Category, categorie: Religion, religie-video
.
.
The Pre-Adamite World and the Origin of Sin
.
De Pre-Adamitische wereld en de oorsprong van de zonde
.
.
Dr. Stuart Graham
.
.
.







De combinatie van hoge temperaturen en voldoende vochtigheid zijn ideale omstandigheden voor de ontwikkeling van insecten en dus ook muggen. Dat is vernomen van insectendeskundige Patrick Grootaert, hoofd van het departement Entomologie van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN).
‘Insecten staan er zeer goed voor, en als het weer hetzelfde blijft, dan mogen we ons aan meer muggen dan normaal verwachten’, zegt Grootaert. ‘Vooral het lenteweer is bepalend voor de onmiddellijke toekomst. De eitjes zijn gelegd en de larven ontwikkelen zich momenteel in stilstaand water. Door de echt hoge dagtemperaturen -normaal schommelen die onder de vijftien graden- groeien de larven snel en ontwikkelen de muggen zich iets vroeger dan normaal.’ Toch houdt Grootaert nog een slag om de arm als het weer omslaat.
Dat ook de winter zacht was, is dan weer slechter voor insecten. ‘Zachte winters zijn doorgaans slechter dan koude winters, want dan krijgen insecten last van schimmels die op de dieren parasiteren. Een winter met vriesweer is noodzakelijk om die schimmels te onderdrukken.’
Het is verder nog te vroeg om te voorspellen of er veel wespen zullen opduiken. Terwijl regen noodzakelijk is om de larven van muggen tot ontwikkeling te brengen, is droog weer net ideaal voor de voorplanting van wespen, want de helft van hen legt eitjes in verlaten konijnenpijpen.
.
.
.
Koolhydraten (zetmeel en suikers) zijn vooral van belang als energiebron. Ze leveren de energie die nodig is voor alle lichaamsprocessen en dienen als brandstof voor de hersenen.
Een gram koolhydraten levert 4 kcal (17 kJ). In een uitgebalanceerde voeding leveren koolhydraten minstens veertig procent van de hoeveelheid energie die een mens dagelijks nodig heeft.
.
.
.

Er worden drie soorten onderscheiden:
Monosacchariden, zoals glucose (druivensuiker) en fructose (vruchtensuiker). Bestaan uit één molecuul.
Disacchariden, zoals sucrose/sacharose (suiker), lactose (melksuiker) en maltose (moutsuiker). Samengesteld uit twee monosaccharide moleculen: respectievelijk glucose en fructose, glucose en galactose en glucose en glucose.
Polysacchariden, zoals zetmeel en glycogeen. Samengesteld uit meerdere monosaccharide-moleculen (meestal glucose).
Mono- en disachariden worden ook wel aangeduid als ‘eenvoudige’ koolhydraten, terwijl polysachariden ook wel complexe koolhydraten worden genoemd.
.
.
.
Koolhydraten in de vorm van zetmeel komen voor in brood, aardappelen, rijst, pasta en peulvruchten (bruine en witte bonen). Vruchten en vruchtensap bevatten eenvoudige koolhydraten als vruchtensuiker en druivensuiker. In melk en yoghurt zit melksuiker. In snoep, koek, gebak, frisdrank en dergelijke zit suiker (sucrose). Veel voedingsmiddelen bevatten een mengsel van complexe en eenvoudige koolhydraten.
.
.
.
Koolhydraten moeten minstens 55% van de totale energiebehoefte uitmaken. Het is aanbevolen de inname van toegevoegde suikers te beperken zowel voor kinderen, tieners en volwassenen. Koolhydraten kunnen slechts beperkt in het lichaam worden opgeslagen. Er kan een kleine voorraad aangelegd worden in de vorm van glycogeen, met name in de spieren. Een tekort aan koolhydraten zal niet vaak voorkomen.
Alleen bij een speciaal dieet of in andere bijzondere situaties kan een tekort ontstaan. In dat geval zal het lichaam een andere energiebron aanboren en daaruit koolhydraten aanmaken. Een tekort aan koolhydraten leidt tot een slechte adem, vermoeidheidsverschijnselen en concentratiestoornissen. Op den duur leidt een tekort aan koolhydraten tot afbraak van spierweefsel.
.
.
.
