Tagarchief: lijden

Maria von Mörl

Standaard

categorie : religie

.

.

Maria von Mörl , volledige naam Maria Theresia van Mörl zu Falzes en Sichelburg (geboren op 16 oktober 1812 in Caldaro , † 11 januari 1868), was een gestigmatiseerde mysticus. 

.

.

.

.

Herkomst en jeugd 

.

Ze werd in 1812 in Caldaro geboren als de oudste dochter van tien kinderen. Haar ouders waren de landeigenaar Joseph Ignaz von Mörl zu Phalzen en Sichelburg (een van de oudste Zuid-Tiroolse adellijke families) en zijn vrouw Maria Katharina Sölva. Vanaf haar vijfde jaar was ze ziekelijk. Toen ze zeven werd hielp ze met vaardigheid in het huishouden van haar religieuze moeder, terwijl de vader het landgoed verwoestte door achteloosheid. Verschillende biografen melden dat wanneer haar vader ’s avonds in een dronken toestand thuiskwam, hij haar zonder reden uit bed gooide en sloeg.

Op de leeftijd van 9 sloeg haar vader Maria zo hard dat ze bloed begon over te geven en werd ze geplaagd door stekende pijn. Na herstel werd ze op 14-jarige leeftijd naar Cles op de Nonsberg gestuurd om Italiaans te leren. Een jaar later werd ze naar Caldaro teruggeroepen omdat haar moeder was gestorven en haar jongste broer slechts 3 maanden oud was.

Maria een onopvallend meisje, ze wijdde haar vrije tijd aan het gebed terwijl ze erg bleef rouwen om haar overleden moeder. Op 17-jarige leeftijd werd ze ongeneeslijk ziek. Op advies van de geestelijkheid bleef ze in het huis van haar vader wonen. Haar levensonderhoud werd betaald op aanbeveling van haar biechtvader van de zogenaamde Haller- garnaal.

.

.

.

Maria von Mörl, aquarel door Luigi Gonzaga Giuditti naar Louis Gaston de Ségur, 1846

.

.

Het leven als een gestigmatiseerde mysticus 

.

Maria von Mörl koos de docent P. Johannes Kapistran Soyer, die in het Franciscaner klooster van Caldero werkte, als biechtvader. Zij vertrouwde zichzelf  tot het einde van haar leven aan hem toe. Hij hield een dagboek bij van haar leven, dat de basis werd van haar eerste biografie. Met zijn steun werd ze in het geheim toegelaten tot de Derde Franciscaanse Orde.

Na de leeftijd van 19 ervoer ze steeds extatischere toestanden. Na het ontvangen van de Heilige Communie bleef ze uren in stille extase zitten, knielend of zwevend in haar bed, zoals op vele foto’s te zien is. Ze leed vaak aan pijnlijke, van nature onverklaarde fysieke en emotionele aanvallen.

Maria leed meermaals aan een vorm van exorcisme. Het gebeurde dat ze paardenhaar, nagels en naalden at die ze later dan uitspuwde. Ook probeerde ze zichzelf uit het raam te gooien. Hier zien we dat de duivel functioneert als onderdeel van het heilsplan: hij zet mensen aan tot zware beproevingen, maar als ze het volhouden zijn ze zoveel dichter bij hun redding. Soms kreeg ze na de inname van de Heilige Communie vreselijke kwellingen te wijten aan demonen die haar lichaam innamen.

Pater Johannes Kapistran Soyer was de enige die haar uit haar extatische toestand kon verlossen. Hij geselde haar tot haar bloed tegen de muren spatte. Omdat haar toestand leek te worden veroorzaakt door demonische martelingen, was zo’n straf logisch, gezien de context van hoe men in die tijd dacht over mystiek.

Volgens theoloog Nicole Priesching waren geseling en zelfmarteling niet alleen een poging om één te worden met het lijden van Christus, maar ook een manier om boete te doen voor haar vader en voor de wandaden van anderen in het algemeen. In 1834 ontving ze de tekens van Christus op handen en voeten. Elke vrijdag leek ze getuige te zijn van de passie van Christus. Ondanks alles werd Maria beschreven als een aanhankelijke, eenvoudige en gelukkige vrouw.

Hoewel ze lid was geweest van de Franciscaanse Derde Orde, een seculiere orde, trok Maria von Mörl jaren na de dood van haar vader naar het klooster van de tertiaire zusters in Kaltern. Eenmaal daar, verliet ze het bijna nooit, en ze sprak nooit met de occasionele bezoekers die nu slechts selectief werden toegelaten. Ze stierf op 11 januari 1868, in haar 56e jaar en in het 36e jaar ‘van haar extatische contemplatie’ – zoals wordt vermeld in de kroniek van de tertiaire zusters.

Maria had altijd gebeden dat haar stigmata niet langer zichtbaar zou zijn na de dood: op 8 januari, drie dagen voor haar dood, bleven alleen littekens achter op haar zachte huid. Na de dood waren ook deze verdwenen.

.

.

Franciscaans klooster in Caldaro

.

.

Effect op tijdgenoten

.

Vanwege de buitengewone gebeurtenissen werd Maria von Mörl zeer bekend. Duizenden pelgrims kwamen naar Maria von Mörl vanuit heel Europa, inclusief bisschoppen, politici en beroemdheden zoals de dichter Clemens Brantano. Tegen het einde van 1833 alleen al werd het aantal bezoekers geschat op ongeveer 40.000. De mensen waren arm en het eten en onderdak voor de pelgrims was mager, maar ze wilden allemaal zien hoe de jonge vrouw, met ogen naar de hemel gekeerd en met gevouwen handen, boven haar bed zweefde.

In een tijd dat protestantisme en modernisme het heilige land Tirol dreigden te verontrusten, was ze een graag gezien boegbeeld ter verdediging van de traditionele katholieke waarden. In een tijd die volgde op de verstoringen van oorlog en verlichting, waren mensen maar al te graag onder de indruk van de extatische maagd.

Omdat dit onverdraaglijk was voor de mysticus en haar familie, zorgde de Prinsbisschop Luzhin von Trento ervoor dat alleen nog selectieve bezoekers  haar kamer mochten binnenkomen. In haar kamer stond een altaar waar ze de sacramenten vaak kon ontvangen.

De gezegende was stil bij de sensationele gebeurtenissen. Johan Nepomuk von Tschider, een verre verwant van Maria, en haar biechtvader zorgden er voor dat Maria von Mörl gespaard bleef van de negatieve effecten van haar roem. Zij maakten een getuigenverklaring om laster en geruchten van bedrog de kop in te drukken.

.

.

.

.

Wat betekent het kruis?

Standaard

Categorie : religie

 

 

 

Het kruis. Gekoesterd door ontelbare mensen. Vereerd op uiteenlopende plaatsen. Misbruikt ook. Verworpen. En dat eeuwen achtereen. Wat is dat voor een teken, dat zo tot de verbeelding spreekt, maar ook zoveel weerstand oproept?

 

 

Het Ware Geloof

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Blijkbaar heeft het kruis zijn eigen aantrekkingskracht. Sporters slaan een kruis als ze gescoord hebben. Meisjes hangen een kruisje aan een ketting om hun hals, en sommige jongens ook. Popartiesten gebruiken het kruis in videoclips. Kruisen worden geplaatst op torenspitsen van kerken, op graven, langs wegen en boven deuren. Je ziet ze op vlaggen en wapenschilden. Het kruis doet het goed als beeldmerk van het christendom.

Wie een galg, een strop, een vuurpeleton of een elektrische stoel als beeldmerk draagt, wordt voor gek versleten. Het kruis als beeldmerk was namelijk een wreed executiemiddel waaraan misdadigers opgehangen werden. Geen weldenkend mens zou in onze tijd zo’n martelwerktuig als symbool voeren.

Maar ook vroeger riep het kruis als teken van het christendom veel weerstand op, getuige de eerste berichtgevingen. ‘De Joden ergeren zich eraan en de Grieken vinden het een dwaasheid,’ schreef Paulus al zo’n 55 jaar na Christus.

 

 

Waarom dan toch dat kruis?

 

Omdat het christendom een visie heeft op het leven die rechtstreeks ingaat op de realiteit van lijden en dood. “De laatste vijand is de dood,” zeggen christenen. Het kruis maakt iets duidelijk van de rauwe realiteit van de dood, maar het protesteert daar tegelijkertijd tegen. Het spreekt van de duistere kanten van het bestaan, maar het toont ook aan dat er licht is aan de horizon.

Achter het kruis gaat namelijk een ontzagwekkende geschiedenis schuil, die van het kruis een teken van hoop, herstel en genezing heeft gemaakt. Het gaat om een gebeurtenis uit het begin van onze jaartelling die een revolutie ontketende in de manier waarop mensen naar het leven kijken. Het is deze geschiedenis die van het kruis zo’n vitaal teken maakte.

Wie zich de betekenis ervan eigen maakt, ontdekt dat er ondanks lijden en dood toch een hoopvolle toekomst mogelijk is voor ieder mens afzonderlijk, voor de samenleving als geheel en voor de totale schepping. Dat maakt het kruis tot de wegwijzer naar het hart van het christelijke geloof. Sterker nog: het ís het hart van het christelijke geloof. Het spreekt van de kracht die alles verandert. Iedereen die het leven serieus neemt zou daar meer van moeten weten.

 

 

kruisiging_med

.

.

 

Een uitgekiend martelwerktuig

 

Het kruis is een executiemiddel waaraan Jezus Christus stierf. Toch hebben maar weinigen zich verdiept in de vraag wat een ter dood veroordeelde moest doorstaan tijdens deze gruwelijke marteldood. Zelfs christenen met grote eerbied voor het kruis weten er vaak niet veel van. Enkele artsen hebben zich wel met die vraag beziggehouden. Ze onderzochten welk effect de kruisiging op iemands lichaam heeft.

Hun inzichten kunnen ons helpen om beter te begrijpen wat Jezus doormaakte tijdens die uren aan het kruis.
We willen het kruis bezien in de context van de historische feiten, om ons daarna beter te kunnen inleven in alles wat Jezus onderging en ten slotte te kunnen bepalen wat het kruis ons vandaag de dag te zeggen heeft.

 

.

 

Het onderzoek van artsen

 

De eerste arts die een omschrijving van de kruisiging gaf was Lucas. Hij was een Griek uit het gezelschap van de apostel Paulus, die waarschijnlijk enkele jaren na Jezus’ optreden een van zijn volgelingen werd. Zijn verslag, dat bekend werd als het evangelie van Lucas, kreeg een plaats in de Bijbel.

Lucas deed nauwkeurig onderzoek naar de geschiedenis van Jezus. Hij had intense belangstelling voor mensen en besteedde meer aandacht aan de afzonderlijke personen die met Jezus optrokken dan de andere drie evangelieschrijvers Matteüs, Marcus en Johannes. Hij schreef bijvoorbeeld over de vrouwen in het gezelschap van Jezus en deed als enige verslag van het gesprek tussen Jezus en de twee misdadigers tijdens hun kruisiging.

Over het lichamelijk lijden van Jezus geeft Lucas echter nauwelijks meer informatie dan de andere evangelieschrijvers. Ze beschrijven alle vier de rechtspraak tot in detail, noteren de tijd en plaats van elke handeling gedurende die dag en noemen alle betrokkenen bij naam, maar de kruisiging zelf geven ze maar mondjesmaat weer.

Ook Lucas houdt het kort en bondig: ‘Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links…’ Het lijkt erop dat ze er vanuit gingen dat de lezers wel wisten hoe het eraan toeging tijdens de kruisiging. Deze martelpraktijk was in die dagen dan ook overal in het Romeinse rijk bekend. Bij iedere stad stonden wel een aantal kruisen langs de weg opgesteld.

Later verdween deze gewoonte. Nadat Constantijn de Grote (de eerste christelijke keizer) in het jaar 337 het kruisigen verbood, werd het kruis op den duur alleen nog maar met Jezus geassocieerd. In de vroege Middeleeuwen werd van Jezus aan het kruis een fraaie, gestileerde vertoning gemaakt, gericht op het aanmoedigen van verheven gedachten. Pas in latere eeuwen kregen mensen meer belangstelling voor de lugubere details van het lichamelijk lijden aan het kruis.

Renaissance-kunstenaars als Matthias Grünewald, Albrecht Dürer en Rembrandt van Rijn probeerden Jezus’ kruisdood zo realistisch mogelijk weer te geven en componisten als Monteverdi en Bach zochten een toon die bij het lijden van Christus paste. In de daarop volgende eeuwen, toen zowel het historisch onderzoek als de medische oorzaken van lijden en sterven steeds meer in de belangstelling kwamen, werd met nieuwe aandacht naar de kruisiging gekeken. Diverse artsen vroegen zich af wat er met iemands lichaam aan het kruis gebeurde en wat de precieze doodsoorzaak van Jezus zou kunnen zijn.

 

 

wenende Maria aan het kruis

 

Pasteltekening van John Astria

.

.

.

De kruisigingsmethode

 

Uit historisch onderzoek blijkt dat het kruisigen als executiemethode bijna 1000 jaar als doodstraf in gebruik is geweest. Waarschijnlijk werd het in het Perzische rijk bedacht en door de Griekse keizer Alexander de Grote op zijn veroveringstochten meegenomen naar de landen rondom de Middellandse Zee.

Volgens Romeinse geschiedschrijvers namen de Romeinen het kruisigen over van de Foeniciërs in Carthago (Noord-Afrika). Zij ontwikkelden de techniek tot in de puntjes. Er kwamen allerlei soorten kruisen in omloop, voor allerlei doeleinden. Daarmee werd een maximale pijn bereikt en kon de lengte van de doodsstrijd griezelig precies worden geregeld.

In het algemeen kruisigden de Romeinen uitsluitend misdadigers die niet gerekend werden tot Romeinse burgers. Zij deinsden er echter niet voor terug om ook massa-executies uit te voeren, zoals na de Spartacus-opstand in het jaar 71 voor Christus, waarbij langs de weg naar Rome 6472 opstandige slaven en gladiatoren tegelijk gekruisigd werden.

Het kruis waaraan de veroordeelden werden opgehangen bestond uit een rechtopstaande paal (in het Latijn van de Romeinen ‘stipes’ genoemd), die verankerd in de grond stond. Daarop werd zo’n 30 tot 90 centimeter lager de dwarsbalk (het ‘patibulum’) bevestigd. Deze kruisvorm is bekend geworden als het klassieke kruis en wordt ook wel Latijns kruis genoemd.

Toch maakten de Romeinen in de dagen van Jezus meer gebruik van een T-vormig kruis, waarbij de dwarsbalk bovenop de paal rustte. Sommige onderzoekers geloven dat Jezus aan zo’n T-vormig ‘Tau-kruis’ of ‘crux commissa’ werd opgehangen. Maar het is best mogelijk dat hij aan een vierarmig Latijns kruis (een ‘crux immissa’) stierf, omdat er boven zijn hoofd een flink bord bevestigd werd.

Op dit bord, de ‘titulus’, stond de misdaad vermeld, die door de omstanders gelezen moest kunnen worden (in het geval van Jezus in het Hebreeuws, Grieks en Latijn). Het bord werd meestal door een soldaat voor de veroordeelde uit naar de plaats van terechtstelling gedragen, zodat omstanders onderweg de aanklacht kon lezen. Zelf droeg hij de dwarsbalk van het kruis, waaraan hij met uitgespreide armen vastgebonden was.

