Tagarchief: offer

De Bijbel over de hel

Standaard

Categorie: religie

 

 

 

De Bijbel over de hel

 

Het idee van een hel is dermate gruwelijk en ondenkbaar, dat veel christenen er moeite mee hebben. In een hemel geloven vind iedereen makkelijk, maar een hel? Toch spreekt de Bijbel er veelvuldig en zeer duidelijk over. Het laat de grote ernst zien van het kwaad in ons hart en de brandende noodzaak om je te bekeren met een diep, waarachtig berouw.

 

 

Bijbelteksten over de hel en leven na de dood

 

Lukas 12: 5

‘Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem!’

 

Matteus 25: 41, 46

‘Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.’

 

2 Thessalonicenzen 1: 9

‘Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heer en van de heerlijkheid van Zijn macht.’

 

 

Openbaring 21: 8

‘Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.’

 

 

Matteus 7: 13,14

‘Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan; maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.’

 

Hebreeën 10: 26, 27

‘Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de weerspannigen zal verslinden.’

 

 

De redding door het evangelie

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

Vragen over de hel

 

Hoe kan een God van liefde mensen naar de hel sturen?

 

Ik wil tegenover deze veelgehoorde vraag een andere vraag zetten: Als Jezus Christus zich als een lam heeft laten afslachten om ons te verlossen, waarom vertikken zoveel mensen het dan om zijn doorboorde hand – die hen wil redden – vast te grijpen?

Waarom slaan zovelen liever Gods uitgestrekte hand van zich weg, dan zich door Hem te laten verlossen? Waarom willen zoveel mensen liever verloren gaan, dan zich van het kwaad in hun hart af te keren en zich te laten reinigen door het offer van Jezus Christus? Die vraag is veel belangrijker. Dat is waar het om gaat. God wil mensen redden!

 

 

Wie Christus erkent wordt gered uit de klauwen van Satan

 

Pasteltekening van John Astria

 

Waarom willen velen niet gered worden?

 

Omdat ze het kwaad liever hebben dan het goede, al beweren ze van zichzelf de goedheid zelve te zijn

 

 

Gaan mensen die nooit over Jezus gehoord hebben, ook naar de hel?

 

De Bijbel zegt dat Jezus Christus is afgedaald in het dodenrijk en daar zijn verlossing heeft verkondigd aan de geesten van de gevangen zielen. Elk mens, levend of dood, heeft dus de kans verlost te worden.

 

 

1 Petrus 3:18

‘Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te verkondigen.’

 

 

1 Petrus 4:6

‘Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven.’

 

 

Romeinen 14:9

‘Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij èn over doden èn over levenden heerschappij voeren zou.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Leviticus 14: 1 – 7

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

Leviticus 14: twee vogels-wet op de melaatsheid, huidvraat

 

 In de reinigingswet voor de melaatse zoals beschreven in het Bijbelboek Leviticus, zien we een type of verwijzing naar de dood en de opstanding van Christus. De twee vogels verwijzen naar de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus, gelijk er staat geschreven in Romeinen 4:25: “Hij heeft Jezus voor onze zonden laten sterven en Hem uit de dood laten terugkomen om ons rechtvaardig te verklaren.”

 

 

Leviticus 14: twee vogels - wet op de melaatsheid, huidvraat

 

 

Zoals beschreven in de Tenach, het Oude Testament, is de wet op de melaatsheid een verwijzing naar de dood en de opstanding van Christus

.

 

Leviticus 14:1-7

 

De Here gaf Mozes de volgende voorschriften voor iemand die van zijn melaatsheid genezen is verklaard: “De priester zal het kamp verlaten om hem te onderzoeken. Als hij ziet dat de melaatsheid is verdwenen, zal hij vragen om twee levende vogels die mogen worden gegeten, cederhout, scharlaken en hysop om die te gebruiken bij de reinigingsceremonie van de genezene.

De priester zal dan opdracht geven één van de vogels te slachten boven een raderwerken pot waarin zich fris bronwater bevindt. De andere vogel zal, samen met het cederhout, scharlaken en hysop in het bloed van de gedode vogel worden gedoopt. Vervolgens zal de priester zevenmaal bloed sprenkelen over de man die is genezen. Daarna zal hij hem rein verklaren. De levende vogel zal hij in het open veld laten vliegen.

 

In deze wet schuilt een metaforische verwijzing naar de opstanding en verheerlijking van Christus. Juist dit specifieke element,in het zoenoffer van Christus, is minder duidelijk aanwezig in de offerdienst van het Oude Testament, die zoals we weten vooruitwijst naar het ultieme offer dat Christus bracht aan het kruis. Dat maakt deze verwijzing zo bijzonder. Door het zoenoffer van Christus worden de zonden verzoend en worden mensen verzoend met God.

 

Het ritueel

 

Voor het reinigingsritueel zijn twee levende vogels nodig. Water heeft een helende, genezende en reinigende kracht. Cederhout staat voor duurzaamheid. Hysop die in scheuren van een muur groeit (1 Koningen 4 :33), is een soort huislook waarvan men een kwast kan maken en kan sprenkelen (Exodus 12:12). Met scharlaken wordt de hysop gebundeld, en herinnert aan het bloed (Numeri 19:6).

De ene vogel wordt geslacht boven een pot met levend water, waar vervolgens het bloed invalt. Hiermee verkrijgt men reinigingswater, waarin de andere vogel gedoopt wordt die daarna de onreinheid weg zal dragen. De vogel laat men in het open veld wegvliegen als symbool van de ontkoming aan de dood.

 

Melaatsheid staat voor zonde

 

Melaatsheid is in de Bijbel een type voor zonde, zoals tot uitdrukking komt in het reinigingsritueel door de priester en doordat er een schuldoffer gebracht moet worden (Leviticus 14:12,21). Zonde is het kwaad dat in de mens aanwezig is en zich uit door middel van boze daden. Het afschuwelijke van melaatsheid of huidvraat, beeldde aan Gods volk de door Hem gehate, verfoeilijke zonde uit. De melaatse wordt door het bloed van het offerdier als het ware gereinigd, net zoals de zondaar wordt gereinigd door het bloed van Christus (1 Johannes 1:7).

 

 

Helend bloed aan het kruis

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

De twee vogels

 

Net zoals de twee bokken op Grote Verzoendag tezamen wijzen op twee aspecten van het ene offer van Christus, zo wijzen de twee vogels in de wet op de melaatsheid ook op het ene offer van Christus, maar op een geheel andere wijze. De twee vogels verwijzen naar de dood en de opstanding van de Heer Jezus Christus, gelijk er staat geschreven in Romeinen 4:25: “Hij heeft Jezus voor onze zonden laten sterven en Hem uit de dood laten terugkomen om ons rechtvaardig te verklaren.”

De vogel die geslacht wordt verwijst naar de plaatsvervangende dood van Christus die voor onze zonden stierf. De tweede vogel die is bedekt met het bloed van de eerste vogel, mag vervolgens in het open veld wegvliegen. Dit verwijst naar de Heer die is opgestaan uit de doden.

 De zondige mens is gereinigd door het bloed van Christus, die plaatsvervangend voor ons aan het kruis stierf en opstond uit de dood. Als Jezus niet zou zijn gestorven, dan zou zijn werk niet volbracht zijn en als Hij niet zou zijn opgestaan uit de doden, dan zou het geloof geen betekenis hebben en zouden onze zonden niet vergeven zijn (1 Korintiërs 15:17).
.
.
.

Het volkomen offer van Christus

 

In Leviticus 14 vers 7 kunnen we lezen dat de priester zevenmaal bloed sprenkelt over de man die is genezen. Zeven is het getal van de volheid. Het wijst daarmee vooruit op het volkomen offer dat Christus bracht. Het bloed van Christus reinigt ons en heeft de weg tot God de Vader die door de zonde was versperd, weer vrijgemaakt.

 

 

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Hij was bij de rijken in zijn dood.

Standaard

categorie : religie

 

 

 

 

 

 

De Bijbel vertelt bij monde van Jesaja en Micha, die zo’n zeshonderd jaar voor Christus leefden, precies waar Jezus van Nazareth geboren zou worden, waar zijn werkterrein zou liggen, hoe zijn afstamming uit een vergeten koningstak zou zijn, en onder welke omstandigheden hij gedood zou worden.