De aanbevolen voedingsopname dekt de behoeften van bijna alle leden van de groep (> 97,5 %). In tegenstelling tot wat dikwijls is verondersteld, is de aanbevolen voedingsopname geen minimum wenselijk niveau van opname, maar een waarde hoger dan de individuele behoefte voor het grootste deel van de bevolking. De procentuele verdeling van de energie uit koolhydraten, lipiden en eiwitten dient vanaf de leeftijd van twee jaar de energieverdeling bij volwassenen progressief te benaderen en zich dus te verhouden als respectievelijk: 55 à 75%; maximaal 30%; ongeveer 10%.
Koolhydraten en vetten zijn belangrijk voor het energiemetabolisme, maar essentiële vetzuren en voedingsvezels spelen daarenboven een meer specifieke nutritionele rol, waar in dit hoofdstuk dieper wordt op ingegaan. Gezien ook water onlosmakelijk verbonden is met het energiemetabolisme, zijn tevens aanbevelingen opgenomen die toelaten de waterbalans in evenwicht te houden.
.
.
.
Voedingsvezel is de verzamelnaam voor een aantal stoffen die zich in de celwand van planten bevinden. Ze geven stevigheid en vorm aan de plant en zijn voor mensen niet te verteren. Het zijn onverteerbare stoffen, die ervoor zorgen dat de darmen goed hun werk kunnen doen. Belangrijke bronnen zijn brood, aardappelen en groente en fruit. Een tekort aan voedingsvezels veroorzaakt darmproblemen, zoals een te trage stoelgang, obstipatie en aambeien of divertikels (uitstulpingen van de dikkedarmwand).
Vezelrijke voeding is ook belangrijk om overgewicht te voorkomen, omdat voedingsvezels een verzadigd gevoel geven én nauwelijks calorieën leveren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat voedingvezels het risico op darmkanker verkleinen. Het is aan te raden terughoudend te zijn met voedingsvezelpreparaten: gebruik deze alleen in overleg met arts of diëtist.
•Totale voedingsvezel:
ondergrens: 15 g/1000 kcal/dag
bovengrens: 22 g/1000 kcal/dag
•Niet-zetmeel polymere koolhydraten
ondergrens: 9 g/1000 kcal/dag
bovengrens: 13 g/1000 kcal/dag
De wetenschappelijke gegevens voor volwassenen kunnen niet zomaar op jongere leeftijdsgroepen overgebracht worden, al lijkt het erop dat de behoefte, zowel van kinderen als van volwassenen, varieert in functie van het lichaamsgewicht en dat bijgevolg de vezelopname hoger zou moeten liggen dan wat actueel het geval is.
Aangezien kinderen en met name zeer jonge kinderen zeer snel groeien, mag een hoge vezelopname niet ten koste gaan van de opname van energierijke levensmiddelen.
.
.
.
.
.
.









































































Veel van de huidige Japanse patronen komen voort uit het Shintoïsme, de oudste godsdienst in Japan. De filosofie ervan draait om de natuur en de eerbied ervoor. Daarom stellen veel van de motieven planten, dieren of landschapselementen voor zoals rivieren. Enkele motieven zoals wolkjes zijn in de loop van tijd uit China overgenomen, net als het boeddhisme en de bijbehorende motieven.
Zelfs in deze moderne tijden zit er nog een stukje natuurverering in het Japanse volk; ze passen hun huisversieringen en kleding aan het seizoen aan. Ze zullen bijvoorbeeld in de lente nooit een kimono of ander kledingstuk met een wintermotief dragen. Naast het in de gaten houden van in welk seizoen iets thuishoort, wordt er ook rekening gehouden met symbolische betekenissen, leeftijden en gelegenheden.
Dit zijn bladeren van de esdoorn of ahorn. Ze staan symbool voor de herfst, bezinning en rust. Deze bomen zijn erg populair vanwege hun spectaculaire bladkleuren in de herfst, het is dus niet vreemd dat mensen ze al snel vereeuwigden op afbeeldingen en er poëzie over schreven. Vaak worden deze fel roodoranje bladeren afgebeeld in combinatie met contrasterende kleuren zoals zwart of paars, om het dramatische effect ervan te versterken.