De Romeinse soldaten sprongen bepaald niet zachtzinnig met het slachtoffer om. Struikelde hij onderweg, dan kon hij zichzelf niet opvangen en viel hij plat op zijn gezicht. Hij kreeg de balk in zijn nek, waarna hij ernstig gewond gedwongen werd om zijn weg te vervolgen. Op de plaats van executie dreef een soldaat met enkele ferme hamerslagen een vingerdikke vierkante spijker door iedere hand in de dwarsbalk.

Direct daarna trokken de soldaten het slachtoffer aan deze balk tegen de rechtopstaande paal omhoog, eventueel met behulp van touwen en ladders als het om een hoge paal ging. De dwarsbalk werd in een inkeping op de paal getrokken en met spijkers vastgeklonken. Tenslotte werden de voeten van de veroordeelde op elkaar gezet en met één lange spijker aan het hout bevestigd.

Voor de Romeinse soldaten was de kruisiging een routineklus die niet meer dan 10 tot 15 minuten in beslag nam. De doodsstrijd kon echter wel twee dagen duren, lang genoeg om als afschrikwekkend voorbeeld te dienen en voorbijgangers in te prenten wie de baas was in het land.

Om de dood te rekken kregen de gekruisigden ook wel een extra dwarsbalk onder het zitvlak. Hadden de Romeinen echter geen tijd om op die langzame dood te wachten, dan sloegen zij met een ijzeren of bronzen staaf (een ‘crurifragium’, letterlijk benenbreker) de onderbenen van de gekruisigde stuk. Die kon zich dan niet meer opgericht houden, maar zakte in elkaar, bungelend aan een paar spijkers en touwen, zodat hij binnen een kwartier door ademnood en bloedverlies stierf.

De lichamen van de gekruisigden bleven meestal aan het hout hangen totdat roofvogels het vlees van het skelet scheurden en wilde honden de resten die onder het kruis vielen opvraten. Het was waarschijnlijk om die reden dat de plek net buiten Jeruzalem waar Jezus zou hangen ‘Schedelplaats’ werd genoemd.

 

 

220px-TissotRaisingCroos

.

.

 

De geseling vooraf

 

Om het lichamelijk lijden van een gekruisigde en dat van Jezus in het bijzonder beter te begrijpen moeten we niet alleen naar de gevolgen van de kruisiging kijken. We moeten ook iets weten van de toestand waarin een verdachte gebracht werd voordat hij aan het kruis kwam te hangen. Om te beginnen verkeerde de gevangene meestal in grote angst met het vooruitzicht dat hij binnenkort een gruwelijke marteldood zou sterven.

Bij Jezus zien we die angst al optreden voor zijn arrestatie, als hij met zijn leerlingen in de tuin van Getsemane bivakkeert. De arts Lucas maakte hier een opmerkelijke kanttekening en schreef dat Jezus’ zweet die nacht veranderde in bloeddruppels.

In medische publicaties wordt dit bloedige zweet een zeldzaamheid, maar geen onmogelijkheid genoemd, omdat zweet met bloed vermengd wordt als er haarvaten in de zweetklieren breken. Dit kan gebeuren bij intense spanningen, waarna er een sterke verzwakking of zelfs een shock kan optreden. In die toestand werd Jezus door de Joodse autoriteiten gevangengenomen en overgeleverd aan de Romeinen.

Tijdens de vroege ochtenduren werd hij vervolgens in de Romeinse burcht Antonia voor de regeringszetel van de stadhouder Pontius Pilatus geleid om verhoord te worden. Hoewel deze geen schuld vond, gaf hij bevel om Jezus te geselen. Het geselen was een veelgebruikte Romeinse straf. De gevangene werd uitgekleed en met de handen boven zijn hoofd aan een paal vastgebonden.

Twee Romeinse soldaten (‘legionairs’) voerden vervolgens de geseling uit. Zij sloegen de gevangene om beurten met een ‘flagrum’: een Romeinse zweep met een kort handvat en verscheidene leren riemen die vol zaten met knopen, loden kogels, botjes of scherven en die bij het uiteinde aan elkaar waren geknoopt.

Deze gesel werd met volle kracht keer op keer systematisch van boven naar beneden op het naakte lichaam geslagen. Eerst werkte het leer met de scherpe stukken zich door de huid heen. Daarna tastten de slagen het huidweefsel aan, waarbij het bloed begon te druipen. Uiteindelijk lag de rug zo ver open dat ook de onderliggende spieren werden beschadigd en het slachtoffer uitgeput aan de touwen hing, met zijn voeten in een plas bloed.

Pas als de gevangene de dood nabij was werd de geseling op bevel van de hoofdman (de ‘centurio’) gestaakt.
Misschien kreeg Jezus niet meer dan 39 slagen te verduren: de Joodse wet verbood om iemand meer dan 40 slagen te geven. Het is echter de vraag of de Romeinen met deze wet rekening hielden. In ieder geval waren de Romeinse soldaten nog niet tevreden met Jezus’ afstraffing.

Ze gaven hem na de geseling een stok in handen bij wijze van scepter, drukten hem een rode mantel op de bebloede schouders en persten een kroon van takken met vlijmscherpe doorns op zijn hoofd, om een bespottelijke vertoning van hem te maken als koning van de Joden.

 

 

passion-beating-300x186

 

.

.

Met een balk op weg

 

Nadat Pontius Pilatus in het openbaar het definitieve doodvonnis had getekend, werd Jezus de mantel van het lijf gescheurd en kreeg hij zijn eigen kleding terug om niet naakt rond te hoeven lopen. Vervolgens moest hij, zoals gebruikelijk was bij gevangenen die tot het kruis veroordeeld waren, de dwarsbalk van het kruis op zijn gehavende schouders tillen en naar de plaats van executie dragen, net buiten de oostelijke stadspoort van Jeruzalem, zo’n 600 meter verwijderd van de burcht Antonia.

Hij werd begeleid door een executiepeloton dat ook nog twee andere ter dood veroordeelden onder haar hoede had. Vermoedelijk viel Jezus onderweg een of meerdere keren, zodat een willekeurige voorbijganger gedwongen werd de balk van hem over te nemen. Zijn naam, Simon van Cyrene, werd door drie van de vier evangelieschrijvers genoteerd.

 

 

Golgotha

Golgotha

 

 

Na een langzame tocht over een hellend wegdek door de straten van Jeruzalem bereikte Jezus rond tien uur in de ochtend de heuvel buiten de stad die bekend werd met zijn Hebreeuwse naam Golgota, omstuwd door een op sensatie beluste menigte die in bedwang gehouden werd door het legertje Romeinen. Volgens Lucas liepen daar ook een aantal vrouwen tussen, die hem met veel misbaar beklaagden, zoals alleen Oosterse vrouwen dat kunnen doen.

 

 

Van de veroordeling van Pilatus tot op Golgotha

Van de veroordeling van Pilatus tot op Golgotha

 

 

.

Aan het kruis

 

Nu begon de kruisiging. De ter dood veroordeelde werd op zijn rug op de grond gesmeten, zijn schouders werden tegen het hout van de dwarsbalk gedrukt, zijn armen erop uitgespreid. De spijkers werden met een hamer tussen de handwortelbeentjes onderin de hand gedreven, waardoor de polsen ontwricht werden en de zenuwen van de polsen en handen aangetast.

Een vlammende pijn verkrampte de vingers en joeg door de armen naar de hersens. Direct daarop werd het slachtoffer aan de balk omhoog gehesen, waardoor het volle gewicht van zijn lichaam aan de spijkers kwam te hangen. Vervolgens werden zijn knieën gebogen en zijn voeten achterwaarts op elkaar tegen de dragende paal gedrukt. Ook daar werd een spijker doorheen gedreven. Het eenzame gevecht nam een aanvang. De doodsstrijd.

Diverse artsen hebben erop gewezen dat het slachtoffer niet stierf vanwege de spijkers of door bloedverlies. Het was de belasting van het eigen lichaamsgewicht dat hem fataal zou worden. Het lichaam zakte naar beneden, wat een folterende pijn aan handen en polsen veroorzaakte. Om deze pijn te verlichten drukte de gekruisigde zich omhoog, wat mogelijk was door de steun die de spijker in de voeten bood.

Door de verplaatsing van het gewicht ging dat echter met nieuwe pijn gepaard, zodat hij zich weer liet hangen, totdat de pijn opnieuw ondraaglijk werd. Zo drukte hij zich op en neer. Na enige tijd werd het opdrukken bemoeilijkt door kramp in de spieren. Het slachtoffer bleef langer aan de armen hangen, wat een toenemende benauwdheid veroorzaakte. De borstkas werd namelijk wel in de juiste stand gebracht om in te ademen, maar uitademen ging zo hangend een stuk moeilijker.

Na enige tijd moest de gehangene zich omhoog worstelen om tenminste nog een beetje lucht te krijgen. Dit op en neer drukken probeerde hij met tussenpozen te herhalen om maar niet te stikken. Tegelijkertijd schuurde zijn opengereten rug over het hout. Langzaam verzuurden de spieren door de belemmerde bloedcirculatie in de ledematen. Het verlies aan weefselvloeistof bereikte een kritiek niveau, het hart worstelde om dik, traag stromend bloed rond te pompen en iedere teug zuurstof kostte extreme inspanning.

Het einde kwam nu dichterbij. Zweet droop van het lichaam van de gekruisigde, hij kon de kilte van de dood al voelen. Zijn bloeddruk daalde, de kleur trok uit zijn verdroogde lippen weg, zijn hartslag werd onregelmatig, zijn longen liepen vol met vocht en ademhalen ging met gereutel gepaard. We weten uit de bijbel dat Jezus in zijn doodsstrijd nog zeven keer een korte zin uitstootte. Voordat hij in elkaar zakte en stierf riep Hij zijn laatste woorden uit: “Het is volbracht!”

 

 

jezus-christus-lam-gods

 

.

.

De doodsoorzaak

 

Omdat de Romeinse soldaten niet tot de volgende dag wilden wachten (dat was een Sabbatsdag, een rustdag en ook nog eens een jaarlijkse feestdag waarop de Joden het jaarlijkse Pasen vierden), sloegen zij de benen van de beide misdadigers die samen met Jezus gekruisigd waren stuk, om zo hun dood binnen een kwartier te bewerkstelligen.

Jezus was echter al gestorven. Om zeker van die snelle dood te zijn dreef een van de soldaten zijn speer tussen Jezus’ ribben in de hartstreek. Volgens de apostel Johannes (ooggetuige van deze mensonterende kruisiging van zijn meester) vloeide er water en bloed uit de wond. Misschien verklaart dit de relatief korte doodsstrijd van Jezus.

‘Voor een lijkschouwer is dit een afdoende bewijs dat Jezus niet de gebruikelijke kruisigingsdood door verstikking stierf, maar door een hartstilstand ten gevolge van shock en van vernauwing van het hart door vocht in het hartzakje,’ schreef dr. C. Truman Davis. Lucas maakte in zijn verslag melding van de reactie van de centurio op alles wat hij van Jezus aan het kruis gezien had. Hij zei: “Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!”

 

 

Het einde van de draak (666) door het kruis

 

Pasteltekening van John Astria

 

.

 

Het kruis: Gods vreemde kracht

 

Jezus werd niet zomaar gekruisigd. Heel zijn optreden wees in de richting dat hij zichzelf vrijwillig uit zou leveren. De Bijbel verklaart zijn kruisdood als volgt: ‘Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.

Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: Jezus Christus is Heer, tot eer van God’ (Filippenzen 2 vers 6-11).

Er vond een ruil plaats aan dat kruis daar op die heuvel 2000 jaar geleden. Jezus stierf in ruil voor de mensheid, zodat mensen recht kunnen staan tegenover God. Paulus schrijft: ‘Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen. God heeft hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door hem rechtvaardig voor God konden worden.’

Jezus droeg onze dood, zodat wij in ruil daarvoor zijn leven kunnen ontvangen. Jesaja profeteerde daarover ruim 500 jaar voordat Jezus verscheen en verklaarde dat hij zijn leven offerde voor onze schuld (Jesaja 53 vers 10). Hij schreef: ‘Hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing.’

Petrus, één van Jezus’ leerlingen die gezien heeft hoe de striemen op Jezus’ rug tot één grote open wond werden geslagen, schrijft in 1 Petrus 3 vers 18 en 2 vers 24: ‘Christus heeft, terwijl hij zelf rechtvaardig was, geleden voor de zonden van onrechtvaardigen, voor eens en altijd, om jullie zo bij God te brengen. Hij heeft in zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedragen, opdat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen zijn jullie genezen.’

Het kruis is het ultieme genade-teken, het teken dat God om mensen geeft en alles voor ons over heeft. Het is het symbool van lijden en dood, en ook van de opstanding uit de dood. Christenen erkennen met het kruis de realiteit van hun zonden, maar ook dat die door Jezus Christus gedragen werden, zodat ze hen niet worden toegerekend.

In plaats daarvan wordt hen het leven van Jezus toegerekend. Hij stond op uit de dood om zijn leven te delen met iedereen die gelooft en zijn Geest ontvangt. Dat geloof opent enorme perspectieven. Wie het kruis serieus neemt, ziet het niet langer als een sieraad of een relikwie. Je ontdekt dat het kruis niet alleen een sprekend symbool is, maar ook een teken dat werkt.

Er gaat kracht vanuit. Gods kracht. Het kruis pakt de doodlopende wegen in ons leven aan, het wijst ons op een betere weg en maakt die ook mogelijk. Het kruis is daarom een teken van hoop voor de toekomst, zo oud als het is. Sterker nog, het is de enige garantie voor een hoopvolle toekomst. Het kruis staat middenin de wereld, zonder dat het aan slijtage onderhevig is. Het verandert ons. Het verbindt ons. Het plaatst ons middenin de wereld met een gemeenschappelijke hoop op eeuwig leven, waarvan de kwaliteit nu al steeds sterker in ons leven doordringt.

 

 

whiteholycross-1

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

John Astria

John Astria

Het bestaan van de hel.

Standaard

categorie : religie

.

.

De Hel volgens het Oude Testament

.

Het is interessant om te ontdekken dat er meer Bijbelverzen gewijd zijn aan de Hel dan aan de Hemel. Hier zijn een paar verzen uit het Oude Testament die over de Hel gaan

.

Daniël 12:2 : “Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.” De Hel wordt hier als eeuwig beschreven.

Jesaja 66:24 : “Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.” In dit geschrift wordt de hel beschreven als een plaats waar het vuur niet zal worden gedoofd.

Deuteronomium 32:22 schildert de hel af als een plaats waar God zijn toorn zal uitgieten, “Als het vuur van mijn toorn is ontstoken zal het branden tot in het diepste dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren.”

Psalmen 55:16 illustreert de hel als het rijk van de zondaars: “Laat de dood hen onverhoeds treffen, laat hen levend neerdalen in het dodenrijk, want bij hen huist het kwaad, het heerst in hun hart.”

.

.

eeuwig in het paradijs of eeuwig in de hel

Pasteltekening van John Astria

.

De Hel volgens het Nieuwe Testament

.

Bestaat de Hel? Als de duidelijke taal van het Oude Testament nog niet genoeg is, dan heeft ook het Nieuwe Testament hier genoeg over te zeggen.

.

2 Tessalonicenzen 1:9 : “Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit.”

Openbaring 14:11 leert ons wanneer over de antichrist gesproken wordt : “De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid. Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ’s nachts niet.’

De hel is een meer van brandend vuur, zoals in Openbaring 20:14-15 wordt beschreven : “Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.”

.

De Hel volgens Jezus

.