Jesaja meldt, dat hij onder de misdadigers gesteld zou worden (Jesaja 53 vers 12). Met deze misdadigers zou hij in een massagraf geworpen worden. Ook dit heeft Jesaja aangekondigd met de woorden: “Men stelde Zijn graf bij de goddelozen”.

Maar Christus kwam niet in dat massagraf. Een rijk man, Jozef van Arimathea, die in het geheim een volgeling van Jezus was, kwam in dit uur van de waarheid openlijk voor zijn geloof uit en vroeg aan Pilatus om het lichaam van Christus, en legde dat in zijn eigen graf. Zo ging het tweede deel van bovenstaande zin in vervulling: “hij is bij de rijke in zijn dood geweest” (Jesaja 53 vers 9).

De Bijbel, het Woord van God, faalt niet. Zoals de voorzeggingen betreffende het verleden zijn uit- gekomen, zo zal alles wat aangaande de toekomst vermeld staat, punctueel vervuld worden. Eenmaal zal Christus weerkomen, dan zullen allen die in Hem geloofd hebben in Zijn heerlijkheid delen.

Hij zal Zijn regering over deze wereld oprichten en de kerk zal in de glorie aan Zijn zijde staan. Zij die net als Jozef van Arimathea in dit leven voor Jezus Christus kiezen, zullen straks delen in zijn verheerlijking. Die verheerlijking zal even zeker plaatsvinden als Zijn kruisdood heeft plaatsgevonden. U kan er bij wezen, maar dan zult u nu uw schuld voor God moeten erkennen en het offer van Christus aanvaarden.

 

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

Openbaring les 1: Johannes ontmoet een bruisende Christus

Standaard

Categorie: religie

 

 

Openbaring les 1: Johannes ontmoet een bruisende Christus

 

 

 

Pasteltekening van John Astria

 

 

ACHTERGROND

 

Bij het benaderen van het boek Openbaring komen we aan bij het laatste hoofdstuk uit Gods verlossingsverhaal dat ons vertelt hoe alles eindigt. Van in het Oude Testament tot aan dit punt hebben we God Zijn verlossingsplan zien uitwerken doorheen Adam, de aartsvaders, de profeten en uiteindelijk Zijn geliefde Zoon Jezus Christus. Nu dat we aan het einde van dit verlossingsplan zijn geraakt, zien we deze Jezus weer opnieuw. Eigenlijk is het deze Jezus die het centrale thema vormt van het gehele boek. Het boek Openbaring onthult bovenal de majesteit en glorie van de Here Jezus. Doorheen het boek Mattheüs lezen we van Zijn geboorte als de Zoon van David, Zijn onderwijs en onderwijs, terwijl Hij hier op aarde verbleef en evenzeer Zijn dood en opstanding. Al deze dingen bevestigen Zijn goddelijkheid en dat Hij de Messias is. Maar waar het boek Mattheüs Christus presenteerde in Zijn eerste nederige komst, geeft het boek Openbaring Hem nu in Zijn tweede komst hoog en verheven weer. Ieder visioen en beschrijving van Hem in het boek Openbaring is vol van majesteit, macht en glorie. In dit boek worden de hemelen geopend en kunnen de lezers net zoals Stefanus (Hand.7:56) vooruitziende beelden zien van de opgestane verheerlijkte Zoon van God.

De context geeft aan dat we in het jaar 96n.C. zitten, tijdens de regeerperiode van Domitianus van Rome. De Gemeente onderging in deze periode een grote vervolging. Johannes was verbannen naar een eiland dat gekend stond als Patmos (Op.1:9). Ondanks deze vervolging groeide de Gemeente verder en verspreidde ze zich op een snel tempo doorheen de provincie Asia (niet beperkt tot de steden die genoemd worden in Openbaring). Het is aan deze lijdende gemeente in Asia dat het boek Openbaring is geschreven (1:4). Dit getuigenis over de komende heerlijkheid van Jezus Christus werd opgeschreven en de wereld in gestuurd door de apostel Johannes om Zijn lijdende gemeente aan te moedigen om te volharden te midden van deze vervolging. Hun harten en gedachten werden bepaald bij de bevestigende waarheid dat Christus op een dag zal komen en voor eens en altijd zal overwinnen, regeren en de zijnen tot Zichzelf nemen.

 

Christus’ openbaring ingeleid (Openbaring 1:1-3)

 

De discipel Johannes had een speciale plaats in het hart van Jezus. Hij had veel met Hem gewandeld en gepraat hier op aarde en wordt in de Evangeliën verschillende keren beschreven als de discipel die de Here liefhad (Joh.13:23; 20:2; 21:7,20). In het Evangelie van Johannes zien we veel van deze speciale relatie. Vele jaren zijn nu voorbij gegaan sinds de dood en opstanding van de Here Jezus en Johannes blijft trouw zijn Heer volgen (Joh.19:35; 21:24; 1 Joh.1:2; 4:14). Johannes is nu zelfs zijn oudere dagen al lijdend aan het doorbrengen omwille van zijn getuigenis van Christus (1:9). Doordat hij het onderwijs en de wonderen van Jezus van dichtbij had kunnen mee volgen, is Johannes nu een trouwe getuige van Gods Woord en Zijn Zoon Jezus Christus (Op.1:2). Met dit allemaal in gedachten is het haast vanzelfsprekend dat Jezus nu net hem, Zijn geliefde vriend en discipel, verkiest om deze openbaring van de komende dingen bekend te maken.

Johannes begint het weergeven van deze openbaring met een erg informatieve inleiding en vermaning. Deze brief is de openbaring die God heeft gegeven aan Zijn Zoon Jezus betreffende de dingen die in de toekomst nog staan te gebeuren. Christus, die reeds gekruisigd en opgestaan was, zit nu op Zijn plaats bij de Vader in de hemel (Heb.1:3). Het eerste bewijs dat de Vader het gehoorzaam leven van Zijn Zoon behaagde was Zijn opstanding; het tweede de hemelvaart en het derde was het sturen van de Heilige Geest. Doordat Hij Zijn Vader op elk mogelijke manier had behaagd, had God Jezus nu een openbaring gegeven om bekend te maken aan Zijn dienaren op aarde. Jezus had Zijn geliefde vriend Johannes gekozen om deze boodschap aan Zijn volk te delen.

Na deze boodschap door een engel van de Heer te hebben ontvangen, schreef Johannes trouw op wat hij over de verrezen Christus had gehoord en gezien. Omdat de gebeurtenissen die hierin beschreven staan spoedig zullen plaatsvinden, vermaant Johannes anderen die Christus volgen om deze woorden luidop te lezen, er gehoor naar te geven en ze te bewaren tot de wederkomst van Christus. De wetenschap dat de gebeurtenissen die worden weergegeven in het boek Openbaring spoedig zullen plaatsvinden zou iedere christen moeten motiveren (zowel nu als toen) om voor de Heer een heilig en gehoorzaam leven te leiden (2Pet.3:14). Degenen die gehoorzaam zijn aan zulk een waarschuwing worden in de ogen van God als gezegend aanschouwd.

 

 

Christus die verheerlijkt hoort te worden onder de 7 gemeenten te Asia (Openb1: 4-8)

 

Na de verzen 1-3 gaat Johannes verder met het uitbreiden van de inleiding van zijn brief. Het is in deze uitbreiding dat we aanwijzingen vinden over de verdere inhoud van de brief. Dat Johannes zo uitbreidt over de rol van Jezus in 1:5-6 suggereert de centrale plaats die Christus inneemt in dit boek en in de eindtijd. Een deel van die rol zal bestaan uit het meedelen van genade en vrede aan de zeven gemeenten van de Romeinse provincie Asia. Johannes herkende hier de vervolging die die Gemeente destijds meemaakte. Omwille van die vervolging begreep de apostel hoe nodig de zegen van zowel genade als vrede was in moeilijke tijden als deze. Nog interessanter is dat deze zegen van de complete drie-eenheid komt.