De chrysant, dit is sinds de Meiji periode het familiewapen van de keizerlijke familie, het symboliseert de belichaming van de eenheid van het Japanse volk, oftewel de keizer. Het is ook een herftsymbool, en staat daarom ook voor bezinning, vergankelijkheid van het leven en eindes.
Pruimbloesem, welke staat voor de winter en een belofte voor nieuw leven en een nieuwe lente. De gestileerde ume lijkt op de kersenbloesem maar heeft altijd ronde bloemblaadjes, die van de kers zijn hartvormig.
Dit stelt de den voor, deze symboliseert ook de winter. Omdat hij altijd groen is, herinnert hij aan het leven tijdens de barre wintermaanden en geeft hoop en de verwachting voor nieuw leven.
Bamboe, buigzaam en altijd groen, symboliseert standvastigheid en hoop. Zijn seizoen is winter of vroege lente. Samen met de ume en matsu behoort take tot de “Drie vrienden in de Winter”, een combinatie die in China is ontstaan. De groepsbetekenis is een lang leven, het winterseizoen en de cultured gentleman. Dit motief kan overal waar elegantie nodig is, worden gebruikt.
De beroemde kersenbloesem. “Uitbundige doch tere schoonheid welke van korte duur is maar het hart warmte en vreugde schenkt, met de wetenschap dat het weer zal terugkomen, in grotere getale”. De Japanse kers bloeit in de vroege lente en staat daarom ook symbool voor dit seizoen. Het is een van de meest geliefde motieven, vooral bij meisjes en jonge vrouwen, wiens frisse schoonheid wordt geassocieerd met deze mooie bloesem.
Vanwege de uitbundigheid en snelle vergankelijkheid van deze bloesem, wordt het motief ook door beoefenaars van de krijgskunsten gebruikt, zoals bijvoorbeeld op wapens en uitrustingen van de samurai.
Dit motief stelt het hennepblad voor en staat symbool voor de zomer. In oude tijden werd hennep voor religieuze offergaves gebruikt. Het is niet helemaal zeker wat de oorspronkelijke betekenis was, tegenwoordig worden er betekenissen als kracht en duurzaamheid aan gegeven. Van de hennepplant worden al lang zomerkleren gemaakt, vooral kleding voor werk, de symboliek heeft er geheid iets mee te maken.
De verkoeling brengende rivier, duidelijk een zomersymbool. Verder staat hij voor de bron van (levens)kracht en de stroom des levens. Irissen staan vaak om de rivier met dezelfde betekenis, om het als waterplant te accentueren. Soms is alleen de iris afgebeeld die dan het water symboliseert. Kawa komt veel voor samen met het seigaiha motief, zie het stukje hieronder.
Waterpatronen worden ook op dingen als houten daken gebruikt om brand weg te houden. Daarnaast kunnen ze in hun wildere vormen ook mannelijkheid en durf symboliseren, zo komen ze bijvoorbeeld voor op schorten van sumo worstelaars.
Dit patroon stelt golven voor, ze symboliseren steeds terugkerende beweging; van het aan- en terugrollen van de golven en de rusteloosheid van de zee. Op het theebekertje hieronder wordt het samen met kawa, de rivier, gebruikt om water te accentueren. De symbolische betekenis zou kunnen zijn; een moment van rust tijdens het theedrinken in een anders turbulent dagelijks leven.
In het midden zit een mannetje vanuit een boot te vissen, er vliegen vogels en er zijn rustieke bergtoppen in de verte; deze beelden roepen rust op. De symboliek wordt verder verstekt door het letterlijke rustmoment te plaatsen in een venster, omgeven door het drukke seigaiha motief. Het idee van thee als levengevend elixer wordt ook versterkt door de rivier.
Een schildpad. Een sterk gelukssymbool; het staat voor 10.000 jaar geluk en gezondheid, en ook voor volharding en doorzetting. Het abstractere kame patroon bestaat uit zeshoeken of hexagrammen die op verschillende manieren uitgewerkt kunnen zijn. De naam voor de hexagonale patronen is kikko. Bishimon kikko is een aaneensluitend patroon van een soort driepootjes.