Sommigen van hen die beargumenteren dat de hel niet bestaat doen dit op basis van hun geloof dat Jezus liefde, vrede, en vergeving predikte en dat Hij ons niet onderwees over een eeuwige plaats van vurige afstraffingen voor ongelovigen. Maar het tegenovergestelde is juist waar. Jezus onderwees meer over de hel dan wie dan ook in Gods Woord. Jezus beschreef de hel als een plaats van

  • eeuwig vuur (Matteüs 25:41)
  • eeuwige bestraffing (Matteüs 25:46)
  • een plaats van kwelling, vlammen, en lijden (Lucas 16:23-24)

Jezus onderwees tijdens Zijn leven vele malen specifiek over de hel (Matteüs 5:22, 29-30; 10:28; 18:9; 23:15,33; Marcus 9:43-47; Lucas 12:6; 16:23).

.

.

Het einde van de draak (666) door het kruis

Pasteltekening van John Astria

.

Hoe Kan een Eeuwigheid in de Hel Rechtvaardig Zijn?

.

Hoe kan de hel rechtvaardig zijn? Waarom zou een liefhebbende God een persoon eeuwig straffen, als zijn zonde slechts over een periode van 70-80 jaar plaatsvond? Het antwoord is dat uiteindelijk alle zonden tegen God zijn gekeerd. God is oneindig (Psalmen 51:4). Omdat God een eeuwig en oneindig Wezen is, is dus alle zonde een oneindige bestraffing waard.

God houdt van ons (Johannes 3:16) en hij wil dat alle mensen gered worden (2 Petrus 3:9). Maar God is ook rechtvaardig en oprecht. Hij zal niet toestaan dat zonde onbestraft wordt gelaten. Dit is de reden dat God Jezus stuurde om de prijs voor onze zonden te betalen. De dood van Jezus Christus was een eeuwige dood, die onze schuld afbetaalde die werd veroorzaakt door onze oneindige zonde.

Daardoor moeten wij niet tot in de eeuwigheid in de Hel boeten voor onze zonden(2 Korintiërs 5:21). Het enige dat wij hoeven te doen is ons vertrouwen in Hem te stellen. Onze zonden zijn daarmee vergeven en ons wordt daarvoor een eeuwig thuis in de hemel beloofd. God hield zo veel van ons dat hij voorzag in onze verlossing. Als we Zijn geschenk van eeuwig leven door de Heer Jezus Christus afwijzen, dan zullen we de eeuwige gevolgen van die beslissing onder ogen moeten zien, een eeuwigheid in een brandende hel.

.

Wat gebeurt er in de hel?

.

Wat er in de hel gebeurt is precies het tegenovergestelde van wat er in de hemel gebeurt.

.

Jezus vertelde uitvoerig over de hel en gaf ons vele afschilderingen van wat er in de hel gebeurt. De termen die Jezus gebruikt stellen dat de hel een plaats van foltering zal zijn met een “vuuroven waar zullen ze jammeren en knarsetanden” (Matteüs 13:42). Jezus zegt ook dat de hel een plaats is “waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft” (Marcus 9:43).

In Lucas 16:19-31 beschrijft Jezus een rijke man die lazarus, geheel met zweren bedekt, niet wilde bijstaan. andere mensen niet wilde bijstaan. De rijke man stierf en ging naar de hel waar hij enorm leed door de vlammen en hij had onophoudelijk dorst. De arme man Lazarus stierf eveneens en werd “weggedragen om aan Abrahams hart te rusten”. De rijke man smeekte Lazarus om hem wat water te geven om zijn dorst te lessen, maar het was niemand toegestaan om de kloof tussen de hemel en hel te overbruggen.

Ander afbeeldingen van de hel zijn onder andere:

  • Van God afgescheiden (2 Tessalonicenzen 1:9) : dit is het tegenovergestelde van de hemel. Mensen die gered zijn zullen voor eeuwig genieten van de aanwezigheid van God (Romeinen 6:23).
  • Eeuwige bestraffing (Matteüs 25:46) : de hemel zal eeuwige vreugde in de aanwezigheid van de Heer zijn (Psalm 16:11).
  • Een plaats voor geesten of zielen (1 Petrus 3:19, 2 Petrus 2:4) die onophoudelijk worden gepijnigd (Openbaring 20:10, 14-15).
  • Een verwoesting zonder einde (2 Tessalonicenzen 1:9) : In de hemel zullen geen pijn, geen foltering, geen kwaad en geen onplezierige zaken bestaan (Openbaring 21:4-5).

.

Wat in de hel gebeurt is een volkomen foltering, eeuwig en zonder onderbreking. Een lijden dat niet vergeleken kan en mag worden met welk lijden hier op aarde dan ook. In Jezus Christus is ons een keuze aangeboden (Johannes 3:15-16). Wat er in de hel gebeurt wordt bepaald door de keuze die we in dit leven maken. Voor wie of wat zul jij kiezen?

.

.

De ware- en de valse Drievuldigheid

Pasteltekening van John Astria

.

Wie zal er naar de hel gaan?

.

Dit is een vraag die heimelijk in de gedachten van veel mensen sluimert, ook al zullen sommigen van hen dat nooit toegeven. Aan de buitenkant maken veel mensen het idee van de hel belachelijk, maar aan de binnenkant twijfelt men aan het niet bestaan ervan. Als er echt een hel als werkelijke plaats, dan moet ook de volgende vraag gesteld worden: “Wie zal er naar de hel gaan?”

De hel is een plaats van leed en foltering. Deze waarheid wordt door het Oude en Nieuwe Testament van de Bijbel heen duidelijk gemaakt. “De banden van het dodenrijk omklemden mij” (Psalm 18:6). “Toen hij in het dodenrijk, waar hij hevig gekweld werd, zijn ogen opsloeg” (Lucas 16:23).

Veel mensen vinden het moeilijk om het bestaan van een plaats als de hel te verzoenen met een goede en liefdevolle God. Velen nemen hier aanstoot aan en gebruiken het als een excuus om God niet te aanbidden. Ze willen niet geloven dat God feitelijk mensen naar de hel zou kunnen laten gaan. Maar een nader onderzoek van de Bijbel zal ons laten zien dat de hel niet voor mensen werd geschapen, maar voor de aartsvijand van God, Satan (of de duivel).

“Daarop zal hij ook de groep aan zijn linkerzijde toespreken: “Jullie zijn vervloekt, verdwijn uit mijn ogen naar het eeuwige vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen”(Matteüs 25:41). Helaas is Satan, als de aartsvijand van God, tijdens zijn hele bestaan al bezig geweest met pogingen om mensen van God te doen afkeren. Toen Adam en Eva in de hof van Eden in zonde vervielen, nadat zij hier door Satan toe werden aangezet (Genesis 3), stortte de hele mensheid zich in een toestand van geestelijke dood. Ook al waren zij lichamelijk in leven, voor de Heilige God voor wie zij werden geschapen waren zij dood.

Hierdoor moest God Zijn Zoon, Jezus Christus, naar de aarde sturen om de zonden van de mens weg te nemen en hen weer met God te verzoenen. De volledige weerzin van God ten opzichte van zonde en Zijn volledige haat voor het kwaad werd op Golgotha aan de Zoon van God opgelegd. Jezus werd daar gekruisigd als zoenoffer van de zonden van iedereen. De mensen werd die toorn bespaard.

Het enige dat God ons vraagt  is het aanvaarden van Jezus en de afgrijselijke offergave die Hij van Zijn Zoon maakte. Dit is een handeling die uit geloof voortkomt en die herkent dat we zondaars zijn. We moeten beseffen dat die offergave onze enige weg naar een verzoening met God is. Wanneer iemand deze offergave afwijst, dan sluit hij zich in essentie aan bij de vijand van God.

God zegt in Zijn Woord dat Satans uiteindelijke bestemming de hel zal zijn. “O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld. Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik zetel op de toppen van de Safon, de berg waar de goden bijeenkomen. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put” (Jesaja 14:12-15).

Wie zal er naar de hel gaan? Satan, zonder twijfel. Maar net zoals Satan God afwees en Hem tegenwerkte, en daarom naar die plaats van foltering wordt gestuurd, zo zal ook een mens die weigert om Christus te accepteren dit lot delen en zo aan de toorn van God worden blootgesteld.

.

.

de duivel in de anti-christ

Pasteltekening van John Astria

.

“Laten de goddelozen weggaan naar het dodenrijk, alle volken die God zijn vergeten” (Psalm 9:18). Tegengesteld aan wat velen geloven heeft dit niets te maken met het begaan van de een of ander zonde. Iemand eindigt in de hel omdat hij of zij de Zoon van God heeft afgewezen. Nadat God toestond dat Zijn Zoon door middel van een kruisiging werd vermoord en Zijn grootse macht toonde door Hem uit de dood op te wekken is het zeker dat we verloren zijn als we niet bereid zijn om in Christus te geloven.

“Over wie in hem gelooft wordt geen oordeel uitgesproken, maar wie niet in hem gelooft is al veroordeeld, omdat hij niet wilde geloven in de naam van Gods enige Zoon” (Johannes 3:18).

.

Getuigenissen over de hel in het heden:

zie “23 minutes in hell” –Bill Wiese- you tube

.

.

.3d-gouden-pijl-5271528

.

.

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA

Tiende Miniatuur : eerste Visioen van het Tweede Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

.

.

.

.

.Tiende Miniatuur: eerste Visioen van het Tweede Boek

.

Het feit dat Hildegard een nieuw boek begint wijst erop, dat de openbaring van haar mystieke belevenis, aan belangrijkheid gaat winnen. Inderdaad, de vijf volgende visioenen en miniaturen vormen samen het middenluik van de triptiek waaruit Scivias bestaat.

De woorden van de hemelse stem:

“De levende God schiep alles door zijn woord. Door ditzelfde Woord, dat vlees aannam, heeft Hij ook zijn schepsel de mens, ongelukkig geworden door de zondeval in de duisternis, de vurig verhoopte verlossing teruggebracht.”

.

Hoe is dit geloofsgegeven door Hildegard in beeld gebracht?

.

Op een groot veld van zilver zien we twee cirkels, een gouden en een donkerblauwe. Het zilver wijst op de Eerste Persoon van de H. Drievuldigheid. In de vorige miniaturen werd met zilver het geloofslicht aangeduid. Abraham houdt in miniatuur acht een mes vast van zilver en sommige engelen in miniatuur negen dragen zilveren helmen.

De kleuren hebben bij Hildegard een wisselende betekenis in al de 35 miniaturen. Iedere keer verschuift de betekenis van de kleuren, die echter wel associatief met elkaar verbonden blijven. Zo staat zilver op de eerste plaats voor wit licht, dus niet het zonlicht maar het soort daglicht dat er is vóór zonsopgang of na zonsondergang.

We hebben in het visioen van de engelen reeds gezien dat God werd aangeduid door een kern van zuiver wit. Meer dan eens echter wordt in de miniaturen de heraldische kleur wit gebruikt voorgesteld door het metaal zilver. Verder wordt zilver gebruikt als er sprake is van een spiegel en haar weerspiegeling.

Omdat spiegels in die tijd gemaakt werden van gepolijst ijzer, is het ook te begrijpen dat de glanzende wapenrusting en zwaarden en lansen, waarover in de visioenen wordt gesproken, bij voorkeur worden aangegeven door zilver. Langs die weg ontstaat een associatie met macht, rechtvaardigheid en sterkte. En zo wordt het duidelijk dat Hildegard God, in het bijzonder de Vader, aanduidt met zilver.

In deze levenssfeer van de Vader zien we in de miniatuur twee cirkels, die als polen op elkaar inwerken. Er is een gouden cirkel die een blauwe circel omvat. Het goud staat hier voor de H. Geest en de liefdegloed waarmee deze alles tot ontwikkeling brengt. Deze gloed van de Geest omgeeft het Goddelijk Woord, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid. Deze is hier aangegeven door een discus van blauwe kleur, verlevendigd met golvende witte lijnen.

Met dit blauw wil Hildegard de diepste wezensopenbaring van God uitbeelden. De tweede Persoon is mens geworden in Christus en Deze heeft zich tot doel gemaakt van ons geestelijk leven en vormt tevens de overkoepeling van heel de schepping. Bij de volgende miniatuur wordt betekenis van de kleur blauw in de mystieke ervaringen van Hildegard met betrekking tot dit goddelijk geheim verduidelijkt.

De donkere schijf in het middenveld van deze miniatuur stelt de oerchaos voor waarover de H. Schrift in haar aanvang spreekt. De aarde was nog ongeordend en leeg en over de wereldzee heerste de duisternis. Dan begint de geschiedenis van Gods Geest die broedde over de wateren en de aarde bevruchtte. In de tekst van Scivias staat:

“De Vlam Gods werd witgloeiend en zie, er ontstond plotseling een donkere luchtkogel van enorme omvang, waarop de Vlam verschillende keren sloeg en iedere keer sprong er een vonk naar voren. Zo werd die kogel tot voltooiing gebracht en hemel en aarde kwamen ten volle in het licht.”

.

Op dit beeld van de Vlam die enkele keren op de luchtkogel sloeg, dienen we even dieper in te gaan. De Latijnse tekst spreekt van een faber, een werkman, die enkele slagen geeft en daardoor uit de donkere luchtkogel vonken deed springen. Hier wordt evenwel van geen gereedschap gesproken.

Zr. Böckeler vertaalt dit zo, dat de vlam op de kogel sloeg als een smid op een aambeeld, waardoor er bij iedere slag een vonk uitspatte. Dom Baillet zegt in zijn beschrijving van deze miniatuur, dat de zwarte cirkel aangeraakt wordt door een zilveren vinger en dat zo de wezens ontstaan. Hij verbaast zich wel erover dat de vinger niet blauw is, want door het Woord van de tweede Persoon is toch alles geschapen.

Hiltgart Keller spreekt van een zilveren tong, die uit een klomp leem een mens te voorschijn roept. Inderdaad zien we beelden van de zes scheppingsdagen, waarover in de tekst niet gesproken wordt, rondom deze tong geschikt.

We zien dat de miniaturist hier van de tekst afgeweken is, hetgeen hij nooit heeft kunnen doen buiten Hildegard om. We hebben nu als het ware twee verschillende lezingen van de visioenervaring: de eerste is de tekst in de Scivias met de uitleg ervan, de tweede is de weergave in de miniatuur.

Het gaat om de schepping van de mens en zijn verlossing. De schepping geschiedt door de drie goddelijke Personen. Deze Drieëenheid is voorgesteld door drie elementen, namelijk een gouden cirkel met rode lijnen verlevendigd, daar binnen een blauwe schijf verlevendigd met witte lijnen, en op de derde plaats een zilveren roede die doordringt in de ronde kogel van de oerchaos.

Vuur, hier uitgebeeld door het goud, is steeds het beeld van Gods Geest. De blauwe schijf noemt Hildegard een vlam van hemelkleur, die schittert als een saffier. Zo wordt deze vlam ook in het volgende visioen aangegeven, waar uitvoerig wordt uitgelegd, hoe deze saffier, het binnenste van God zelf, de tweede Persoon betekent.

De roede heeft de kleur van het metaal zilver, het heraldisch gegeven voor wit. Zoals wij in het visioen van de engelen in het middelpunt de witte kleur aantroffen als beeld van de volmaaktheid van God, zo wil de zilveren roede ons de almacht van God tonen.

Dom Baillet spreekt van een vinger, Hiltgart Keller van een tong en Zr. Böckeler van een smidshamer. Iedere godsdienstgeschiedkundige zal bij de eerste blik op deze miniatuur, zonder iets van het onderwerp af te weten, denken aan het fallisch symbool dat in alle godsdiensten voorkomt om de vruchtbare liefde van de Godheid voor de schepping aan te duiden.