Hij “Die is en Die was en Die komt” omkadert de bron van de gehele zegen (1:4, 8). Dit was een punt dat Johannes graag benadrukte door dit gedeelte van het hoofdstuk in te kapselen met deze zin. “De zeven Geesten, Die voor Zijn troon zijn” verwijst mogelijk naar de zevenvoudige Geest uit Jesaja 11:2 of een andere analogie voor de Geest van God. De interpretatie laat ons toe om de “zeven Geesten” hier te zien als de derde persoon van de Drie-eenheid; het werk van de Heilige Geest in de 7 gemeenten!  Als we de zeven Geesten hier lezen als Gods Geest houden de verzen 4 en 5 een zegening in van de Drie-eenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Ongeacht of Johannes al dan niet hiernaar verwijst, hij sluit op zijn minst af met Jezus omdat Zijn rol het centrale element is. Uiteindelijk is het ook net door hun trouw aan Jezus dat de lezers van Johannes tegenstand ondervinden uit de synagoge en van Rome.

Johannes geeft hier in vers 5 drie benamingen die weer die de persoon van Jezus beschrijven en in verzen 5-6 drie uiteenzettingen over Zijn werk. Iedere benaming van Jezus in vers 5 geeft een speciale bemoediging aan de lijdende Gemeente: Jezus had getuigd, was uit de dood verrezen en regeert nu. Dat Jezus “de Eerstgeborene uit de doden” wordt genoemd wil zeggen dat Hij de eerste was die ooit verrezen is uit de doden, en dat Hij van al degenen die ooit uit de dood zullen zijn verrezen Hij de grootste plaats inneemt. Deze opstanding was vooral relevant voor de christenen die weldra omwille van Zijn Naam de dood tegemoet zouden treden.

Als de “Eerstgeborene was Jezus’ opstanding een garantie dat degenen die Hem volgden in de dood ook verrezen zouden worden (1 Kor.15:20) – daarom hadden ze niets te vrezen, zelfs niet de dood (Op.1:17-18). Dat Christus ook heerst over de koningen van de aarde was ook verfrissend voor de Gemeente. Dit taalgebruik zinspeelt op Psalm 89:27 waar Gods “eerstgeboren zoon” regeert over “de koningen van de aarde.” Voor de gelovigen die leden onder de vertegenwoordigers van de machtige Caesar was deze benaming van Jezus inderdaad een grote bemoediging!

Bij het opsommen van drie benamingen van Jezus somt Johannes ook drie daden van Jezus op in verzen 5-6: Hij heeft ons lief; Hij bevrijdde ons van onze zonden; en Hij maakte ons tot koningen en priesters. Jezus’ liefde voor ons komt tot uiting in Zijn plaatsvervangende dood. Deze zekerheid van de liefde van Christus zou de lijdende gelovigen bemoedigen; Zijn dood geeft ook een voorbeeld aan degenen die geroepen werden om deel te hebben aan het offer van het Lam in dienst voor Gods missie in de wereld (Op.6:9).

In de verklaring dat Jezus ons tot koningen en priesters heeft gemaakt, herinnert Johannes zijn publiek aan wat God voor hen bewaard heeft; dat is om vertegenwoordigers en aanbidders te zijn (1:6). Als priesters zullen de volgelingen van Jezus aanbidden (Op.4:10-11, 5:8-10) en offeren, zowel de geur van gebed (5:8; 8:4) als het offer van hun eigen levens (6:9). Het plaatsvervangend werk van Jezus voor alle gelovigen gaf dat Johannes los barstte in lofzang voor de verrezen Christus. Door Zijn daad aan het kruis hadden Johannes en zijn lezers alle reden om zich te verheugen. Christus’ vergoten bloed had hun uiteindelijk verlost van hun zonden. Nu waren ze door het offer van Christus door God vergeven zondaren, bevrijd van zonden, dood en hel.

Johannes eindigt zijn groet aan de zeven gemeenten met een bemoedigende belofte (1:7), nog een andere bevestiging van Gods karakter (1:8). De belofte, dat Jezus komt! Dat Jezus zou terugkomen op de wolken geeft Daniël 7:13 en dat degenen die Hem doorstoken hebben rouw zullen hebben weerspiegelt Zacharia 12:10. Jezus zal komen om alles terug recht te zetten en de vervolgers van de Gemeente zullen dat moeten erkennen. Deze hoop dat Christus op een dag terug zal keren en de gelovigen mee zal nemen naar de hemel om voor eeuwig in Zijn nabijheid te leven geeft hoop en troost (Joh.14:1-3; Thess.4:18).

Aan het einde bevestigd Johannes nogmaals dat de gehele geschiedenis in de handen van de Heer is – zowel de toekomst als het heden (1:8). Zijn volk moeten dus niet vrezen dat er ook maar iets zal gebeuren dat buiten Gods plan valt. Hun God is “de Alfa en de Omega” een benaming die zinspeelt op het boek Jesaja waar God wordt aangegeven als de Eerste en de Laatste (Jes.41:4; 44:6; 48:12). Net als “Die is en Die was en Die komt”, is voor God de gehele geschiedenis van begin tot aan het einde hetzelfde.

God is niet enkel Heer over de tijd, maar regeert ook over het universum: Hij is “de Almachtige”, in dit boek een gebruikelijke naam voor God (1:8; 4:8; 11:17; 15:3; 16:7, 14; 19:6, 15; 21:22). Voor de christenen die leden onder Caesar, was de wetenschap dat ze “de Almachtige” dienden iets wat hun kracht verleende. Caesar mag dan wel zijn rijk voor een bepaalde periode hier op aarde regeren, maar God regeert zowel de wereld als haar verloop in de geschiedenis.

 

 

 

 

Christus voorzien (Openbaring 1:9-16)

 

Onmiddellijk na zijn groeten aan de zeven gemeenten begint Johannes met het beschrijven van zijn visioen van de verrezen Christus. Hier identificeert de apostel zichzelf nederig als iemand die het lijden van de Gemeente op dat moment deelde. Om wille van de getuigenis van Jezus was het christendom binnen het Romeinse Rijk een gehate en verachte religieuze sekte geworden. Johannes nam deel aan dit lijden is duidelijk omdat hij door de Romeinen verbannen werd op het het eiland Patmos. De leiders uit Johannes’ gemeenschap hadden hem verstoten uit alles wat hem bekend was.

Terwijl hij op de dag des Heren aanbad hoorde Johannes een luide stem hem instrueren: “Wat u ziet, schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea.” Johannes moest de openbaring van Jezus Christus op een strategische wijze bezorgen aan deze gemeenten, omdat dit zou zorgen voor een snelle en efficiënte verspreiding van de boodschap. Toen Johannes zich omkeerde en een stem “als van een bazuin” hoorde, zag hij ook “zeven gouden kandelaren” (1:12), die in vers 20 benoemt worden als de zeven gemeenten.

Deze kandelaren waren van goud, omdat goud het meest kostbare metaal was. De Gemeente is voor God de meest prachtige en waardevolle entiteit op aarde – zo waardevol dat Jezus bereid was om het te kopen met Zijn eigen bloed (Hand.20:28). Terwijl dit wezenlijke gemeenten waren op echte locaties, staan de zeven kandelaren symbool voor de soorten gemeenten doorheen de gehele kerkgeschiedenis.

In het midden van de gouden kandelaren zag Johannes “Iemand Die op de Zoon des mensen leek” (1:13). Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de Gemeente, Jezus Christus. Wat het meest van belang is hier is dat Jezus verschijnt tussen de kandelaren (1:12-13; 2:1). Omdat Christus deze kandelaren uitlegt als zijnde de Gemeente in haar volheid (1:20), is Zijn verschijning in het visioen tussen de kandelaren een belangrijke bemoediging voor degenen die leden omwille van Zijn Naam. De bemoediging zit in het feit dat Hij hun niet verlaten heeft. Hij is trouw gebleven aan Zijn belofte die Hij maakte in het Evangelie naar Mattheüs: “Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matth.28:20; Heb.13:5).

Het eerste wat Johannes meedeelde was dat Christus gekleed was “in een gewaad tot op de voeten, en op de borst omgord met een gouden gordel” (1:13b). Het gewaad en de gordel verwijzen terug naar de hogepriester in de tempel in het Oude Testament (Ex.28:4; 39:29; Lev.8:7) en suggereert dat Jezus de Hogepriester is van Zijn volk (Rom.8:33-34). De wetenschap dat hun Hogepriester zich medelevend begaf in hun midden om hun te beschermen en verzorgen gaf extra hoop en troost aan de vervolgde gemeenten.