De naam Bishomon komt van een van de geluksgoden, ook wel Hachiman genoemd. Hij beschermt de boedhisstische wetten en brengt geluk, vooral aan de armen, volgens de legendes. Dit patroon komt vaak op harnassen en wapenuitrustingen voor omdat deze geluksgod altijd als een krijger werd afgebeeld.
Een van de meest favoriete Japanse motieven, de kraanvogel, is net als de schildpad ook een sterk symbool voor geluk en gezondheid. Ze worden dan ook vaak samen afgebeeld. Bij een ongeluk roepen Japanners dan ook niet god aan, maar “tsuru-kame!” een paar keer achter elkaar om de schade te beperken. Volgens legendes zou deze vogel duizend jaar leven en de metgezel zijn van verschillende onsterfelijken en geluksgoden. De kraanvogel wordt verder geassocieerd met Nieuwjaar en met trouwceremonies.
.
De betekenis van deze zou te maken hebben met een kern, of oorsprong. Als je het woord letterlijk vertaalt zou het “babyhert” betekenen. Jonge herten hebben stippen op hun rug dus het is mogelijk dat het daarvandaan komt. Sommigen zeggen dat het afkomt van het patroon van sommige soorten koi karpers. Het zou misschien te maken kunnen hebben met de oorsprong van (het) leven, sinds deze in de zee ontstaan zou zijn en de woorden “oorsprong” en “baby” verweven zijn met dit patroon.
Dit stelt gestileerde pijlpunten voor, welke staat voor moed, trefzekerheid en vastberadenheid van de krijger en ieder mens wat zijn doel nastreeft. Traditionele kleding voor mannen heeft vaak dit soort patronen.
Een waaier, het symbool voor verfijning, moed en kunstenaarschap, maar ook van hoge rangen en adel. Ze werden veel in ka mon’s verwerkt. Tijdens de Edo periode werden ze populair als Nieuwjaars symbool en werden ze met die gelegenheid vaak cadeau gedaan.
Tegenwoordig komen ze veelvuldig voor op kleding en decoratieve spullen maar ook op geschenkverpakkingen e.d. Met sensu wordt altijd de uitvouwbare waaier bedoeld. De waaier die bestaat uit een gespannen velletje papier of zijde heet de uchiwa en symboliseert altijd een religieus persoon of iemand uit China.
Dit zijn kleine bamboehekjes met kleine bamboeblaadjes er tussenin. Bamboe is het symbool voor standvastigheid, volharding en taaiheid. Het kasuri patroon kan uitlopen tot een bijna onherkenbare abstractie, het heeft soms meer weg van een ruitjespatroon dan bamboeblaadjes. In welke vorm dan ook, het is een geliefd motief op mannenkleding.
Temari zijn handgemaakte speelgoedballen, het is een uit China overgewaaide traditie. Meestal vind je ze op kinderkimono’s, maar ze duiden ook speelsheid en vrolijkheid aan op kleding voor wat ouderen.
.
.

De ogen van God
Pasteltekening van John Astria
.
.
.
.
.
.


.
.
.
.
.
De hof van Eden wordt in hoofdstukken 2 en 3 van het boek Genesis beschreven. De Heer schiep de hof specifiek voor Adam, de eerste mens die door God was geschapen. In Genesis 2:8-9 lezen we:
“Daarna legde de Heer God een tuin aan in Eden, ergens in het oosten, en daarin plaatste Hij de mens die Hij geboetseerd had. De Heer God liet uit de grond allerlei bomen opschieten, aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten”.
Sommige mensen geloven dat de hof zich op een bergtop bevond of dat er mogelijk zoetwaterbronnen ontsproten, omdat we het volgende kunnen lezen:
“In Eden ontspringt de rivier die water geeft aan de tuin; zij splitst zich in vier armen” (Genesis 2:10).
De hof van Eden was perfect, bood de mens schoonheid en voeding en was de thuisplaats van allerlei bomen die “aanlokkelijk om te zien en heerlijk om van te eten” waren. De hof was een bron van zoet drinkbaar rivierwater. God plaatste de mens “in de tuin van Eden, om die te bewerken en te beheren” (Genesis 2:15).
.
.
.