Voor Hildegard zijn alle vormen van leven, van plantaardig -, dierlijk – tot geestelijk leven toe, allemaal openbaringen van Gods vruchtbaarheid. Het is niet moeilijk in de zes medaillons een uitbeelding te zien van de zes scheppingsdagen. Op de eerste dag, toen God sprak: “Het worde licht” zijn de engelen geschapen. Onder in de donkere luchtkogel zien we uit rode leem een mensenhoofd te voorschijn komen om de schepping van de mens uit te beelden.

Voor Hildegard is scheppen niet alleen iets smeden, iets maken, maar vooral de dingen het leven schenken, zoals een vader dat doet. De eerste mens zien wij – bovenaan rechts – ruiken aan een bloem die hangt aan de gouden schijf als een dauwdruppel aan een grashalm. Het is een prachtig beeld van het goddelijk aanbod van het zoete gebod der gehoorzaamheid. Zo kostbaar als de wonderbare dauw is voor de groei van de halm, zo waardevol is dit gebod van God voor de groei van het geestelijk leven.

Dom Baillet uitte zijn verbazing er over, dat de bloem zonder enige steun in de lucht hangt. Als men echter bij het opkomen van de zon voor een grasveld staat en men ziet hoe de dauwdruppels daar hangen, is men verbaasd over het wonder van de adhesi-capaciteit van een druppel. Hij hangt los aan de grashalm, maar valt niet naar beneden. Iets dergelijks bedoelde Hildegard, toen zij de stengel van Gods wet met drie bloempjes liet uitbeelden, als het ware klevend aan de goddelijke cirkel.

Helaas, Adam aanvaardde deze wet niet, hij rook er slechts aan en keerde zich er van af. Sedert dit moment breidde de chaos zich uit over het ganse heelal en heeft de duisternis de betekenis gekregen van zonde en dood. Immers, toen viel de mens ten prooi aan lijden en sterven.

Maar es kwam nieuwe hoop. God is machtig genoeg om zijn schepping te redden. Om deze overwinning van het licht op de duisternis voor te bereiden en aan te kondigen zendt God de aartsvaders en de profeten van wie St. Jan de Doper de laatste en de grootste is. Zij worden hier voorgesteld door gouden sterren.

Links zien we twaalf sterren waarvan er negen zeven punten hebben, en drie grotere met acht of negen punten: de drie aartsvaders. Rechts bevinden zich zeven sterren waarvan er één grotere met negen punten de voorloper St. Jan moet aanduiden. Verder zijn deze grote sterren omringd door kleine witte met zes punten, de  rechtvaardigen die leefden vóór de komst van Christus.

Zij zijn vierentachtig in getal, zeven maal twaalf. Zeven is een heilig getal in de Bijbel dat verwijst naar een nieuw gevolg en 12 is in de Bijbel het symbool voor perfect bestuur. Plotseling verschijnt op de aarde, vervolgt de uitleg, een licht als de dageraad en de Vlam verenigt zich op wonderbare wijze met die dageraad zonder zich van haar gouden oorsprong los te maken.

Hier komen we bij een van de voornaamste kernpunten van de mystieke openbaring voor Hildegard. In dit kerngegeven ontmoeten we het trefwoord ‘Aurora’ of de dageraad. Als men de acht teksten uit de H. Schrift, waarin sprake is van aurora naslaat, kunnen waarschijnlijk twee daarvan bij Hildegard voor dit beeld een rol spelen. De eerste zou dan de vraag van God aan Job zijn:

“Hebt ge ooit in uw leven de morgen ontboden en de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38-12).

.

Hier laat God Job en ieder mens duidelijk voelen, dat Hij de schepper is en dat Hij alle dingen hun plaats aanwijst naar Zijn inzicht.

De tweede tekst is uit het Hooglied:

“Wie rijst daar op als het morgenrood?” (Hooglied 6-10).

.

Hier wordt het morgenrood als iets buitengewoons gezien en de aanstaande bruidegom spreekt zijn bewondering voor zijn bruid uit door haar daarmee te vergelijken.

In de duisternis van de chaos na de zonde komt er volgens Hildegard toch een nieuwe dageraad. Zonder de aarde met zijn vurige roede opnieuw te bevruchten, kiest God een andere weg. Hij zaait in maagdelijke grond. Alles wat door God is aangeraakt, is ongeschonden als een maagd. Uit deze maagdelijke grond neemt het Woord het vlees aan en wordt Hij de nieuwe bron van licht en leven.

Dit is het raadsbesluit van God, dat noch door engelen noch door heiligen of profeten kan worden begrepen. Daarom is hier de dageraad voorgesteld als een gloed oprijzende van achter de omlijsting. Hij is volledig gescheiden van de zwarte band die het middenveld van de miniatuur bedekt. God begint iets nieuws, en vanuit dit nieuwe valt het mensgeworden Woord de verduisterde chaos aan.

We zien, hoe een geheel vergulde Christusfiguur met zijn stralenkrans tot in de duisternis doorstoot, om de gevallen mens te verlichten en te verlossen. Het is merkwaardig, dat het morgenrood dat in feite op Maria slaat, met dezelfde kleuren wordt uitgebeeld als de grote zonnecirkel van de Godheid. In de kern zien we blauw en daar omheen een gouden gloed verlevendigd door rode lijnen.

Op deze kleuren komen we bij de bespreking van het volgende visioen nog uitvoerig terug. Nu reeds kunnen we zeggen, dat in het mysterie van de maagdelijkheid van Maria, van wie de Tweede Persoon zijn lichaam ontving, de drievoudige goddelijke activiteit zich als het ware opnieuw openbaart.

Hildegard zegt hiervan, dat in dit morgenrood de diepste wilsuiting van de Drieëne God zich geopenbaard heeft, om kost wat kost de gevallen mens toch op te nemen in Zijn goddelijk leven. Als Hildegard evenwel poogt nog dieper door te dringen in dit raadsbesluit, dan schrijft zij:

“Er werd mij een geheimnisvol zegel opgedrukt.” Want, zegt de hemelse Stem, je moet de geheimen Gods niet dieper willen doorvorsen, dan tot waar de goddelijke majesteit het in zijn liefde gunt aan hen, die Hem in diep geloof aanhangen”.

.

Hier naderen we het hoogtepunt van de mystieke ervaring, de vereniging van God met de ziel van de zieneres. Het is immers geen verwijt aan de geliefde, dat God haar niet toestaat dieper door te dringen in Zijn mysterie. Het is de bruidegom die zijn bruid verklaart dat zij op dit moment nog niet alles kan vatten van het overgrote geheim van het goddelijke trinitaire leven en van de Menswording.

Het is niet de mens die God begrijpen kan, nee het is andersom. Ondanks de eerste afwijzing gaat God toch de geliefde mensheid achterna. Het is het oerspel van elke liefdesbeleving: als de bruid wegloopt, vlamt de liefde hoger op met alle consequenties van dien. Maar de goddelijke greep en vereniging kunnen pijnlijk zijn. Hildegard dicteerde hier:

“In dit visioen is mij een geheim zegel opgedrukt.”

.

Als we de Bijbelteksten naslaan, zijn er maar twee te vinden in het Oude Testament en één enkele in het Boek der Openbaring van Johannes, wanneer hij spreekt over de zeven zegels, die eenmaal door het Lam verbroken worden. De eerste uit het O.T, is uit Job, waar de zon bevel krijgt niet te stralen en de sterren onder een zegel worden geplaatst. (Job. 9,7)

De andere tekst uit het Oude Testament is uit het Hooglied: “Leg mij op uw hart als een zegel en om uw arm als een band. Want sterk is de liefde.” (Hoogl. 8,6) Deze staat in de epiloog van het Hooglied, waar gezongen wordt over het altijd verenigd zijn van bruid en bruidegom.

Terwijl de bruidegom van het Hooglied vraagt als een zegel op het hart van de bruid gelegd te worden, zegt hier Hildegard, dat God zich als een geheim zegel op haar hart gedrukt heeft. Hier is in Bijbelse beeldspraak de hoogste mystieke vereniging aangeduid.

We kunnen nagaan wat in de Bijbelse tijden de uitdrukking van een zegel leggen op het hart betekend heeft. De zegelstempel en ook de zegel afdruk betekenen een persoonlijk en kostbaar bezit “Ik draag U (Zorobabel zoon van Salatiël) als een zegelring want Ik heb U uitverkoren” (Aggeus 2,23); zie verder Jer. 32 10-14. Neh. 10-1. Esth. 3-10 en 8-8 alsook Tob. 9-5. In al deze teksten is bezegeling tevens persoonlijke toe-eigening en bescherming (zie Deut. 6-18, Tob. 9-5, Mat. 27-66).

Het geheimnisvolle zegel drukt de bekroning uit van de liefdesvereniging van God met Hildegard. Dat hier geen afschermen van het mysterie is bedoeld, bewijst het volgende visioen, dat juist een dieper doordringen in het mysterie behelst. Het blijft merkwaardig, dat in deze miniatuur het verloop van het mysterie van de Menswording als een korte episode wordt weergegeven.

Slechts een felle aanval op de burcht van de duisternis. Misschien is dit wel de juiste benadering, zoals alleen een mystica die kan vatten. Dom Baillet, die zich liever houdt aan de geschreven tekst waar gesproken wordt over de levensloop van de Verlosser en de stichting van de Kerk, heeft een beetje moeite met deze vereenvoudiging, maar hij geeft er toch een spitsvondige verklaring voor.

Hij schrijft: “De miniaturist heeft het niet nodig gevonden om de Verrijzenis, de verschijningen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren weer te geven, al had hij in de traditionele iconografie voldoende modellen om na te tekenen. Een minder persoonlijk genie zou deze kans hebben aangegrepen om het perkament zonder veel moeite vol te maken. Onze kunstenaar had daar maling aan!”

In feite is het zo, dat het de bedoeling van Hildegard is geweest het leven van Christus in het verloop van het scheppings- en verlossingsverhaal te zien als een snelle meteoor, die flitst langs het donker hemelgewelf van tijd en eeuwigheid.

Even dienen we nog aandacht te schenken aan het figuurtje in de donkere chaos dat, overdekt met bloedrode wonden, aangeraakt wordt door de gulden vlam van de Christusfiguur, die oprijst uit de dageraad. Deze zwaar gewonde mens met witte haren kan zowel Christus zelf betekenen als de gevallen Adam, de vertegenwoordiger van de hele mensheid.

De uitleg van Hildegard is dat de Mensenzoon, die voortkomt uit de dageraad, zich hevig laat verwonden aan de duisternis, om daarna de gevallen mens op te richten. Dom Baillet vindt deze miniatuur de minst verantwoorde ten opzichte van de tekst van Scivias. Toch leert deze miniatuur ons het meeste over de spiritualiteit van Hildegard.

Zij leert ons de nieuwe wegen welke God gegaan is om, ondanks de val der engelen en van Adam in het paradijs, toch de voltooiing van Zijn glorie te bereiken. Het is de triomf van de Wijsheid en de Justitia van God, waarop in miniatuur 30 dieper wordt ingegaan.

.

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

.

JOHN ASTRIA

 

Het grote wonder van Garabandal

Standaard

categorie : religie

.

.

De Mariaverschijningen in Garabandal bleven niet bij eenvoudige gesprekjes en liefkozingen tussen Maria en de kinderen. Maria was gekomen om een twee kernboodschappen door te geven,namelijk van 18 okt. 1961 en 18 juni 1965

.

.

.
.
.

De 1e Boodschap van 18 oktober 1961

.

“Breng vele offers,
Doe veel boete,
We moeten vaak het H. Sacrament bezoeken,
Maar vooral moeten we zeer goed zijn,
Als men dat niet doet,
Dan zal een straf ons treffen,
De beker vult zich reeds,
Als wij niet veranderen zullen wij gestraft worden.”

.

.

.

De 2e Boodschap van 18 juni 1965

.

“Omdat men mijn Boodschap van 18 oktober 1961 niet vervuld heeft, en men er geen grote bekendheid aan heeft gegeven in de wereld, wil ik U zeggen dat de nu volgende de laatste Boodschap is. Eerder vulde de beker zich. Nu loopt hij over (red.: de beker van Gods toorn). Vele kardinalen, bisschoppen en priesters gaan het pad van het verloren gaan op en nemen vele zielen met zich mede.

Aan de Eucharistie wordt steeds minder waarde gehecht. Wij moeten alle nodige pogingen in het werk stellen om Gods toorn, die zwaar op ons drukt, te ontwijken. Als gij Hem vergiffenis vraagt, met een oprecht gemoed, dan zal Hij U vergeven. Ik, uw moeder, wil U zeggen, door de bemiddeling van de H. Michaël, dat ge U moet bekeren.

Gij zijt al in de tijd der laatste waarschuwingen. Ik hou veel van U en ik wil uw veroordeling niet. Vraag ons oprecht en Wij zullen het U geven. (red.: ons/wij is God en Maria). Gij zult U opofferen. Mediteer het Lijden van Jezus.”

.

.

Interviews met de kinderen

.

Jacinta-15jaar

.

.

Loli-16-jaar

.

.

Conchita

.

.

Zieneres Jacinta

.

Februari 1977

.

De H. Maagd had Jacinta nooit over het Wonder verteld. Jacinta zei, dat wanneer zij Onze Lieve Vrouw ook vragen stelde over het Wonder, de H. Maagd eenvoudig antwoordde: “Iedereen zal geloven”.

.

.

Mari-Loli

.

Februari 1977

.

Vraag: Heeft u over het Wonder gehoord tijdens een verschijning en zo ja, door wie?

Antwoord: De Allerheiligste Maagd heeft het mij verteld

Vraag: Wat weet u over het Wonder?

Antwoord: Alles wat ik weet is dat het zal plaatsvinden binnen een jaar na de Waarschuwing.

.

Conchita

.

1973

.

Vraag: Wat gaat er gebeuren op die dag [van het Wonder]?

Antwoord: Ik zal u alles vertellen wat ik kan zeggen, precies zoals de H. Maagd het mij gezegd heeft. Zij vertelde mij dat God een groot Wonder zou verrichten en dat er geen twijfel zou bestaan over het feit dat het een wonder was. Het zal rechtstreeks van God komen zonder menselijke tussenkomst. Die dag zal komen en zij vertelde mij welke dag, de maand en het jaar; dus ik weet de exacte datum.

Vraag: Wanneer is die dag?

Antwoord: Het komt spoedig, maar ik kan het pas acht dagen vóór de datum bekendmaken.

Vraag: Wat gaat er die dag precies gebeuren?

Antwoord: Het is mij niet toegestaan om precies zeggen wat er gaat gebeuren. Wat ik wel mag zeggen is dat de H. Maagd zei, dat iedereen die daar aanwezig zal zijn [in Garabandal] het zal zien. De zieken die daar zijn zullen genezen worden, wat hun ziekte of hun godsdienst ook is. Zij moeten er echter aanwezig zijn.

Vraag: Heeft u gezegd dat degenen die op de dag van het Wonder aanwezig zijn, bekeerd zouden worden?

Antwoord: De H. Maagd heeft gezegd dat iedereen, die aanwezig is, zou geloven. Zij zouden zien dat dit rechtstreeks van God kwam. Alle aanwezige zondaars zouden bekeerd worden. Zij heeft ook gezegd dat men er foto’s van kon maken en het via de televisie zou kunnen uitzenden. Verder heeft zij gezegd, dat er van dat ogenblik af bij de pijnbomen een blijvend teken zou zijn, dat iedereen zal kunnen zien en aanraken, maar niet kunnen voelen. Ik kan het niet uitleggen.

Vraag: Zal er op de dag van het Wonder een uitzonderlijk teken zijn, dat niet door mensenhanden is gemaakt?

Antwoord: Ja. En dit teken zal daar blijven tot het einde der tijden.