De rest van Johannes’ visioen van de Mensenzoon licht de goddelijkheid van de verrezen Christus toe, waarvan veel was voorzegd in het boek Daniël. Daniël 7:13-14 verwijst naar een figuur die lijkt op een “zoon des mensen” die zou regeren als Gods vertegenwoordiger. De haren als wol en vergelijking met witte sneeuw (1:14) zinspeelt op God zelf, de “Oude van Dagen” uit hetzelfde gedeelte in Daniël. De stem “als het geluid van vele wateren” (1:15; 19:6) verwijst naar de stem van God zelf als vele wateren in Ezechiël 1:24; 43:2.

Het punt van Jezus’ vlammende ogen, witte haar en bronzen voeten (1:14-15) was dat Hij licht of vuur straalde – enorm gelijkaardig aan vele andere visioenen van God in de Bijbel (Ez.1:27; Dan.7:9-10; Op.21:33; 22:5). Om die reden kon Johannes zijn gezicht enkel beschrijven “zoals de zon schijnt in haar kracht” (1:16c). Johannes’ visioen van de verheerlijkte Heer van de Gemeente bereikte haar hoogtepunt in deze beschrijving van de stralende heerlijkheid van Zijn gezicht. De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte staat was van groot belang voor christenen van eender welke afkomst.

De verrezen Heer is machtig, zelfs goddelijk en kan Zijn volk daarom beschermen en kracht geven voor hun vervolgers. Dit is duidelijk in het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij in Zijn rechterhand zeven sterren vasthoudt (of boodschappers/leiders van de Gemeente) (1:16a, 20a). Het doel van Jezus’ omschrijving was niet om aan de gemeenten Zijn voorkomen mee te delen, maar om Zijn macht te verkondigen. Hij was de regerende Heer van het universum, Degene met de macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef naar de vervolgde christenen om hen eraan te herinneren dat God groter dan hun verzoekingen was.

 

 

Christus’ boodschap (Openbaring 1:17-20)

 

Terwijl het vooruitzicht van Christus bemoedigend zal zijn geweest voor de gemeenten, was Zijn boodschap van nog groter belang. Op een wijze gelijk aan zijn ervaring met de verheerlijking van Jezus op de berg (cf. Matt.7:6) werd Johannes opnieuw met schrik overweldigd bij de verschijning van Christus’ glorie en viel hij “als dood aan Zijn voeten” (1:17). Jezus “legde Zijn rechterhand op” Johannes en sprak tot de bange apostel de rustgevende woorden “wees niet bevreesd” (1:17). Overweldigd door de glorie en majesteit van Christus kon Johannes rust vinden in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving. Deze rustgevende boodschap en zekerheid die Jezus gaf is gebaseerd op zowel wie Hij is en het gezag dat Hij bezit.

Allereerst noemt Jezus Zichzelf “Ik ben” – de verbondsnaam van God (Ex.3:14). Het was met deze naam dat Hij de bevreesde discipelen die Hem op het meer van Galilea zagen lopen geruststelde (Mattheüs. 14:27). Daarna noemt Jezus Zichzelf “de Eerste en de Laatste” wat nog een andere benaming is die in het Oude Testament gebruikt wordt voor God (Jes.44:6; 48:12). Deze benaming bevestigd opnieuw aan Johannes en zijn lezers de goddelijkheid van Christus. Afgeleid van deze naam is het feit dat Jezus al bestond voor alle dingen er waren en zal blijven bestaan tot in de eeuwigheid. Jezus is veel groter en hoger verheven dan eender welke valse god van de omliggende volkeren. Wanneer deze allen zijn gekomen en gegaan, zal enkel Hij nog overblijven.

De hele boodschap van 1:18 heeft ook betrekking op Jezus’ overwinning van de dood. In de Bijbel en Joodse traditie is God de “Levende.” Jezus wordt hier specifiek de “Levende” genoemd omdat Hij, ondanks dat Hij stierf, Hij voor eeuwig leeft. Paulus schreef zelfs dat “Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem” (Rom.6:9). Door uit de dood op te staan garandeerde Jezus eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen ze omwille van Zijn naam de dood in de ogen (20:4). Omdat Christus nu “altijd leeft om voor hen (Zijn volk) te pleiten,” “kan Hij ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan” (Heb.7:25). Ondanks zijn zondigheid in de aanwezigheid van de glorieuze hemelse Heer had Johannes (en al degenen die in Hem geloofden) niets te vrezen, omdat diezelfde Heer de straf voor zijn zonden had betaald met Zijn dood en verrezen was om nu voor eeuwig zijn advocaat te zijn.

Door Zijn overwinning over de dood heeft Jezus ook “de sleutels van het rijk van de dood en van de dood zelf” (Op.1:18). Dat Jezus de sleutels van het dodenrijk bezit geeft aan dat Hij alle macht heeft over de dood. Het zien van zulk een visioen van Christus moet voor Johannes en de Gemeente in de eerste eeuw van grote waarde zijn geweest. In de oude paleizen destijds waren degenen die de sleutels in handen hadden voorname gezagsdragers die konden bepalen of mensen al dan niet in de aanwezigheid van de koning mocht vertoeven. Christus heeft op gelijkaardige wijze het gezag om te beslissen wie sterft en wie leeft; Hij regeert over leven en dood. Door dit te bevatten hadden Johannes en al de verlosten niets te vrezen, omdat Christus hun al van de dood en het dodenrijk had bevrijd door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood gaf aan hen die tot de Gemeente behoren rust en zekerheid, omdat gelovigen niets meer te vrezen hebben.

Aan het eind van het visioen wordt aan Johannes een herinnering gegeven van Zijn goddelijkheid. Op het eerdere gebod van Christus om te schrijven (Op.1:11), wordt nu verder gegaan en aan Johannes wordt gevraagd om drie aspecten op te schrijven. Als eerst “wat u (Johannes) hebt gezien”, het visioen dat hij dus net al gezien en opgeschreven had in verzen 10-16. Ten tweede “wat is”, wat een verwijzing is naar de brieven naar de zeven gemeenten die de toestand van de gemeenten weergaf. En als laatst moest Johannes opschrijven “wat hierna zal geschieden”, de profetische openbaring van de toekomstige dingen die zich ontvouwden in komende visioenen. Christus sluit hier het visioen met Zijn geliefde volgeling door hem te herinneren aan zijn plicht, om de waarheid die hij had geleerd door de visioenen, door te geven.

 

 

Conclusie

 

In het boek Openbaring heeft Christus Zijn Gemeente een erg bemoedigende, maar ook ontnuchterende boodschap gegeven. Doordat de apostel Johannes deze openbaring trouw heeft opgeschreven heeft de vervolgde Gemeente uit die tijd veel rust en zekerheid mogen ontvangen in het feit dat Christus, hun Messias, nu verheerlijkt is. Terwijl ze tegenstand ondervonden, of zelfs de dood door de hand van Caesar, werden ze bemoedigd in het feit dat Christus nog steeds leeft en regeert met Zijn Vader. Hij heeft de dood overwonnen door Zijn leven te geven voor de zonden van mensen. Nu de dood verslagen is blijft enkel de uiteindelijke dag over dat Hij voor de zijnen zal terugkeren. “Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend” (Mc.13:32- 37; 1 Thess.5:2).

Om die reden roept Christus allen uit die tijd op om op Hem te wachten, wat zelfs de dag zelf kan betekenen. De terugkeer van Jezus zal uiteindelijk een einde brengen aan de rebellie van mensen – een gelukkig einde voor Gods volk, maar een tragisch einde voor allen die er voor kiezen om Hem te verwerpen. Omdat deze specifieke tijd onbekend en dichtbij is, mag niemand zijn bekering uitstellen. Er is nooit een goede gelegenheid voor de christenen om zich te hechten aan wereldse bezittingen of voorkomens, omdat Christus op eender welk moment kan terugkeren om rekenschap te vragen voor onze keuzes.

 

 

BEGELEIDENDE VRAGEN

 

 Wie kiest Christus om Zijn openbaring te geven?

 

Christus had van Zijn Vader een openbaring gekregen om aan de gemeente te geven. De boodschapper die Jezus koos om Zijn openbaring te geven, was niemand minder dan Zijn geliefde apostel Johannes. Hem zou de taak toevertrouwd worden van het brengen van deze openbaring van de dingen die zouden gebeuren aan de kerk. Wie in de toekomst deze openbaring luidop zou lezen, ernaar zou luisteren en het gehoorzaamt, zou in de ogen van God gezegend geacht worden.