De hof van Eden, zoals deze in het boek Genesis wordt beschreven, wordt door critici vaak genoemd omdat deze een schijnbare tegenstrijdigheid bevat. Critici vergelijken de “scheppingsweek” in Genesis hoofdstuk 1 (de schepping van planten op dag 3 en van dieren en mensen op dagen 5 en 6) met de schepping van de hof van Eden in Genesis hoofdstuk 2 (de hof werd voor de mens geschapen nadat de mens reeds door God was voortgebracht).
We lezen:
“Zo werden de hemel en de aarde voltooid, en alles waarmee ze toegerust zijn. Op de zevende dag bracht God het werk dat Hij verricht had tot voltooiing. Hij rustte op de zevende dag van al zijn werk dat Hij verricht had. God zegende de zevende dag en maakte hem heilig, want op die dag rustte God van al het werk dat Hij scheppend tot stand had gebracht. Dit is de geschiedenis van het ontstaan van de hemel en de aarde, zoals ze geschapen zijn. Toen de Heer God aarde en hemel maakte, waren er op aarde nog geen wilde planten en groeide er geen enkel veldgewas, want de Heer God had nog geen regen op de aarde laten vallen en er was nog geen mens om de grond te bebouwen” (Genesis 2:1-5).
Critici wijzen erop dat Genesis 1 beweert dat planten op dag 3 werden geschapen, terwijl de mens op dag 6 werd geschapen. Waarom lezen we dan in Genesis 2 dat er geen planten waren omdat de mens nog niet gevormd was? De sleutel tot het antwoord is dat we Genesis 1 en Genesis 2 in de juiste context moeten lezen.
Genesis 2:1-4 beëindigt de “scheppingsweek” terwijl Genesis 2:5 begint met het verslag over de hof van Eden. Dit wordt duidelijk uit de volledige context van Genesis hoofdstuk 2 en het feit dat de hof nog niet door God was aangelegd. Hij had de mens nog niet geschapen die de Hof moest “bewerken en beheren” (Genesis 2:15).
We lezen dat God in de hof van Eden, die Hij voor de mens had geschapen, elk dier uit de aarde boetseerde en naar Adam bracht om van hem een naam te krijgen. Critici stellen dat dit een tegenstrijdigheid is, omdat we lezen dat God de dieren op dagen 5 en 6 van de scheppingsweek schiep. Dit was dus voordat de hof door God was geschapen.
Deze schijnbare tegenstrijdigheid kan gemakkelijk verklaard worden. God schiep de wereld en alle dieren in de wereld. Daarna schiep Hij de mens. En daarna toonde Hij elk dier aan de mens zodat de mens elk dier een naam kon geven (en waarschijnlijk ook om de mens te laten zien dat God inderdaad de dieren had geschapen, omdat de mens later werd geschapen dan de dieren en hier dus geen getuige van was geweest).
“De mens gaf dus namen aan alle tamme dieren” (Genesis 2:20).
Het afzonderlijk lezen van de twee verslagen (de schepping van de aarde als een biosfeer in Genesis 1 en de schepping van een enkele hof en wat daarin gebeurde in Genesis 2) en vervolgens de verschillen tussen deze twee verslagen een “tegenstrijdigheid” noemen, getuigt van een zwakke hermeneutiek (interpretatie van de Bijbel).
conclusie : na de schepping van hemel en aarde schiep God op de derde dag de planten. Op dag 5 schiep hij de dieren en op dag 6 de mens. Dan maakte God op aarde een paradijs voor de mens, de hof van Eden. Dan plaatste God de dieren en de mens in de hof. De mens mocht de hof bewerken en de dieren een naam geven.
.
.
.
.
.
God gaf de hof van Eden aan de mens om deze te beheren en te bewerken. En hoewel de hof ongetwijfeld spectaculair was, was deze nog niet het paradijs. Het mooiste juweel in de kroon van perfectie, het toppunt van aardse schoonheid, ontbrak nog. God verkondigde:
“Het is niet goed dat de mens alleen blijft…” (Genesis 2:18).
En ook al gaf Adam “dus namen aan alle tamme dieren en aan alle vogels van de lucht, en aan al de wilde beesten”, toch was hij niet in staat om een hulp te vinden die bij hem paste. Daarom
“liet de Heer God de mens in een diepe slaap vallen; en terwijl hij sliep, nam Hij één van zijn ribben weg en zette er vlees voor in de plaats. En de Heer God vormde de rib die Hij uit de mens had weggenomen tot een vrouw, en bracht haar naar de mens. Toen zei de mens: ‘Eindelijk, dit is been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees! Mannin zal zij heten, want uit een man is zij genomen.’ Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn. Ze waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar ze voelden geen schaamte voor elkaar” (Genesis 2:21-25).
