus geloven dat Hij almachtig en alwetend is. En als je wilt aannemen dat Hij naar je wil luisteren, moet je geloven dat Hij van je houdt en je liefheeft.
Bidden is erkennen dat je hulp nodig hebt. Je kunt het zelf niet meer. Je kunt niet meer op eigen benen staan, je eigen boontjes doppen. Je bent niet meer eigen baas. Bidden is jezelf afhankelijk erkennen. Veel mensen bidden niet meer. Wie niet gelooft dat God wil horen, wil helpen, kan helpen, kan ook niet bidden.
In de Bijbel wordt veel over het bidden gesproken en over mensen die bidden. De Bijbel spreekt over bidders die krijgen, waar zo om vroegen, die verhoord worden en over bidders die wel bidden, maar niet ontvangen waar ze om vroegen, die niet verhoord worden. Mag je daaruit concluderen, dat bidden soms wel, soms niet helpt? Lees eens mee wat er staat in Lucas 11 : 5-13. Jezus Christus zelf spreekt over het bidden. Hij doet heel merkwaardige uitspraken :
‘Bidt en u zal gegeven worden’.
Ieder die bidt, ontvangt. Wat je vraagt, dat krijg je. Dat lijkt nogal in tegenspraak met de feiten. Meestal lijkt bid-den niet veel uit te halen. Je kunt bidden om beterschap. Gebeurt het dan ook altijd? Je kunt bidden om werk. Heb je dat dan meteen de volgende dag? En als je geen verhoring kreeg op je gebed, heeft God je dan niet ge-hoord? En stel dat je wel werk kreeg, was dat dan het gevolg van je gebed?
Jacobus, waarschijnlijk een broer van Jezus en leider van de christelijke gemeente in Jeruzalem, schrijft daarover in het boek Jacobus 1 : 5-8.
5 Als u wilt weten wat God van u verwacht, vraag het Hem en Hij zal het u graag vertellen. Want Hij staat altijd klaar om ieder die Hem daarom vraagt, voldoende wijsheid te geven; Hij zal het u niet kwalijk nemen.
6 Maar als u Hem erom vraagt, moet u ook verwachten dat Hij het zal geven. Iemand die twijfelt, lijkt op een golf van de zee, die door de wind heen en weer gejaagd wordt.
7 Zo iemand moet niet denken dat de Here hem iets zal geven,
8 als hij twijfelachtig is en onzeker in zijn optreden.
In de eerste plaats is het belangrijk om niet te twijfelen aan God zelf.
‘Want wie tot God komt moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken’. (Hebr. 11 : 6).
In de tweede plaats ook niet twijfelen aan het horen van God. God wil altijd luisteren ook al vind je jezelf nog zo’n slecht mens. Bidden met de gedachte van “Baat het niet, het schaadt ook niet” is niet echt bidden. We moeten vast geloven dat God luistert, dat Hij elk gebed hoort. Er niet aan twijfelen dat Hij helpen kan en wil.
De Bijbel zegt dat we niet te gauw moedeloos moeten worden. We moeten blijven bidden en blijven zoeken. Je-zus vergelijkt (Matth. 7 : 7-12; zie ook Luc. 11 : 1-13) het bidden met zoeken en met het kloppen op een deur tot je wordt opengedaan en ontvangt. Jezus vertelt daarover een verhaal, een gelijkenis zoals dat in de Bijbel heet. (Luc. 18 : 1-8). Hij zegt dat als zelfs een onrechtvaardig, een slecht mens tenslotte toch luistert, dan zal God toch zeker horen, als we erg veel van Hem verwachten.
De Bijbel vertelt ook over gebeden die niet verhoord worden, hoewel God de gebeden wel gehoord heeft. Paulus, een gezondene door Jezus Christus om het evangelie te verkondigen (een apostel genoemd) schrijft over een ge-bed van hem dat niet werd verhoord in 2 Cor. 12 : 7-9.
Hij heeft een geweldige ervaring gehad, hij is in het hemelse paradijs geweest. Zelf weet hij niet of dat nu werke-lijk of in een soort visionaire toestand gebeurde. Hij hoorde woorden die hij niet verder vertellen mag. Iets om behoorlijk trots op te zijn. Maar om hem klein te houden krijgt hij een doorn in het vlees.
Hij zegt niet wat dat nou precies is, maar misschien was het iets als een ooglijden. Paulus bidt driemaal of God die doorn weg wil nemen. Het gebeurt niet. God zegt tegen hem: ‘Mijn genade is genoeg voor u’. Dat betekent: Mijn liefde, waarmee God de schuld van de zonde vergeeft, moet genoeg zijn.
Mozes, de leider uit het Oude Testament, heeft iets dergelijks ervaren (Deut. 3 : 23-28 en Num. 20 : 7-13). Omdat Mozes ongehoorzaam was geweest, mag hij van God het land dat de Israëlieten beloofd was niet binnengaan. Hij vindt dat heel erg. Daarom vraagt hij of hij niet toch het beloofde land mag binnentrekken. Maar God zegt: ‘spreek Mij over deze zaak niet meer’ .
Het gebed van Mozes is door God wel gehoord, maar Hij doet niet wat van Hem gevraagd wordt. Soms zegt God al van te voren dat een gebed niet verhoord zal worden. Hij verbiedt dan zelfs het bidden ( zie Jer. 14 : 7-12 en 15: 1).
Als je het gebed ziet als een middel om over God naar je eigen inzichten te kunnen beschikken, zal er zeker geen verhoring komen op je gebed. En bidden helpt ook niet als je het beschouwt als een middel dat ook wel eens te proberen zou zijn.
In de Bijbel staan veel gebeden. Als je die gebeden eens aandachtig leest, zijn er een paar dingen die telkens sterk opvallen. Dikwijls bidt men om vergiffenis en verlossing. In de Psalmen 25 bidt de dichter om verlossing, maar hij begint daar niet mee.
Blijkbaar is er iets dat de dichter nog meer beangstigt dan de haat van zijn vijanden. Zijn eigen schuld, zijn eigen zonde benauwt hem veel meer . Zonde, dat is niet doen wat God zegt en juist wel doen wat God verbiedt.
Daarom gaat zijn gebed om vergeving van de zonde voorop. Hoewel hij er vast van overtuigd is, dat God zijn ge-bed verhoren wil, vindt hij dat kennelijk toch niet zo’n vanzelfsprekende zaak.
Bidden is wikken en wegen. Ook overwegen en afwegen welke de juiste dosis is van de barmhartigheid en de rechtvaardigheid in de wereld en in ons eigen leven. Bidden is bekommerd zijn dat de naam van God zou gehei-ligd worden en dat zijn wil zou geschieden op de aarde als in de hemel.
Als wij niet bidden zal het verkeerd lopen met de schepping, met de wereld en met ons eigen leven. Sommige mensen hebben een zeer eenzijdige en oppervlakkige opvatting van bidden. Voor hen is bidden enkel vragen. Zij vragen dan meestal dingen in hun eigen belang en voordeel.
Tot in het bidden toe zijn ze nog met zichzelf bezig. Bidden is meeleven met God die de Schepper is en dus mee-leven met heel zijn schepping en mee bezorgd zijn opdat het goed zou zijn in de wereld.
Het gebed is er om ons los te maken van onszelf, om ons open te maken voor God en de wereld, voor Christus en de mensen. Mensen die niet bidden riskeren eng en enggeestig, klein en kleinzielig te worden. Bidden verruimt onze horizon en leert ons leven op de maat van God.