 

 

 Wat ervoeren Johannes en de kerkelijke gemeente gedurende deze tijd?

 

Terwijl hij deze openbaring ontving, leed Johannes gevangenschap op een klein eiland, genaamd Patmos. Daar hielde de Romeinse overheid hem, omdat hij getuigenis had gegeven van Jezus Christus. Net als Petrus en Paulus voor hem, leed Johannes voor zijn toewijding aan Christus de Messias. De kerk ervoer een gelijke vervolging. Net als Stefanus jaren daarvoor, bleef de kerk te maken hebben met de tegenstand wegens hun trouw aan de Messias. Over de gehele wereld werden gelovigen gehaat voor het volgen van Jezus Christus.

 

 

 Naar waar stuurt de apostel Johannes de openbaring van Jezus Christus?

 

Terwijl Johannes op de dag des Heren aan het lofprijzen was, hoort Johannes een luide stem die tegen hem zegt: “Schrijf dat op een boekrol en stuur het aan de zeven gemeenten die in Asia zijn: naar Efeze, naar Smyrna, naar Pergamus, naar Thyatira, naar Sardis, naar Filadelfia en naar Laodicea” (1:11). Deze zeven gemeenten waren gekozen, omdat ze in de zeven belangrijkste steden gelegen waren waarin Asia verdeeld was. Johannes moest de Openbaring van Jezus Christus strategisch aan de gemeenten brengen, omdat dit een doeltreffende en snelle manier was om de boodschap te sturen.

 

 

 Met welke boodschap groet Johannes de zeven gemeenten?

 

Aan het begin van de brief stuurt Johannes een zeer bemoedigende groet van God en Jezus zelf. De Heer God almachtig, de Alfa en Omega wilde dat ze wisten dat Hij nog de eeuwige Soevereine was. Hij had alles nog in Zijn hand, ongeacht de situatie. Christus wilde dat ze wisten dat Hij van hen hield, Hij hen van zonde bevrijdt had en hen koningen en priesters voor God maakte. Vanwege Zijn werk aan het kruis, hadden Johannes en zijn lezers de grootste reden om verheugd te zijn. Het gevloeide bloed van Christus had hen tenslotte bevrijd van hun zonden. Zij stonden nu als zondaren vergeven voor God, vrijgemaakt van zonden, dood en hel door het offer van Jezus Christus. Daarbij zou Jezus terugkomen voor Zijn volgelingen. Geen andere zekerheid zou een betere bemoediging geweest zijn voor de lijdende gelovigen, dan de wetenschap dat Jezus zou komen om dingen recht te zetten en dat de verdrukkers van de kerk tot de erkenning zullen komen van het verkeerde dat zij gedaan hebben aan Gods dienaren. Deze hoop, dat Christus op een dag zal terugkeren en gelovigen mee naar de hemel zal nemen om voor altijd in Zijn aanwezigheid te zijn, voorzag hen zowel van hoop als wel troost gedurende hun lijden.

 

 

 Wat zag Johannes toen hij zich naar de stem, die sprak, keerde?

 

Toen Johannes zich keerde naar de stem die was als een bazuin, zag hij een als “de Zoon des mensen” die te midden van zeven gouden kandelaren was. Dit is niemand anders dan de verheerlijkte Heer van de gemeente, Jezus Christus. Wat veelbetekenend hier is, is dat Jezus te midden van de kandelaars verschijnt (1:12-13; 2:1). Aangezien Christus uitlegt dat deze kandelaars zijn als de gemeenten in hun volheid (1:20), is Zijn verschijning te midden van de kandelaren Jezus aanwezigheid bij Zijn kerk (Joh.20:19). Dat Jezus in dit visioen aanwezig was bij de kerken, zou een geweldige bemoediging geweest zijn voor degene die lijden voor Zijn naam. De bemoediging hier is dat Christus hen niet verlaten had. Hij was getrouw geweest aan Zijn belofte die Hij in het evangelie van Mattheüs gemaakt had, “En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld” (Matt.28:20; ook Heb.13:5).

 

 

 Hoe zag de Zoon des mensen er uit in het visioen van Johannes?

 

De verschijning van Jezus in Zijn verheerlijkte toestand, zou voor iedere christen van groot belang zijn. De Een die wij dienen is de Een wiens haar als wit wol is en wiens stem is als geluid van vele wateren. Alles van Hem, van Zijn vurige ogen tot Zijn bronzen voeten straalde Zijn heerlijkheid af. Dat zulk een heerlijkheid gezien kon worden, betekende dat de verrezen Heer machtig is, zelfs God zelf en daarom kan Hij zijn kinderen beschermen en in staat stellen te midden van hun verdrukkers. Dit wordt zichtbaar bij het zwaard dat uit Zijn mond kwam (1:16b) en dat Hij de zeven sterren in Zijn rechterhand vasthoudt (of boodschappers/leiders van de kerk) (1:16a, 20a). Het punt van Jezus’ beschrijving hier was niet om de gemeenten van Zijn verschijning te vertellen, maar om Zijn macht te bekent te maken. Hij was de heersende Heer van het heelal, de Een met macht over leven en dood (1:18). Johannes schreef over de vervolgde christenen, hen eraan herinnerende dat God groter was dan hun beproevingen.

 

 

 Hoe reageert de apostel Johannes wanneer hij de Zoon des mensen ziet?

 

Op een manier gelijk aan zijn ervaring met de heerlijkheid van Jezus op de berg van de verheerlijking (cf. Matt.17:6), was Johannes weer overweldigd door angst bij de voorstelling van Gods heerlijkheid. De apostel Johannes schrijft dat hij als dood neerviel voor Zijn magnifieke Verlosser Jezus Christus. En net als Hij lang geleden gedaan had bij de verheerlijking op de berg (Matt.17:7), plaatste Jezus Zijn rechterhand op Johannes en gaf de bange apostel de bemoedigende woorden “Wees niet bevreesd” (1:17). Terwijl hij overweldigd is door de glorie en majesteit van Christus, kreeg Johannes de troost in de zekerheid van Gods genadevolle liefde en barmhartige vergeving.

 

 

 Hoe laat Christus weten wie Hij is, terwijl Hij troost schenkt aan de apostel Johannes?

 

Om Johannes te troosten zegt Jezus, “Ik ben de Eerste en de Laatste, en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid” (1:17-18). Jezus maakt zichzelf bekend als de Een die de dood heeft overwonnen. Hoewel Hij aan het kruis stierf, kon het graf Hem niet vasthouden. Christus, die uit de doden is opgestaan, zal nooit weer sterven. Dus door op te staan uit de dood heeft Christus niet alleen de dood verslagen, maar garandeerde Hij eeuwig leven aan al Zijn volgelingen, ook al zagen zij de dood tegemoet vanwege Zijn naam. Dus ondanks Zijn zondeloosheid in de aanwezigheid van de glorieuze Heer van de hemel, hoefde Johannes niet bang te zijn, omdat dezelfde Heer de straf voor zijn zonden had gedragen (en voor degene die in Hem geloofden) en opgestaan was om zijn eeuwige Verlosser te zijn.

 

 

 Wat zegt de verheerlijkte Christus nu over wat Hij nu in bezit heeft?

 

Door Zijn overwinning over de dood, houdt Jezus ook de “sleutels van de dood en van het dodenrijk zelf” in handen (1:18). De mensen in die dagen geloofden dat het dodenrijk (Hades) een Griekse god was die heerste over het rijk van de dood, “het huis van Hades.” “Dood en Hades” vertegenwoordigen daarom de macht van de dood over de schepping. Dat Jezus de sleutel van het dodenrijk had, duidt het feit aan dat Hij alle macht en gezag over de dood heeft. Door dit begrepen te hebben, had Johannes geen angst, evenals al de verlosten, aangezien Christus hem al verlost had van de dood en het dodenrijk door Zijn eigen dood. Wetende dat Christus gezag heeft over de dood, voorzag grote zekerheid voor degene van de gemeenten, aangezien gelovigen niet langer een reden hebben om bang te zijn.