Terugkomend op de vermeende tegenstrijdigheid die we hierboven noemden, is het belangrijk om op te merken dat Jezus Christus de verslagen in Genesis1 en 2 letterlijk nam. In Matteüs 19:3-6 lezen we:
“Er kwamen farizeeën op Hem af om Hem op de proef te stellen. Ze zeiden: ‘Is het een man geoorloofd zijn vrouw te verstoten om een willekeurige reden?’ Hij gaf ten antwoord: ‘Hebt u niet gelezen dat de schepper hen vanaf het begin mannelijk en vrouwelijk heeft gemaakt? En dat Hij gezegd heeft: Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen één zijn? Ze zijn dus niet meer twee, maar één. Dus, wat God heeft verbonden, moet de mens niet scheiden.’
Hier citeerde Jezus uit Genesis 1 -27 en 2-24, wat aantoont dat Hij Genesis1 en 2 niet zag als tegenstrijdige scheppingsverhalen die gecorrigeerd zouden moeten worden.
.
.
.
De mens werd geschapen om een ware liefdesrelatie met zijn Schepper God te hebben in de hof van Eden. Een noodzakelijk ingrediënt van een oprechte liefdesrelatie is een vrije wil. Ware liefde kan per definitie niet bestaan als hier niet vrijwillig voor wordt gekozen. Zonder een keuzemogelijkheid is het dus niet mogelijk om werkelijk lief te hebben.
Een misvatting die mensen vaak hebben, is dat liefde een emotie of een verlangen zou zijn. Begeerte is een emotie of een verlangen, liefde is een beslissing. Liefde is jouw beslissing om de verlangens van die ander op de eerste plaats te stellen in plaats van je eigen verlangens.
En dus gaf God de mens het vermogen om te kiezen om God lief te hebben of om zichzelf op de eerste plaats te stellen.
“En de Heer God gaf de mens dit gebod: ‘Je mag van alle bomen in de tuin overvloedig eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag je niet eten'(Genesis 2:16-17).
De mens had dus een keuze, God gehoorzamen of God niet gehoorzamen. De mens had de keuze om Gods wensen voorrang te geven of om zijn eigen verlangen voorrang te geven; zijn verlangen om eerst van de verboden vrucht te eten. De mens at van deze vrucht nadat Satan de mens door een leugen om de tuin leidde. De mens zou volgens Satan gelijk worden aan God en kennis krijgen van goed en kwaad na het eten van de verboden vrucht.
.
.
.
Door het toedoen van een geestelijk schepsel zondigde de mens en werd daarom door God uit de hof van Eden verbannen. Het paradijs ging verloren. Vanwege de opstandigheid van de mens vervloekte God de wereld, in het belang van de mens. God schiep de mens met het potentieel om te zondigen, maar Hij schiep de zonde niet.
De eerste man en de eerste vrouw zetten dat potentieel om in een werkelijkheid en brachten zo de zonden in de wereld. Sindsdien zijn alle mannen en vrouwen verraderlijk, roekeloos, verwaand en meer genotzuchtig dan godvruchtig geweest (2 Timoteüs 3:4).
.
.
.
.
.
.
Zoals iedereen waarschijnlijk merkt komt geweld en andere vervuiling steeds vaker op de televisie. Deze vervuiling kan ernstige gevolgen hebben voor kinderen, maar net zo goed voor volwassenen. Angst en een toename van vloeken en geweld zijn hiervan voorbeelden.
Toen de televisies in de jaren ’50/’60 steeds normaler werden, was er nog niks aan de hand. Maar de laatste jaren zijn de normen en waarden van veel mensen veranderd. Mensen vonden dat alles moest kunnen en mogen. Er kwamen steeds meer onbehoorlijke dingen op TV, de zogenaamde “vervuiling”. Gelukkig zijn er ook mensen die daar tegen in “opstand” komen, want ze willen dat deze ontwikkelingen niet door gaan.