Vraag: Wat betreft de zieke mensen, de H. Maagd heeft in het bijzonder iemand genoemd, een blinde man, Joey Lomangino. Wat zei zij over hem?

Antwoord: Zij zei dat Joey op het ogenblik van het Wonder nieuwe ogen zal hebben en dat hij vervolgens blijvend zal kunnen zien. Zij sprak ook over een jongen die verlamd is, wiens ouders uit mijn dorp komen [Garabandal]. Deze jongen zal ook genezen worden. Dit zijn de enige twee mensen die zij heeft genoemd.

Vraag: Kunt u ons iets vertellen over Pater Luis Andreu?

Antwoord: Ja. Deze priester kwam vaak naar ons dorp om te zien of de verschijningen echt waren of niet. Na enige tijd geloofde hij erin. Op zekere dag, terwijl wij in extase waren bij de pijnbomen, begon hij te schreeuwen: ‘Een wonder, een wonder, een wonder.’ Toen dit gebeurde zei de H. Maagd: ‘Op dit ogenblik ziet de priester mij en het Wonder dat zal gebeuren.’

Vraag: Zag Pater Luis werkelijk het Wonder?

Antwoord: Ja. Diezelfde dag, op de terugweg naar huis zei hij tot zijn vrienden: ‘Dit is de gelukkigste dag van mijn leven. Wat een geweldige moeder hebben wij in de hemel. De verschijningen zijn echt.’ Terwijl hij deze woorden sprak stierf hij.

Vraag: Zei de H. Maagd niet iets betreffende Pater Andreu, dat zou gebeuren op de dag van het Wonder?

Antwoord: Ja, zij zei dat op de dag van het Wonder zijn lichaam ongeschonden zou worden gevonden (Conchita verduidelijkte, dat het graf de dag na het Wonder zou worden geopend).

.

7 februari 1974

.

Vraag: U heeft gezegd dat het Wonder in Garabandal zou samenvallen met een grote gebeurtenis binnen de Kerk. Heeft Onze Lieve Vrouw u verteld wat die gebeurtenis zal zijn en kunt u iets toevoegen aan wat u reeds heeft gezegd over deze zaak?

Antwoord: Ja. Ik weet wat de gebeurtenis is. Het is een unieke gebeurtenis in de Kerk, die zeer zelden voorkomt en tijdens mijn leven niet is voorgekomen. Het is niet nieuw of ontzagwekkend, alleen zeldzaam, zoiets als de verklaring van een dogma, iets wat de hele Kerk aangaat. Het zal gebeuren op dezelfde dag als het Wonder, maar niet als gevolg van het Wonder, slechts bij toeval.

Vraag: Hoe zult u het Wonder aankondigen?

Antwoord: Dat weet ik niet precies. Ik zal zeer zeker om middernacht (acht dagen voor het Wonder) Joey [Lomangino] opbellen, maar ook de radio, de televisie en iedereen in de wereld die ik in staat acht te helpen om het nieuws snel te verspreiden. Ik maak me daar geen zorgen over. Ik weet dat als de H. Maagd wil dat u daar bent, u er dan zult zijn.

Vraag: Joey heeft gezegd dat hij onmiddellijk na de Waarschuwing naar Garabandal zal gaan. Weet u hoeveel tijd er zal verlopen tussen de Waarschuwing en het Wonder?

Antwoord: Het is een goed idee dat Joey na de Waarschuwing naar Garabandal gaat, maar ik weet niet hoeveel tijd er zal verlopen tussen de Waarschuwing en het Wonder.

Vraag: Denkt u vaak aan de dag van het Wonder en kijkt uit met spanning uit naar de komst van de Waarschuwing en het Wonder?

Antwoord: Soms denk ik dat het heel dichtbij is, soms ver weg. Wanneer ik eraan denk, dat de mensen de Boodschap niet naleven lijkt het zo dichtbij, omdat na het Wonder misschien de straf komt. Ik kijk er met spanning naar uit, ja. Ik wacht. De H. Maagd liegt nooit. De Waarschuwing en het Wonder moeten gebeuren, opdat de woorden van de H. Maagd in vervulling gaan. Het is alles tezamen één boodschap.

.

Februari 1977

.

Vraag: Heeft u het Wonder gezien of werd het u verteld?

Antwoord: De H. Maagd heeft me erover gesproken en heeft mij precies doen begrijpen hoe het zal zijn.

Vraag: Was u alleen of met de andere meisjes toen Onze Lieve Vrouw u over het Wonder vertelde?

Antwoord: Ik kan het mij niet meer herinneren.

Vraag: Hoe zal het Wonder eruitzien?

Antwoord: Zelfs al zou ik het proberen uit te leggen, ik zou niet in staat zijn om het goed te doen. Het is beter dat u het afwacht.

Vraag: Zou u nog eens kunnen zeggen tijdens welke maanden wij het Wonder zouden kunnen verwachten?

Antwoord: Van maart tot mei.

Vraag: Sommige mensen zeggen, dat de manier waarop u het Wonder zult aankondigen op zichzelf al een ‘wonder’ zal zijn. Kunt u dit uitleggen?

Antwoord: Ik geloof dat de manier waarop het gezegd zal worden ook een wonder zal zijn, omdat het voor mij een zeer grote verantwoordelijkheid is en ik een wonder nodig heb om het te zeggen.

Commentaar van Wim Langeveld: In 1977 kon niemand bevroeden wat voor een vlucht het Internet zou nemen. Dit wereldwijde informatie net brengt razendsnel alle gebeurtenissen uit diverse landen en plaatsen in de huiskamer. Per email wordt vanuit New-York de dag van het Grote wonder aangekondigd. Alle Garabandal sites en centra zullen deze aankondiging van Conchita bekendmaken. Daarin heeft Conchita gelijk dat het Internet een soort wetenschappelijk wonder is om op de meest snelle wijze de datum van het Grote Wonder bekend te maken.

Vraag: Als ik ver van het dorp in de bergen ben, maar ik kan wel de pijnbomen zien, zal ik dan het Wonder duidelijk kunnen zien? Als ik ziek ben, zal ik vanaf die afstand genezen worden?

Antwoord: U zult het Wonder duidelijk kunnen waarnemen, en als God het wil zult u worden genezen.

Vraag: Sommige mensen hebben gezegd dat op andere plaatsen in de Verenigde Staten en Europa mensen Maria heiligdommen zouden kunnen bezoeken en op die dag genezen kunnen worden. Wat weet u hierover?

Antwoord: De H. Maagd heeft mij hierover niets verteld.

Vraag: Zullen degenen, die sterk geloven in het komende Wonder, maar niet in staat zijn om het bij te wonen, vanwege hun levensstaat, bijvoorbeeld kloosterlingen, die dag speciale genaden ontvangen?

Antwoord: Dat weet ik persoonlijk niet. Het hangt af van deze mensen, van hun wensen, van hun geloof, van hun opoffering of hun gehoorzaamheid.

Vraag: Heeft Onze Lieve Vrouw ooit iets gezegd over de grote menigte mensen, die van plan is om enige dagen tevoren in Garabandal te zijn? Velen vragen zich bezorgd af hoe zij het zullen klaarspelen wat betreft het eten en de sanitaire voorzieningen. Kunt u daarover iets zeggen?

Antwoord: Laat dat in handen van God. Doe wat u kunt en wat het overige betreft, denk eraan: ‘God doet wonderen.’

Meer informatie van Conchita over het Wonder:

  • Het zal plaatsvinden bij de Pijnbomen in Garabandal op een donderdag om half negen ’s avonds.
  • Het zal gebeuren tussen de 8e en de 16e van de maanden maart, april of mei.
  • Het zal vallen op de feestdag van een jonge martelaar.
  • Het zal ongeveer 15 minuten duren.
  • De Paus zal het zien van waar hij zich ook bevindt, en Pater Pio zal het ook zien.*

In oktober 1968 in Lourdes vertelde Pater Bernardino Cennamo O.F.M. aan Conchita in Lourdes, dat Pater Pio het Wonder had gezien, voordat hij op 23 september 1968 stierf. Hij zei, dat Pater Pio hem dat zelf had verteld.

.

.

.

.

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

.

.

Tiende Miniatuur : eerste Visioen van het Tweede Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

.

.

.

.

.Tiende Miniatuur: eerste Visioen van het Tweede Boek

.

Het feit dat Hildegard een nieuw boek begint wijst erop, dat de openbaring van haar mystieke belevenis, aan belangrijkheid gaat winnen. Inderdaad, de vijf volgende visioenen en miniaturen vormen samen het middenluik van de triptiek waaruit Scivias bestaat.

De woorden van de hemelse stem:

“De levende God schiep alles door zijn woord. Door ditzelfde Woord, dat vlees aannam, heeft Hij ook zijn schepsel de mens, ongelukkig geworden door de zondeval in de duisternis, de vurig verhoopte verlossing teruggebracht.”

.

Hoe is dit geloofsgegeven door Hildegard in beeld gebracht?

.

Op een groot veld van zilver zien we twee cirkels, een gouden en een donkerblauwe. Het zilver wijst op de Eerste Persoon van de H. Drievuldigheid. In de vorige miniaturen werd met zilver het geloofslicht aangeduid. Abraham houdt in miniatuur acht een mes vast van zilver en sommige engelen in miniatuur negen dragen zilveren helmen.

De kleuren hebben bij Hildegard een wisselende betekenis in al de 35 miniaturen. Iedere keer verschuift de betekenis van de kleuren, die echter wel associatief met elkaar verbonden blijven. Zo staat zilver op de eerste plaats voor wit licht, dus niet het zonlicht maar het soort daglicht dat er is vóór zonsopgang of na zonsondergang.

We hebben in het visioen van de engelen reeds gezien dat God werd aangeduid door een kern van zuiver wit. Meer dan eens echter wordt in de miniaturen de heraldische kleur wit gebruikt voorgesteld door het metaal zilver. Verder wordt zilver gebruikt als er sprake is van een spiegel en haar weerspiegeling.

Omdat spiegels in die tijd gemaakt werden van gepolijst ijzer, is het ook te begrijpen dat de glanzende wapenrusting en zwaarden en lansen, waarover in de visioenen wordt gesproken, bij voorkeur worden aangegeven door zilver. Langs die weg ontstaat een associatie met macht, rechtvaardigheid en sterkte. En zo wordt het duidelijk dat Hildegard God, in het bijzonder de Vader, aanduidt met zilver.

In deze levenssfeer van de Vader zien we in de miniatuur twee cirkels, die als polen op elkaar inwerken. Er is een gouden cirkel die een blauwe circel omvat. Het goud staat hier voor de H. Geest en de liefdegloed waarmee deze alles tot ontwikkeling brengt. Deze gloed van de Geest omgeeft het Goddelijk Woord, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid. Deze is hier aangegeven door een discus van blauwe kleur, verlevendigd met golvende witte lijnen.

Met dit blauw wil Hildegard de diepste wezensopenbaring van God uitbeelden. De tweede Persoon is mens geworden in Christus en Deze heeft zich tot doel gemaakt van ons geestelijk leven en vormt tevens de overkoepeling van heel de schepping. Bij de volgende miniatuur wordt betekenis van de kleur blauw in de mystieke ervaringen van Hildegard met betrekking tot dit goddelijk geheim verduidelijkt.

De donkere schijf in het middenveld van deze miniatuur stelt de oerchaos voor waarover de H. Schrift in haar aanvang spreekt. De aarde was nog ongeordend en leeg en over de wereldzee heerste de duisternis. Dan begint de geschiedenis van Gods Geest die broedde over de wateren en de aarde bevruchtte. In de tekst van Scivias staat:

“De Vlam Gods werd witgloeiend en zie, er ontstond plotseling een donkere luchtkogel van enorme omvang, waarop de Vlam verschillende keren sloeg en iedere keer sprong er een vonk naar voren. Zo werd die kogel tot voltooiing gebracht en hemel en aarde kwamen ten volle in het licht.”

.

Op dit beeld van de Vlam die enkele keren op de luchtkogel sloeg, dienen we even dieper in te gaan. De Latijnse tekst spreekt van een faber, een werkman, die enkele slagen geeft en daardoor uit de donkere luchtkogel vonken deed springen. Hier wordt evenwel van geen gereedschap gesproken.

Zr. Böckeler vertaalt dit zo, dat de vlam op de kogel sloeg als een smid op een aambeeld, waardoor er bij iedere slag een vonk uitspatte. Dom Baillet zegt in zijn beschrijving van deze miniatuur, dat de zwarte cirkel aangeraakt wordt door een zilveren vinger en dat zo de wezens ontstaan. Hij verbaast zich wel erover dat de vinger niet blauw is, want door het Woord van de tweede Persoon is toch alles geschapen.

Hiltgart Keller spreekt van een zilveren tong, die uit een klomp leem een mens te voorschijn roept. Inderdaad zien we beelden van de zes scheppingsdagen, waarover in de tekst niet gesproken wordt, rondom deze tong geschikt.

We zien dat de miniaturist hier van de tekst afgeweken is, hetgeen hij nooit heeft kunnen doen buiten Hildegard om. We hebben nu als het ware twee verschillende lezingen van de visioenervaring: de eerste is de tekst in de Scivias met de uitleg ervan, de tweede is de weergave in de miniatuur.

Het gaat om de schepping van de mens en zijn verlossing. De schepping geschiedt door de drie goddelijke Personen. Deze Drieëenheid is voorgesteld door drie elementen, namelijk een gouden cirkel met rode lijnen verlevendigd, daar binnen een blauwe schijf verlevendigd met witte lijnen, en op de derde plaats een zilveren roede die doordringt in de ronde kogel van de oerchaos.

Vuur, hier uitgebeeld door het goud, is steeds het beeld van Gods Geest. De blauwe schijf noemt Hildegard een vlam van hemelkleur, die schittert als een saffier. Zo wordt deze vlam ook in het volgende visioen aangegeven, waar uitvoerig wordt uitgelegd, hoe deze saffier, het binnenste van God zelf, de tweede Persoon betekent.

De roede heeft de kleur van het metaal zilver, het heraldisch gegeven voor wit. Zoals wij in het visioen van de engelen in het middelpunt de witte kleur aantroffen als beeld van de volmaaktheid van God, zo wil de zilveren roede ons de almacht van God tonen.

Dom Baillet spreekt van een vinger, Hiltgart Keller van een tong en Zr. Böckeler van een smidshamer. Iedere godsdienstgeschiedkundige zal bij de eerste blik op deze miniatuur, zonder iets van het onderwerp af te weten, denken aan het fallisch symbool dat in alle godsdiensten voorkomt om de vruchtbare liefde van de Godheid voor de schepping aan te duiden.

Voor Hildegard zijn alle vormen van leven, van plantaardig -, dierlijk – tot geestelijk leven toe, allemaal openbaringen van Gods vruchtbaarheid. Het is niet moeilijk in de zes medaillons een uitbeelding te zien van de zes scheppingsdagen. Op de eerste dag, toen God sprak: “Het worde licht” zijn de engelen geschapen. Onder in de donkere luchtkogel zien we uit rode leem een mensenhoofd te voorschijn komen om de schepping van de mens uit te beelden.

Voor Hildegard is scheppen niet alleen iets smeden, iets maken, maar vooral de dingen het leven schenken, zoals een vader dat doet. De eerste mens zien wij – bovenaan rechts – ruiken aan een bloem die hangt aan de gouden schijf als een dauwdruppel aan een grashalm. Het is een prachtig beeld van het goddelijk aanbod van het zoete gebod der gehoorzaamheid. Zo kostbaar als de wonderbare dauw is voor de groei van de halm, zo waardevol is dit gebod van God voor de groei van het geestelijk leven.