 

 

SAMENVATTING

 

Voordat God de Bijbel eindigde, verlangde Hij dat er nog een openbaring gegeven werd over de dingen die in de toekomst zouden plaatsvinden. Voor degenen uit de vroege gemeenten, zou zijn boodschap een grote bemoediging zijn tijdens de vervolging. Ondanks hun moeilijke omstandigheden blijft God over alle dingen de controle houden. Hij is de Almachtige, de Alfa en Omega, het begin en het einde. Zelfs Christus Zijn Zoon is daar om een bemoediging te geven. Hij die Hem liefheeft en hen bevrijdt heeft van zonden, blijft bij hen. Dit wordt gezien in het visioen van Johannes van de Mensenzoon. Christus, in Zijn volle glorie, verschijnt aan de apostel. In deze ontmoeting bevestigd Christus dat Hij de Levende is, die zonde en dood heeft overwonnen. Johannes schrijft alles wat Christus hem openbaart over de toekomst, getrouw en in gehoorzaamheid op. Van groot belang is het feit dat Christus spoedig zal komen om alle dingen nieuw te maken. Wat er nog rest is de openbaring van Jezus Christus zoals we kunnen zien in het laatst vermelde boek van het Nieuwe Testament.

Dat Christus stierf, is opgestaan en nu leeft blijft een wonderbare waarheid voor vele christenen vandaag. Ieder van ons zou dankbaar moeten zijn dat Christus ons heeft vrijgemaakt van onze zonden door Zijn bloed en dat Hij zijn gemeente blijft liefhebben en er zorg voor draagt. Nu dat de dood is verslagen, is de laatste dag dat Hij voor de Zijnen zal terugkomen, alles wat overblijft. Deze tijd komt spoedig en zal onverwacht zijn. Het is om die reden dat Christus degene oproept om gereed te zijn, want het kan vandaag zijn. Voor degene die niet bij Gods familie behoren, raakt het moment, om zich naar God te keren, op. Christus zal komen en snel, wanneer Hij komt terwijl men Hem nog afwijst, zal hun einde tragisch zijn. Omdat die tijd onbekend is en nader, zou niemand berouw moeten uitstellen.

 

 

 

 

 

voorpagina openbaring a4

 

 

 

 

pijl-omlaag-illustraties_430109

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

JOHN ASTRIA

 

De 2de negentien van Bachbloesem : Elm

Standaard

categorie :  Gezondheid en gezondheidsproducten

 

 

 

bach_bloesem_remedie_elm_-veldiep

.

 

Elm (Veld-iep)

Ulmus procera

Een van Bach’s tweede 19 remedies.
Bereid volgens de koken-methode.

 

 

.

Indicatie

 

Voor degenen die goed werk doen, de roeping van hun leven volgen en hopen om iets van belang te doen, en dan vaak iets dat de mensheid ten goede komt.

 

 

 

Affirmatie

 

Het leven vraagt van ons geen ondenkbaar offer; het vraagt ons om de reis van het leven af te leggen met vreugde in ons hart, en een zegen te zijn voor de mensen om ons heen. Als we de wereld net een beetje beter achterlaten als gevolg van ons bezoek, dan hebben we ons werk gedaan.

 

 

bach-bloesem-remedie-nr_-11-elm-_-veld-iep_83_0

 

 

 

Habitat

 

De gladde iep of veld-iep is een boom uit de iepen familie (Ulmaceae) die van nature voorkomt in Europa, Noord-Amerika en Zuidwest-Azië. De boom kan 30 m hoog worden.

 

 

 

Emotionele toestand

 

Voor degenen die zeer capabel zijn en die vaak grote verantwoordelijkheid dragen, maar die af en toe het gevoel hebben dat ze niet opgewassen zijn tegen de omvang van hun taken. Daardoor worden ze soms overmand, ze struikelen en verliezen tijdelijk het vertrouwen. Het lijkt alsof ze tijdelijk de verbinding kwijt zijn, en dit zorgt dat ze zich ongemakkelijk en ellendig voelen.

 

 

.

3d-gouden-pijl-5271528

 

.

John Astria

De helderziendheid van Pater Pio

Standaard

categorie : religie

 

 

 

Helderziendheid is een speciale gave, in hoofdzaak toegeschreven aan heiligen, die toelaat duistere feiten of gebeurtenissen te voorzien. Deze gave maakt het ook mogelijk te zien en te horen van op afstand, in tijd en ruimte, zonder tussenkomst van zintuigen of geestelijke vermogens. Bij Pater Pio was die gave zo ontwikkeld dat hij letterlijk de ziel van mensen kon lezen. Er zijn verschillende getuigenissen die interventies van Pater Pio, namelijk in zijn biechtstoel, bevestigen.

 

 

padre_pio

 

 

 

Een dame uit Bologne vertelde: op een dag bracht mijn moeder een bezoekje aan pater Pio met vrienden. Wanneer ze aankwam in San Giovanni Rotonda, ontmoette ze in de sacristie van het klooster de aanbeden priester die haar zei: “Wat doe jij hier? Ga onmiddellijk naar huis: je man is ziek.” Bij die woorden was mijn moeder stomverbaasd: immers, toen ze haar huis verlaten had was de toestand van haar man stabiel. Ze verliet San Giovanni Rotondo met de eerste trein.

Wanneer ze helemaal ongerust thuis kwam vernam ze het nieuws omtrent haar man. Men vertelde haar dat er geen verandering was maar dat hij gedurende de nacht zware ademhalingsmoeilijkheden had gekend, net alsof iets de keel blokkeerde.  Mijn moeder wou zeker zijn en telefoneerde onmiddellijk de dokter. Rond elf uur ’s avonds werd mijn vader binnengebracht in het ziekenhuis om daar met spoed geopereerd te worden

De chirurg die de interventie leidde, haalde uit de keel van mijn vader een grote hoeveelheid etter. Pater Pio had het voorgevoel gehad dat een gevaar mijn man bedreigde en zijn gebeden en zijn raad hadden een zeer positieve invloed op zijn gezondheidstoestand.

 

 

Een van de spirituele zonen van Pater Pio leefde in Rome. Op een dag bevond hij zich onder vrienden en verzuimde door een schaamtegevoel, het Heilig Sacrament te eren door zijn hoed af te nemen. Dit deed hij nochtans telkens hij een kerk passeerde. Hij hoorde een stemmetje in zijn oor, dat van Pater Pio, die hem toefluisterde: “Laf!” Enkele dagen later ging hij naar San Giovanni Rotondo en Pater Pio zei tegen hem: “Opgepast, deze keer heb ik je maar een waarschuwing gegeven maar in de toekomst zal ik je een stevig pak slaag geven.”

 

 

Bij zonsondergang, in de tuin van het klooster was Pater Pio aangenaam aan het keuvelen met enkele gelovigen en met zijn spirituele zonen wanneer hij opmerkte dat hij geen zakdoek meer had. Hij vertrouwde zijn sleutel toe aan één van de aanwezigen en vroeg hem naar zijn kamer te gaan en daar een zakdoek te halen. De man begaf zich dus naar de kamer van Pater Pio waar hij een zakdoek nam.

Hij zag ook de handschoenen liggen en kon niet weerstaan aan de drang om een relikwie te ontvreemden. Hij nam een van de handschoenen en stak ze in zijn zak. Hij keerde terug naar de tuin en gaf de zakdoek aan Pater Pio die hem zei: “En nu ga je terug naar mijn kamer en leg je de handschoen terug die je weggenomen hebt.

 

 

Elke avond voor het slapen gaan knielde een dame voor de beeltenis van Pater Pio om hem zijn zegen te vragen. Haar man, alhoewel hij katholiek was en geloofde in Pater Pio veroordeelde dat overdreven gedrag en lachte iedere keer met haar. Op een dag zei hij tegen Pater Pio: “Weet u dat mijn echtgenote elke avond knielt voor uw foto en u om uw zegen vraagt? ” En Pater Pio zei:” Ja, ik weet het, en jij , jij lacht er elke avond mee. ”

 

 

Op een dag ging een gebrekkig katholiek die desondanks veel waardering genoot in kerkelijke middens, te biecht bij Pater Pio. De man verwaarloosde zijn vrouw en had een minnares. Trachtend zijn gedrag te verantwoorden beweerde hij in een geestelijke crisis te zitten. Hij had niet gerekend op de gave van Pater Pio die met luide stem zei tegen de man die voor hem geknield zat: ” Wat, een geestelijke crisis! Je bedriegt je echtgenote en God is kwaad op jou. Ga weg!”