Alles wat op de televisie komt wat een negatieve invloed op mensen heeft die ernaar kijken is eigenlijk vervuiling. Maar om wat duidelijker aan te geven welke dingen dat nou precies zijn, wordt de vervuiling vaak in verschillende soorten ingedeeld. De bekendste soorten zijn:
Maar sommige mensen vinden discriminatie en druggebruik ook vervuiling. Natuurlijk is het best mogelijk om nog meer categorieën te bedenken. Geweld, seks / pornografie, vloeken en discriminatie zijn de meest voor komende kenmerken die de publieke omroepen hanteren om hun programma’s te classificeren. De vier soorten spreken voor zich, dus het is niet nodig dat we verder nog uitleggen wat ze inhouden.
Over geweld op de televisie bestaan allerlei meningen. Sommige deskundigen zeggen dat mensen zichzelf afreageren door naar ‘spannende films’ te kijken, vooral als daar wat geweld in voorkomt. Andere deskundigen waarschuwen dat je agressiever, onverschilliger en zelfs angstiger kunt worden van films met geweld.
Waarom worden er dan toch gewelddadige films en andere vervuilde programma’s uitgezonden? Voor TV stations is het belangrijk dat veel mensen naar hun programma’s kijken. In Amerika worden programma’s vooral betaald uit de opbrengst van reclamespotjes. Reclamemakers willen dat zoveel mogelijk mensen hun spotjes zien.
Vandaar dat men de aandacht van de kijkers probeert te trekken door onder andere veel programma’s met geweld te vertonen. Hoe hoger de kijkcijfers, des te meer er door de TV stations aan de reclame wordt verdiend. Maar volgens Brad Bushman, een professor in de psychologie, is het niet zo verstandig van de reclamemakers om hun spotjes in TV programma’s met geweld te stoppen.
Uit zijn onderzoek is namelijk duidelijk geworden, dat mensen die naar gewelddadige video’s kijken, de reclameboodschappen minder goed kunnen onthouden. Als professor Bushman gelijk heeft, komt er straks misschien minder geweld op de TV. Zeker als de programma’s worden betaald uit de opbrengst van de reclame.
Men wil kinderen tegen geweld op tv beschermen, omdat de volwassenen denken dat de kinderen door het zien van geweld zelf gewelddadig worden. Worden volwassenen dan niet gewelddadig door het zien van geweld? Is het niet zo dat heel wat moorden gebeuren precies zoals ze op tv te zien waren?
Het is onzin om te beweren dat kinderen wel en volwassenen niet door geweldfilms worden beïnvloed. De televisie heeft ook een grote invloed op het taalgebruik van mensen. Zo nemen kinderen woorden snel over van de televisie.
Toch kan er onderscheid gemaakt worden tussen gewelddadige beelden. Beelden van het vernietigen van varkens, of een aanslag in Israël zijn nieuwsfeiten. Problematischer is verheerlijking van geweld in films waar iemand die veel geweld toepast als held wordt afgeschilderd en waar de gevolgen voor de slachtoffers niet in beeld worden gebracht. Bij sommige mensen kan daar een soort vervormd beeld ten aanzien van geweld ontstaan.
Geweldbeelden kunnen een negatieve invloed hebben op kinderen die al moeite hebben met het verwerken van de realiteit. Ook jongeren die uit een gezin komen, waar ze weinig begeleid worden en die zich dus makkelijk identificeren met helden uit de televisiewereld en jongeren uit omgevingen waar geweld als oplossing voor conflicten wordt gehanteerd, zijn belangrijke risicogroepen.
Deze jongeren zullen zich sneller identificeren met geweld in de media en daardoor mogelijk zelf sneller agressief gedrag vertonen. Jos Manders, werkzaam bij een RIAGG, wees erop dat het er niet alleen om gaat dat het kijken naar geweldfilms de grens van het zelf gebruiken van geweld zou verlagen, maar ook dat geweld zien ook veel angst oproept, en dat is ongezond
In de Bijbel staan een heleboel dingen over “vervuiling op de televisie”. Natuurlijk niet over de televisie, maar wel over de vervuiling. Hieronder staan een aantal teksten die ermee te maken hebben, met een korte uitleg erbij.