Dom Baillet uitte zijn verbazing er over, dat de bloem zonder enige steun in de lucht hangt. Als men echter bij het opkomen van de zon voor een grasveld staat en men ziet hoe de dauwdruppels daar hangen, is men verbaasd over het wonder van de adhesi-capaciteit van een druppel. Hij hangt los aan de grashalm, maar valt niet naar beneden. Iets dergelijks bedoelde Hildegard, toen zij de stengel van Gods wet met drie bloempjes liet uitbeelden, als het ware klevend aan de goddelijke cirkel.

Helaas, Adam aanvaardde deze wet niet, hij rook er slechts aan en keerde zich er van af. Sedert dit moment breidde de chaos zich uit over het ganse heelal en heeft de duisternis de betekenis gekregen van zonde en dood. Immers, toen viel de mens ten prooi aan lijden en sterven.

Maar es kwam nieuwe hoop. God is machtig genoeg om zijn schepping te redden. Om deze overwinning van het licht op de duisternis voor te bereiden en aan te kondigen zendt God de aartsvaders en de profeten van wie St. Jan de Doper de laatste en de grootste is. Zij worden hier voorgesteld door gouden sterren.

Links zien we twaalf sterren waarvan er negen zeven punten hebben, en drie grotere met acht of negen punten: de drie aartsvaders. Rechts bevinden zich zeven sterren waarvan er één grotere met negen punten de voorloper St. Jan moet aanduiden. Verder zijn deze grote sterren omringd door kleine witte met zes punten, de  rechtvaardigen die leefden vóór de komst van Christus.

Zij zijn vierentachtig in getal, zeven maal twaalf. Zeven is een heilig getal in de Bijbel dat verwijst naar een nieuw gevolg en 12 is in de Bijbel het symbool voor perfect bestuur. Plotseling verschijnt op de aarde, vervolgt de uitleg, een licht als de dageraad en de Vlam verenigt zich op wonderbare wijze met die dageraad zonder zich van haar gouden oorsprong los te maken.

Hier komen we bij een van de voornaamste kernpunten van de mystieke openbaring voor Hildegard. In dit kerngegeven ontmoeten we het trefwoord ‘Aurora’ of de dageraad. Als men de acht teksten uit de H. Schrift, waarin sprake is van aurora naslaat, kunnen waarschijnlijk twee daarvan bij Hildegard voor dit beeld een rol spelen. De eerste zou dan de vraag van God aan Job zijn:

“Hebt ge ooit in uw leven de morgen ontboden en de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38-12).

.

Hier laat God Job en ieder mens duidelijk voelen, dat Hij de schepper is en dat Hij alle dingen hun plaats aanwijst naar Zijn inzicht.

De tweede tekst is uit het Hooglied:

“Wie rijst daar op als het morgenrood?” (Hooglied 6-10).

.

Hier wordt het morgenrood als iets buitengewoons gezien en de aanstaande bruidegom spreekt zijn bewondering voor zijn bruid uit door haar daarmee te vergelijken.

In de duisternis van de chaos na de zonde komt er volgens Hildegard toch een nieuwe dageraad. Zonder de aarde met zijn vurige roede opnieuw te bevruchten, kiest God een andere weg. Hij zaait in maagdelijke grond. Alles wat door God is aangeraakt, is ongeschonden als een maagd. Uit deze maagdelijke grond neemt het Woord het vlees aan en wordt Hij de nieuwe bron van licht en leven.

Dit is het raadsbesluit van God, dat noch door engelen noch door heiligen of profeten kan worden begrepen. Daarom is hier de dageraad voorgesteld als een gloed oprijzende van achter de omlijsting. Hij is volledig gescheiden van de zwarte band die het middenveld van de miniatuur bedekt. God begint iets nieuws, en vanuit dit nieuwe valt het mensgeworden Woord de verduisterde chaos aan.

We zien, hoe een geheel vergulde Christusfiguur met zijn stralenkrans tot in de duisternis doorstoot, om de gevallen mens te verlichten en te verlossen. Het is merkwaardig, dat het morgenrood dat in feite op Maria slaat, met dezelfde kleuren wordt uitgebeeld als de grote zonnecirkel van de Godheid. In de kern zien we blauw en daar omheen een gouden gloed verlevendigd door rode lijnen.

Op deze kleuren komen we bij de bespreking van het volgende visioen nog uitvoerig terug. Nu reeds kunnen we zeggen, dat in het mysterie van de maagdelijkheid van Maria, van wie de Tweede Persoon zijn lichaam ontving, de drievoudige goddelijke activiteit zich als het ware opnieuw openbaart.

Hildegard zegt hiervan, dat in dit morgenrood de diepste wilsuiting van de Drieëne God zich geopenbaard heeft, om kost wat kost de gevallen mens toch op te nemen in Zijn goddelijk leven. Als Hildegard evenwel poogt nog dieper door te dringen in dit raadsbesluit, dan schrijft zij:

“Er werd mij een geheimnisvol zegel opgedrukt.” Want, zegt de hemelse Stem, je moet de geheimen Gods niet dieper willen doorvorsen, dan tot waar de goddelijke majesteit het in zijn liefde gunt aan hen, die Hem in diep geloof aanhangen”.

.

Hier naderen we het hoogtepunt van de mystieke ervaring, de vereniging van God met de ziel van de zieneres. Het is immers geen verwijt aan de geliefde, dat God haar niet toestaat dieper door te dringen in Zijn mysterie. Het is de bruidegom die zijn bruid verklaart dat zij op dit moment nog niet alles kan vatten van het overgrote geheim van het goddelijke trinitaire leven en van de Menswording.

Het is niet de mens die God begrijpen kan, nee het is andersom. Ondanks de eerste afwijzing gaat God toch de geliefde mensheid achterna. Het is het oerspel van elke liefdesbeleving: als de bruid wegloopt, vlamt de liefde hoger op met alle consequenties van dien. Maar de goddelijke greep en vereniging kunnen pijnlijk zijn. Hildegard dicteerde hier:

“In dit visioen is mij een geheim zegel opgedrukt.”

.

Als we de Bijbelteksten naslaan, zijn er maar twee te vinden in het Oude Testament en één enkele in het Boek der Openbaring van Johannes, wanneer hij spreekt over de zeven zegels, die eenmaal door het Lam verbroken worden. De eerste uit het O.T, is uit Job, waar de zon bevel krijgt niet te stralen en de sterren onder een zegel worden geplaatst. (Job. 9,7)

De andere tekst uit het Oude Testament is uit het Hooglied: “Leg mij op uw hart als een zegel en om uw arm als een band. Want sterk is de liefde.” (Hoogl. 8,6) Deze staat in de epiloog van het Hooglied, waar gezongen wordt over het altijd verenigd zijn van bruid en bruidegom.

Terwijl de bruidegom van het Hooglied vraagt als een zegel op het hart van de bruid gelegd te worden, zegt hier Hildegard, dat God zich als een geheim zegel op haar hart gedrukt heeft. Hier is in Bijbelse beeldspraak de hoogste mystieke vereniging aangeduid.

We kunnen nagaan wat in de Bijbelse tijden de uitdrukking van een zegel leggen op het hart betekend heeft. De zegelstempel en ook de zegel afdruk betekenen een persoonlijk en kostbaar bezit “Ik draag U (Zorobabel zoon van Salatiël) als een zegelring want Ik heb U uitverkoren” (Aggeus 2,23); zie verder Jer. 32 10-14. Neh. 10-1. Esth. 3-10 en 8-8 alsook Tob. 9-5. In al deze teksten is bezegeling tevens persoonlijke toe-eigening en bescherming (zie Deut. 6-18, Tob. 9-5, Mat. 27-66).

Het geheimnisvolle zegel drukt de bekroning uit van de liefdesvereniging van God met Hildegard. Dat hier geen afschermen van het mysterie is bedoeld, bewijst het volgende visioen, dat juist een dieper doordringen in het mysterie behelst. Het blijft merkwaardig, dat in deze miniatuur het verloop van het mysterie van de Menswording als een korte episode wordt weergegeven.

Slechts een felle aanval op de burcht van de duisternis. Misschien is dit wel de juiste benadering, zoals alleen een mystica die kan vatten. Dom Baillet, die zich liever houdt aan de geschreven tekst waar gesproken wordt over de levensloop van de Verlosser en de stichting van de Kerk, heeft een beetje moeite met deze vereenvoudiging, maar hij geeft er toch een spitsvondige verklaring voor.

Hij schrijft: “De miniaturist heeft het niet nodig gevonden om de Verrijzenis, de verschijningen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren weer te geven, al had hij in de traditionele iconografie voldoende modellen om na te tekenen. Een minder persoonlijk genie zou deze kans hebben aangegrepen om het perkament zonder veel moeite vol te maken. Onze kunstenaar had daar maling aan!”

In feite is het zo, dat het de bedoeling van Hildegard is geweest het leven van Christus in het verloop van het scheppings- en verlossingsverhaal te zien als een snelle meteoor, die flitst langs het donker hemelgewelf van tijd en eeuwigheid.

Even dienen we nog aandacht te schenken aan het figuurtje in de donkere chaos dat, overdekt met bloedrode wonden, aangeraakt wordt door de gulden vlam van de Christusfiguur, die oprijst uit de dageraad. Deze zwaar gewonde mens met witte haren kan zowel Christus zelf betekenen als de gevallen Adam, de vertegenwoordiger van de hele mensheid.

De uitleg van Hildegard is dat de Mensenzoon, die voortkomt uit de dageraad, zich hevig laat verwonden aan de duisternis, om daarna de gevallen mens op te richten. Dom Baillet vindt deze miniatuur de minst verantwoorde ten opzichte van de tekst van Scivias. Toch leert deze miniatuur ons het meeste over de spiritualiteit van Hildegard.

Zij leert ons de nieuwe wegen welke God gegaan is om, ondanks de val der engelen en van Adam in het paradijs, toch de voltooiing van Zijn glorie te bereiken. Het is de triomf van de Wijsheid en de Justitia van God, waarop in miniatuur 30 dieper wordt ingegaan.

.

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

.

JOHN ASTRIA

 

Tiende Miniatuur : eerste Visioen van het Tweede Boek

Standaard

categorie : Hildegard von Bingen

.

.

.

.

.Tiende Miniatuur: eerste Visioen van het Tweede Boek

.

Het feit dat Hildegard een nieuw boek begint wijst erop, dat de openbaring van haar mystieke belevenis, aan belangrijkheid gaat winnen. Inderdaad, de vijf volgende visioenen en miniaturen vormen samen het middenluik van de triptiek waaruit Scivias bestaat.

De woorden van de hemelse stem:

“De levende God schiep alles door zijn woord. Door ditzelfde Woord, dat vlees aannam, heeft Hij ook zijn schepsel de mens, ongelukkig geworden door de zondeval in de duisternis, de vurig verhoopte verlossing teruggebracht.”

.

Hoe is dit geloofsgegeven door Hildegard in beeld gebracht?

.

Op een groot veld van zilver zien we twee cirkels, een gouden en een donkerblauwe. Het zilver wijst op de Eerste Persoon van de H. Drievuldigheid. In de vorige miniaturen werd met zilver het geloofslicht aangeduid. Abraham houdt in miniatuur acht een mes vast van zilver en sommige engelen in miniatuur negen dragen zilveren helmen.

De kleuren hebben bij Hildegard een wisselende betekenis in al de 35 miniaturen. Iedere keer verschuift de betekenis van de kleuren, die echter wel associatief met elkaar verbonden blijven. Zo staat zilver op de eerste plaats voor wit licht, dus niet het zonlicht maar het soort daglicht dat er is vóór zonsopgang of na zonsondergang.

We hebben in het visioen van de engelen reeds gezien dat God werd aangeduid door een kern van zuiver wit. Meer dan eens echter wordt in de miniaturen de heraldische kleur wit gebruikt voorgesteld door het metaal zilver. Verder wordt zilver gebruikt als er sprake is van een spiegel en haar weerspiegeling.

Omdat spiegels in die tijd gemaakt werden van gepolijst ijzer, is het ook te begrijpen dat de glanzende wapenrusting en zwaarden en lansen, waarover in de visioenen wordt gesproken, bij voorkeur worden aangegeven door zilver. Langs die weg ontstaat een associatie met macht, rechtvaardigheid en sterkte. En zo wordt het duidelijk dat Hildegard God, in het bijzonder de Vader, aanduidt met zilver.

In deze levenssfeer van de Vader zien we in de miniatuur twee cirkels, die als polen op elkaar inwerken. Er is een gouden cirkel die een blauwe circel omvat. Het goud staat hier voor de H. Geest en de liefdegloed waarmee deze alles tot ontwikkeling brengt. Deze gloed van de Geest omgeeft het Goddelijk Woord, de tweede Persoon van de H. Drievuldigheid. Deze is hier aangegeven door een discus van blauwe kleur, verlevendigd met golvende witte lijnen.

Met dit blauw wil Hildegard de diepste wezensopenbaring van God uitbeelden. De tweede Persoon is mens geworden in Christus en Deze heeft zich tot doel gemaakt van ons geestelijk leven en vormt tevens de overkoepeling van heel de schepping. Bij de volgende miniatuur wordt betekenis van de kleur blauw in de mystieke ervaringen van Hildegard met betrekking tot dit goddelijk geheim verduidelijkt.

De donkere schijf in het middenveld van deze miniatuur stelt de oerchaos voor waarover de H. Schrift in haar aanvang spreekt. De aarde was nog ongeordend en leeg en over de wereldzee heerste de duisternis. Dan begint de geschiedenis van Gods Geest die broedde over de wateren en de aarde bevruchtte. In de tekst van Scivias staat:

“De Vlam Gods werd witgloeiend en zie, er ontstond plotseling een donkere luchtkogel van enorme omvang, waarop de Vlam verschillende keren sloeg en iedere keer sprong er een vonk naar voren. Zo werd die kogel tot voltooiing gebracht en hemel en aarde kwamen ten volle in het licht.”

.

Op dit beeld van de Vlam die enkele keren op de luchtkogel sloeg, dienen we even dieper in te gaan. De Latijnse tekst spreekt van een faber, een werkman, die enkele slagen geeft en daardoor uit de donkere luchtkogel vonken deed springen. Hier wordt evenwel van geen gereedschap gesproken.

Zr. Böckeler vertaalt dit zo, dat de vlam op de kogel sloeg als een smid op een aambeeld, waardoor er bij iedere slag een vonk uitspatte. Dom Baillet zegt in zijn beschrijving van deze miniatuur, dat de zwarte cirkel aangeraakt wordt door een zilveren vinger en dat zo de wezens ontstaan. Hij verbaast zich wel erover dat de vinger niet blauw is, want door het Woord van de tweede Persoon is toch alles geschapen.

Hiltgart Keller spreekt van een zilveren tong, die uit een klomp leem een mens te voorschijn roept. Inderdaad zien we beelden van de zes scheppingsdagen, waarover in de tekst niet gesproken wordt, rondom deze tong geschikt.

We zien dat de miniaturist hier van de tekst afgeweken is, hetgeen hij nooit heeft kunnen doen buiten Hildegard om. We hebben nu als het ware twee verschillende lezingen van de visioenervaring: de eerste is de tekst in de Scivias met de uitleg ervan, de tweede is de weergave in de miniatuur.

Het gaat om de schepping van de mens en zijn verlossing. De schepping geschiedt door de drie goddelijke Personen. Deze Drieëenheid is voorgesteld door drie elementen, namelijk een gouden cirkel met rode lijnen verlevendigd, daar binnen een blauwe schijf verlevendigd met witte lijnen, en op de derde plaats een zilveren roede die doordringt in de ronde kogel van de oerchaos.