 

 

Een man vertelde eens: ik had beslist te stoppen met roken en dat offer op te dragen aan Pater Pio. De eerste avond, pakje sigaretten in de hand, bekeek ik de beeltenis van Pater Pio en zei tegen hem:” Pater, het is nu reeds een dag” De tweede avond deed ik hetzelfde:” Pater Pio, het is nu al twee dagen” En zo ging dat voort gedurende drie maanden. Op een dag ging ik Pater Pio opzoeken en ik zei hem:” Pater het is nu al 81 dagen geleden dat ik gestopt ben met roken, 81 pakjes…” Pater Pio antwoordde:” Ik weet het net zo goed als jij , omdat je me ze alle avonden hebt doen tellen. ”

 

 

Een begeleider van een autobus met toeristen op excursie in Gargano zag Pater Pio in de sacristie binnen komen, precies op het ogenblik dat hij wou vertrekken. De man was vergezeld van een tiental personen die wilden biechten. Pater Pio vroeg aan de begeleider “En gij, mijn zoon, wil u zich ook laten zegenen?” Verrast, schoof de begeleider naar voor en knielde neer om de zegen te ontvangen, maar alvorens de zegen te geven, vroeg de pater nog: “En wat hebt u gedaan?”

De man antwoordde: “Niets, vader, een paar uur geleden heb ik gebiecht op de berg San Angelo en nadien heb ik samen met mijn toeristen de H. Communie ontvangen”. Pater Pio vervolgde: “En daarna?” De man antwoordde: “Ik heb piëteitsvolle voorwerpen gekocht”. Pater Pio hernam: “Het zijn niet de devotiestukken die u geërgerd hebben, maar deze zoete dingen”.

Verbaasd herinnerde de begeleider zich dat hij, na de eucharistieviering, gevloekt had omdat de krokante zoetigheden die hij gekocht had minder geschikt waren dan die bedoeld door de toeristen. Te neer geslagen trachtte hij iets te zeggen, maar pater Pio vervolgde: “Het is niet alles. Op de weg nabij San Giovanni Rotondo hebt u de voerder van een voertuig beledigd omdat hij niet rechts hield”. De begeleider, die aanvankelijk gezegd had dat hij niets gedaan had, zegde verward zijn schuldbelijdenis op.

 

 

Een Anglo-Italiaanse dame uit Engeland begaf zich onmiddellijk in de biechtstoel van pater Pio. Maar pater Pio luisterde niet naar haar belijdenis, hij sloot het raampje. Waarom wilde pater Pio de belijdenis van deze dame niet aanhoren? Deze dame kwam gedurende twee weken praktisch alle dagen, waarna pater Pio uiteindelijk haar biecht afnam. Deze dame vroeg waarom zij zo lang moest wachten. Pater Pio antwoordde: “En jij, hoe lang heb jij de Heer laten wachten?”

Gij moet u afvragen hoe Jezus en ik zelf u zouden kunnen ontvangen na al uw heiligschennende communies. Immers gedurende jaren heb jij in staat van doodzonde gecommuniceerd aan de zijde van uw moeder en uw man”.  De dame, ondersteboven en vol spijt, ontving al wenend de absolutie. Enkele dagen later vertrok zij vredevol terug naar Engeland.

 

 

Een man vertelt. Op een avond at ik enkele vijgen meer dan naar gewoonte. Scrupuleus als ik was omwille van die gulzigheid besloot ik ’s anderendaags te biechten bij pater Pio. Op weg naar het klooster deed ik mijn gewetensonderzoek. Ongelukkig herinnerde ik mij niet meer die zonde van gulzigheid. Maar alvorens aan pater Pio de absolutie te vragen zei ik: “ik geloof dat ik een zonde vergeten heb, maar voor ’t ogenblik herinner ik ze mij niet”. Pater Pio zei al lachend: “Eh wel, zijn het de twee vijgen!?”

 

 

God ziet alles en Hij zal onze daden beoordelen. Het volgende verhaal toont duidelijk aan dat God onze intiemste gedachten kent. In 1920 meldde een man zich aan in het klooster van de Kapucijnen. Zonder spijt in zijn hart dacht hij er aan zijn vrouw te vermoorden om met een andere te kunnen trouwen. Het lag dus uitsluitend in zijn bedoeling om zijn bezoek als alibi te gebruiken.

Daar hij wist dat zijn vrouw een monnik kende in een nabijgelegen dorp van de Gargano, waar hij, noch zij gekend waren, kon hij er gemakkelijk zijn misdaad voorbereiden. Enige tijd later kon hij er zijn vrouw van overtuigen om die reis te doen. Na rijp beraad stelde hij zijn vrouw voor een bezoek te brengen aan die pater waarover iedereen sprak. De vrouw reserveerde een plaats voor een retraite en de man begaf zich alleen naar het klooster om een biechtgelegenheid te reserveren.

Terwijl zijn vrouw op de biechtafspraak zou zijn, zou hij zich in het dorp laten zien met de bedoeling te zorgen voor een alibi. Hij bezocht een bistro en benaderde er enkele habitués. Hij zou hen dan een pint betalen, met hen een klapje doen en daarna vertrekken om zijn vrouw te vermoorden nadat zij het bezoek bij de pater had afgelegd. In volle natuur, in de avondschemering, zou niemand iets merken, ook geen lijk vinden. Daarna zou hij zijn kameraden in het bistro opnieuw opzoeken en vertrekken zoals hij gekomen was.

Een perfect plan, met uitzondering van een klein detail: terwijl hij zijn misdaad voorbereidde, las iemand zijn gedachten. In het klooster zag hij pater Pio die reeds de schuld van enkele dorpsbewoners geraden had. Onder een onweerstaanbare dwang wierp de man zich op de knieën in de biechtstoel. Hij had nog maar pas een kruisteken gemaakt of hij hoorde roepen: “ga weg! ga weg, onmiddellijk ga weg zeg ik. Weet u dan niet dat het verboden is u te drenken in het bloed van een moord? Ga weg! Ga weg!”.

Daarna nam de pater de man bij de arm en joeg hem uit de kerk. Bewust van zijn ongure intenties, vluchtte de man naar buiten, viel neer op een steenblok, zijn gezicht in de modder en werd zich bewust van zijn ontelbare zonden. In een oogwenk kwam zijn leven voor de geest en in een ommezwaai zag hij zijn boosaardigheid in. Met pijn in het hart keerde hij terug naar de kerk en vroeg pater Pio om te biechten, met een oprecht hart deze keer.

Pater Pio sprak vol tederheid, alsof hij hem altijd gekend had. Om niet te vergeten beleed hij al zijn zonden, één na één, misdrijf na misdrijf, met alle details. De man kon zijn gruwelijke misdaad toegeven, misdaad die hij alleen kende. Uitgeput maar verlost wierp hij zich voor de pater neer en vroeg nederig vergiffenis. Het is niet alles.

Toen de penitent zich klaar maakte om te vertrekken, zei pater Pio tot hem: “hebt ge nooit verlangd naar een zoon?”. De man dacht: “maar nee toch, weet pater Pio dat ook al?!” En pater Pio voegde er aan toe: “stop met God te mishagen en ge zult een zoon krijgen”. Een jaar later, dag op dag, kwam de man pater Pio terug opzoeken, overtuigd en vader van een zoon, geboren uit zijn vrouw die hij wilde doden.

 

 

De pater Gardiaan van het klooster van San Giovanni Rotondo vertelde: ”Eens kwam hier een zakenman toe uit Pisa met de vraag aan pater Pio om de genezing van zijn dochter. Maar pater Pio bekeek hem en zei: “gij zijt zieker dan uw dochter, gij schijnt bijna dood te zijn.” De man antwoordde daarop: “Bijlange niet, ik voel me prima.” Pater Pio ging verder: “Sukkelaar, hoe kunt ge zeggen dat je je goed voelt met al die zware fouten op je geweten? Minstens 32!” Onmiddellijk daarop beleed de man zijn fouten. En na zijn biecht vertelde hij aan iedereen dat pater Pio hem al zijn zonden die hij had bedreven op voorhand reeds kende.