Veel vloeken bestaan uit een verbastering van de naam van God of Jezus. Bijvoorbeeld de uitroep “Jezus”. Verder zijn er ook een heleboel vloeken waarmee je een vloek over jezelf of iemand anders uitspreekt, bijvoorbeeld het g-woord (gvd). Hiermee vraag je eigenlijk of God je naar de hel wil sturen; klere (colere) of kanker, hiermee wens je iemand deze ziekte toe, en zo zijn er nog veel meer dingen maar die noemen we niet allemaal op.
Uit deze teksten blijkt duidelijk dat God niet wil dat we vloeken, of dat nu betekent dat we Gods naam “ijdel gebruiken” of dat we een vloek over onszelf of een ander uitspreken. Vloeken zou dus niet op de televisie moeten zijn.
Uit deze teksten blijkt heel duidelijk dat God het niet goed vindt als wij (onnodig) geweld gebruiken. En Hij vindt het ook niet goed als we het leuk vinden om naar geweld te kijken. Daarom hoort geweld ook niet op de televisie thuis.
Zoals wel duidelijk is in deze teksten vindt God het niet goed als iemand overspel pleegt. En Hij noemt het niet alleen overspel als iemand werkelijk met een ander dan zijn / haar man / vrouw naar bed gaat, maar ook al als iemand daar aan denkt, en zelfs als je naar een ander kijkt om hem / haar te begeren.
Het Griekse woord dat in de Bijbel vertaald is als hoererij, heeft namelijk een veel bredere betekenis: alles wat met pornografie te maken heeft valt daar ook onder. Als men seks of pornografie op de televisie laat zien, dan pleegt degene die daarnaar kijkt dus al overspel.
Diegene is niet alleen verstandeloos, maar richt zichzelf ook te gronde. Aangezien dit niet de bedoeling is en God het ook niet goed vindt, zou er dus ook geen seks / pornografie op de televisie moeten zijn.
Uit deze teksten blijkt heel duidelijk dat discriminatie niet de wil van God is. God kent geen partijdigheid en Hij wil dat wij dat ook niet kennen. Daarom moeten we vreemdelingen net zo behandelen als alle anderen. We moeten iedereen als gelijke behandelen, en we moeten zelfs extra goed voor ze zijn. Omdat discriminatie dus tegen God ingaat, moet het niet op de televisie worden uitgezonden.
Wij zijn tegen vervuiling op televisie, want wij denken dat God het niet goed vindt en bovendien heeft het een slechte invloed op mensen die ernaar kijken. Wij vinden dat het niet op televisie uitgezonden zou mogen worden maar als het niet mogelijk is om dit te verbieden moeten er in ieder geval maatregelen getroffen worden.
Zo zou het mogelijk moeten worden dat er iets in de televisie ingebouwd kan worden tegen slecht taalgebruik, geweld en andere vervuiling en zouden vervuilde (teken)films of programma’s niet uitgezonden mogen worden.
We hebben onze eigen mening kunnen vormen, en het is goed om eens na te denken over dit esthetische onderwerp. Helaas hebben wij ook moeten constateren dat er nog een heleboel mensen zijn die zich niet veel aantrekken van televisievervuiling.
.
.
.
Heliodoor kan verschillende tinten geel tot geelgroen zijn en is doorzichtig tot doorschijnend met een glasachtige glans. De steen is een licht geelgroene beril. De naam is Grieks voor geschenk van de zon (helios = zon; doron = geschenk).
.
.
.
.
.
.
.
Deze beril variëteit werd pas in 1910 in Namibië ontdekt. Vanwege de zachte tinten is het altijd een geliefde edelsteen geweest.
.
.
.
.
.
.
Voor het eerst gevonden in Namibië, in de omgeving van Otavi en Rossing. Heliodoor uit Namibië bevat geringe bijmengingen van uraan en is licht radioactief. De stenen komen ook voor in op het eiland Madagaskar, in de pegmatieten van Miami, Bikita en Salisbury.
Brazilië is tegenwoordig een zeer belangrijke producent van heliodoor. Waarschijnlijk het fraaist en het grootst zijn de heliodoren uit de pegmatieten uit het gebied van Schitomir in Oekraïne. De grootste geelgroene heliodoor was 35 x 15 cm. Ook in de Oeral zijn heliodoren gevonden, net als in het Transbaikalgebied en in Zweden. In museumcollecties bevinden zich over het algemeen geslepen stenen, met een gewicht van meer dan 100 karaat.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.