Vuur, hier uitgebeeld door het goud, is steeds het beeld van Gods Geest. De blauwe schijf noemt Hildegard een vlam van hemelkleur, die schittert als een saffier. Zo wordt deze vlam ook in het volgende visioen aangegeven, waar uitvoerig wordt uitgelegd, hoe deze saffier, het binnenste van God zelf, de tweede Persoon betekent.

De roede heeft de kleur van het metaal zilver, het heraldisch gegeven voor wit. Zoals wij in het visioen van de engelen in het middelpunt de witte kleur aantroffen als beeld van de volmaaktheid van God, zo wil de zilveren roede ons de almacht van God tonen.

Dom Baillet spreekt van een vinger, Hiltgart Keller van een tong en Zr. Böckeler van een smidshamer. Iedere godsdienstgeschiedkundige zal bij de eerste blik op deze miniatuur, zonder iets van het onderwerp af te weten, denken aan het fallisch symbool dat in alle godsdiensten voorkomt om de vruchtbare liefde van de Godheid voor de schepping aan te duiden.

Voor Hildegard zijn alle vormen van leven, van plantaardig -, dierlijk – tot geestelijk leven toe, allemaal openbaringen van Gods vruchtbaarheid. Het is niet moeilijk in de zes medaillons een uitbeelding te zien van de zes scheppingsdagen. Op de eerste dag, toen God sprak: “Het worde licht” zijn de engelen geschapen. Onder in de donkere luchtkogel zien we uit rode leem een mensenhoofd te voorschijn komen om de schepping van de mens uit te beelden.

Voor Hildegard is scheppen niet alleen iets smeden, iets maken, maar vooral de dingen het leven schenken, zoals een vader dat doet. De eerste mens zien wij – bovenaan rechts – ruiken aan een bloem die hangt aan de gouden schijf als een dauwdruppel aan een grashalm. Het is een prachtig beeld van het goddelijk aanbod van het zoete gebod der gehoorzaamheid. Zo kostbaar als de wonderbare dauw is voor de groei van de halm, zo waardevol is dit gebod van God voor de groei van het geestelijk leven.

Dom Baillet uitte zijn verbazing er over, dat de bloem zonder enige steun in de lucht hangt. Als men echter bij het opkomen van de zon voor een grasveld staat en men ziet hoe de dauwdruppels daar hangen, is men verbaasd over het wonder van de adhesi-capaciteit van een druppel. Hij hangt los aan de grashalm, maar valt niet naar beneden. Iets dergelijks bedoelde Hildegard, toen zij de stengel van Gods wet met drie bloempjes liet uitbeelden, als het ware klevend aan de goddelijke cirkel.

Helaas, Adam aanvaardde deze wet niet, hij rook er slechts aan en keerde zich er van af. Sedert dit moment breidde de chaos zich uit over het ganse heelal en heeft de duisternis de betekenis gekregen van zonde en dood. Immers, toen viel de mens ten prooi aan lijden en sterven.

Maar es kwam nieuwe hoop. God is machtig genoeg om zijn schepping te redden. Om deze overwinning van het licht op de duisternis voor te bereiden en aan te kondigen zendt God de aartsvaders en de profeten van wie St. Jan de Doper de laatste en de grootste is. Zij worden hier voorgesteld door gouden sterren.

Links zien we twaalf sterren waarvan er negen zeven punten hebben, en drie grotere met acht of negen punten: de drie aartsvaders. Rechts bevinden zich zeven sterren waarvan er één grotere met negen punten de voorloper St. Jan moet aanduiden. Verder zijn deze grote sterren omringd door kleine witte met zes punten, de  rechtvaardigen die leefden vóór de komst van Christus.

Zij zijn vierentachtig in getal, zeven maal twaalf. Zeven is een heilig getal in de Bijbel dat verwijst naar een nieuw gevolg en 12 is in de Bijbel het symbool voor perfect bestuur. Plotseling verschijnt op de aarde, vervolgt de uitleg, een licht als de dageraad en de Vlam verenigt zich op wonderbare wijze met die dageraad zonder zich van haar gouden oorsprong los te maken.

Hier komen we bij een van de voornaamste kernpunten van de mystieke openbaring voor Hildegard. In dit kerngegeven ontmoeten we het trefwoord ‘Aurora’ of de dageraad. Als men de acht teksten uit de H. Schrift, waarin sprake is van aurora naslaat, kunnen waarschijnlijk twee daarvan bij Hildegard voor dit beeld een rol spelen. De eerste zou dan de vraag van God aan Job zijn:

“Hebt ge ooit in uw leven de morgen ontboden en de dageraad zijn plaats gewezen?” (Job 38-12).

.

Hier laat God Job en ieder mens duidelijk voelen, dat Hij de schepper is en dat Hij alle dingen hun plaats aanwijst naar Zijn inzicht.

De tweede tekst is uit het Hooglied:

“Wie rijst daar op als het morgenrood?” (Hooglied 6-10).

.

Hier wordt het morgenrood als iets buitengewoons gezien en de aanstaande bruidegom spreekt zijn bewondering voor zijn bruid uit door haar daarmee te vergelijken.

In de duisternis van de chaos na de zonde komt er volgens Hildegard toch een nieuwe dageraad. Zonder de aarde met zijn vurige roede opnieuw te bevruchten, kiest God een andere weg. Hij zaait in maagdelijke grond. Alles wat door God is aangeraakt, is ongeschonden als een maagd. Uit deze maagdelijke grond neemt het Woord het vlees aan en wordt Hij de nieuwe bron van licht en leven.

Dit is het raadsbesluit van God, dat noch door engelen noch door heiligen of profeten kan worden begrepen. Daarom is hier de dageraad voorgesteld als een gloed oprijzende van achter de omlijsting. Hij is volledig gescheiden van de zwarte band die het middenveld van de miniatuur bedekt. God begint iets nieuws, en vanuit dit nieuwe valt het mensgeworden Woord de verduisterde chaos aan.

We zien, hoe een geheel vergulde Christusfiguur met zijn stralenkrans tot in de duisternis doorstoot, om de gevallen mens te verlichten en te verlossen. Het is merkwaardig, dat het morgenrood dat in feite op Maria slaat, met dezelfde kleuren wordt uitgebeeld als de grote zonnecirkel van de Godheid. In de kern zien we blauw en daar omheen een gouden gloed verlevendigd door rode lijnen.

Op deze kleuren komen we bij de bespreking van het volgende visioen nog uitvoerig terug. Nu reeds kunnen we zeggen, dat in het mysterie van de maagdelijkheid van Maria, van wie de Tweede Persoon zijn lichaam ontving, de drievoudige goddelijke activiteit zich als het ware opnieuw openbaart.

Hildegard zegt hiervan, dat in dit morgenrood de diepste wilsuiting van de Drieëne God zich geopenbaard heeft, om kost wat kost de gevallen mens toch op te nemen in Zijn goddelijk leven. Als Hildegard evenwel poogt nog dieper door te dringen in dit raadsbesluit, dan schrijft zij:

“Er werd mij een geheimnisvol zegel opgedrukt.” Want, zegt de hemelse Stem, je moet de geheimen Gods niet dieper willen doorvorsen, dan tot waar de goddelijke majesteit het in zijn liefde gunt aan hen, die Hem in diep geloof aanhangen”.

.

Hier naderen we het hoogtepunt van de mystieke ervaring, de vereniging van God met de ziel van de zieneres. Het is immers geen verwijt aan de geliefde, dat God haar niet toestaat dieper door te dringen in Zijn mysterie. Het is de bruidegom die zijn bruid verklaart dat zij op dit moment nog niet alles kan vatten van het overgrote geheim van het goddelijke trinitaire leven en van de Menswording.

Het is niet de mens die God begrijpen kan, nee het is andersom. Ondanks de eerste afwijzing gaat God toch de geliefde mensheid achterna. Het is het oerspel van elke liefdesbeleving: als de bruid wegloopt, vlamt de liefde hoger op met alle consequenties van dien. Maar de goddelijke greep en vereniging kunnen pijnlijk zijn. Hildegard dicteerde hier:

“In dit visioen is mij een geheim zegel opgedrukt.”

.

Als we de Bijbelteksten naslaan, zijn er maar twee te vinden in het Oude Testament en één enkele in het Boek der Openbaring van Johannes, wanneer hij spreekt over de zeven zegels, die eenmaal door het Lam verbroken worden. De eerste uit het O.T, is uit Job, waar de zon bevel krijgt niet te stralen en de sterren onder een zegel worden geplaatst. (Job. 9,7)

De andere tekst uit het Oude Testament is uit het Hooglied: “Leg mij op uw hart als een zegel en om uw arm als een band. Want sterk is de liefde.” (Hoogl. 8,6) Deze staat in de epiloog van het Hooglied, waar gezongen wordt over het altijd verenigd zijn van bruid en bruidegom.

Terwijl de bruidegom van het Hooglied vraagt als een zegel op het hart van de bruid gelegd te worden, zegt hier Hildegard, dat God zich als een geheim zegel op haar hart gedrukt heeft. Hier is in Bijbelse beeldspraak de hoogste mystieke vereniging aangeduid.

We kunnen nagaan wat in de Bijbelse tijden de uitdrukking van een zegel leggen op het hart betekend heeft. De zegelstempel en ook de zegel afdruk betekenen een persoonlijk en kostbaar bezit “Ik draag U (Zorobabel zoon van Salatiël) als een zegelring want Ik heb U uitverkoren” (Aggeus 2,23); zie verder Jer. 32 10-14. Neh. 10-1. Esth. 3-10 en 8-8 alsook Tob. 9-5. In al deze teksten is bezegeling tevens persoonlijke toe-eigening en bescherming (zie Deut. 6-18, Tob. 9-5, Mat. 27-66).

Het geheimnisvolle zegel drukt de bekroning uit van de liefdesvereniging van God met Hildegard. Dat hier geen afschermen van het mysterie is bedoeld, bewijst het volgende visioen, dat juist een dieper doordringen in het mysterie behelst. Het blijft merkwaardig, dat in deze miniatuur het verloop van het mysterie van de Menswording als een korte episode wordt weergegeven.

Slechts een felle aanval op de burcht van de duisternis. Misschien is dit wel de juiste benadering, zoals alleen een mystica die kan vatten. Dom Baillet, die zich liever houdt aan de geschreven tekst waar gesproken wordt over de levensloop van de Verlosser en de stichting van de Kerk, heeft een beetje moeite met deze vereenvoudiging, maar hij geeft er toch een spitsvondige verklaring voor.

Hij schrijft: “De miniaturist heeft het niet nodig gevonden om de Verrijzenis, de verschijningen van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren weer te geven, al had hij in de traditionele iconografie voldoende modellen om na te tekenen. Een minder persoonlijk genie zou deze kans hebben aangegrepen om het perkament zonder veel moeite vol te maken. Onze kunstenaar had daar maling aan!”

In feite is het zo, dat het de bedoeling van Hildegard is geweest het leven van Christus in het verloop van het scheppings- en verlossingsverhaal te zien als een snelle meteoor, die flitst langs het donker hemelgewelf van tijd en eeuwigheid.

Even dienen we nog aandacht te schenken aan het figuurtje in de donkere chaos dat, overdekt met bloedrode wonden, aangeraakt wordt door de gulden vlam van de Christusfiguur, die oprijst uit de dageraad. Deze zwaar gewonde mens met witte haren kan zowel Christus zelf betekenen als de gevallen Adam, de vertegenwoordiger van de hele mensheid.

De uitleg van Hildegard is dat de Mensenzoon, die voortkomt uit de dageraad, zich hevig laat verwonden aan de duisternis, om daarna de gevallen mens op te richten. Dom Baillet vindt deze miniatuur de minst verantwoorde ten opzichte van de tekst van Scivias. Toch leert deze miniatuur ons het meeste over de spiritualiteit van Hildegard.

Zij leert ons de nieuwe wegen welke God gegaan is om, ondanks de val der engelen en van Adam in het paradijs, toch de voltooiing van Zijn glorie te bereiken. Het is de triomf van de Wijsheid en de Justitia van God, waarop in miniatuur 30 dieper wordt ingegaan.

.

.

3d-gouden-pijl-5271528

.

.

JOHN ASTRIA

 

Jezus aan het kruis en de spons gedrenkt met zure wijn

Standaard

categorie : religie

 

 

In de Bijbel wordt uitgebreid verslag gedaan van de kruisiging van Jezus. Alle vier evangelisten, Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes schrijven daarover. Zij noemen ook allen dat Jezus vlak voordat hij sterft wat te drinken krijgt aangeboden. Ze bieden hem een spons gedrenkt in zure wijn aan. Over de betekenis van deze spons met zure wijn bestaan verschillende visies. Sommigen duiden het als hulp aan de lijdende Christus, een weldaad aan een mens in nood. Anderen zien er een daad van vernedering en bespotting in, omdat de spons op een stok voor de Romeinen de functie had van ons moderne toiletpapier.

 

 

tekst17596

 

 

De vier evangelisten beschrijven uitgebreid de kruisweg van Jezus. Ze melden dat hij naar Golgotha wordt gebracht. Daar wordt Jezus aan het kruis geslagen. Samen met hem kruisigden de Romeinse soldaten twee misdadigers, een aan zijn linker- en een aan zijn rechterzijde.

Terwijl Jezus daar hangt wordt hij door de omstanders bespot. Op het diepte punt van zij lijden riep Jezus met luide stem: ‘Eloï, Eloï, lema sabachtani?’, wat in onze taal betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Marcus, het oudste evangelie, vervolgt het verhaal van de kruisdood van Jezus.

Toen de omstanders dat hoorden, zeiden enkelen van hen: ‘Hoor, hij roept Elia!’ Iemand ging snel een spons halen, doordrenkte die met zure wijn, stak de spons op een stok en probeerde hem te laten drinken, terwijl hij zei: ‘Laten we eens kijken of Elia komt om hem eraf te halen.’ Maar Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit. (Marcus 15: 35-37)

 

 

Overeenkomsten en verschillen tussen de vier evangelisten

 

Marcus beschrijft dat Jezus een spons doordrenkt met zure wijn voorgehouden krijgt met het doel om hem daarvan te laten drinken. Ook de andere drie evangelisten vertellen dat Jezus zure wijn te drinken krijgt aangeboden (Matteüs 27:48; Lucas 23:36; Johannes 19:29).

Er zijn ook verschillen tussen de vier evangelisten in de beschrijving van dit voorval. Lucas noemt alleen dat Jezus zure wijn aangeboden krijgt. Hij vertelt niets over een spons die op een stok gestoken is. Lucas vermeldt als enige expliciet dat het een van de Romeinse soldaten is die hem de zure wijn aanreikt. ‘Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan’ (Lucas 23:36).

De evangelist Johannes heeft het over een specifiek soort stok, namelijk een majoraantak. Aan deze majoraantak wordt een spons geplaatst die naar de mond van Jezus wordt gebracht: ‘Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond’ (Johannes 19:29). Matteüs volgt het verhaal van Marcus.

 

 

Goedkope zure wijn voor de soldaten

 

Bij de plek waar Jezus gekruisigd werd stond een vat met zure zijn, aldus de beschrijving van Johannes. Met zure wijn (‘oxos’ in het Grieks) wordt een drank aangeduid die bestond uit wijn aangelengd met water. Het kan ook water zijn dat ter conservering is aangezuurd met azijn of wijn. Deze goedkope zure wijn stond er voor de Romeinse legionairs, zodat zij hun dorst daarmee konden lessen.