 

 

Een priester vertelde een voorval dat een confrater had meegemaakt toen hij van tamelijk ver naar pater Pio was gekomen om te biechten. Hij had van trein moeten overstappen en had uren moeten wachten in Bologna. Toen hij gedaan  had met biechten, vroeg pater Pio hem:”Mijn zoon, hebt u me niets vergeten te vertellen?” Toen hij negatief antwoordde, dacht hij goed na en vond niets. Dan zei pater Pio hem met veel begrip: Mijn zoon, gij zijt in Bologna om 5 uur ’s morgens aangekomen.

De kerken waren toe. In plaats van te wachten ben je naar het hotel geweest om wat te rusten voor de H. Mis. Ge hebt u op bed gelegd en hebt zo diep geslapen dat je pas om 15 uur wakker bent geworden, zodanig dat je de Eucharistie niet kon celebreren. Ik weet dat je het niet uit kwade wil hebt gedaan …. Maar het getuigt van wat tekort aan waakzaamheid tegenover ons Heer.

 

 

Toen er nogal wat volk afkwam om pater Pio te zien waren er twee gewapende bewakers belast met de veiligheid van de pater. Toen dan eens na de eucharistieviering pater Pio zich terugtrok naar de sacristie om zijn gewaden uit te doen zei hij tot één van de bewakers vriendelijk: ”wanneer ge hier gedaan hebt, en ik mijn dankzegging heb beëindigd, kom dan eens naar mijn kamer, ik moet u iets zeggen.”

De bewaker was erg gelukkig, en wachtte tot pater Pio zijn dankzegging had gedaan. Hij ging hem opzoeken naar zijn kamer. Pater Pio zei hem: “Ge moet eens naar je ouders gaan, want binnen de acht dagen ga je sterven.” De man antwoordde “Ik voel me opperbest, pater.” Pater Pio zei daarop:”wees niet ongerust, over 8 dagen ga je je nog beter voelen. Dit leven is toch maar een pelgrimstocht. Ga verlof vragen en regel je zaken met je familie; morgen zou het al te laat kunnen zijn.

Nogal onthutst vroeg de bewaker hem: “Mag ik vertellen wat u mij gezegd hebt?” Pater Pio zei: “Niet direct, maar wel als je thuis bent.” De jonge man ging het dorp in en vroeg aan zijn overste om naar huis te mogen gaan. De verantwoordelijke weigerde aanvankelijk, omdat hij het een onvoldoende motief vond, maar toen pater Pio tussenbeide kwam mocht hij eindelijk vertrekken. Eenmaal thuis vertelde de man wat pater Pio hem gezegd had en dat hij nu gekomen was om zijn familie te groeten voor zijn dood. En op het einde van 8 dagen is hij overleden.

 

 

De religieuzen van het klooster van Venafro, die pater Pio gedurende een tijd hadden opgevangen waren getuigen van de visioenen maar ook nog van andere onverklaarbare verschijnselen. Onder andere, zelf zwaar ziek kon pater Pio de gedachten, van andere mensen lezen. Op een keer kwam eerwaarde Heer Augustin hem opzoeken. Pater Pio vroeg hem: “Bid vanmorgen eens speciaal voor mij”.

Toen hij van de kerk wegging was hij van plan tijdens de eucharistie speciaal voor hem te bidden. Maar hij vergat het. Wanneer hij pater Pio terug ontmoette vroeg deze:”Hebt ge voor mij gebeden?” Abbé Augustin gaf zijn vergetelheid toe en pater Pio zei daarop:”’t Is goed, Ons Heer heeft uw intenties aanvaard toen je van de kerk wegging.”

 

 

Op een keer toen pater Pio in het heiligdom aan het bidden was kwamen zijn confraters hem vragen om van iemand een particuliere biecht te horen. Pater Pio keek op en zei op strenge toon: “Denkt ge dat, nadat Ons Heer 25 jaar heeft gewacht, hij geen 5 minuten geduld moet hebben? En iedereen begreep dat pater Pio de waarheid had gesproken!

 

 

Pater Carmelo Durante, die de overste was van pater Pio in het klooster van San Giovanni Rotondo gaf dit getuigenis naar aanleiding van de gave van profetie van pater Pio. “Gedurende de Tweede Wereldoorlog hoorden we bijna dagelijks spreken over de oorlog, over schitterende militaire overwinningen die de Duitsers op het front behaalden. Op zekere morgen, toen de gemeenschap in de kleine zaal samen zat, hoorde ze het recente nieuws dat de Duitsers zich naar Moscou begaven.

Ik stond aan de grond genageld met de gedachte dat dit het einde van de oorlog zou kunnen betekenen en ook de uiteindelijke overwinning van de Duitsers. Ik kwam in de gang de eerwaarde pater Pio tegen, en ik vertelde hem erg gelukkig en vol enthousiasme: “De oorlog is gedaan.”  “Wie heeft u dit verteld?”, vroeg pater Pio. En ik toonde hem de krant. Pater Pio zei daarop: “Heeft Duitsland gezegevierd? Denk eraan: Duitsland zal deze keer verliezen. Het zal niet zijn zoals de andere oorlog, vergeet dat niet.”

Maar ik repliceerde:” De Duitsers trekken al op naar Moscou.” Pater Pio zei:”Vergeet niet wat ik u gezegd heb, …” en toen ik nog insisteerde: ”Maar als Duitsland de oorlog verliest, verliest Italië ook!” En toen zei hij me nog op een besliste toon:”Kijk goed uit je twee ogen of ze wel samen de oorlog beëindigen.” Op dat moment leken die woorden nogal mysterieus, want er bestond een verbond tussen Duitsland en Italië. Maar het jaar daarna, na de wapenstilstand met de geallieerden op 8 september 1943 en na de daaropvolgende oorlogsverklaring van Italië aan Duitsland begreep ik het wel allemaal!

 

 

Een vrouw vertelde: “Ook ik wilde deelnemen aan een georganiseerde reis naar San Giovanni Rotondo om pater Pio te leren kennen en en hem te ontmoeten. Dat was in 1961. In de bus was er een man die opeens luid riep: “Mijn vrouw wilde dat ik met haar meeging naar deze ‘bedrieger’”. Dit was natuurlijk een verwijzing naar de dierbare pater. Deze beschuldiging ging dwars door mijn hart.

Toen we in San Giovanni Rotondo aankwamen gingen we onmiddellijk naar de kerk om er de heilige mis bij te wonen. Na de mis begaf pater Pio zich onder de pelgrims. Toen hij dichtbij ons kwam bleef hij staan vlak vóór de man die zich in de bus negatief over hem had uitgelaten en zei: “Kom hier, kom bij die bedrieger!” De man werd bleek, knielde neer en kon enkel stamelend zeggen: “Vergeef me pater! Vergeef me!” Pater Pio legde een hand op zijn hoofd en zegenend vervolgde hij: “Sta op, ik vergeef je.” De man was meteen bekeerd en allen waren vol bewondering en ontroering.”

 

 

Een vrouw vertelde: “In 1945 bracht mijn moeder me naar San Giovanni Rotondo om pater Pio te leren kennen en om bij hem te biechten. Er was veel volk. In afwachting van mijn beurt dacht ik na over alles wat ik aan de pater moest zeggen maar toen ik dan bij hem was klapte ik volledig dicht. De dierbare pater bemerkte meteen mijn bedeesdheid en zei met een glimlach: “Wil je dat ik het in jouw plaats zeg?” Ik knikte instemmend en meteen stond ik stomverbaasd.

Dat kon niet waar zijn! Pater Pio zegde woord voor woord alles wat ik hem had willen zeggen. Ik werd rustig en kalm en ik dankte in gedachten de geëerde pater dat hij mij een van zijn uitzonderlijke bovennatuurlijke gaven had laten ervaren. Ik vertrouwde hem de gezondheid toe van mijn ziel en mijn lichaam. Hij antwoordde: “Ik zal altijd je geestelijke vader zijn!” Ik nam afscheid van hem met een immense vreugde in mijn hart. Terwijl ik in de trein op terugweg naar huis was, nam ik een intense geur waar die ik nooit zal vergeten!”

 

 

 

 

3d-gouden-pijl-5271528

 

 

 

preview en aankoop boek “De Openbaring “: 

http://nl.blurb.com/books/5378870?ce=blurb_ew&utm_source=widget

 

 

 

JOHN ASTRIA