Deze drank werd door de Romeinen posca genoemd (Davis, 1965). Soms werden er ook nog kruiden aan de zure wijn toegevoegd. De zure wijn was in ieder geval een ideale dorstlesser. De posca bevond zich in een vat dat met een spons was afgesloten om te voorkomen dat de drank verontreinigd werd of ging verdampen. Deze spons zou gebruikt kunnen zijn om Jezus de zure wijn aan te bieden.

 

 

Waarom Maria weent

Waarom Maria weent

 

pasteltekening van John Astria

 

 

 

Een bewuste weldaad aan Jezus

 

Verschillende uitleggers zijn het er met elkaar over eens dat met het aanbieden van de zure wijn Jezus een dienst wordt bewezen. Als zijn dorst groot is wordt hij geholpen. Als Jezus ervan zou drinken, dan zou hem dat iets van verlichting kunnen geven. De theoloog Bruggen (2012) heeft het over een ‘verfrissing’ die Jezus krijgt aangeboden. Nielsen (1974) geeft aan dat het aanreiken van de zure wijn bedoeld is als een bewuste weldaad om de wondkoorts en de dorst van de gekruisigde te lenigen.

 

 

De spons op de stok

 

Was de spons daar op Golgotha aanwezig om het vat met de zure wijn af te sluiten, of had de spons op de stok misschien een andere functie? Om deze vraag te beantwoorden kunnen geschriften uit de tijd van het Romeinse Rijk inzicht geven. Daaruit blijkt dat Romeinen na hun toiletgang geen wc-papier gebruikten, maar een spons op een stok.

De spons op een stok had voor de Romeinen de functie van ons moderne toiletpapier. De stok met spons werden na gebruik in een door azijn zuur gemaakte wateroplossing gedaan. Daarna kon de spons weer door een volgend persoon worden gebruikt.

 

 

Een daad van vernedering

 

Als Jezus de spons op de stok met zure wijn krijgt aangeboden, die eigenlijk bedoeld is voor hygiëne van de legionairs, dan is deze daad aan Jezus zeker geen weldaad, maar een daad van vernedering en bespotting. Beide evangelisten Marcus en Matteüs beschrijven hoe de spons op de stok naar de lijdende Jezus wordt gebracht.

Hoewel Lucas het niet expliciet heeft over de stok met de spons, past deze daad van vernedering wel bij de beschrijving van Lucas: ‘Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan’. Het aanbieden van de zure drank sluit bij Lucas dan naadloos aan bij het bespotten van Jezus.

Als het aanbieden van de zure wijn wel een weldaad zou zijn, dan is er een tweedeling in de tekst. Aan de ene kant bespotten de soldaten Jezus en aan de andere proberen ze zijn lijden te verlichten.

 

 

De marjoraantak of hysop

 

De evangelist Johannes (19:29) is de enigste die het bij de stok waarop de spons geplaatst is spreek over een marjoraantak. Het Griekse woord ‘hussôpos’ dat hij daarvoor gebruikt wordt traditioneel met ‘hysop’ vertaald. De plantensoort hysop komt echter in het Midden-Oosten niet voor. De evangelist Johannes zou eigenlijk ‘majorana syriaca’ bedoelen, in het Nederlands meer bekend onder de naam ‘majoraan’.

 

 

Vervulling van de Schriften

 

Hysop zou ook eigenlijk niet geschikt zijn om een natte spons omhoog te brengen. Hysop was namelijk niet sterk genoeg voor zo’n functie. Dat Johannes het woord toch gebruikt heeft waarschijnlijk te maken met de symbolische betekenis van hysop. Hysop werd gebruikt om het bloed van het Pesach lam aan de deurposten gestreken (Exodus 12:22).

Hysop verwijst naar het bloed van het lam. Zo maakt Johannes een verbinding tussen het Pesach lam en Jezus als Lam dat geslacht wordt om anderen te redden. Ook kan de evangelist gedacht hebben aan woorden uit Psalm 51 vers 9: ‘Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein’. Het bloed van Jezus reinigt de zonde.

 

 

johannes-19-290313-23-638

 

.

Een zure wrange smaak

 

Dat Jezus zure wijn, aangelengd met azijn, aangeboden krijgt, kan verwijzen naar Psalm 69. In vers 22 van deze aan David toegeschreven psalm staat: ‘Ze mengden gif door mijn eten en lesten mijn dorst met azijn’. Zowel in de psalm als in het evangelie krijgt de koning van Israël, David of Jezus, een dronk aangeboden met een wrange bijsmaak. Koning David beklaagde zich erover dat zijn leven zuur werd gemaakt. Zuur is ook de smaak van de drank die Jezus krijgt vlak voor zijn sterven. Daardoor wordt zo het Schriftwoord van David in Jezus voltooid.

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

mijne-kop-a4

Noveen gebed op voorspraak van Pater Pio

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Noveen gebed  op voorspraak van P. PIO van Pietrelcina

 

 

padre_pio

 

 

EERSTE DAG

 

Pio van Pietrelcina, Gij die de wonden van onze Heer J.Chr ontvangen hebt en zijn kruis voor ons gedragen. Gij hebt alle lichamelijk en moreel lijden op u genomen. Uw lichaam en ziel verkeerden in een voortdurende toestand van martelaar. Spreek voor ons ten beste bij God opdat wij geduldig de kleine en grote kruisen van het leven dragen en van elke beproeving een brug naar de hemel maken.

 

“ Het past dat gij de ongemakken die God toelaat verdraagt. Jezus zal niet verdragen dat gij te neer geslagen blijft, Hij zal u sterken en nieuwe moed geven” (P.Pio)

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

TWEEDE DAG
 

Pio van Pietrelcina gij hebt met de hulp van O.H. Jezus Christus kunnen weerstaan aan de bekoringen van de duivel. Gij hebt de aanvallen van de helse duivels ondergaan, die u wilden afhouden van de weg naar de heiligheid, spreek voor ons bij God ten beste dat wij met uw hulp en deze van de uitverkorenen kracht krijgen om te weerstaan aan de zonde en het geloof bewaren tot aan de dood.

 

“Wees moedig en vrees de woede van de duivel niet. Herinner u altijd dat wanneer de vijand onrust en moeilijkheden zaait, dit een teken is dat hij niet overwonnen heeft (P.Pio)

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

DERDE DAG
 

Pio van Pietrelcina , gij die de Maagd Maria zeer genegen waart en dagelijks zeer veel genaden en troost van haar  ontvangen hebt, spreek bij haar ten best. Leg met zachtheid onze zonden en onze gebeden in haar handen opdat, zoals eens in Cana in Gallilea, haar Zoon naar zijn moeder luistert en dat onze naam opgeschreven wordt in het boek van het leven.

 

De heilige Maagd  weze de ster die uw weg verlicht. Moge zij u de betrouwbare weg naar God wijzen en een vast anker zijn in het uur van de beproeving dat u nog sterker met Hem verenigt. (P.Pio)

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

VIERDE DAG
 

Pio van Pietrelcina, Gij die zoveel van uw engelbewaarder hebt gehouden, Hij was uw gids, verdediger en boodschapper. Gij aan wie de bewaarengelen de gebeden van uw spirituele kinderen brengen, spreek ten beste bij de Heer zodat wij leren onze toevlucht te nemen tot onze bewaarengel die gedurende ons leven ons kan bemoedigen om het goede te doen en het kwaad te vermijden.

 

“Roep uw engel aan, dat hij u verlicht en leidt. De Heer heeft hem u gegeven als gids en boodschapper. Neem uw toevlucht tot Hem” P.PIo

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

VIJFDE DAG
 

Pio van Pietrelcina, Gij die een grote godsvrucht had voor de zielen in het vagevuur. Gij hebt u voor hen opgeofferd als slachtoffer, tot uitboeting van hun zonden. Bid voor ons zodat ook in ons hart gevoelens van medelijden en vriendschap ontstaan voor deze zielen. Zo kunnen wij hun wachten verkorten en bekomen wij door ons gebed en offer voor hen de aflaten die zij nodig hebben

 

“Mijn God, Ik bid u leg mij het lijden op die voorbereid zijn voor de zondaars en de zielen in het vagevuur. Vermeerder voor mij de straffen tot zij bekeerd zijn en gered, dat de zielen bevrijd zijn uit het vagevuur  (P.Pio)

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

ZESDE DAG
 

Padre Pio de Pietrelcina, gij die de zieken meer hebt lief gehad dan uzelf, omdat ge in hen het beeld van de lijdende zaagt; gij die mirakelen bekomen hebt naar lichaam en ziel, bidt voor ons bij de Heer opdat alle zieken, door de voorspraak van de maagd Maria, genezing bekomen en een overvloed van aan genade ontvangen en de Heer loven tot in eeuwigheid.

 

Indien ik weet dat een persoon naar lichaam of naar ziel gekweld wordt, zou ik niet weten wat te doen om hem te bevrijden van zijn kwalen? Ik neem graag al zijn kwelling op mij om hem gered te zien en de vruchten van dat offer bied ik graag aan aan God, als Hij het me toestaat. (Padre Pio)

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

ZEVENDE DAG
 

Padre Pio de Pietrelcina, gij die deelneemt aan het heilswerk van God en al uw lijden opoffert voor de bevrijding van de zondaars, spreek bij ons voor bij God opdat ongelovigen de genade van het geloof krijgen en zich bekeren; dat zondaars oprecht berouw krijgen; dat lauwen vurig worden en dat de rechtvaardigen op de goede weg blijven.

 

“Indien de arme wereld de schoonheid van een ziel in staat van genade konden zien, zouden alle zondaars en alle ongelovigen zich ogenblikkelijk bekeren. “Padre Pio”

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

ACHTSTE DAG
 

Padre Pio de Pietrelcina, gij die zoveel geestelijke aanhangers telt waarvan velen door u tot Christus zijn geleid, ten koste van uw bloed, beschouw ons ook, alhoewel we u nauwelijks persoonlijk hebben gekend, als uw geestelijke kinderen, zodat met uw vaderlijke bescherming wij geleid worden naar de heiligheid. Geef dat we ondersteund worden door de Goddelijke kracht zodat we op onze sterfdag de poorten van hemel open zien voor ons.

 

“Indien het me mogelijk was zou ik aan God één enkele genade vragen: van niet in het paradijs te mogen gaan alvorens al mijn geestelijke kinderen en al diegenen die mij toevertrouwd zijn in mijn ministerie er ook zijn. “ (Padre Pio)

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

NEGENDE DAG
 

Padre Pio de Pietrelcina, gij trouwe dienaar van de H. Kerk, spreek voor ons ten beste bij de Heer opdat hij arbeiders stuurt voor zijn oogst en dat hij aan ieder van hen kracht geeft en inspiratie van de kinderen van God. Wij bidden U daarenboven tussen te komen bij de H. Maagd Maria om alle christenen te leiden tot eenheid en hen te verzamelen in het ene grote huis dat als baken mag dienen in de storm van het leven.

 

“Blijf altijd bij de H. Katholieke kerk, zij alleen kan u helpen want zij alleen is de bruid van Christus, die de ware prins van de vrede is. “ (Padre Pio

Bid de noveen ter ere van het H.Hart

 

 

 

 

 

NOVEEN TOT HET HEILIG HART VAN JEZUS(1)

 

Jezus, aan uw Hart beveel ik aan …. bv. deze ziekte , dit examen, deze bekering. Zie daarop neer en doe dan wat uw Hart U ingeeft. Laat uw Hart regeren.

Jezus, ik reken op U. Ik stel mij onder uw hoede.
Ik geef mij geheel aan U over, mijn vertrouwen op U is onbegrensd.
Allerheiligst Hart van Jezus, ik geloof in uw liefde tot mij.
Allerheiligst hart van Jezus, ik vertrouw op U.
Allerheiligst Hart van Jezus, Ik bemin U.
Amen.

 

 

 

NOVEEN TOT HET HEILIG HART VAN JEZUS(2)
(Volgens Jezus’ woorden in het Evangelie)

 

I. O Mijn Jezus, die gezegd hebt: “Voorwaar Ik zeg u, bid en ge zult verkrijgen, zoek en ge zult vinden, klop en u zal worden opengedaan”, zie ik klop, ik zoek, ik bid om volgende genade ….
Onze Vader… Wees gegroet… Glorie aan de Vader…
H. Hart van Jezus, ik vertrouw en hoop op U.

II. O Mijn Jezus die gezegd hebt: Voorwaar Ik zeg u, alles wat ge de Vader in Mijn naam zult vragen, zal Hij u geven, zie, in Uw Naam smeek Ik de Vader om volgende genade…
Onze Vader… Wees gegroet… Glorie aan de Vader…
H. Hart van Jezus, ik vertrouw en hoop op U.

III. O mijn Jezus die gezegd hebt: Voorwaar Ik zeg u, hemel en aarde zullen vergaan, maar Mijn woorden zullen niet vergaan, steunend op de onfeilbaarheid van Uw woorden, smeek ik U om volgende genade…
Onze Vader… Wees gegroet… Glorie aan de Vader…
H. Hart van Jezus, ik vertrouw en hoop op U.

Laat ons bidden:
O Allerheiligste Hart van Jezus, voor Wie het onmogelijk is geen medelijden te hebben met de ongelukkigen, heb medelijden met mij, arme zondaar, en verleen mij de genade waarom ik U smeek, door het Onbevlekt Hart van Maria, Uwe en onze tedere Moeder!
H. Jozef, zo innig met het Allerheiligste Hart van Jezus verbonden, bid voor ons!
Wees gegroet, Koningin, Moeder van barmhartigheid, enz…

Goddelijke Voorzienigheid van het heilig Hart van Jezus, voorzie in de verhoring van onze dagelijkse gebedsintenties!”

 

 

 


NOVEEN TOT HET HEILIG HART VAN JEZUS(3)


De laatste opdracht, door Jezus aan Zuster Faustina gegeven, is de verering van de Barmhartigheid van Zijn Goddelijk Hart zoveel mogelijk te verspreiden over heel de wereld bekend te maken. Vergeet ze nooit en geef de 12 beloften door aan de vereerders van Jezus H. Hart, ons bekend gemaakt door de H. Margaretha-Maria Alacoque!

Woorden van Jezus(verkorte versie):
1. Ik zal hun al de gunsten schenken, die zij in hun levensstaat nodig hebben.
2. Ik zal vrede brengen in hun huisgezinnen.
3. Ik zal hen troosten in al hun moeilijkheden.
4. Ik zal hun veilige schuilplaats zijn in het leven en vooral bij het sterven.
5. Ik zal overvloedige zegen uitstorten over al hun ondernemingen.
6. De zondaren zullen in Mijn Hart de bron en de eindeloze oceaan van barmhartigheid vinden.
7. De lauwe zielen zullen vurig worden.
8. De vurige zielen zullen spoedig tot een hoge volmaaktheid komen.
9. Ik zal de plaatsen zegenen, waar de beeltenis van Mijn Hart tot verering zal worden uitgestald.
10. Aan de priesters zal ik de gave verlenen om de harten van de meest verstokte zondaars te treffen.
11. De naam van diegenen die deze devotie zullen verbreiden, zal in Mijn Hart geschreven staan en daar nooit uit weggewist worden.
12. De almachtige liefde van Mijn Hart zal aan allen, die op de eerste vrijdag van negen achtereenvolgende maanden te heilige communie gaan, de genade van de eindvolharding geven. Zij zullen niet in Mijn ongenade sterven. Evenmin zullen zij zonder heilige Sacramenten sterven.

 

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA

 

Het lijden van de Heilige Maria/ The suffering of the Holy Mary

Standaard

categorie: spirituele prenten van John Astria

 

 

.

John Astria

 

Pasteltekening van John Astria

 

.

 

Uitleg over de eindtijden door John Astria

Uitleg over de eindtijden door John Astria

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 JOHN ASTRIA

JOHN ASTRIA